-A +A

Wraking deskundige termijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

Hof van Beroep Brussel 28/03/2013, juridat


Samenvatting
De wettige verdenking in de zin van artikel 828,1° Ger.W. juncto art 966 Ger. W. veronderstelt dat de deskundige niet in staat is op een onafhankelijke en onpartijdige wijze een advies te verlenen in de zaak waarin hij is aangesteld. Het gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid kan ook ingeroepen worden als reden om de vervanging te bekomen van een deskundige.
Een verzoekschrift tot wraking moet ingediend worden binnen de 8 dagen nadat de partij kennis heeft gekregen van de redenen van wraking (art. 970, lid 2 Ger. W. ). Deze termijn is niet voorgeschreven op straffe van verval. De termijn moet weliswaar redelijkerwijze in acht worden genomen opdat het wrakingsverzoek geloofwaardig zou blijven.
Om schadevergoeding te vragen moeten de eisers ervan bewijzen bewijzen dat de verzoekende partij bij de uitoefening van haar recht om een wrakingsgrond in te roepen of de vervanging van een deskundige te vragen een fout heeft begaan omdat zij dat recht misbruikt heeft of gehandeld heeft met een schuldige lichtzinnigheid.
De door de deskundige gehanteerde werkwijze kan op zich geen reden tot wraking zijn. Indien hierover bezwaren zijn, kan de rechter gevat worden ter evaluatie van de expertise waarbij eventueel de opdracht aan de deskundige kan worden heromschreven of nader omschreven. Meer zelfs de rechter die de deskundige heeft aangesteld kan de deskundige vervangen zonder dat zulks een wrakingsprocedure vergt.
Het beginsel van de tegenspraak heeft betrekking op het geding voor de rechter en niet op het deskundigenonderzoek dat de rechter heeft bevolen.
 

 

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek na laatste wetswijziging van 30/12/2009:

Onderafdeling 2. Wraking van de deskundigen. <ingevoegd bij W 2007-05-15/62, art. 6; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34>

Art. 966. De deskundigen kunnen worden gewraakt om dezelfde redenen als de rechters (art. 828).

Art. 967. Iedere deskundige die weet dat er enige reden van wraking tegen hem bestaat, is ertoe gehouden zulks onverwijld aan de partijen mee te delen en zich van de zaak te onthouden indien de partijen hem geen vrijstelling verlenen.

Art. 968. De deskundige die de partijen kiezen, kan alleen worden gewraakt om redenen die ontstaan zijn of bekend geworden zijn sedert zijn aanwijzing.

Art. 969. <W 2007-05-15/62, art. 7, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> Na de installatievergadering, of, bij gebreke daarvan, na aanvang van de werkzaamheden van de deskundige, mag geen wraking meer worden voorgedragen tenzij de partij eerst nadien kennis heeft gekregen van de wrakingsgronden.

Art. 970. De partij die middelen van wraking wil aanvoeren, moet ze voordragen in een verzoekschrift aan de rechter die de deskundige heeft aangewezen, tenzij deze zich zonder formaliteiten onthoudt.
Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen acht dagen nadat de partij kennis heeft gekregen van de redenen van de wraking.


Art. 971.De griffier zendt bij gerechtsbrief een eensluidend afschrift van de akte van wraking aan de gewraakte deskundige; tevens bericht hij hem dat hij binnen acht dagen moet verklaren of hij in de wraking berust dan wel of hij ze betwist.
De wraking wordt toegestaan, indien de deskundige erin berust of ze onbeantwoord laat; wanneer de deskundige de wraking betwist, doet de rechter uitspraak, nadat hij de partijen en de deskundige in raadkamer heeft gehoord.
Wordt de wraking verworpen, dan kan de partij die ze heeft voorgedragen, veroordeeld worden tot schadevergoeding jegens de deskundige indien deze dit vordert; in dit laatste geval echter kan hij geen deskundige blijven in de zaak.

