De afstand van en recht is een formele eenzijdige rechtshandeling waarbij een subjectief recht wordt prijsgegeven.
Zelfs al is rechtsverwerking geen algemeen rechtsbeginsel dan belet dit niet dat zij kan worden toegepast als een toepassing van het algemeen rechtsbeginsel van de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten.
Afstand van recht is een eenzijdige rechtshandeling die een uiting van de wil om afstand te doen veronderstelt. Een dergelijke wilsuiting kan stilzwijgend, maar moet wel zeker zijn; ze kan enkel worden afgeleid uit omstandigheden die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn
Een stilzwijgende afstand van recht kan ingeroepen in de mate dat bij die de afstand van recht inroept bewijst dat de wederpartij een houding aannam die voor geen andere uitleg vatbaar is dan haar inzicht afstand te doen van haar recht (Cass. 24 juni 2013, JLMB 2014, 141). De afstand van een recht is immers een wilsuiting, zodat de rechter, indien de afstand stilzwijgend is, zich enkel op dergelijke voor geen andere uitleg vatbare feiten kan baseren, waarbij dan een beoordeling door de rechter maar nog geen erkenning van de afstand ipso facto volgt (P. Marchal, «L’envers ne vaut pas l’endroit» (noot onder Cass. 24 juni 2013), JLMB 2014, 143).
Afstand van recht wordt niet vermoed.
Volgens het Hof van Cassatie is er geen algemeen rechtsbeginsel dat zegt dat een subjectief recht tenietgaat of althans niet meer kan worden aangevoerd wanneer de houder van dat recht zonder er vrijwillig, uitdrukkelijk of stilzwijgend, afstand van te doen een houding aanneemt die objectief onverenigbaar is met dat recht, waardoor hij aldus het gewettigd vertrouwen van de schuldenaar en van derden misleidt.
Van afstand van recht van een niet verjaarde schuld op impliciete wijze kan slechts sprake zijn indien de schuldenaar er rechtmatig op kon vertrouwen dat er niets meer verschuldigd was en/of de schuldeiser geen rechten op de schuld meer zou laten gelden.
(Antwerpen (7B k.) 16juli 2018, 2017/ AR/929).
Uittreksel uit het (nieuw) BW
Art. 1.12 Afstand van recht
Afstand van recht wordt niet vermoed. Hij kan slechts worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn.
Voor de afstand van verjaring zie deze link
Uittreksel uit het (nieuw) BW
Art. 5.253. Eenzijdige afstand
De schuldeiser kan, door zijn enkele wil, afstand doen van zijn vorderingsrecht.
Afstand wordt niet vermoed.
Commentaar bij art. 5.253 (nieuw) Burgerlijk Wetboek (bron: Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel houdende Boek 5 “Verbintenissen” van het Burgerlijk Wetboek)
Het oud Burgerlijk Wetboek voorziet slechts in de vrijwillige afstand van een vorderingsrecht in de vorm van een overeenkomst tussen de schuldeiser en de schuldenaar.
Omdat een deel van de rechtsleer hieruit afleidde dat de schuldeiser niet eenzijdig afstand kan doen van de schuldvordering verankert art. 5.253 (nieuw) BW dan ook de eenzijdige afstand als wijze van tenietgaan van de verbintenis
Zoals bij elke kwijtschelding het geval is, mag de eenzijdige kwijtschelding uiteraard geen twijfel lijden: ze moet zeker zijn, wat in het tweede lid wordt onderstreept.