Deze bijdrage is een ontleding en samenvatting van de noot onder Hof van Cassatie, 1e Kamer – 20 september 2013, L. De Keyser, RW 2014-2015, 618
Vooreerst dient het onderscheid gemaakt tussen:
Enerzijds de onverdeeldheid volgens de wijze van ontstaan en anderzijds de onverdeeldheid volgens de samenstelling ervan
Onverdeeldheden worden volgens de wijze van hun ontstaan ingedeeld in:
1. Toevallige onverdeeldheid
2. Vrijwillige onverdeeldheid
3. Gedwongen onverdeeldheden
Oude stelling:
1. De vordering tot onuitverdeeldheidtreding in toepassing van art. 815 B.W. is enkel toepasselijk op onverdeeldheden door nalatenschappen.
2. Bij uitbreiding is vordering tot onuitverdeeldheidtreding mogelijk op overige toevallige onverdeeldheden maar niet op de vrijwillige onverdeeldheden.
Vrijwillige onverdeeldheid is immers een contractuele verbintenis waarbij de bindende kracht van de gesloten overeenkomsten (art. 1134, eerste lid BW) primeert op artikel 815 B.W.
(F. Laurent, Principes de droit civil belge, X, Brussel, Bruylant, 1878, p. 264-267, nrs. 233-234; H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, V, Brussel, Bruylant, 1975, p. 1037, nr. 1165a, B; R. Jansen, “Artikel 815 BW” in Comm.Erf., p. 18-19, nrs. 18-20; V. Sagaert, o.c., in A.-L. Verbeke en F. Buyssens (eds.), Actuele reflecties over notariële materies, p. 73, nr. 7; R. Jansen, “Artikel 815 BW” in Comm.Erf., p. 22-23, nr. 17; Gent 12 maart 2009, www.juridat.be; Brussel 2 april 2008, www.juridat.be; Luik 23 januari 2008, JT 2008, 272; Brussel 18 oktober 2006, JT 2006, 793, noot D. Sterckx; Gent 8 mei 2003, NjW 2003, 971, noot BW; Rb. Gent 26 juni 2012, RW 2013-14, 1471; Rb. Charleroi 28 juni 2002, RNB 2002, 845; Rb. Tongeren 6 maart 1991, TBBR 1991, 402; Rb. Brussel 14 januari 1975, JT 1975, 229).
Moderne stelling
1. De vordering tot onuitverdeeldheidtreding is mogelijk is voor elke vormen van toevallige onverdeeldheid (V. Sagaert, “De beëindiging van vrijwillige onverdeeldheden. Ja, maar of neen, tenzij?” in A.-L. Verbeke en F. Buyssens (eds.), Actuele reflecties over notariële materies, Gent, Larcier, 2012, p. 82, nr. 28).
2. De vordering tot onuitverdeeldheidtreding is niet mogelijk op gedwongen onverdeeldheden heerst in de huidige doctrine eensgezindheid (vb. appartementsmedeëigendom(V. Sagaert, “De beëindiging van vrijwillige onverdeeldheden. Ja, maar of neen, tenzij?”, in A.-L. Verbeke en F. Buyssens (eds.), Actuele reflecties over notariële materies, p. 71, nr. 3; R. Jansen, “Artikel 815 BW” in Comm.Erf., p. 13, nr. 14 A; H. Vandenberghe en S. Snaet, o.c., p. 91-94, nr. 46). Twistpunt is de toepasselijkheid van art. 815 BW op vrijwillige onverdeeldheden.
3. ook de vrijwillige onverdeeldheden vallen onder de toepassing van 815 B.W. (D. Lechien en R. Pirson, “L’article 815 du Code civil et l’indivision volontaire à titre principal” in P. Dehan (ed.), La copropriété, Brussel, Bruylant, 1985, 228-253; R. Jansen, “Artikel 815 BW” in Comm.Erf., p. 20-21, nrs. 21-24; V. Sagaert, o.c., in A.-L. Verbeke en F. Buyssens (eds.), Actuele reflecties over notariële materies, p. 74-75, nr. 9, J. Vananroye, Onverdeelde boedel en rechtspersoon. Technieken van vermogensafscheiding en vermogensovergang in het burgerlijk en ondernemingsrecht, Antwerpen, Biblo, 2014, p. 247-248, nr. 342; E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 97, nr. 118; E. Dirix, “Vermogensrechtelijke aspecten van het concubinaat” in P. Senaeve (ed.), Concubinaat, Leuven, Acco, 1992, p. 217, nr. 352; J. Hansenne, Les biens, II, Luik, Collection scientifique de la Faculté de droit de l’Université de Liège, 1996, p. 888-889, nr. 883; W. Pintens, C. Declerck, J. Du Mongh en K. Vanwinckelen, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 379, nr. 698; A. Verbeke, “Scheiding van goederen en onverdeeldheden. Over de rechtsgeldigheid van een TIGV”, T.Not. 2011, 179 e.v.), keerde het tij door kritische analyses van Kokelenberg en Romain (J. Kokelenberg, “Enige verdeelde bedenkingen omtrent onverdeeldheid”, TBBR 1997, (238) 243-259; J.-F. Romain, “Copropriété et autonomie de la volonté: de la copropriété volontaire à titre principal et l’application de l’article 815 du Code civil” in Les copropriétés, Brussel, Bruylant, 1999, 7-63).
