-A +A

Willekeurige aanslag

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een willekeurige aanslag is de ambtshalve vestiging van de belasting door de fiscus die

• ofwel door rechtsdwaling is totstand gekomen
• ofwel op onjuiste feiten is gebaseerd
• ofwel uit juiste feiten niet te verantwoorden gevolgtrekkingen heeft afgeleid

De belastingsplichtige draagt de bewijslast van het willekeurig karakter van de aanslag.

Cass. 12/12/1996, Justel 

De ambtshalve aanslag

Artikel 351 WIB 1992 stelt:

“De administratie kan de aanslag van ambtswege vestigen op het bedrag van de belastbare inkomsten die zij kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zij beschikt, in de gevallen waarin de belastingplichtige nagelaten heeft:
- ofwel een aangifte te doen binnen de termijnen bedoeld in de artikelen 307 tot 311 of in de bepalingen opgenomen ter uitvoering van artikel 312;
- ofwel aan de vormgebreken waarmede de aangifte is aangetast binnen de daarvoor toegestane termijn, te verhelpen;
- ofwel de in artikel 315 vermelde boeken, bescheiden en registers of de in artikel 315bis bedoelde dossiers, dragers of gegevens over te leggen;
- ofwel de op grond van artikel 316 gevraagde inlichtingen binnen de termijn te verstrekken
- ofwel binnen de in artikel 346 gestelde termijn te antwoorden op het erin bedoelde bericht.

De opsomming van art. 351 WIB is limitatief, in die zin dat de opgesomde situaties de enige zijn waarin een ambtshalve aanslag mag worden gevestigd.

Art. 351 tweede en derde lid WIB stelt verder:

Alvorens de aanslag van ambtswege wordt gevestigd, stelt de administratie de belastingplichtige bij ter post aangetekende brief in kennis van de redenen waarom zij van die procedure gebruik maakt, van het bedrag van de inkomsten en andere gegevens waarop de aanslag zal steunen, alsmede van de wijze waarop de die inkomsten en gegevens zijn vastgesteld.

Behalve wanneer de aanslag van ambtswege gevestigd wordt wegens het niet tijdig antwoorden op een bericht van wijziging of indien de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren ingevolge een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijnen of nog indien het gaat om roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing, wordt aan de belastingplichtige een termijn van een maand toegestaan om zijn opmerkingen schriftelijk in te brengen en mag de aanslag niet voor het verstrijken van deze termijn worden gevestigd.

De aanslag van ambtswege moet gebeuren op basis van objectieve gegevens en moet overeenstemmen met de werkelijkheid, bij gebreke waaraan de aanslag kan vernietigd worden wegens willekeur. De administratie moet de bewijsmiddelen hanteren die de fiscale wetgever heeft voorzien. Conreet betekent dit
dat de administratie gebruik kan maken van alle bewijsmiddelen met uitzondering van de eed, maar met in begrip van de procedure van tekenen en indiciën en van de vergelijkingsmethode (DE JONCKHEERE M., DELANOTE M., MAUS M. en VAN DOOREN E., De Fiscale Procedure, Brugge, die Keure, 2012, 260.)

De subsidiaire aanslag

In principe mag de administratie een subsidiaire aanslag vestigen indien de betwiste aanslag nietig werd verklaard wegens schending van een procedureregel of een basisbeginsel. Geen enkele uitzondering is in dat opzicht voorzien in artikel 356 WIB92 inde versie van toepassing ingevolge de publicatie van de wet van 16.07.1994 of in de versie van toepassing ingevolge de inwerkingtreding van de wet van 15.03.1999.

Wat betreft de mogelijkheid om een subsidiaire aanslag te vestigen wanneer de oorspronkelijke aanslag wegens willekeurigheid werd vernietigd, moet worden onderstreept dat het principe van een subsidiaire aanslag niet onverenigbaar is met de vernietiging wegens willekeurige reden van de oorspronkelijke aanslag. Een eventuele herbelasting is mogelijk indien het mogelijk is zich te steunen op een gedeelte van de elementen waarop de oorspronkelijke aanslag steunde, zonder dat de subsidiaire aanslag zelf ook willekeurig is, wat hier het geval is.

(zie Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Aarlen dd. 17.04.2013)

Arrest Hof van Beroep Antwerpen 20/04/1999

Tekst arrest

6e Kamer

Gelet op de aanslag in de personenbelasting - aanslagjaar 1989 - inkomsten 1988;

artikel 0718240 - toegezonden aan de belastingplichtige op 12.6.190;

Gelet op het bezwaarschrift tijdig toegekomen bij de bevoegde directeur op 18.9.1990;

Gelet op de bestreden beslissing genomen door de gedelegeerde ambtenaar van de gewestelijke directeur van de directe belastingen te Antwerpen II op 13.6.1995 en op 14.6.1995 aangetekend verzonden aan de belastingplichtigen waardoor ontheffing werd verleend voor een bedrag van 4.369.948 F.;

Gelet op het verzoekschrift tot voorziening tijdig ingediend ter griffie van dit Hof op 28.6.1995 samen met het exploot van betekening d.d. 28.6.1995;

Overwegende dat het Hof naar de bestreden beslissing verwijst in zoverre de aanslagprocedure, de onderliggende feiten en de bezwaren worden toegelicht;

Overwegende dat de betwiste aanslag werd gevestigd na verzending van een verbeterend bericht van kennisgeving van aanslag van ambtswege volgens hetwelk de administratie het voornemen kenbaar maakte de netto-winst van de handelszaak te bepalen op de som van 9.137.251 F. en dit op grond van inlichtingen van de BTW-administratie met name door het verschil te maken tussen de omzet (239.568.117 F.) en de uitgaven (230.430.866 F.);

Overwegende dat eisers in hun bezwaarschrift inriepen dat de aanslag gevestigd werd zonder rekening te houden met de werkelijke cijfers en zij vervolgens in een aanvullend bezwaarschrift vroegen rekening te willen houden met een bedrag van 3.831.815 F. ten titel van bankkosten;

Dat de directoriale beslissing op grond van ondermeer de overgelegde exploitatierekening en de boekhouding van eisers de netto-winst bepaalde op 4.543.595 F. en een overeenstemmende ontheffing verleende;

Overwegende dat eisers in hun verzoekschrift tot voorziening hun oorspronkelijke grieven handhaven doch zij bijkomend volgende grieven inroepen:

- een willekeurig bevonden aanslag van ambtswege moet vernietigd worden

- er werd geen rekening gehouden met de medegedeelde stukken die de bedrijfsmatigheid van de reiskosten en aftrekbare intresten aantonen

- verboden compensatie (tussen de omzetten blijkend uit de BTW-aangifte en deze uit de exploitatierekening)

- onterecht niet aankondigen van een belastingverhoging

Dat eisers in hun binnen de zestig dagen neergelegde conclusies de willekeurigheid van de bestreden aanslag inroepen en zij tijdig een reeks nieuwe stukken neerleggen;

Dat zij in hun aanvullende conclusies neergelegd buiten de termijn van zestig dagen de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur inroepen;

Overwegende dat verweerder voorhoudt dat deze laatste grief niet ontvankelijk is gezien het laattijdig karakter;

Overwegende dat uit de conclusies van eisers evenwel blijkt dat het onbehoorlijk handelen van de administratie te dezen wordt ingeroepen ter staving van de grief van willekeur der aanslag en niet als een autonome grief;

Dat dit middel van onbehoorlijk bestuur overigens reeds in de eerste conclusies werd ontwikkeld in functie van de willekeurigheid van de aanslag en er derhalve geen sprake kan zijn van een "nieuwe" grief;

Overwegende dat verweerder in zijn conclusies onterecht stelt dat de bezwaren van eisers door de directoriale beslissing werden afgewezen nu er een niet onbelangrijke ontheffing werd bevolen;

Dat verweerder vervolgens eenvoudigweg stelt dat de exploitatierekening die eisers inriepen niet werd neergelegd en dat de taxatieambtenaar niet willekeurig te werk ging bij het bepalen van de belastbare grondslag hierbij de motivering van de bestreden beslissing negerend;

Dat de administratie in antwoord op de nieuwe stukken een nota neerlegde waarin ondermeer wordt gesteld dat het feit tijdens de bezwaarprocedure rekening te houden met nadien verstrekte gegevens niet inhoudt dat de aanslag op willekeurige wijze werd gevestigd;

Dat in deze nota verder de ingeroepen bedrijfslasten worden besproken;

Overwegende dat een van ambtswege gevestigde aanslag door de belastingplichtige kan bestreden worden hetzij door aan te tonen dat de belastbare grondslag willekeurig werd vastgesteld hetgeen tot vernietiging leidt hetzij door het juiste bedrag van de belastbare inkomsten te bewijzen;

Dat de willekeurigheid van de belastbare grondslag het gevolg kan zijn van een dwaling in rechte, van het steunen op onjuiste feiten of nog van het maken van niet verantwoorde gevolgtrekkingen uit juiste feiten;

Overwegende dat in casu de administratie tot taxatie is overgegaan op grond van de BTW aangifte;

Dat om de netto-winst te bepalen de omzet van deze aangifte (239.568.117 F.) in aanmerking werd genomen verminderd met de uitgaven (230.430.866 F.) voorkomend in diezelfde aangifte met als resultaat een winst van 9.137.251 F.

Overwegende dat uit een schrijven van eisers d.d. 15.3.1990 blijkt dat zij de exploitatierekening aan de administratie hebben overgemaakt als antwoord op de berichten van kennisgeving van aanslag van ambtswege;

Dat uit een interne nota van de administratie zou blijken dat deze exploitatierekening niet aan hun schrijven was toegevoegd doch de administratie eisers hiervan niet op de hoogte stelde en zij zonder te beschikken over dit toch belangrijk document drie maanden later de aanslag inkohierde op grond van de enkele BTW-aangifte;

Dat in de directoriale beslissing wel rekening werd gehouden met de inmiddels onderzochte exploitatierekening die als uitgangspunt werd in aanmerking genomen om de belastbare grondslag te bepalen en geleid heeft tot een ontheffing van ruim 4 miljoen;

Overwegende dat de bestreden beslissing zelve het bewijs inhoudt dat de administratie zich bij de taxatie op onjuiste gegevens heeft gebaseerd voor het bepalen van de belastbare grondslag;

Dat het louter hanteren van een BTW-aangifte die aan de zijde van de uitgaven geen rekening houdt met een reeks lasten die op het fiscaal resultaat wegen op zich reeds leidt tot een willekeurige bepaling van de belastbare grondslag en deze willekeur in casu des te meer tot uiting komt wanneer blijkt dat een bestaande exploitatierekening niet te nuttige tijde werd onderzocht of minstens opgevraagd om tot een verantwoorde taxatie te komen;

Dat de willekeur van een aanslag van ambtswege een objectief gegeven is dat vreemd blijft aan de ingesteldheid van de taxatieambtenaar;

Overwegende dat de betwiste aanslag dan ook willekeurig is en de directoriale beslissing dergelijke willekeurige aanslag moest vernietigen;

Dat immers een willekeurige aanslag niet kan verbeterd worden wanneer de belastingplichtige het juiste bedrag van zijn inkomsten niet kan bewijzen;

Overwegende dat de voorziening derhalve gegrond is;

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

recht doende op tegenspraak:

Gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935;

Gehoord in openbare zitting het verslag van raadsheer 

Verklaart de voorziening ontvankelijk en gegrond;

Wijzigt de bestreden beslissing en opnieuw beslissende:

Doet de bestreden aanslag teniet;

Beveelt de terugbetaling van de onterecht geïnde bedragen meer de moratoriumintresten op de belastingen;

Verwijst verweerder in de kosten, begroot aan de zijde van eisers op: (orig. + kopie: 320 + rollen: 304)= 624 fr.

Nog dit: 

Hof van Cassatie - Arrest van 12 december 1996 (België)

Samenvatting

De belastingplichtige die regelmatig van ambtswege is belast, heeft het recht de aanslag te doen nietig verklaren, indien hij bewijst dat de belastbare grondslag willekeurig is vastgesteld omdat het bestuur een rechtsdwaling heeft begaan of op onjuiste feiten heeft gesteund of nog uit juiste feiten niet te verantwoorden gevolgtrekkingen heeft afgeleid; de omstandigheid dat het bestuur aan de belastingplichtige gedeeltelijke ontlasting heeft verleend impliceert op zich niet dat de aanslag op onjuiste feiten berustte.

