-A +A

Woonstvergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Bepaling:

de vergoeding door een deelgenoot verschuldigd aan de andere deelgenoot voor het gebruik van de woning die eigendom is van de (huw)gemeenschap, dan wel de post communautaire gemeenschap.

wettelijke grondslag

De post communautaire gemeenschap na de echtscheiding waardoor de regels van medeëigendom 577-2 BW gelden,   en de bepalingen van het eigendomsrecht, met name 544 burgerlijk wetboek. vijf declaratieve werking van de verdeling, waaruit volgt dat de eigenaar geacht wordt steeds eigenaar te zijn geweest staat te weten niet in de weg. Dit werd bevestigd door een arrest van het Hof van Cassatie van 4 mei 2001, Echtscheidingsjournaal 2001, 122 met noot Mosselmans, zie ook Baeteman (en jawel) Casman en Gerlo een overzicht van rechtspraak 1989-1995, huwelijksvermogensrechtTPR, 1996, 308 en A. Verbeke, goederen en verdeling bij echtscheiding, Maklu 1991, 1471 ev.

Zie ook W. Pintens, Vereffening-verdeling van het huwelijksvermogen, Maklu 1993, p. 51: “Het wordt sinds lang niet meer betwist dat nav de vereffening-verdeling die echtgenoot aan de onverdeeldheid een bedrag per maand zal moeten betalen en dus in de massa inbrengen, gelijk aan de huurwaarde van dit onroerend goed en dit vanaf het ogenblik waarop de echtscheiding terugwerkt, tot aan de dag van de effectieve verdeling. Die echtgenoot heeft immers dezelfde verplichtingen als ieder mede-eigenaar die een onverdeeld goed exclusief in gebruik heeft, want hij ontneemt inkomsten aan de onverdeeldheid en wordt er dus schuldenaar van”.

I. De woonstvergoeding bij de ontbinding van een huwelijk (wettelijk stelsel, gemeenschapsstelsel, of bij ontstentenis van huwelijkscontract

Vanaf wanneer verschuldigd:

Principieel vanaf het moment dat de echtscheidingseis werd ingesteld (vanaf de eerste eis echtscheiding). Deze datum worden bij de vereffeningverdeling de vereffeningsdatum geheten.

Niet vanaf de feitelijke scheiding. Niet tijdens het huwelijk (al wordt het huwelijk wel ontbonden met terugwerkende kracht vanaf de eerste echtscheidingseis). Zolang het huwelijk duurt bestaat immers de wederzijdse huwelijksplicht van het primair stelsel.

De woonstvergoeding is niet verschuldigd vanaf de beslissing van de vrederechter die voorlopige maatregelen uitvaardigt waarbij een afzonderlijke woonst wordt toegekend. De vrederechter neemt immers maatregelen staande het huwelijk, dus zonder dat het huwelijk in vraag wordt gesteld en dus zonder dat er een echtscheiding wordt ingesteld. de huwelijksrecht en verblijven in dit geval behouden.

Wanneer een echtpaar dus jarenlang louter feitelijk gescheiden leeft op basis van een beschikking van de vrederechter of zelfs zonder enig vonnis of beschikking, kan de echtgenoot voor deze periode waarin de andere echtgenoot de woning heeft betrokken nadien geen woonstvergoeding vragen. Teneinde geen rechten op deze woning te verliezen (waarmee bedoeld wordt de rechten van gebruik en genot voor verstreken periodes) doet men er steeds goed aan om de juridische toestand aan te passen aan de feitelijke toestand en derhalve geen feitelijke scheiding voor een lange periode aan te houden. Indien de samenwoonst niet kan hernomen worden heeft de partij die niet in de gemeenschappelijke gezinswoning verblijft er alle belang bij om de echtscheidingsprocedure in te stellen, om dan later met  terugwerkende kracht vanaf deze datum de woonstvergoeding te kunnen vragen.

De woonstvergoeding is en blijft verschuldigd zolang de bezetting duurt, dan wel tot het ogenblik van de kwijting van de oplegsom bij de vereffeningverdeling.