Edoch lijkt het te kort door de bocht om zomaar (elke) vordering om uit onverdeeldheidtreding toe te staan voor vrijwillige onverdeeldheid.
Het in de bijdrage besproken arrest van het Hof van Cassatie gaat onder meer uit van de stelling art. 815 BW niet toepasselijk is op vrijwillige onverdeeldheden.(N. Carette, “Actuele ontwikkelingen zakenrecht 2013” in N. Carette en R. Barbaix (eds.), Tendensen vermogensrecht 2014, Antwerpen, Intersentia, 2014, (51) 66, nr. 19a; J.-F. Romain, “Copropriété et autonomie de la volonté: de la copropriété volontaire à titre principal et l’application de l’article 815 du Code civil” in Les copropriétés, Brussel, Bruylant, 1999, p. 57, nr. 35 en p. 62, nr. 36).
Quid met het principe van openbare orde (algemeen rechtsbeginsel) dat contracten van onbepaalde duur te allen tijde kunnen worden opgezegd?(Cass. 16 oktober 1969, Arr.Cass. 1970, 167, RCJB 1970, 527; I. Claeys en L. Phang, “Van bepaalde duur naar onbepaalde duur en terug”, TPR 2008, p. 396, nr. 21; L. Cornelis, Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia, 2000, 814).
Blijft de vraag of dit algemeen rechtsbeginsel ook van toepassing is op overeenkomsten tot vestiging van een zakelijk recht (V. Sagaert en A. Apers, “Kroniek privaat vastgoedrecht (2010-2013)” in V. Sagaert (ed.), Themis vastgoedrecht, Brugge, die Keure, 2014, 9), wordt deze vraag door sommige rechtsleer terecht bevestigend beantwoord (R. Jansen, “Artikel 815 BW” in Comm.Erf., p. 16, nr. 16 en p. 26-27, nr. 35; V. Sagaert, o.c., in A.-L. Verbeke en F. Buyssens (eds.), Actuele reflecties over notariële materies, p. 79-80, nr. 21; N. Carette, o.c., in N. Carette en R. Barbaix (eds.), Tendensen vermogensrecht 2014, p. 67, nr. 19b).
De auteur onderzoekt of het besproken arrest gevolgen heeft voor de maatschap?
Het antwoord is geruststellend neen, maar de rationele juridische denkwijze van de auteur is een verhelderende wandeling die ons laat kennismaken met de regels inzake de ontbinding van de maatschap, zowel mbt de actieve maatschap als de ontbonden maatschap.
Art. 815 BW is van toepassing op een ontbonden maatschap. (art. 55 W.Venn).Maar aangezien een maatschap ook ontstaat door een overeenkomst stelt zich terecht de vraag of deze stelling nopens de toepasselijkheid van 815 BW ook op de maatschap slaat overeind blijft door het besproken cassatiearrest. Over de problematiek inzake de “verdeling van de maatschap” zie H. Braeckmans en R. Houben, Handboek Vennootschapsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2011, p. 55, nr. 78, p. 162, nr. 291 en p. 166, nr. 297; J. Vananroye, o.c., p. 241-244, nr. 338); Cass. 17 december 1853, Pas. 1854, I, 82; M.E. Storme, o.c., TPR 1998, p. 791-792, nr. 138; J. Kokelenberg, o.c., TBBR 1997, p. 247, nr. 10; F. Laurent, o.c., X, p. 260, nr. 228; D. Lechien en R. Pirson, o.c., in P. Dehan (ed.), La copropriété, 232-233; J. Vananroye, “Vermogensstructuur, aansprakelijkheid en verhaalbaarheid in de maatschap” in Knelpunten van 30 jaar vennootschapsrecht, Antwerpen, Biblo, 1999, (205), p. 216, nr. 15; J. Vananroye, “Slingerende toerekening: de zakelijke rechten van een maatschap”, TRV 2014, p. 252, nr. 45.