[1 ...]1
[1 In het geval van het tweede lid en het derde lid, in fine, wijst de rechter ambtshalve de nieuwe deskundige aan, tenzij de partijen op het ogenblik van het vonnis overeengekomen zijn over de keuze van een deskundige. De rechter kan evenwel van de keuze van de partijen afwijken bij een met redenen omklede beslissing.]1
----------
(1)<W 2009-12-30/14, art. 22, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>



 Art. 828. Ieder rechter kan worden gewraakt om de volgende redenen:
(1° wegens wettige verdenking;) <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
(2°) indien de rechter of zijn echtgenoot persoonlijk belang bij het geschil heeft; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
(3°) indien de rechter of zijn echtgenoot bloed- of aanverwant van de partijen of van een hunner in de rechte lijn is, (...), of in de zijlijn tot in de vierde graad, of indien de rechter bloed- of aanverwant in de voormelde graad is van de echtgenoot van een der partijen; <W 1987-03-31/52, art. 79, 006; Inwerkingtreding : 06-06-1987> <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; ED : 02-10-2001>
(4°) (indien de rechter, zijn echtgenoot, hun bloed- of aanverwanten in de opgaande en de nederdalende lijn, een geschil hebben) over een gelijksoortige aangelegenheid als waarover de partijen in geschil zijn; <W 24-6-1970, art. 12> <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
(5°) indien in hun naam een geding aanhangig is voor een rechtbank waarin een van de partijen rechter is; indien zij schuldeiser of schuldenaar van een der partijen zijn; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
(6°) indien een crimineel geding is gevoerd tussen hen en een van de partijen, of hun echtgenoten, bloed- of aanverwanten in de rechte lijn; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
(7°) indien er een burgerlijk geding hangende is tussen de rechter, zijn echtgenoot, hun bloedverwanten in de opgaande en de nederdalende lijn of hun aanverwanten in dezelfde lijn, en een van de partijen, en dat geding, indien het door de partij is ingesteld, begonnen is vóór het geding waarin de wraking wordt voorgedragen; indien dat geding, ingeval het afgehandeld is, binnen zes maanden vóór de wraking afgedaan is; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
(8°) indien de rechter voogd, toeziende voogd of curator, voorlopig bewindvoerder of gerechtelijk raadsman, begiftigde of vermoedelijk erfgenaam, meester of vennoot van een der partijen is; indien hij beheerder of commissaris is van enigerlei instelling, vennootschap of vereniging die partij is in het geding; indien een der partijen zijn begiftigde of vermoedelijke erfgenaam is; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
(9°) indien de rechter raad gegeven, gepleit of geschreven heeft over het geschil; indien hij daarvan vroeger kennis heeft genomen als rechter of als scheidsrechter, behalve indien hij in dezelfde aanleg: <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
1. heeft medegewerkt aan een vonnis of een uitspraak alvorens recht te doen;
2. na uitspraak te hebben gedaan bij verstek, van de zaak kennis neemt op verzet;
3. na uitspraak te hebben gedaan op een voorziening, later van dezelfde zaak kennis neemt in verenigde kamers;
(10°) indien de rechter heeft deelgenomen aan een vonnis in eerste aanleg en hij van het geschil kennis neemt in hoger beroep; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
(11°) indien hij als getuige is opgetreden; indien hij, sedert de aanvang van het geding, door een partij op haar kosten ontvangen is of geschenken van haar heeft aangenomen; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
(12°) indien er tussen hem en een van de partijen een hoge graad van vijandschap bestaat; indien er zijnerzijds aanrandingen, mondelinge of schriftelijke beledigingen of bedreigingen hebben plaatsgehad sinds de aanleg van het geding of binnen zes maanden vóór de voordracht van de wraking. <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>

Art. 829. De bepalingen betreffende de wraking van rechters gelden voor raadsheren in sociale zaken en rechters in sociale zaken of in handelszaken.
De raadsheer of de rechter in sociale zaken of in handelszaken kan bovendien worden gewraakt:
1° indien hij met een van de partijen verbonden is geweest door een arbeidsovereenkomst;
2° indien hij lid is geweest van het personeel, of van het bestuur- of beheersorgaan van een rechtspersoon met wie een van de partijen verbonden is geweest door een arbeidsovereenkomst.