Bepalingen van de woonstvergoeding:

Deze wordt in de regel bepaalt op de huurvergoeding, zijnde de normale huurwaarde op de markt van de woonst, zo nodig te bepalen door een deskundige. Indien de woning door de gemeenschap behoort, dient de bewoner niet te betalen aan de mede gerechtigde maar wel aan de gemeenschap die nadien te verdelen is.  In de praktijk vindt de betaling meestal pas plaats op het ogenblik van de vereffeningverdeling zelf en wordt er dus vooruit en tijdens de onverdeeldheid niet betaald.

Woonstvergoeding en interesten

Aangezien de woonstvergoeding geen vergoeding uitmaakt zoals voorzien in artikel 1436 burgerlijk wetboek brengt een woonstvergoeding geen intresten op vanaf de dag van de ontbinding van het huwelijk, maar wel vanaf de datum van het afsluiten van de vereffeningverdeling (zie J. Tremmery, vereffening en verdeling tussen echtgenoten, pagina 101 met al daar geciteerde rechtspraak).

Het recht om de woonstvergoeding te vorderen (weze het met terugwerkende kracht ontstaat immers pas nadat de onverdeeldheid retroactief is ontbonden. Zie W. Pintens, Vereffening-verdeling van het huwelijksvermogen, Maklu 1993, p. 52. Deze stelling is echter strijdig met de billijkheid zeker Wanneer een echtgenoot jarenlang de gezinswoning heeft blijven bewonen, ondertussen in de echtscheiding dilatoir is opgetreden en zijn huwelijkspartner jarenlang ontstoken laat aan deze inkomsten.

Vermindering of beperking van de woonstvergoeding

Zolang het huwelijk niet ontbonden is (tot wanneer het echtscheidingsvonnis definitief is) blijft de hulp en bijstandverplichting bestaan. Enkel mbt de goederen werkt de echtscheiding retroactief. Op grond hiervan oordeelt sommige rechtspraak dat het woonstvoordeel kan aanzien worden als een uitvoering in natura van de onderhoudsplicht.

Deze benadering wordt slechts uitzonderlijk aangenomen en dan nog maar voorzover de woonstvergoeding het aandeel in de nettovruchten overtreft.

Deze redenering gaat er verder van uit dat de kortgedingrechter bij het bepalen van de voorlopige maatregelen reeds vooruitloopt op de vereffening-verdeling, waarbij zijn beslissing om de ene of de andere echtgenoot de woonst toe te kennen reeds repercuties zou hebben mbt de vereffening-verdeling. Welnu, legio is de rechtspraak van de kortgedingrechters waarin tot in de treure toe herhaald wordt dat zij onmogelijk kunnen vooruitlopen op de vereffening-verdeling. De problematiek zal zich evenwel niet stellen wanneer de kortgedingrechter in uitzonderlijke gevallen stelt dat een huwelijkspartner gratis en zonder vergoeding kan bewonen. Toch lijkt het Hof van Cassatie te stellen dat zulks onmogelijk is, Cassatie 27 april 2001, Echtscheidingsjournaal, 2002, 2, met noot Mosselmans.

Terecht kan dan ook verdedigd worden dat de beslissingen mbt de woonstvergoeding pas aan bod komt in de verefeening-verdeling, zonder dat deze gebonden is aan de voorlopige maatregelen van de kortgedingrechter.

Er bestaat geen discussie dat wanneer geen van beide echtgenoten een onderhoudsuitkering bekwam de afschaffing of de vermindering van de woonstvergoeding zelfs niet ter sprake komt zie J. Tremmery, vereffening en verdeling tussen echtgenoten, pagina 103.

Voor de verdere ontleding van deze problematiek zie J. Tremmery vereffening en verdeling tussen echtgenoten, pagina 105 en volgende en W. Pintens, Vereffening-verdeling van het huwelijksvermogen, Maklu 1993, p. 55.

