Naar luid van artikel 64, § 1 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen worden, onder voorbehoud van de bekentenis en de eed, en ongeacht het bedrag van de verbintenissen, de verzekeringsovereenkomst alsook de wijzigingen ervan tussen partijen door geschrift bewezen.
Deze bewijsregel geldt zowel voor het bestaan als de inhoud van de verzekeringsovereenkomst.
Enkel indien een begin van bewijs door geschrift wordt geleverd, is het bewijs door getuigen of vermoedens toegelaten. De door beide partijen ondertekende bijzondere polisvoorwaarden maken een geschrift uit in de zin van artikel 64, § 1 van de wet van 4 april 2014.
Dit geschrift bevat niet alleen de vereiste vermeldingen over de gedekte risico’s en de premie maar verwijst ook naar het bestaan van algemene voorwaarden (...), die deel uitmaken van het contract.
Evenwel is de verzekeringnemer slechts gebonden door deze algemene voorwaarden, indien (1) hij uiterlijk op het ogenblik van de contractsluiting effectief kennis heeft genomen van (de inhoud van) deze algemene voorwaarden of de mogelijkheid heeft gehad er effectief kennis van te nemen en (2) hij deze algemene voorwaarden ook daadwerkelijk als deel van de contractinhoud heeft aanvaard.
De loutere verwijzing bij de contractsluiting naar het bestaan van algemene voorwaarden en het type (referentienummer) van deze algemene voorwaarden is ontoereikend om de gebondenheid van de verzekeringnemer aan deze algemene voorwaarden te bewijzen.
Niet ondertekende algemene voorwaarden vormen geen geschrift in de zin van artikel 64, § 1 Wet Verzekeringen. De handtekening moet namelijk op het geschrift zelf rechtstreeks aangebracht zijn. Een loutere verwijzing naar algemene voorwaarden op het ondertekend document volstaat niet om de effectieve aanvaarding van die algemene voorwaarden aan te tonen.