Art. 830. Er is geen reden tot wraking in de gevallen waarin de rechter verwant is aan de voogd, de curator, de voorlopige bewindvoerder of de gerechtelijke raadsman van een van beide partijen, of aan de beheerders of commissarissen van een instelling, vennootschap of vereniging die partij is in de zaak, tenzij de bedoelde voogden, beheerders of betrokkenen een afzonderlijk of persoonlijk belang hebben.

Art. 831. Iedere rechter die weet dat er een reden van wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden.

Rechtspraak:

• Hof van Beroep te Antwerpen, 5e Kamer – 29 mei 2008, RW 2010-2011, 1525

NV J.T. en BVBA E.B.S. t/ BV S., H. en BV S.G.

1. De antecedenten

Bij dagvaarding betekend op 6 juni 2005 vorderde de BV S. van NV J.T. betaling van 1.380.906 euro en advocatenkosten.

BVBA E.B.S. (hierna: EBS) is vrijwillig tussengekomen in deze procedure.

Bij exploot van 21 februari 2006 hebben de NV J.T. en de BVBA EBS de heer H., de BV S.G. en de BV S.G. «qualitate qua in haar hoedanigheid van vereffenaar van de NV S.B., in vereffening» in tussenkomst gedagvaard.

Inzet van het geschil is overeenkomstige terugbetaling te verkrijgen van de sommen die de NV J.T., na een jarenlange procedurestrijd, recupereerde van de Belgische Staat in het raam van de perikelen rond het in 1988 opgerichte «Sanitair Fonds» dat verplichte bijdragen inde van de slachthuizen die de kost doorrekenden aan de vetmesters waaronder BV S.

NV J.T. weigerde de aan BV S. toekomende bedragen te betalen om reden dat er bedrog gepleegd werd in het raam van een overeenkomst van aandelenoverdracht van de «groep J.T.» tussen de NV S.B. en BVBA EBS, en zij stelde in onderhavige procedure een tegeneis in.

Bij een niet bestreden vonnis van 2 oktober 2006 waarin de feiten en geschilpunten omstandig worden uiteengezet, heeft de Rechtbank van Koophandel te Hasselt alvorens ten gronde recht te doen een bedrijfsrevisor, de heer F., aangesteld teneinde de boekhouding en meer bepaald de geconsolideerde balans van de Groep T. per 31 maart 2001 te onderzoeken.

Tijdens de installatievergadering van 7 december 2006 werd er gewag gemaakt van een due diligence uitgevoerd door de heer M. (bedrijfsrevisor D. & T.) naar aanleiding van de aandelenoverdracht van Groep T. aan BVBA EBS.

Bij beschikking van 16 januari 2007 werd gerechtsdeurwaarder C. aangesteld als sekwester met de opdracht en de machtiging het integrale dossier «M.» in het raam van de bewuste aandelenoverdracht in bezit te nemen, te bewaren en ter beschikking te houden van de deskundige F.

Op 18 januari 2008 werd de sekwester in het bezit gesteld van een reeks documenten die hij, op diens verzoek, aan de deskundige F. bezorgde. De deskundige maakte vervolgens kopieën van deze documenten, bestemd voor partijen; door een louter toeval zijn deze stukken uiteindelijk niet in het bezit gekomen van de gedingvoerende partijen. Hij schorste zijn werkzaamheden gezien de betwisting over zijn optreden met betrekking tot dit dossier M.

Op 8 maart 2007 leggen T./EBS een verzoekschrift neer strekkende tot vervanging van de deskundige F.

Dit verzoek werd bij vonnis van 5 juni 2007 afgewezen met het motief dat niet was bewezen dat de deskundige op instructie van één partij (via de raadsman) optrad en dat zijn onpartijdigheid niet in twijfel kon worden getrokken.

NV J.T. en BVBA EBS hebben bij verzoekschrift neergelegd op 4 oktober 2007 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

De heer F. werd mede betrokken in het hoger beroep.

Appellanten handhaven hun vordering tot vervanging van de deskundige.

Geïntimeerden concluderen tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

Inmiddels werd het door de heer M. ingesteld derdenverzet tegen de aanstelling van sekwester bij beschikking van 13 maart 2008 niet ontvankelijk verklaard; de door de andere partijen ingestelde vorderingen strekkende enerzijds tot opheffing van het sekwester, anderzijds tot afgifte van documenten werden ongegrond verklaard.