Wat wanneer de echtgenoot die de woning toegewezen kreeg de woning verlaat

Ook de echtgenoot die de toegewezen woonst zou verlaten hebben dient verder woonstvergoeding te betalen, gezien hij de toegewezen en verrekenbare voordelen, links laat liggen. Er zal in dit geval best overleg plaatsvinden tussen de partijen of de rechtbank zal best gevat worden teneinde de echtgenoot die de woning verlaat te machtigen deze te verhuren en waarna dan de huuropbrengsten tussen partijen kunnen verdeeld.

Rechtspraak:

• Cassatie 4 mei 2001, samenvatting (bron Hof van Cassatie http://www.juridat.be/cass/cass_nl/2001/hoofdstuk/hoofdstuk3.htm )

Woonstvergoeding in het kader van een post-communautaire onverdeeldheid: arrest van 4 mei 2001 (C.97.0430.N)
In geval van echtscheiding op grond van bepaalde feiten wordt het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding tussen de echtgenoten (op retroactieve wijze) ontbonden op de dag waarop een van hen de (succesvolle) vordering tot echtscheiding heeft ingesteld. Hierdoor wordt de gewezen huwelijksgemeenschap omgevormd tot een gemeenrechtelijke onverdeeldheid, een zogeheten ‘post-communautaire onverdeeldheid’, die bestemd is om te worden vereffend en verdeeld.

Luidens het oude artikel 577bis, § 3, van het Burgerlijk Wetboek (thans artikel 577-2, § 3, van het Burgerlijk Wetboek) heeft elke mede-eigenaar deel in de rechten en draagt hij bij in de lasten van de eigendom naar verhouding van zijn aandeel. Het oude artikel 577bis, § 5, van het Burgerlijk Wetboek (thans artikel 577-2, § 5, van het Burgerlijk Wetboek) bepaalt bovendien dat de mede-eigenaar recht heeft op het gebruik en het genot van de gemeenschappelijke zaak, overeenkomstig haar bestemming en in zover zulks met het recht van zijn deelgenoten verenigbaar is.

Een en ander maakt dat de echtgenoot die tijdens de echtscheidingsprocedure en tot aan het afsluiten van de vereffening-verdeling vruchten of inkomsten van een tot de post-communautaire onverdeeldheid behorend goed geniet, dan wel dergelijk goed op exclusieve wijze gebruikt, hierover in het kader van een beheersrekening verantwoording moet afleggen zoals elke andere onverdeelde mede-eigenaar. De beheersrekening betreft met andere woorden de rekenkundige verantwoording van het tijdens de onverdeeldheid door de gewezen echtgenoten waargenomen bestuur.

In die optiek is de echtgenoot die de onverdeelde vroegere gezinswoning exclusief bewoont in het kader van voormelde beheersrekening een woonstvergoeding verschuldigd die gelijk is aan de opbrengstwaarde van het goed.

De vraag rijst of de zogeheten ‘declaratieve werking’ van de uiteindelijke verdeling (toebedeling), zoals bepaald in de artikelen 883 juncto 577bis, § 8, van het Burgerlijk Wetboek (thans artikel 577-2, § 8, van het Burgerlijk Wetboek) en volgens welke elke deelgenoot wordt geacht alleen en onmiddellijk te zijn opgevolgd in alle goederen die in zijn kavel zijn begrepen, voormelde principiële vergoedingsverplichting uitsluit.

In het arrest van 4 mei 2001 oordeelt het Hof dat voormelde wetsbepalingen enkel betrekking hebben op de verwerving van de eigendom van de goederen, alsmede het tenietgaan van op onverdeelde goederen gevestigde zakelijke rechten en de niet-tegenwerpelijkheid van daarop gevestigde persoonlijke rechten in het geval het goed wordt toebedeeld aan een andere deelgenoot dan degene die het recht heeft gevestigd. Voormelde bepalingen bevatten geen afwijkende regeling inzake het toekomen van de vruchten van de onverdeelde goederen aan de deelgenoten. De vergoedingsverplichting is toepasselijk wanneer een echtgenoot het onverdeelde goed in het kader van de vereffening - verdeling verwerft.
 

