Overeenkomstig artikel 2052, eerste lid, oud Burgerlijk Wetboek hebben dadingen tussen partijen «kracht van gewijsde in hoogste aanleg», waarmee wordt bedoeld dat dadingen een extinctief effect hebben ten aanzien van het geschil dat partijen door de sluiting van de dading beoogd hebben te beëindigen. Meer bepaald geven de partijen bij een dading wederzijds hun ius agendi prijs ten aanzien van het geschil dat partijen met de dading beëindigen.
Aangenomen moet worden dat de geschillen die door een dading worden bezworen, niet opnieuw ter beoordeling aan de rechter kunnen worden voorgelegd, behoudens voorafgaande ontbinding van de dadingovereenkomst.
Wanneer de rechtbank reeds oordeelde dat een vordering tot ontbinding van de tussen partijen gesloten dadingovereenkomst ontoelaatbaar was, gezien ze niet berust op een feit dat of handeling die in de initiële dagvaarding werd aangehaald, staat vast dat de dading ook als ontbonden kan worden beschouwd.
Stellen dat een beroep op de exceptie van dading slechts mogelijk is wanneer degene die er zich op beroept, zelf naar behoren de dading is nagekomen strookt niet met de wettelijke bepalingen.
Vooreerst voorziet de wet niet in een dergelijke opschortende voorwaarde, alvorens met succes een beroep op de exceptie van dading zou kunnen worden gedaan.
Daarnaast weze eraan herinnerd dat een dading een bijzondere overeenkomst is die procesrechtelijke gevolgen heeft. Uit artikel 2052, eerste lid, oud Burgerlijk Wetboek blijkt meer bepaald dat de wetgever initieel voor ogen heeft gehad aan de dading een met een rechterlijke beslissing vergelijkbaar effect toe te kennen wat betreft de impact ervan op het geschil naar aanleiding waarvan de dading tot stand kwam.
Ongeacht of de wetgever een aan «kracht» (cf. de Nederlandstalige versie van art. 2052, eerste lid, oud Burgerlijk Wetboek) dan wél «gezag» (cf. de Franstalige versie van art. 2052, eerste lid, oud Burgerlijk Wetboek (autorité de la chose jugée)) van gewijsde vergelijkbare werking voor ogen had, staat vast dat de wetgever door de werking van dadingen in termen van «gewijsde» te omschrijven, de mogelijkheid voor een partij om zich op de exceptie van dading te beroepen heeft willen loskoppelen van de vraag of en de mate waarin die partij zelf voldeed aan de uit de betreffende dading voortvloeiende verbintenissen. Naar analogie is het om uit te maken of een partij zich al dan niet op hetzij de kracht van gewijsde, hetzij het gezag van gewijsde van een rechterlijke beslissing kan beroepen, immers volstrekt irrelevant of die partij zich zelf (hetzij vrijwillig, hetzij gedwongen) naar de inhoud van de rechterlijke beslissing heeft geschikt.
Meer algemeen staat de dading buiten het strikte contractenrecht waardoor het bijvoorbeeld niet mogelijk is een dading op te zeggen.
Derhalve staat het vast dat de loutere sluiting van een dading voldoende is om de dading haar extinctief effect te laten sorteren, zonder dat partijen zich daar pas bij wijze van exceptie van dading op zouden kunnen beroepen wanneer ze zelf naar behoren uitvoering gaven aan de dading. Een partij hoeft een vonnis niet na te leven om zich op de extinctieve werking van dat vonnis te beroepen.
Daaruit volgt ook dat het enige wat een reeds gevatte rechter nog mag doen wanneer over het geschil waarvoor hij gevat is een dading tot stand is gekomen lopende het geding, vaststellen is (i) dat er effectief een dading tot stand is gekomen en (ii) dat daardoor zijn saisine over het gezegde geschil «geledigd» is. Immers, door de loutere sluiting van een dading geven partijen wederzijds hun ius agendi prijs over het daaraan onderliggende geschil.
zie evenwel www.elfri.be - Rechtspraak - Dading heeft slechts extinctieve werking wanneer de verbintenissen vervat in de dading werden uitgevoerd