2. Beoordeling

Partijen hebben hun tegenstrijdige visies omtrent de feiten die aanleiding zijn geweest tot de aanstelling van een sekwester en de perikelen om de stukken onder sekwester te plaatsen, uitgebreid uiteengezet, maar zulks is niet het voorwerp van onderhavig debat dat enkel loopt over het verzoek tot vervanging van de deskundige F.; het is diens gedrag in het raam van zijn opdracht dat derhalve ter beoordeling staat.

Concreet wordt de deskundige verweten zonder voorafgaande verwittiging van appellanten, gevolg te hebben gegeven aan een eenzijdig telefonisch verzoek van de vroegere raadsman van geïntimeerden om het onder sekwester gehouden dossier op te vragen, er kopies van gemaakt te hebben en deze te hebben verstuurd – wat buiten de wil om van de deskundige niet is gebeurd – aan partijen.

Het noodzakelijk contradictoir karakter van het deskundigenonderzoek wordt enkel gewaarborgd zo de deskundige alle partijen voorafgaand in kennis stelt van de initiatieven die hij meent te moeten nemen om zijn opdracht te vervullen, hetgeen betekent dat hij zich ervan moet onthouden eenzijdige contacten te leggen of te dulden van deze of gene partij, a fortiori gevolg te geven aan eenzijdige verzoeken zonder de andere betrokken partijen daarover eerst in te lichten.

In casu heeft de deskundige deze elementaire regel genegeerd, omdat hij in zijn faxbericht van 2 maart 2007 uitlegt dat hij, ingevolge een telefonisch verzoek van de vorige raadsman van geïntimeerden, aan de sekwester overhandiging vroeg van het dossier «M.» en hij na ontvangst ervan op 20 februari 2007 een digitale kopie aan partijen verstuurde (dacht verstuurd te hebben);

Deze uitleg komt erop neer dat de deskundige, op verzoek of op suggestie van één betrokken procespartij, voor de uitvoering van zijn opdracht stappen onderneemt waarvan de andere partij niet op de hoogte is.

De draagwijdte van deze eenzijdige démarche werd naderhand en thans wel betwist, omdat de bedoelde raadsman in een brief van 13 maart 2007 verklaarde zich dit telefonisch contact niet te herinneren evenmin als het geven van enige instructie, maar zulks weegt niet op tegen de duidelijke verklaring van de deskundige; de suggestie van geïntimeerden dat iemand zich mogelijk telefonisch voorgedaan heeft als raadsman (van geïntimeerden) om hen in opspraak te brengen en hun proces te schaden, is weinig ernstig te nemen.

De in het bestreden vonnis weergegeven verklaring die de deskundige ter zitting van 29 mei 2007 aflegde, is ook een sterk afgezwakte versie van zijn eerdere verklaring – geen verzoek werd gedaan, enkel de identiteitsgegevens van de sekwester werden doorgegeven en gezegd werd dat hij (lees: de deskundige) met gerechtsdeurwaarder C. contact kon opnemen – die niet te verzoenen is met de spontane ten tijde van de feitelijkheden gegeven uitleg, en het blijft een feit dat de deskundige is ingegaan op minstens de suggestie van één partij de sekwester te contacteren met het gekende gevolg dat de andere, niet- verwittigde partijen verraste.

Het gedrag van de deskundige is des te meer onverantwoord omdat hij wist dat dit dossier «M.» een heikel punt was tussen partijen, en appellanten hem reeds op 24 januari 2007 een mogelijk derdenverzet tegen de aanstelling van sekwester aankondigden.

Daarbij is niet relevant de vraag of hij kennis mocht nemen van dit dossier «M.» – dit was hem volgens de opdracht toegestaan –, wel de wijze waarop hij handelde om in bezit te komen van dit document – merkwaardigerwijze door de sekwester ook zonder meer uit handen gegeven – dat hij bovendien ook zonder partijen vooraf te raadplegen of te verwittigen, kopieerde en hen bezorgde.