II. de woonstvergoeding voor de feitelijke samenwonenden en voor echtgenoten getrouwd met scheiding van goederen.

de woonstvergoeding is verschuldigd vanaf de feitelijke scheiding ten aanzien van de partijen die niet gehuwd zijn of voor zij die gehuwd zijn met een contract van volledige scheiding van goederen.


Rechtspraak:

• Hof van Cassatie, 17/09/2015, juridat

Samenvatting

De omstandigheid dat de woonstvergoeding die een uitkeringsgerechtigde ex-echtgenoot op grond van artikel 577-2, §3 en §5, Burgerlijk Wetboek verschuldigd is vanaf het definitief worden van de echtscheiding, wegens de exclusieve bewoning van de nog onverdeelde voormalige echtelijke woonst, niet effectief maandelijks wordt betaald, maar een te verrekenen schuld is die bij de vereffening en verdeling in mindering zal worden gebracht op zijn aandeel in de onverdeeldheid, verhindert in beginsel niet dat de rechter de met de nog te verrekenen woonstvergoeding corresponderende woonlast in aanmerking neemt bij het beoordelen van de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde ex- echtgenoot en het bepalen van de hem toekomende onderhoudsuitkering na echtscheiding; daardoor wordt geen rekening gehouden met een toekomstige en onzekere wijziging in de financiële toestand van de partijen; dat artikel 301, §7, tweede lid, Burgerlijk Wetboek de mogelijkheid biedt de uitkering tot levensonderhoud aan te passen indien de vereffening en verdeling aanleiding geeft tot een wijziging van de financiële toestand van de partijen die dit rechtvaardigt, doet daaraan niet af.

Tekst arrest

Nr. C.13.0304.N
J. M.,
eiser,
tegen
D. V.,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 4 maart 2013.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. Artikel 301, § 2, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de rechtbank in het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of bij een latere beslissing, op verzoek van de behoeftige echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud kan toestaan ten laste van de andere echtgenoot.

Krachtens artikel 301, § 3, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek legt de rechtbank het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

2. Overeenkomstig artikel 301, § 7, eerste lid, Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank, op vordering van een van de partijen, de uitkering later verhogen, ver-minderen of afschaffen, indien, ingevolge nieuwe omstandigheden onafhankelijk van de wil van de partijen, het bedrag ervan niet meer aangepast is, uitgezonderd indien de partijen uitdrukkelijk het tegenovergestelde zijn overeengekomen.

Verder bepaalt artikel 301, § 7, tweede lid, Burgerlijk Wetboek dat de rechtbank de uitkering eveneens kan aanpassen indien, ten gevolge van de ontbinding van het huwelijk, de vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen of van de onverdeeldheid die tussen de echtgenoten bestond, aanleiding geeft tot een wijziging van hun financiële toestand die een aanpassing rechtvaardigt van de uitkering tot levensonderhoud welke het voorwerp was van een vonnis of overeenkomst, gewezen of gesloten vóór de opmaak van de vereffeningsrekeningen.

3. De staat van behoefte van een uitkeringsgerechtigde wordt beoordeeld op grond van de normale levensomstandigheden waarin hij wegens zijn sociale situatie verkeerde, zoals onder meer de woonlast die dit meebrengt.

De onderhoudsuitkering na echtscheiding moet in de regel worden vastgesteld volgens de inkomsten, mogelijkheden en lasten van de partijen op de dag waarop het vonnis dat de echtscheiding toestaat, in kracht van gewijsde is gegaan. De rechter dient ook rekening te houden met de wijzigingen die zich in de toestand van de partijen hebben voorgedaan tussen het definitief worden van de echtschei-ding en de over de uitkering te wijzen beslissing, maar hij kan geen rekening hou-den met toekomstige en onzekere wijzigingen in de bestaansmiddelen van de par-tijen.