Hoe dan ook kan de verdeling van het actief en passief van een maatschap slechts gevorderd na ontbinding van de maatschap (Cass. 12 juni 1841, Pas. 1841, I, 223; Rb. Gent 21 juni 2011, RW 2013-14, 708).
Dee ontbinding van de maatschap wordt geregeld door art. 39, 43 en 45 W.Venn. Art. 39-5o W.Venn. (B. Tilleman, Ontbinding van vennootschappen, Kalmthout, Biblo, 1997, p. 26-27, nr. 5).
Art. 815 BW is niet van toepasselijk op actieve boedels. De maatschap is een voorbeeld van een actieve boedel (J. Vananroye, o.c., p. 254, nr. 346/1; M.E. Storme, o.c., TPR 1998, p. 792, nr. 138).
Quid vordering tot onuitverdeeldheidtreding uitgaan van schuldeisers van één van de deelgenoten
Schuldeisers kunnen een vordering instellen op grond van 815 B.W. inzake hereditaire onverdeeldheden. Maar quid met de conventionele onverdeeldheden?
Primeert het recht van verhaal van de schuldeisers om verhaal te nemen op het vermogen van hun schuldenaar (art. 7 en 8 Hyp.W.), dan wel de niet-tegenwerpelijkheid van overeenkomsten (art. 1165 BW), die hoe dan ook art. 7 en 8 Hyp. Wet tempert.
Schuldeisers kunnen nooit meer rechten in naam van hun schuldenaar uitoefenen dan de rechten die een schuldenaar heeft. Zo zal een schuldeiser art. 1561 Ger.W. dienen te respecteren en een conventionele onverdeeldheid voor een maximumtermijn van 5 jaar aangegaan dienen te respecteren en dus niet eerder gedwongen de onverdeeldheid kunnen vorderen. (V. Sagaert, o.c., in A.-L. Verbeke en F. Buyssens (eds.), Actuele reflecties over notariële materies, p. 81-82, nrs. 26-27).
De auteur citeert de meerderheidstelling in rechtsleer en rechtspraak stellende dat de beperking van de conventionele onverdeeldheid tot maximum vijf jaar mbt de tegenwerpelijkheid van de overeenkomsten geldt voor iedere onverdeeldheid, ongeacht de oorsprong (R. Jansen, “Artikel 815 BW” in Comm.Erf., p. 27-23, nr. 29 en p. 36, nr. 51; V. Sagaert, o.c., in A.-L. Verbeke en F. Buyssens (eds.), Actuele reflecties over notariële materies, p. 81-82, nrs. 26-27; N. Carette, “Actuele ontwikkelingen zakenrecht 2013” in N. Carette en R. Barbaix (eds.), Tendensen vermogensrecht 2014, p. 69-70, nr. 19, c); A. Verbeke, o.c., T.Not. 2011, 187-188; E. Dirix, o.c., in P. Senaeve (ed.), Concubinaat, p. 217, nr. 352).
Er bestaat geen wettelijke mogelijkheid (wettige) om een conventionele onbeslagbaarheid in het leven zou roepen, (V. Sagaert, o.c., in A.-L. Verbeke en F. Buyssens (eds.), Actuele reflecties over notariële materies, p. 82, nr. 28).
Maar schuldeisers kunnen geen vordering instellen tot openbreking of ontbinding, laat staan vereffening van actieve boedels, zoals een maatschap.
Onverdeeldheden worden volgens hun samenstelling ingedeeld in:
Zaakgemeenschappen: Een zaakgemeenschap is een onverdeeldheid van één (of meer) afzonderlijke goed(eren) “ut singuli”.
Boedelgemeenschappen: Een boedelgemeenschap bestaat uit een geheel van zaken (eventueel slechts één zaak) waarin zowel actieve als passieve bestanddelen aanwezig zijn en die kan wisselen van samenstelling
Elke verdelingsaanspraak is ondeelbaar. Een (vordering tot) beëindiging van de onverdeeldheid is slechts mogelijk met instemming van door alle deelgenoten en dient te slaan op het geheel van alle onverdeelde actieve en passieve elementen (H. Casman, o.c., in Liber Amicorum prof. dr. G. Baeteman, p. 8, nr. 8).
Een in-natura-verdeling, is slechts mogelijk voor boedelgemeenschappen.
In een zaakgemeenschap kan weliswaar één goed worden verdeeld, maar deze verdeling brengt niet de automatische verdeling van de andere goederen met zich mee. (R. Jansen, “Artikel 815 BW” in Comm.Erf., p. 11-12, nr. 12).