De deskundige kon weliswaar beslissen stukken op te vragen waarmee allereerst gedoeld wordt op stukken in bezit van partijen – er was toen nog geen sekwester aangesteld – en hij mocht volgens zijn opdracht ongetwijfeld ook stukken aan derden opvragen mits evenwel het contradictoir karakter van zijn onderzoek en dus ook van een dergelijk initiatief in acht te nemen.

Het is net zijn op suggestie van één van de partijen onaangekondigd optreden bij de sekwester dat hem verweten wordt.

Het gegeven dat deze stukken door louter toeval niet in bezit van partijen kwamen, is evenmin van belang in de beoordeling van het optreden van de deskundige die wellicht gedacht heeft het contradictoir karakter van zijn onderzoek na te leven, maar zulks in de feiten niet heeft gedaan.

Het onderhouden van een eenzijdig contact en het ingaan op een suggestie van één procespartij in de geschetste omstandigheden is een miskenning van het contradictoir karakter van het deskundigenonderzoek en heeft op zijn minst een schijn van partijdigheid gewekt die het noodzakelijk vertrouwen in de persoon van de gerechtsdeskundige ondermijnt en zijn vervanging verantwoordt.

Het hoger beroep is gegrond.

• Burgerlijke rechtbank Gent 6 november 2008, RW 2010-2011, 2528

samenvatting:

Een gerechtelijk medisch deskundigenonderzoek kan onmogelijk de nodige waarborgen van waarachtigheid, onpartijdigheid en objectiviteit bieden voor zover de gerechtsdeskundige het aandurft om buiten de partijen om, vooraf overleg pleegt met de door de partijen aangestelde raadgevende artsen.

uittreksel uit het vonnis

NV N.V. t/ De B. en A.M.

I. Uiteenzetting van de relevante feitelijke gegevens

Op datum van 10 september 2000 was tweede geïntimeerde betrokken in een verkeersongeval. Tweede geïntimeerde kwam in aanrijding met de hond van de verzekerde van appellante

Er is geen betwisting over het feit dat appellante, ingevolge de aansprakelijkheid van haar verzekerde, ertoe gehouden is de schade van geïntimeerden te vergoeden.

Op 13 juni 2005 gingen geïntimeerden dan ook over tot dagvaarding van appellante houdende aanstelling van een gerechtsdeskundige.

Bij vonnis van 28 juli 2005 werd dr. V. aangesteld als geneesheer-deskundige. Deze heeft op 2 maart 2006 zijn verslag neergelegd, waarbij hij naast periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid heeft besloten tot een blijvende arbeidsongeschiktheid van 5%.

Bij conclusies van 2 januari 2007 hebben geïntimeerden de besluitvorming van de gerechtsdeskundige betwist. Er werd de aanstelling van deskundige-ergoloog gevorderd. Subsidiair werd de vordering begroot.

Belangrijk hierbij is de specifieke medische situatie van tweede geïntimeerde. Uit het verslag van dr. V. blijkt dat tweede geïntimeerde ingevolge het ongeval van 10 september 2000 aan de rechterpols werd gewond. Voorts blijkt hieruit – hierover is ook geen betwisting – dat tweede geïntimeerde een aangeboren verlamming heeft aan de linkerarm. Zij had dus de gewoonte om voornamelijk haar rechterhand en -arm te gebruiken. De linkerkant was, ingevolge de verlamming, te beperkt. Door het letsel aan de rechterpols zag geïntimeerde zich geconfronteerd met een grotere beperking. Tweede geïntimeerde heeft een restaurant uitgebaat. Zij voert aan dat, ingevolge de sterk verminderde mobiliteit aan de rechterkant, zij haar werk heeft moeten stopzetten.

II. De oorspronkelijke vordering

Bij dagvaarding voor de politierechtbank op 13 juni 2005 werd door geïntimeerden een onbenoemde provisie van 1 euro gevorderd, vermeerderd met de aanstelling van een geneesheer-deskundige.