4. Bij de beoordeling van de staat van behoefte van de verweerster en de bepaling van de haar toekomende onderhoudsuitkering na echtscheiding overwegen de appelrechters onder meer dat de verweerster die met de jongste kinderen in de echtelijk woning verblijft, sedert het definitief worden van de echtscheiding een woonstvergoeding dient te betalen van 700 euro per maand. Zij overwegen verder dat aangezien de eiser deze woning wenst over te nemen, de verweerster die woning zal moeten verlaten bij het afsluiten van de vereffening en de verdeling en een woning zal dienen te huren.

5. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters met de voormelde redenen aannemen dat de verweerster sedert het definitief worden van de echt-scheiding effectief maandelijks een woonstvergoeding van 700 euro betaalt aan de eiser, berust het op een onjuiste lezing van het arrest.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

6. De omstandigheid dat de woonstvergoeding die een uitkeringsgerechtigde ex-echtgenoot op grond van artikel 577-2, § 3 en § 5, Burgerlijk Wetboek ver-schuldigd is vanaf het definitief worden van de echtscheiding, wegens de exclu-sieve bewoning van de nog onverdeelde voormalige echtelijke woonst, niet effectief maandelijks wordt betaald, maar een te verrekenen schuld is die bij de veref-fening en verdeling in mindering zal worden gebracht op zijn aandeel in de onverdeeldheid, verhindert in beginsel niet dat de rechter de met de nog te verreke-nen woonstvergoeding corresponderende woonlast in aanmerking neemt bij het beoordelen van de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde ex-echtgenoot en het bepalen van de hem toekomende onderhoudsuitkering na echtscheiding. Daardoor wordt geen rekening gehouden met een toekomstige en onzekere wijzi-ging in de financiële toestand van de partijen.

Dat artikel 301, § 7, tweede lid, Burgerlijk Wetboek de mogelijkheid biedt de uit-kering tot levensonderhoud aan te passen indien de vereffening en verdeling aanleiding geeft tot een wijziging van de financiële toestand van de partijen die dit rechtvaardigt, doet daaraan niet af.

7. In zoverre het middel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht.

8. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat tussen de partijen erover geen betwisting bestond dat de verweerster de onverdeelde echtelijke woning zou dienen te verlaten uiterlijk bij het afsluiten van de vereffening en verdeling.

9. Door te overwegen dat de verweerster "deze woning bij het afsluiten van de vereffening en de verdeling [zal] dienen te verlaten en een woning [zal] dienen te huren", waarmee zij slechts te kennen geven dat de woonlast van de verweerster niet wezenlijk zal veranderen, houden de appelrechters geen rekening met louter toekomstige en alsnog onzekere wijzigingen in de bestaansmiddelen van de ver-weerster.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 1.040,72 euro en voor de verweerster op 459,56 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Rechtsleer:

•• J. Tremmery, vereffening en verdeling tussen echtgenoten, pagina 98 en de volgende

Kritische rechtsleer mbt de woonstvergoeding in TPR 1990 

1517 De woonstvergoeding: enkele kritische bedenkingen - klik hier -
Hofströssler P.

 

Nog dit: 

woonstvergoeding en voorlopige maatregelen

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 2 februari 2012, RW 2012-2013, 1212

[...]

10. Krachtens art. 1278, tweede lid Ger.W. werkt het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet.

Door de ontbinding van een huwelijksvermogensstelsel met een gemeenschap van goederen, ontstaat tussen de gewezen echtgenoten een postcommunautaire onverdeeldheid, die de goederen bevat die deel uitmaakten van de gemeenschap op het ogenblik waarop de ontbinding van het huwelijk tussen de echtgenoten terugwerkt, evenals de vruchten die deze goederen nadien hebben opgebracht.

Krachtens art. 577-2, § 3 BW heeft de mede-eigenaar deel in de rechten en draagt hij bij in de lasten van de eigendom naar verhouding van zijn aandeel.

Krachtens art. 577-2, § 5 BW heeft de mede-eigenaar recht op het gebruik en het genot van de gemeenschappelijke zaak, overeenkomstig haar bestemming en in zoverre dit verenigbaar is met het recht van zijn deelgenoten.

