Art. 29bis, § 1, eerste lid WAM bepaalt dat bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in art. 2, § 1, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed wordt door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken.
Krachtens art. 1251, 3o BW gebeurt de indeplaatstelling van rechtswege ten voordele van hem die, met anderen of voor anderen, tot betaling van een schuld gehouden zijnde, er belang bij had deze te voldoen.
Uit deze bepalingen volgt dat wanneer bij een verkeersongeval meerdere motorrijtuigen betrokken zijn, de respectieve verzekeraars het slachtoffer moeten vergoeden en de last in beginsel elk voor een gelijk deel moeten dragen.
Diegene die tot vergoeding van het slachtoffer overgaat, heeft op grond van art. 1251, 3o BW een regresvordering tegen de andere aansprakelijkheidsverzekeraars voor wat hij boven zijn deel betaalt aan het slachtoffer.
Art. 29bis, § 4, eerste lid WAM 1989 bepaalt dat de verzekeraar of het Gemeenschappelijk Waarborgfonds in de rechten van het slachtoffer treedt tegen de in gemeen recht aansprakelijke derden.
Art. 29bis, § 5 van deze wet bepaalt dat de regels betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing blijven op alles wat niet uitdrukkelijk bij dit artikel is geregeld.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was dat de last van voormelde schade uiteindelijk gedragen moet worden door degene die in gemeen recht aansprakelijk is voor het ongeval, behalve in zoverre het slachtoffer zelf schuld heeft aan het ongeval.