Na neerlegging van het deskundigenverslag vorderden geïntimeerden de aanstelling van een nieuwe deskundige-ergoloog, omdat geïntimeerden van mening zijn dat de deskundige onvoldoende rekening heeft gehouden met de voorafbestaande situatie m.b.t. de verlamming van haar linkerkant. De gevolgen inzake blijvende arbeidsongeschiktheid zijn veel hoger dan de in aanmerking genomen 5%..

III. De bestreden beslissing

1. De Politierechtbank te Gent heeft in het op 5 juni 2008 gewezen vonnis de vordering gegrond verklaard, nadat bij het tussenvonnis van 18 oktober 2007 de vordering reeds ontvankelijk werd verklaard. Dr. De K.M. werd aangesteld met volgende opdracht: (...).

2. De eerste rechter kwam tot deze beslissing voornamelijk op grond van de volgende overwegingen:

De eerste rechter is van mening dat de gerechtelijke expertise zoals uitgevoerd door dr. V. de nodige vragen oproept inzake onpartijdigheid en objectiviteit. Hij volgt geïntimeerden in hun stelling dat zij meenden niet ernstig te zijn genomen en dat de geneesheren alles onder elkaar hebben bedisseld. Bovendien zouden de deskundigen eerder gehandeld hebben als een college van deskundigen, wat in strijd is met het vonnis houdende aanstelling van dr. V.

IV. De verdere procedure en de grieven

De appellante stelt bij een op 6 augustus 2008 neergelegd verzoekschrift hoger beroep in tegen voormeld vonnis. In dit verzoekschrift en in haar naderhand neergelegde conclusies laat zij – samengevat – de volgende grieven gelden:

...

Voorts argumenteert appellante dat de eerste rechter ten onrechte een geneesheer-deskundige aanstelde. Volgens appellante is er geen sprake van een schijn van partijdigheid. Het verslag van de gerechtsdeskundige is correct en moet volstaan om de schade in concreto te begroten.

De eerste rechter heeft zich overigens enkel gebaseerd op de verklaringen van geïntimeerden bij de persoonlijke verschijning. Deze argumentatie zou niet gevoerd zijn in conclusies en door geïntimeerden werd, volgens appellante, geen nieuw deskundigenonderzoek gevorderd, zodat de eerste rechter ultra petita statueerde...

Subsidiair laat appellante gelden dat de eerste rechter door zijn vonnis de tegenspraak van de expertise uitholt. Volgens appellante oordeelt de eerste rechter dat de respectieve raadgevende artsen de expertisezittingen niet mogen bijwonen. Door enkel toe te staan dat zij zelf een verslag mogen opmaken en dat bezorgen aan de gerechtsdeskundige bij wijze van opmerking op het voorverslag, wordt volgens appellante het recht van verdediging geschonden.

V. Beoordeling

A. De aanstelling van een gerechtsdeskundige

Het komt de rechter ten gronde toe de inhoud van het deskundigenverslag te beoordelen. De gerechtsdeskundige geeft een advies waarop de rechter zich kan baseren teneinde de opgelopen schade in concreto te begroten. Indien de rechter evenwel van mening is dat het verslag zoals het voorligt onvoldoende informeert dan wel aangetast is door een aantal onvolkomenheden, kan de rechter uiteraard een bijkomende, nieuwe onderzoeksmaatregel bevelen.

De eerste rechter heeft geoordeeld dat het verslag onvoldoende waarborgen biedt inzake onpartijdigheid en objectiviteit.

Appellante beweert dat de eerste rechter ten onrechte van mening is dat het verslag van dr. V. aangetast is door een schijn van partijdigheid.

De eerste rechter baseert zich hiervoor op de verklaring van deskundige V. tijdens de persoonlijke verschijning. De deskundige verklaart aldaar: «... er waren van in het begin drie mogelijke pathologieën, is besloten het letsel te aanvaarden in causaal verband met het ongeval en een invaliditeit van 5&%raquo;.

Uit de formulering «is besloten», kan worden afgeleid dat de deskundige niet alleen tot een besluit is gekomen, maar dat dit gebeurde in onderling overleg met de raadgevende artsen van partijen.