11. Hieruit volgt dat de deelgenoot die alleen het genot van een onverdeeld goed heeft gehad, voor dit uitsluitend genot aan de deelgenoten een vergoeding verschuldigd is.

12. Het krachtens art. 223, eerste en tweede lid BW of art. 1280, eerste lid Ger.W. toegekende uitsluitend genot van de gezinswoning kan, naargelang van het geval, zijn toegekend als uitvoering in natura van de hulpverplichting tussen de echtgenoten tijdens het huwelijk of als loutere bestuursmaatregel.

Wordt het uitsluitend genot van de gezinswoning toegekend als uitvoering in natura van de hulpverplichting tussen echtgenoten, dan is er, naargelang van hetgeen waarmee de vrederechter of de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg rekening heeft gehouden, aanleiding tot verrekening van dit genot van de echtgenoot op zijn aandeel in de inkomsten van de onverdeelde goederen en wordt, in het geval het aandeel van de onderhoudsgerechtigde echtgenoot in de onverdeelde inkomsten hoger is dan het genoten voordeel, dit genot in zoverre beschouwd als een voorschot op dit aandeel.

13. De enkele omstandigheid dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in zijn beschikking genomen op grond van art. 1280 Ger.W. geoordeeld heeft over de bijdrage van de partijen in de kosten voor het onderhoud en de opvoeding van de kinderen en over de bijdrage in de lasten met betrekking tot het woonkrediet, rekening houdend met alle gegevens, waaronder de behuizing van de partijen, en het uitsluitend genot van de gezinswoning aan de verweerder toekent, houdt niet in dat de rechter, die uitspraak doet over de vereffening-verdeling, niet kan oordelen dat de echtgenoot die tijdens de echtscheidingsprocedure alleen het genot van de gezinswoning had een vergoeding verschuldigd is voor dit genot.

14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

– bij beschikking van 22 december 2004 de vrederechter op grond van art. 223 BW de verweerder machtigde afzonderlijk te verblijven in de echtelijke woning;

– de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, oordelend over de voorlopige maatregelen in de loop van het echtscheidingsgeding, in een beschikking van 18 september 1997 aan de verweerder toelating verleende om afzonderlijk te verblijven in de echtelijke woning.

15. De appelrechters beslissen dat de verweerder slechts een verblijfsvergoeding verschuldigd is voor de periode tussen het tijdstip waarop het echtscheidingsvonnis in kracht van gewijsde is getreden en 17 maart 2003, en dus niet voor de periode tussen de inleiding van de eerste echtscheidingseis en het tijdstip waarop het echtscheidingsvonnis in kracht van gewijsde is getreden, omdat:

– de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in de beschikking van 18 september 2007 genomen op grond van art. 1280 Ger.W., over de wederzijdse verplichtingen van de partijen met betrekking tot de bijdrage in de kosten voor onderhoud en opvoeding van de kinderen geoordeeld heeft en over de bijdrage in de maandelijkse lasten met betrekking tot het woonkrediet, op grond van alle gegevens die hem werden meegedeeld, ook van de behuizing van de partijen, dit onder verwijzing naar het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 28 februari 2006 waarbij in hoger beroep uitspraak werd gedaan over de voorlopige maatregelen die de vrederechter had genomen op grond van art. 221-223 BW;

– de voorzitter aldus een beslissing heeft genomen met betrekking tot de omdeling van de huwelijkslasten, waaraan bij de vereffening geen afbreuk mag worden gedaan en waardoor de vereffeningsrechter is gebonden.

16. Door aldus te oordelen, miskennen de appelrechters het gezag van gewijsde van de voormelde beschikking en verantwoorden zij hun beslissing dat de verweerder slechts een verblijfsvergoeding verschuldigd is voor de periode tussen het tijdstip waarop het echtscheidingsvonnis in kracht van gewijsde is getreden en 17 maart 2003, niet naar recht.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

...


Cass. 16/11/2015, AR C. 13.0520.F, RW 2016-2017, 1306

Samenvatting

De ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel doet tussen de partijen een postcommunautaire onverdeeldheid ontstaan die zowel de goederen bevat die aanwezig waren op het ogenblik waarop de ontbinding van het huwelijk tussen de echtgenoten terugwerkt, als de vruchten die deze goederen nadien hebben opgebracht.

Tekst arrest

AR nr. C.13.0520.F

H.G. t/ R.T.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 19 februari 2013.

...

III. Beslissing van het Hof

Krachtens art. 1278, tweede lid Ger.W. werkt het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet.

De ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel doet tussen de partijen een postcommunautaire onverdeeldheid ontstaan die de goederen bevat die aanwezig waren op het ogenblik waarop de ontbinding van het huwelijk tussen de echtgenoten terugwerkt, evenals de vruchten die deze goederen nadien hebben opgebracht.

Krachtens art. 577-2, § 3 BW heeft de mede-eigenaar deel in de rechten en draagt hij bij in de lasten van de eigendom naar verhouding van zijn aandeel.

Hieruit volgt dat de deelgenoot die het uitsluitend genot van een onverdeeld goed heeft gehad, voor dit genot aan de overige deelgenoten een vergoeding verschuldigd is.

Als de echtgenoot die gemachtigd werd in de gezinswoning te blijven wonen de onderhoudsplichtige is en de voorlopige onderhoudsbijdragen die hij aan de andere echtgenoot heeft betaald meer bedragen dan de helft van de onder de partijen te verdelen onverdeelde inkomsten, is de onderhoudsplichtige echtgenoot die de woning alleen heeft betrokken, geen enkele bezettingsvergoeding verschuldigd, aangezien de voorlopige onderhoudsbijdragen een voorschot vormen op het deel van de onderhoudsgerechtigde partij in de onverdeelde inkomsten.

Het arrest oordeelt:

– “hoewel het arrest van 15 juni 2004 niet preciseert dat de kosteloze bezetting van de vroegere echtelijke woning een bijdragend karakter heeft, kan die stelling evenwel gevolgd worden door de redenen van het arrest; doordat de eiser het pand, gedeeltelijk kosteloos, bewoonde kon de onderhoudsbijdrage aan de verweerster op het bedrag van 870 euro – vervolgens van 450 euro – aan hulpverlening behouden blijven”;

– “die kwalificatie is niet bindend, noch voor de notaris, noch voor de rechter-vereffenaar”;

– de verrekening is ook mogelijk “als de rechter bij voorraad de bijdragen niet gekwalificeerd heeft of als hij ze gekwalificeerd heeft als eenvoudige beheersmaatregelen”;

– “in dit geval werd die berekening toegepast, op (...) de staat van vereffening, wanneer de notaris [...] de helft van de door de verweerster betaalde huur op de verschuldigde bezettingsvergoeding heeft geboekt, zoals het arrest van 15 juni 2004 dat had voorgeschreven”;

– “dat arrest besliste ook terecht dat de vorderingen van de eiser (namelijk dat de onderhoudsbijdrage aan de verweerster een voorschot op de vereffening van de gemeenschap of aftrekbaar van de bezettingsvergoeding zou zijn) tot gevolg zouden hebben dat geen enkele uitkering betaald zou worden, aangezien alle bedragen die hiervoor betaald werden terugvorderbaar zouden zijn”.

Met deze redenen die het bedrag van de voorlopige onderhoudsbijdrage van de eiser aan de verweerster niet vergelijken met het deel van laatstgenoemde in de onverdeelde inkomsten, verantwoordt het bestreden arrest zijn beslissing niet naar recht dat de eiser bezettingsvergoedingen moet betalen tijdens de echtscheidingsprocedure, onder de enkele aftrek van een bedrag dat overeenstemt met de helft van de door de verweerster betaalde huur.

...

Rechtsleer:

S. Mosselmans, Onderhoudsbijdrage tussen echtgenoten in echtscheiding: begroting, aanrekening en woonstvergoeding, Brussel, Larcier, 2007, 76-78 en de verwijzingen aldaar.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: ma, 05/06/2017 - 15:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.