Arrest

HET HOF,

Gelet op het bestreden arrest, op 17 november 1995 door het Hof van Beroep te Bergen gewezen;

Over het middel : schending van de artikelen 246, 256, zoals gewijzigd bij artikel 44 van de wet van 3 november 1976, 257, zoals gewijzigd bij artikel 44 van de wet van 3 november 1976 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 26 februari 1964 houdende coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de inkomstenbelastingen, en 147 van de Grondwet,

doordat het Hof van Beroep te Bergen beslist dat de twee betwiste aanslagen niet willekeurig zijn, op grond, onder meer, dat het bestuur zich bij de vaststelling van die aanslagen niet heeft gebaseerd op onjuiste feiten, ook al heeft zij op het bezwaarschrift dat eiser tegen de ingekohierde aanslagen had ingediend gedeeltelijke ontlastingen verleend op grond van door eiser verstrekte verantwoordingsstukken,
terwijl de belastingplichtige, wanneer de aanslag op regelmatige wijze ambtshalve is vastgesteld, het door het bestuur vermoede bedrag van de belastbare inkomsten niet kan betwisten, tenzij hij het bewijs levert van het juiste bedrag van zijn belastbare inkomsten of bewijst dat de belastbare grondslag op willekeurige wijze is vastgesteld, omdat het bestuur een rechtsdwaling heeft begaan, zich op onjuiste feiten gebaseerd heeft of uit juiste feiten gevolgtrekkingen heeft gemaakt die niet kunnen worden verantwoord; een ambtshalve vastgestelde aanslag enkel kan worden gewijzigd als de belastingplichtige het juiste bedrag van zijn belastbare inkomsten bewijst; een willekeurige aanslag daarentegen in zijn geheel moet worden nietigverklaard; het feit dat eiser heeft aangetoond dat een groot gedeelte van de niet aangegeven vermoedelijke inkomsten in feite geen inkomsten zijn, daarom nog niet betekent dat hij het bewijs van het juiste bedrag van zijn inkomsten geleverd heeft overeenkomstig artikel 257 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964); eiser bijgevolg heeft aangetoond dat de twee betwiste aanslagen gegrond waren op onjuiste en dus willekeurige gegevens; het hof van beroep die aanslagen in hun geheel had moeten nietigverklaren in plaats van de gedeeltelijke ontlastingen die de gewestelijk directeur had verleend in zijn beslissing van 17 februari 1993, te bevestigen; het hof van beroep bijgevolg, nu het beslist dat de twee aanslagen niet willekeurig waren, ondanks de ontlastingen, die de gewestelijk directeur had verleend op grond van de door eiser overgelegde verantwoordingsstukken, de artikelen 246, 256 en 257 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) schendt en dus zijn arrest niet naar recht met redenen omkleedt (schending van de artikelen 246, 256, 257 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) en 147 van de Grondwet) :

Overwegende dat het arrest vaststelt dat eiser ambtshalve is belast op grond van artikel 256 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) en dat het bestuur hem op het door hem ingediende bezwaarschrift een gedeeltelijke ontlasting heeft verleend;

Overwegende dat de belastingplichtige, wanneer hij regelmatig ambtshalve is belast, de aanslag kan doen nietig verklaren, als hij bewijst dat de belastbare grondslag willekeurig is vastgesteld, omdat het bestuur een rechtsdwaling heeft begaan of op onjuiste feiten heeft gesteund of nog als het uit juiste feiten niet te verantwoorden gevolgtrekkingen heeft afgeleid;

Dat de omstandigheid dat het bestuur aan de belastingplichtige gedeeltelijke ontlasting heeft verleend op zich niet impliceert dat de aanslag op onjuiste feiten berustte;

Overwegende dat volgens het arrest eiser "ten onrechte betoogt dat het bestuur zich op onjuiste feiten baseert, ofschoon het de beslissing dat er voor de twee litigieuze jaren onvoldoende inkomsten en nettowinsten zijn aangegeven grondt op feiten, die naar behoren zijn vastgesteld aan de hand van de hierboven vermelde stukken en elementen";

Overwegende dat het arrest aldus wettig beslist dat de aanslag niet willekeurig was;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;

OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 22/02/2018 - 19:28
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 17:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.