Daar geïntimeerden bij hun standpunt blijven dat de gevolgen op economisch vlak veel groter zijn dan in aanmerking genomen in het verslag en omdat blijkt dat er werd besloten 5% invaliditeit in aanmerking te nemen na onderling overleg tussen gerechtsdeskundige en raadgevende artsen, kan de rechtbank aannemen dat de indruk wordt gewekt dat er boven de hoofden van geïntimeerden wordt beslist.

Onafhankelijkheid en objectiviteit zijn misschien wel de belangrijkste eigenschappen van een goede gerechtsdeskundige. De deskundige streeft een algemeen belang na en probeert in zijn verslag de realiteit zo objectief mogelijk weer te geven.

Zonder te willen beweren dat deskundige V. niet objectief is geweest in deze zaak, moet elke zweem van partijdigheid vermeden worden.

Bovendien heeft dr. V. tijdens de persoonlijke verschijning erkend dat de voorafbestaande toestand voor hem weinig rol heeft gespeeld, omdat hij meende te moeten begroten op grond van de Arbeidsongevallenwet.

Dit is een misvatting van de deskundige. De schade moet worden begroot in gemeen recht. Dit betekent dat de schade in concreto, zoals deze zich effectief voordoet, moet worden bepaald.

De verklaringen van tweede geïntimeerde geven voldoende aan dat er wel degelijk redenen zijn om de invloed van de voorafbestaande toestand in rekening te brengen, minstens grondig te onderzoeken. Rekening houdend met het beroep van tweede geïntimeerde, restauranthouder, meent de eerste rechter terecht hieromtrent onvoldoende ingelicht te zijn.

Geïntimeerden vorderden dan ook met recht en reden een bijkomend onderzoek. Dat de eerste rechter niet specifiek een ergoloog aanstelde, betekent niet dat hij ultra petita statueerde. De geïntimeerden vorderden wel degelijk de aanstelling van een deskundige. De eerste rechter is hierop ingegaan.

Het spreekt voor zich dat dr. De K. zich kan laten bijstaan, inlichten door een ergoloog mocht hij dit nodig achten.

...

B. Het contradictoir karakter van de expertise

Appellante argumenteert subsidiair dat de eerste rechter het contradictoir karakter van de expertise heeft uitgehold.

Volgens appellante oordeelt de eerste rechter dat de adviserende artsen niet aanwezig mogen zijn op de expertisezittingen. Zij zouden enkel mogen kennisnemen van het voorverslag en hierop hun schriftelijke opmerkingen formuleren.

Appellante leest te veel in het vonnis a quo. De eerste rechter oordeelt expliciet in het beschikkend gedeelte dat de gerechtelijke expertise dient te verlopen overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Partijen hebben wel degelijk het recht zich te laten bijstaan door een adviserende arts. In het vonnis a quo sluit de eerste rechter niet uit dat deze adviserende artsen aanwezig zijn bij de expertiseverrichtingen.

De eerste rechter heeft evenwel oog gehad voor het feit dat de expertise de nodige objectiviteit en onpartijdigheid dient te waarborgen.

Elke van de betrokken partijen dient haar rol te spelen en de belangen van haar cliënt te verdedigen. De respectieve raadgevende artsen spreken voor en samen met hun cliënt. De gerechtelijke deskundige moet daar boven staan en in alle onafhankelijkheid kunnen oordelen. De expertise mag niet resulteren in een voorverslag dat de weergave is van voorafgaand overleg tussen de respectieve raadgevende artsen en de gerechtelijke deskundige, buiten de partijen om. Aldus bestaat immers het gevaar dat dit verslag een akkoord uitmaakt tussen medici waarin de betrokken slachtoffers zich niet meer herkennen.

• Hof van Beroep te Gent, 7e Kamer – 7 maart 2016, RW 2017-2018, 985

Vennootschap naar Frans recht P.D. t/ NV Van H.-S. en P.W.

...

Vorderingen

Gelet op het «Verzoekschrift tot wraking», uitgaande van de appellante, de vennootschap naar Frans recht P.D., neergelegd op 25 november 2015 en gericht tegen de gerechtsdeskundige P.W.

De oorspronkelijke vordering van de appellante, de vennootschap naar Frans recht P.D., zoals geformuleerd in het verzoek tot wraking, luidt als volgt: «de heer deskundige (...) te wraken; een nieuwe deskundige aan te stellen».

