Artikel 29bis WAM-Wet stelt letterlijk het volgende:
“§ 1. Bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken. Deze bepaling is ook van toepassing indien de schade opzettelijk werd veroorzaakt door de bestuurder.
Bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig is betrokken dat aan spoorstaven is gebonden, rust de verplichting tot schadevergoeding die in het voorgaande lid is bepaald, op de eigenaar van het motorrijtuig.
Schade aan functionele prothesen wordt beschouwd als lichamelijke schade.
Onder functionele prothesen wordt verstaan: de door het slachtoffer gebruikte middelen om lichamelijke gebreken te compenseren.
Artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen is van toepassing op deze schadevergoeding. Wanneer het ongeval evenwel door toeval gebeurde, blijft de verzekeraar tot vergoeding gehouden.
De bepalingen van dit artikel zijn tevens van toepassing op de verkeersongevallen in de zin van het eerste lid waarbij motorrijtuigen zijn betrokken die krachtens artikel 10 van deze wet vrijgesteld zijn van de verplichting tot verzekering en wanneer de eigenaars van die motorrijtuigen gebruik hebben gemaakt van die vrijstelling.
Slachtoffers die ouder zijn dan 14 jaar en het ongeval en zijn gevolgen hebben gewild, kunnen zich niet beroepen op de bepalingen van het eerste lid.
Deze vergoedingsplicht wordt uitgevoerd overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de aansprakelijkheidsverzekering in het algemeen en de aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen in het bijzonder, voor zover daarvan in dit artikel niet wordt afgeweken.
§ 2. De bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden kunnen zich niet beroepen op de bepalingen van dit artikel, tenzij de bestuurder optreedt als rechthebbende van een slachtoffer dat geen bestuurder was en op voorwaarde dat hij de schade niet opzettelijk heeft veroorzaakt.
§ 3. Onder motorrijtuig moet worden verstaan ieder voertuig bedoeld in artikel 1 van deze wet met uitzondering van rolstoelen met een eigen aandrijving die door gehandicapten in het verkeer kunnen worden gebracht.
§ 4. De verzekeraar of het gemeenschappelijk waarborgfonds treden in de rechten van het slachtoffer tegen de in gemeen recht aansprakelijke derden.
De vergoedingen, die ter uitvoering van dit artikel werden uitgekeerd, zijn niet vatbaar voor beslag of schuldvergelijking met het oog op de vordering van andere vergoedingen wegens het verkeersongeval.
§ 5. De regels betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid blijven van toepassing op alles wat niet uitdrukkelijk bij dit artikel wordt geregeld.”.
Zelfdoding wordt niet vermoed. De bewijslast terzake rust op de verzekeraar
Krachtens artikel 29bis, § 1, tweede lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen rust bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is dat aan spoorstaven gebonden is, de verplichting tot schadevergoeding die in het voorgaande lid is bepaald, op de eigenaar van dat voertuig.
Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 januari 2001 tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de regeling inzake automatische vergoeding van de schade, geleden door zwakke weggebruikers en passagiers van motorrijtuigen, die het voormelde tweede lid ingevoegd heeft in artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 blijkt dat de wetgever doelt op elk ongeval waarbij een aan spoorstaven gebonden motorrijtuig betrokken is en waarvan een zwakke weggebruiker het slachtoffer was, ongeacht de plaats waar een dergelijk ongeval zich voordoet.
Het argument volgens hetwelk die wetsbepaling enkel doelt op de ongevallen die zich voordoen op een plaats waar het aan spoorstaven gebonden voertuig de openbare weg volgt of dwarst, faalt naar recht (Cass. 11 januari 2010, NJW 2010, 197, met noot i. Boone, “Treinongeval ‘in eigen bedding’: hof van Cassatie aanvaardt bevoegdheid politierechtbank en toepassing artikel 29bis WAM” – het ging hier ook om een ongeval waarbij een passagier bij het uitstappen van de trein ten val kwam).
Hiermee bevestigt het hof de stelling dat de verwijzing naar de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1 WAM-Wet niet geldt voor verkeersongevallen met spoorvoertuigen, zodat artikel 29bis ook van toepassing is op treinongevallen die gebeuren op plaatsen waar de trein in een eigen bedding rijdt (i. Boone, noot onder voormeld arrest, 198; zie ook Cass. 29.9.2011, internet, http://jure.juridat.just.fgov.be).
Het is dan ook zo dat de treinreiziger die een trein wenst te nemen en hierbij via de sporen naar het perron op weg is, doch door een trein aangereden wordt, aanspraak kan maken op de schadevergoeding conform het artikel 29bis van de WAM-Wet.