-A +A

aansprakelijkheid voor zaken 1384 BW wild op de weg geen overheidsaansprakelijkheid en geen gebrek aan de weg en signalisatieverplichting

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 12/11/2007
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
1015
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Samenvatting:

Een autoweg met daarop een overstekend hert maakt de autoweg niet gebrekkig in de zin van artikel 1384 B.W.

Tekst van het vonnis

Het geding gaat terug op een ongeval op de E40 te Merelbeke op 29 maart 2001. De echtgenote van eiser kwam er met zijn voertuig in aanrijding met een hert dat de autosnelweg kwam opgesprongen en de baan overliep.

Eiser acht verweerster aansprakelijk voor het ongeval op basis van art. 1384, eerste lid, B.W. (kwalitatieve aansprakelijkheid als bewaarder van een gebrekkige zaak, in casu een gebrekkig wegdek). In conclusie wordt daar art. 1382-1383 B.W. (afwezigheid van signalisatie) aan toegevoegd.

...

Beoordeling

A. Art. 1384, eerste lid, B.W.

1. Een zaak is gebrekkig wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont dat van aard is om aan derden schade te berokkenen.

Het is niet vereist dat de zaak (in casu de weg) door het abnormaal kenmerk ongeschikt zou zijn voor gebruik volgens haar normale bestemming; dit vereisen zou een voorwaarde toevoegen die de wet niet stelt (Cass. 12 september 2003, R.G.A.R. 2005, nr. 13973, R.W. 2006-07, 597).

Volgens de meest actuele stand van het recht hoeft dat gebrek niet noodzakelijk intrinsiek te zijn aan de zaak (Cass. 2 maart 1995, R.W. 1996-97, 926; Cass. 13 mei 1995, R.W. 1994-95, 1329; Luik 7 februari 1994, Verkeersrecht, 95/96; Pol. Antwerpen 18 november 1999, Verkeersrecht, 2000/91).

2. De vraag rijst of de autoweg in casu door de aanwezigheid van het hert een gebrek vertoonde.

De loutere aanwezigheid van een zaak (het wordt niet betwist dat het hert een zaak is) op de weg maakt deze laatste als zodanig niet gebrekkig.

Te dezen wijst de rechtbank op de recentste cassatierechtspraak en de recentste rechtsleer. Meer bepaald verwijst de Rechtbank naar het cassatiearrest van 17 januari 2003 en de annotatie ervan door S. Mosselmans. Terecht verwijst eiser trouwens zelf naar het arrest.

Zoals hierboven reeds gezegd, hoeft het abnormaal kenmerk dat de zaak gebrekkig maakt niet blijvend of inherent te zijn aan de zaak.

De vraag is of het wegdek waarop het hert zich bevond in zijn geheel een abnormaal kenmerk vertoonde. De feitenrechter oordeelt in feite of de zaak een gebrek vertoont en of hetgeen toegevoegd wordt, deel uitmaakt van het geheel (Cass. 17 januari 2003, T.B.B.R. 200, 86, noot S. Mosselmans).

3. Men kan in casu de autoweg met het dier onmogelijk als een samengesteld geheel beschouwen.

Alleen op basis van het feitenrelaas is dit in rechte niet aannemelijk. Uit de strafinformatie blijkt immers dat het dier zich niet op de autoweg bevond, maar plots, net vóór het aankomend voertuig van eisers echtgenote, vanop de berm de baan opsprong.

Er kan aldus geen sprake zijn van een samengesteld geheel, zonder dat dat punt in zijn overige aspecten onderzocht hoeft te worden.

4. De vordering is ongegrond in de mate als gebaseerd op art. 1384, eerste lid, B.W.

B. Art. 1382-1383 B.W.

1. Eiser legt verweerster ten laste dat er geen signalisatiebord A 27 (overstekend wild) geplaatst was.

Volgens het Wegverkeersreglement geeft een bord A 27 de «doortocht van groot wild» aan.

2. Wanneer in bepaalde streken van het land (zoals de Ardennen) dergelijke borden worden geplaatst, dan is dat op basis van de wetenschap dat er zich in een bepaalde omgeving een hoeveelheid wild ophoudt en dat dieren op bepaalde plaatsen plegen voorbij te komen.

Het is maar al te zeer de vraag of een enkel verdwaald of uitgebroken hert langs de E40 midden in Vlaanderen als een «doortocht van groot wild» kan worden beschouwd. En daarenboven kon verweerster evenmin als de bestuurster zelf vermoeden dat een loslopend hert daar zou opduiken uit de berm.

3. Eiser alludeert op de aanwezigheid in de onmiddellijke omgeving van de faculteit Diergeneeskunde van de Gentse Rijksuniversiteit (de verbalisanten achterhaalden wel dat het dier niet van daar kwam).

Maar ook dat is niet determinerend opdat verweerster een bord A 27 zou moeten plaatsen. De daar gehouden dieren lopen immers niet in het wilde rond en geven geen aanleiding tot «doortocht van groot wild».

4. Ook in de mate als gebaseerd op art. 1382-1383 B.W. is de vordering niet gegrond.

Noot: 

Overzicht rechtspraak Kwalitatieve aansprakelijkheid TPR 2011-2, 349

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 09/02/2010 - 18:56
Laatst aangepast op: di, 01/11/2011 - 11:17

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.