...

Beoordeling

...

Samen met de deskundige moet worden vastgesteld dat de vennootschap naar Frans recht P.D. zich niet gehouden heeft aan de termijn voor de mededeling van de deskundige. Na aandringen door de deskundige zijn de conclusies door de vennootschap naar Frans recht hem pas op 16 februari 2016 meegedeeld.

Terwijl de deskundige in zijn e-mailbericht van 17 februari 2016 naar de laattijdigheid van de mededeling van de conclusies heeft verwezen én naar het niet-verzenden van de overtuigingsstukken door de raadsman van de vennootschap naar Frans recht P.D. «onder voorbehoud van wering van deze conclusies en stukken uit de debatten wegens laattijdige mededeling», heeft de raadsman van de vennootschap naar Frans recht P.D. in zijn brief van 18 februari 2016 opgeworpen dat de deskundige niet de hoedanigheid van partij heeft en dus ook niet de wering van conclusies kan vorderen.

Voorts wordt er in dezelfde brief van 18 februari 2016 verder geschreven: «Vervolgens neemt U, door deze houding, standpunt in als tegenstrever van de vennootschap naar Frans recht P.D. hetgeen uw partijdigheid in het kader van dit dossier aantoont.»

In het voorliggende tussengeschil van de wraking is de deskundige wel degelijk partij (cf. A. Lysens en L. Naudts, «Stand van zaken en recente ontwikkelingen inzake het gerechtelijk deskundigenonderzoek», Themis Gerechtelijk Recht, 2013-14, 40 e.v.

Te dezen is de deskundige uiteraard geen partij in het hoofdgeding, maar wél degelijk partij in het voorliggende tussengeding dat de wraking betreft.

Een expliciete vordering tot wering van de kwestieuze conclusies uit het debat, wordt door de deskundige niet geformuleerd. De deskundige laat het over aan het hof. Een akkoord om ze in het debat te houden is er niet.

Het uitgangspunt is de ambtshalve wering van de conclusies. In deze omstandigheden worden met toepassing van art. 747, § 2 Ger.W. de conclusies voor de vennootschap naar Frans recht P.D. die zijn neergelegd op 4 februari 2016, uit het debat geweerd.

Hieruit volgt dat in beginsel «slechts» rekening moet worden gehouden met het standpunt en de motivering zoals naar voor gebracht door de vennootschap naar Frans recht P.D. zoals neergelegd in haar oorspronkelijk verzoekschrift tot wraking.

De vennootschap naar Frans recht P.D. stoelt haar vordering tot wraking op feiten en feitelijkheden die zijn voorgevallen op 15 september 2015 en kort nadien.

...

Uit wat voorafgaat volgt dat P. alleszins de termijn van acht dagen nadat zij heeft kennis gekregen van de «redenen» van de wraking – zoals opgelegd door art. 970, tweede lid Ger.W. –, niet heeft nageleefd.

Die termijn is niet voorgeschreven op straffe van verval (cf. Cass. 17 september 1993, RW 1993-94, 1456), maar het is dan toch minstens een termijn die redelijkerwijze in acht moet worden genomen door de «klager» op «straffe van ontberen van geloofwaardigheid». Wie een deskundige wraakt, moet dan toch wel geloofwaardig zijn in feiten én in zwaarte van de ingeroepen wrakingsgrond(en). Wie langer dan acht dagen wacht, mist overtuigingskracht.

Wat de vennootschap naar Frans recht P.D. als wrakingsgrond inroept, is de werkwijze van de deskundige en heeft alleszins geen betrekking op de persoon van de deskundige zelf.

Problemen met de werkwijze van de deskundige kunnen aanleiding geven tot het adiëren van de rechter die de deskundige heeft aangesteld om de werkwijze nader te zien omschrijven of herschrijven tot zelfs (indien zeer zwaarwegend) de deskundige te zien vervangen, maar alleszins niet tot wraking.

Indien ontvankelijk, is het verzoek tot wraking alleszins ongegrond.

...

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 05/06/2014 - 12:28
Laatst aangepast op: zo, 11/02/2018 - 15:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.