Artikel 8 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op respect voor zijn woning en dat er slechts inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht is toegestaan, voor zover deze inmenging bij wet is bepaald en een noodzakelijke maatregel vormt, onder meer vanuit het oogpunt van de nationale of de openbare veiligheid.
Artikel 15 Grondwet bepaalt dat de woning onschendbaar is en dat huiszoekingen enkel kunnen plaatsvinden in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.
Volgens artikel 22, eerste lid, Grondwet heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.
Deze bepalingen verbieden niet dat hij die geniet van het recht op bescherming van de woning daarvan afstand doet, onder meer door een overheid toe te staan om de woning te betreden.
Een afstand van een grondrecht is evenwel slechts geldig indien die afstand ondubbelzinnig gebeurt, met kennis van zaken, wat wil zeggen op basis van een geïnformeerde toestemming, alsook zonder dwang.
De door artikel 8 EVRM vereiste wettelijke basis om de inmenging van het openbaar gezag in de uitoefening van het recht op eerbiediging van de woonst te rechtvaardigen, is de wet van 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijheidsbeneming mag worden verricht (hierna Huiszoekingswet).
Artikel 2, eerste lid, Huiszoekingswet bepaalt dat geen vrijheidsbeneming in een voor het publiek niet toegankelijke plaats mag worden verricht vóór vijf uur ’s morgens en na negen uur ’s avonds.
Artikel 2, tweede lid, 3°, Huiszoekingswet bepaalt dat het in artikel 2, eerste lid, Huiszoekingswet vastgestelde verbod geen toepassing vindt ingeval van verzoek of toestemming van de persoon die het werkelijk genot heeft van de plaats of de persoon bedoeld in artikel 46, 2°, Wetboek van Strafvordering.
Artikel 3 Huiszoekingswet bepaalt dat het verzoek of de toestemming waarvan sprake in artikel 2, tweede lid, 3°, Huiszoekingswet voorafgaand en schriftelijk aan de opsporing of huiszoeking wordt gegeven.
Uit de voormelde bepalingen volgt dat het verzoek of de toestemming als bedoeld door artikel 2, tweede lid, 3°, Huiszoekingswet aan politieambtenaren om een niet voor het publiek toegankelijke plaats zoals een woning te betreden om in het kader van de Vreemdelingenwet over te gaan tot de bestuurlijke vrijheidsberoving van een vreemdeling die onwettig in het Rijk verblijft, voorafgaand en schriftelijk moet worden gegeven. Een mondelinge toestemming volstaat niet.
Die regel geldt zowel voor woonstbetredingen verricht vóór vijf uur ’s morgens en na negen uur ’s avonds, als voor woonstbetredingen overdag.
Om deze rechtspraak duidelijk te maken, gebruik ik een concreet voorbeeld waarin een persoon, laten we hem Johan noemen, te maken krijgt met de politie die zijn woning wil betreden.
Voorbeeld:
Johan woont in België en geniet van zijn recht op respect voor zijn woning zoals beschreven in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 15 van de Belgische Grondwet. Dit betekent dat niemand zonder zijn toestemming of zonder een wettelijke basis zijn woning mag binnendringen.
Op een avond, rond 22:00 uur, staat de politie voor zijn deur. De politie heeft het vermoeden dat een persoon zonder verblijfsrecht, laten we hem Ahmed noemen, in zijn woning verblijft. De politie wil Johan's woning betreden om Ahmed te arresteren op grond van de Vreemdelingenwet.
Volgens de Huiszoekingswet mag de politie echter geen woning betreden zonder toestemming van de bewoner, zeker niet buiten de uren tussen 5:00 en 21:00 uur, tenzij er een wettelijk vastgelegde uitzondering is.
De politie vraagt Johan mondeling om toestemming om zijn woning binnen te komen. Johan is echter niet goed op de hoogte van zijn rechten en geeft aarzelend mondeling toestemming. In deze situatie zou dit probleem opleveren, omdat de toestemming volgens artikel 3 van de Huiszoekingswet schriftelijk en voorafgaand gegeven moet worden, en een mondelinge toestemming onvoldoende is, zeker wanneer het buiten de toegestane uren gebeurt.
Indien de politie toch de woning betreedt zonder deze schriftelijke toestemming, zou dit een schending kunnen vormen van Johan's recht op respect voor zijn woning zoals beschreven in artikel 8 EVRM en artikel 15 Grondwet. De politie had schriftelijk toestemming moeten krijgen voordat zij de woning mocht binnengaan, ongeacht het tijdstip. Johan had ook geïnformeerd moeten worden over zijn rechten en had zonder enige vorm van dwang toestemming moeten geven.
In dit voorbeeld zou Johan achteraf in zijn recht staan om de politie aan te klagen voor het binnentreden van zijn woning zonder de vereiste schriftelijke toestemming.