definitie : de ontzetting of vervallenverklaring is de bijkomende straf opgelegd door de rechter waarbij die aan de veroordeelde het recht wordt ontnomen bepaalde burgerlijke en/of politieke rechten uit te oefenen
wettelijke basis art. 31 Sw. 1867 en volgende
in tegenstelling tot de afzetting werkt werkt de ontzetting enkel voor de toekomst
In bepaalde gevallen is deze bijkomende straf verplicht. In andere facultatief, Zij kan levenslang of tijdelijk, geheel of
gedeeltelijk worden opgelegd.
art. 47 Sw. 2024 (in werking 8 april 2026) stelt:
“Art. 47. Ontzetting uit bepaalde burgerlijke en politieke rechten
De gehele of gedeeltelijke ontzetting heeft betrekking op de uitoefening van de volgende rechten:
1° het recht openbare ambten, bedieningen of betrekkingen te vervullen of de titels en graden te voeren waarmee de betrokkene is bekleed;
2° het recht verkozen te worden;
3° het recht enig ereteken te dragen of enige adellijke titel te voeren;
4° het recht gezworene of deskundige te zijn, als instrumentair of attesterend getuige bij akten op te treden; het recht in rechte te getuigen, anders dan om enkel inlichtingen te geven;
5° het recht geroepen te worden tot het ambt van voogd, toeziend voogd of curator, behalve over de eigen kinderen, of om het ambt van gerechtelijk bewindvoerder over de goederen van een vermoedelijk afwezige of bewindvoerder van een persoon die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek is beschermd uit te oefenen;
6° het recht wapens te dragen of enige activiteit met betrekking tot wapens uit te oefenen;
7° het recht te dienen in het leger.
In geval van veroordeling tot een straf van niveau 8 wordt de levenslange ontzetting uitgesproken van de rechten bedoeld in het eerste lid. De rechter kan daarnaast de ontzetting van het kiesrecht opleggen voor het leven of voor een periode van twintig tot ten hoogste dertig jaar.
In geval van veroordeling tot een straf van niveau 7, kan de rechter de veroordeelde geheel of ten dele ontzetten van de uitoefening van de rechten bedoeld in het eerste lid voor twintig jaar. De rechter kan daarnaast de ontzetting van het kiesrecht opleggen voor een zelfde periode.
In geval van veroordeling tot een straf van niveau 2 tot en met 6, kan de rechter de veroordeelde geheel of ten dele ontzetten van de uitoefening van de rechten bedoeld in het eerste lid voor vijf tot ten hoogste tien jaar.
De periode van de ontzetting, bij het vonnis of arrest van veroordeling bepaald, gaat in op de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. De termijn wordt evenwel verlengd met de tijd waarin de gevangenisstraf of de behandeling onder vrijheidsberoving wordt uitgevoerd, met uitzondering van de periode gedurende dewelke de straf wordt uitgevoerd onder de modaliteit van het elektronisch toezicht en de periodes van voorwaardelijke of voorlopige invrijheidstelling.
Indien daartoe grond bestaat, kan de strafuitvoeringsrechtbank beslissen een in kracht van gewijsde getreden veroordeling tot de ontzetting uit de rechten te wijzigen door de duur of de omvang van de ontzetting te verminderen, de ontzetting op te schorten of te beëindigen.”
Commentaar:
De straf van de ontzetting uit de burgerlijke en politieke rechten is een erfenis van de Franse Code pénal van 1810 en werd in het Belgisch Strafwetboek ingevoerd met als doel de bescherming van de maatschappelijke orde. De straf was als een tweesnijdend zwaard opgevat: de ontzetting uit de rechten zou enerzijds de maatschappij beschermen tegen nieuwe misdrijven door de veroordeelde en zou anderzijds ook de veroordeelde treffen in zijn individueel zedelijk patrimonium, in zijn eer en goede naam, en zou een ernstige aantasting van zijn rechtspositie als burger teweegbrengen.
De opvattingen m.b.t. de strafdoelen hebben doorheen de jaren talrijke evoluties ondergaan. Bovendien duiken er ook nieuwe inzichten op in de rechtspraak. Zo oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in 2005 dat een verplichte ontzetting uit het kiesrecht slechts gerechtvaardigd kan worden door de aard of de ernst van bepaalde misdrijven.
Er dient echter te worden gebroken met de stempel van ‘erestraf’ en er moet worden gestreefd naar een meer accurate bestraffing in die zin dat het verplicht en algeheel karakter van de ontzetting uit de rechten enkel nog kan weggelegd zijn voor de veroordelingen tot een straf van niveau 8 (m.n. levenslange gevangenisstraf). T.a.v. de andere veroordelingen (straffen van niveau 7 t.e.m. niveau 2) moet de ontzetting een facultatief karakter krijgen en moet de ontzetting ook betrekking kunnen hebben op een gedeelte van de geviseerde rechten. Voor veroordelingen van niveau 1 lijkt deze straf disproportioneel te zijn.
Het algemeen principe m.b.t. de evenredigheid van de bestraffing verplicht de feitenrechter na te gaan of bv. de oplegging van een ontzetting uit bepaalde burgerlijke en politieke rechten kan worden verantwoord.
M.b.t. de opsomming van de rechten waarvan de betrokkene kan worden ontzet, wijzigt het SW 2024 weinig aan het Sw. 1867. Wel wordt er gewag gemaakt van de ontzetting van het recht de titels of graden te voeren waarmee de betrokkene is bekleed. De inspiratiebron hiervoor betreft het Voorontwerp Legros waar werd gepleit om komaf te maken met de bijkomende criminele straf van de afzetting (art. 19 Sw. 1867) en te integreren in het artikel m.b.t. de ontzetting uit de rechten.
M.b.t. de duur van de ontzetting uit de rechten wordt het volgende voorzien: levenslang voor veroordelingen tot levenslange gevangenisstraf; twintig jaar voor veroordelingen van niveau 7, vijf tot tien jaar in de andere gevallen.
M.b.t. de aanvangstermijn van de ontzetting werd in het strafwetboek 2024 het artikel 34 Sw. 1867 hernomen, weze het duidelijker geformuleerd. “De tijd van de ontzetting, bij het vonnis of arrest van veroordeling bepaald, gaat in op de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. De termijn wordt evenwel verlengd met de tijd waarin de gevangenisstraf of de behandeling onder vrijheidsberoving wordt uitgevoerd, met uitzondering van de periode van vervroegde invrijheidstelling.”
Nieuwigheid is dat de strafuitvoeringsrechtbank de mogelijkheid krijgt deze straf te herzien en dit naar het voorbeeld van artikel 95/1 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (m.b.t. de vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen).