-A +A

wijziging huwelijkscontract

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Rechtsleer: Natalie Vandebeek, Het onroerend goed en het huwelijksvermogen, Kluwer 2008, p. 57 en volgende


Echtgenoten kunnen tijdens het huwelijk hun huwelijkscontract wijzigen of een huwelijkscontract afsluiten wanneer zij gehuwd zijn bij ontstentenis aan huwelijkscontract.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een grote wijziging, een middelgrote wijziging en de kleine wijziging:

de grote wijziging

Deze procedure dient gevolgd wanneer geopteerd wordt voor  een totaal ander huwelijksstelsel.

vb. wijziging van een stelstel van scheiding van goederen naar een stelsel van gemeenschap of omgekeerd.

vb. echtgenoten die zonder contract gehuwd zijn en die opteren voor een stelsel van scheiding van goederen.

vb. overgang van een goed van het eigen vermogen van de ene echtegenoot naar het eigen vermogen van de andere echtgenoot



De grote procedure vergt:

- een notariële inventaris
- de opstelling van een regelingsakte: een regeling mbt de bestemming van de goederen (wat valt in welk vermogen)
- publicatie van de voorgenomen wijziging  in het Belgisch Staatsblad.
- homologatie door de rechtbank van eerste aanleg.

de middelgrote wijziging


De omslachtige procedure die vereist wordt voor de grote wijziging wordt in een aantal gevallen vereenvoudigd.

Wanneer een van de echtgenoten een inbreng in het gemeenschappelijk vermogen doet van een eigen roerend of onroerend goed of wanneer een recht van opstal wordt gevestigd op een eigen goed in het voordeel van het gemeenschappelijk vermogen zijn de boedelbeschrijving en het opmaken van een regelingsakte niet meer verplicht.


de kleine wijziging

Deze procedure kan gevolgd worden wanneer de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel niet de vereffening vereffening van het vorige stelsel of een dadelijke verandering van de vermogens tot gevolg heeft, dan wel zich beperkt tot de herroeping van de schenkingen die gedaan werden in het huwelijkscontract (art. 1394,4° lid BW) of de inlassing inhoudt van een bevoordelingsclausule ten gunste van de langstlevende echtgenoot. Bij de kleine wijziging blijven de  echtgenoten onder hetzelfde stelsel gehuwd.

De kleine wijziging is heel wat eenvoudiger, minder duur, vergt wel de tussenkomst van notaris maar vergt geen homologatie door de rechtbank.

voorbeelden:

- schenken of schenkingen opheffen,
- invoegen  of afschaffen van een verblijvingsbeding (langst-leeft-erft-al-clausule)
- invoegen of afschaffen van een keuzebeding; het toevoegen,
- wijzigen of afschaffen van bedingen van vooruitmaking of ongelijke verdeling.

 

Zie ook:

scheiding van goederen

stelsel van algehele gemeenschap

wijziging huwelijkscontract

zaakvervanging

wederbelegging

wet Valkeniers beperking erfrecht echtgenoot in aanwezigheid van kinderen uit vorige relatie

gemeenschappelijke schulden in het wettelijk stelsel

eigen schulden in het wettelijk stelsel

vereffening-verdeling van de huwgemeenschap: volledig overzicht

 

 


 

Nog dit: 

Cass. 25 februari 2010 RABG 2011/05, 371

samenvatting:

Huwelijkspartners die de beslissing genomen hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, moeten een alomvattende voorafgaande regeling treffen zoals de artikelen 1287 en 1288 Ger.W. bepalen.

Indien nu tussen de echtgenoten een onderhandse overeenkomst betreffende hun vermogensrechtelijke verhouding werd gesloten bijna twee maand voorafgaandelijk aan de notariële regelingsakte, die geen regeling betreft in de pro-cedure van echtscheiding door onderlinge toestemming, die onderworpen is aan de artikelen 1287 e.v. Ger.W., dan dient een dergelijke overeenkomst te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 1392 e.v. B W betreffende de wijziging van het huwe-lijksvermogensstelsel.

Uittreksel uit het arrest:

(D.J./S.I.)

[...]

II. Cassatiemiddelen

De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wetsbepalingen

–— de artikelen 6, 1131, 1133, 1392, 1393, 1394 en 1395 van het Burgerlijk Wetboek, het genoemde artikel 1394 zowel in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 2 van de wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, als in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 6 van de wet van 22 april 2003 tot wijziging van enkele bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in verband met het erfrecht van de langstlevende echtgenoot, en het genoemde artikel 1395 zowel in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 3 van de wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, als in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 133 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht;

–— de artikelen 1287, 1ste lid, 1289ter, 1297 en 1298 van het Gerechtelijk Wetboek. Bestreden beslissing
Het bestreden arrest verklaart het beperkt hoger beroep van de eiser ongegrond en het incidenteel hoger beroep van de verweerster deels gegrond, hervormt het bestre-den vonnis in de mate waarin dit de tegenvordering van eiser gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, en ter zake opnieuw rechtdoende, verklaart de oorspronkelijke tegenvordering van de eiser volledig ongegrond, op volgende gronden:

“3.4. Over de aanspraken van (de eiser) op de drie onroerende goederen en vermo-gensbestanddelen in Spanje:
(De eiser) stelt vast dat in de notariële regelingsakten ‘bij vergetelheid’ niets is opgenomen met betrekking tot de drie onroerende goederen in Spanje, en de aldaar aanwezige lichamelijke roerende goederen, met name meubilair, alsook met betrekking tot de onlichamelijke roerende goederen, zijnde gezamenlijke spaar- en zichtrekeningen bij een Spaanse bank.

Zijn stelling is dat de onderhandse overeenkomst van 1 februari 1998 helemaal niet is hernomen in de regelingsakten die partijen uiteindelijk opstelden, zodat die niet vermelde goederen gewoon in onverdeeldheid gebleven zijn tussen partijen, terwijl (de verweerster) misbruik zou gemaakt hebben van de hogervermelde attestering door notaris Verbist om vervolgens twee onroerende goederen achter de rug van (de eiser) te verkopen.

Hij vordert bovendien dat (de verweerster) rekening en verantwoording doet in ver-band met de door haar verworven baten en gedragen lasten met betrekking tot die drie ‘vergeten’ onroerende goederen in Spanje.

(De verweerster) van haar kant beroept zich op de onderhandse overeenkomst van 1 februari 1998, dit is bijna twee maanden voorafgaand aan de eerste notariële rege-lingsakte, en waarbij (de eiser) te haren gunste afstand deed van alle roerende en onroerende goederen in Spanje.

Anders dan wat (de eiser) meent te moeten opwerpen is deze onderhandse overeen-komst niet te beschouwen als een absoluut nietige tegenbrief aan de notariële rege-lingen: vermits die onderhandse regeling voorafgaat aan de notariële regelingen en de rechtspositie van partijen met betrekking tot hun aanspraken in de Spaanse goe-deren, zowel de roerende als de onroerende de finitief vaststelde, heeft die overeen-komst hoegenaamd niets gewijzigd aan de (latere) dadingsovereenkomsten die par-tijen met betrekking tot hun verdere onverdeeldheden hebben afgesloten;

De onderhandse akte van 1 februari 1998 vormt dan ook geen geheime tegenbrief die de notariële regelingen op enigerlei wijze veranderde.
Er is ook geen sprake van enige herroeping van de onderhandse akte van 1 februari 1998 bij de latere notariële regelingsakten, nu deze hoegenaamd niets voorzien in verband met de eerder overgedragen Spaanse goederen.

Dat de drie nu in betwisting gestelde Spaanse onroerende goederen integraal aan (de verweerster) toekwamen blijkt nog uit een ‘overzicht verdeling’ door (de eiser) gefaxt op 16 september 1998 en waarin hij in de kavel van (de verweerster) ‘Spanje’ toerekent voor 16.000 (te lezen als 16.000.000 BEF (lees: 396.629,64 EUR)) terwijl het ene Spaanse onroerend goed vermeld in de notariële akte van 20 april 1998 pro fisco geraamd wordt op slechts 2.100.000 BEF (lees: 52.057,64 EUR).
De stelling van (de eiser) dat partijen met hun notariële overeenkomsten uiteindelijk een andere verdelingswijze beoogden kan in het licht van zijn eigen voormeld faxbericht van 16 september 1998 (dit is nog na de eerste notariële akte) dan ook niet worden aanvaard.

(De eiser) legt nu ook de beëdigde vertaling over van het attest nr. B 2686280 afge-leverd door de ambtenaar van de eigendomsregistratie te Torrox Malaga waaruit de overschrijving van de afstand respectievelijk aanvaarding met betrekking tot de res-pectieve onroerende goederen én de verkrijging ervan door (de verweerster) blijkt.

Ten overvloede verwijst (de verweerster) terecht ook nog naar het standpunt van de Belgische fiscus die haar, op grond van de kennisname van het dossier, belast heeft op de niet aangegeven belastbare huurinkomsten op de in Spanje gelegen onroerende goederen, en waarbij in acht genomen werd dat het huis (...) te Torrox Malaga haar is toebedeeld in de regelingsakte echtscheiding door onderlinge toestemming van 20 april 1998 en dat van de andere onroerende goederen op 1 februari 1998 ten hare voordeel afstand is gedaan door (de eiser), waarna zij aanvaardde.

De fiscus besloot (de verweerster) voor de aanslagjaren 2000, 2001 en 2002 een aanvullende belasting te doen betalen mét een belastingverhoging van 10%.
De overdracht omvatte niet alleen alle onroerende goederen in Spanje, maar ook alle roerende goederen, waaronder begrepen de banktegoeden, zodat er uit dien hoofde niets meer te verdelen viel op het moment dat partijen hun eerste regelingsakte opstelden.

Er is dan ook geen reden tot aanvullende vereffening en verdeling van die goederen. ”

Grieven

1. Naar luid van artikel 1287, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moeten de echt-genoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, hun wederzijdse rechten waaromtrent het hun evenwel vrijstaat een vergelijk te treffen, vooraf regelen.

Deze regelingsakte moet alomvattend zijn, en alle rechten en schulden van partijen regelen, zodat partijen over alle gevolgen van de echtscheiding akkoord moeten gaan, en na het uitspreken ervan niet meer tot vereffening en verdeling van hun huwelijksvermogensstelsel moeten overgaan. Zij vormt een afwijking van het uit de bestendigheid van de huwelijksvoorwaarden voortvloeiend verbod van de echtgeno-ten om de vereffening en verdeling van hun gemeenschappelijk vermogen nog voor de ontbinding van het huwelijk te regelen.

De regelingsakte moet, krachtens artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek, samen met de familierechtelijke overeenkomst die partijen, op grond van artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek, eveneens voorafgaand moeten opstellen, bij het verzoekschrift in echtscheiding door onderlinge toestemming worden gevoegd.
Deze voorafgaande overeenkomsten kunnen, overeenkomstig artikel 1293 van het Gerechtelijk Wetboek, lopende de echtscheidingsprocedure, na de eerste verschij-ning van partijen voor de rechtbank, niet meer gewijzigd worden tenzij bij nieuwe en onvoorziene omstandigheden waardoor de toestand van de echtgenoten, of een van hen of de kinderen ingrijpend wordt gewijzigd.

De vermogensrechtelijke overeenkomst die de echtgenoten krachtens artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek opstellen, geldt onder de opschortende voorwaarde dat de echtscheiding wordt uitgesproken. Ten aanzien van de goederen van partijen werkt de echtscheiding, overeenkomstig artikel 1304 van het Gerechtelijk Wetboek, terug tot het proces-verbaal opgemaakt ter uitvoering van artikel 1292 van hetzelfde wetboek, m.a.w. tot de dag van de eerste verschijning van partijen voor de rechter.

2. Krachtens artikel 1289ter van het Gerechtelijk Wetboek verleent de procureur des Konings schriftelijk advies over de vormvereisten, de toelaatbaarheid van de echtscheiding en de inhoud van de overeenkomsten met betrekking tot de minderjarige kinderen.

Naar luid van artikel 1297 van het Gerechtelijk Wetboek concludeert de procureur des Konings tot de toelaatbaarheid van de echtscheiding indien hij vaststelt dat aan alle wettelijke voorwaarden, naar vorm en inhoud, is voldaan.

Overeenkomstig artikel 1298 van het Gerechtelijk Wetboek spreekt de rechtbank de echtscheiding uit wanneer partijen, naar het oordeel van de rechtbank, aan de voorwaarden hebben voldaan en de vormvereisten hebben in acht genomen die door de wet zijn bepaald. In het tegenovergestelde geval verklaart de rechtbank dat er geen grond bestaat om de echtscheiding uit te spreken en geeft de redenen van zijn beslissing op.

3. Het door artikel 1287, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek vereiste alomvattend karakter van de regeling van de wederzijdse rechten van partijen, betekent dat echt-genoten die, zoals te dezen, gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel, voor alle goede-ren behorend tot het gemeenschappelijk vermogen, een regeling dienen te treffen.

Deze voorafgaande regeling is slechts in overeenstemming met de wet in zoverre ze is opgenomen in de aan de rechtbank over te leggen regelingsakte. Indien partijen voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming het lot van bepaalde gemeenschappelijke goederen regelen, en deze regeling niet opnemen in de aan de rechtbank over te leggen regelingsakte, dan is deze “geheime overeenkomst, wegens miskenning van regels van openbare orde in de zin van de artikelen 6, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek, absoluut nietig.

Zij is niet alleen strijdig met de wettelijke verplichting de alomvattende regeling aan de rechtbank over te leggen zodat deze laatste kan nagaan of voldaan is aan de wettelijke voorwaarden naar vorm en inhoud, maar ook met de bestendigheid van de huwelijksvoorwaarden, zoals die blijkt uit de wettelijke voorschriften inzake de beperkte wijzigbaarheid van het huwelijksvermogensstelsel in de artikelen 1392, 1393, 1394 en 1395 van het Burgerlijk Wetboek, die verbiedt dat de echtgenoten vóór de ontbinding van het huwelijk een overeenkomst sluiten betreffende de vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen, en die, met toepassing van artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek, de openbare orde raakt.

4. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt:

–— dat partijen op 1 februari 1998 een onderhandse overeenkomst sloten waarin de eiser afstand deed “van alle roerende en onroerende goederen dewelke gelegen en gestaan zijn in Spanje in het voordeel van (de verweerster) ”,
–— dat de inhoud van deze overeenkomst niet werd hernomen in de aan de rechtbank overgelegde regelingsakten van 20 april 1998 en 22 september 1998;
–— dat de regelingsakten geen melding maken van drie onroerende goederen in Spanje, noch de aldaar aanwezige roerende goederen en de spaar- en zichtrekening bij een Spaanse bank.

Zoals blijkt uit eisers beroepsbesluiten, riep de eiser de nietigheid in van de onder-handse overeenkomst van 1 februari 1998 mede op grond van de vaststellingen dat deze aanvullende overeenkomst, daterend van vóór de regelingsakte, betreffende de wederzijdse rechten van partijen in de goederen in Spanje, niet aan de rechtbank werd voorgelegd en als een “geheime tegenbrief” moet worden beschouwd.

Tussen partijen werd niet betwist dat de litigieuze goederen die het voorwerp uit-maakten van de onderhandse overeenkomst van 1 februari 1998, behoorden tot het gemeenschappelijk vermogen van partijen, gehuwd onder het wettelijk stelsel, zoals ook aangenomen in het vonnis a quo. De verweerster stelde overigens uitdrukkelijk in conclusie voor de appelrechters: “Deze goederen zijn evenwel niet meer in onver-deeldheid: (de eiser) heeft zijn aandeel integendeel integraal aan (de verweerster) toebedeeld, in het kader van de vereffening en verdeling van de huwgemeenschap tussen partijen. ” Alleszins sluit het bestreden arrest niet uit dat de litigieuze goederen tot het gemeenschappelijk vermogen behoorden.

5. De door het bestreden arrest weerhouden omstandigheden dat de onderhandse regeling van 1 februari 1998:

–— aan de notariële regelingsakte voorafgaat,
–— definitief “de rechtspositie van partijen met betrekking tot hun aanspraken in de Spaanse goederen, zowel roerende als de onroerende vaststelde”,
–— niets gewijzigd heeft aan de latere dadingsovereenkomst “die partijen met betrek-king tot hun verdere onverdeeldheden hebben afgesloten”,
–— tot gevolg heeft dat wat betreft de hierin voorziene goederen “niets meer te verde-len viel” op het ogenblik van de eerste regelingsakte, lieten de appelrechters niet toe de nietigheid van deze overeenkomst te verwerpen en hieraan gevolg te verlenen door te besluiten dat er geen reden is tot een aanvullende vereffening en verdeling betreffende deze goederen.

Uit deze vaststellingen blijkt, minstens sluiten zij niet uit:

–— dat de goederen waarop de onderhandse regeling betrekking heeft, tot het gemeenschappelijk vermogen behoorden,
–— dat partijen aldus in de aanloop van hun echtscheidingsprocedure bij afzonderlijke geheime, want niet aan de echtscheidingsrechter ter kennis gebrachte overeenkomst, reeds een deel van hun gemeenschappelijk vermogen definitief hebben vereffend en verdeeld.

Dit laatste wordt overigens bevestigd door de overweging van het bestreden arrest “(dat) de drie nu in betwisting gestelde Spaanse onroerende goederen integraal aan (de verweerster) toekwamen” (onderlijning door ondergetekende), nu de eiser in zijn op 16 september 1998 (aan de verweerster) gefaxt “overzicht verdeling” “in de kavel van (verweerster) ‘Spanje’ toerekent voor 16.000 (te lezen als 16.000.000 BEF (lees: 396.629,64 EUR)) terwijl het ene Spaanse onroerend goed vermeld in de notariële akte van 20 april 1998 pro fisco geraamd wordt op slechts 2.100.000 BEF (lees: 52.057,64 EUR)”.

6. Nu aldus uit het bestreden arrest blijkt, minstens niet wordt uitgesloten dat par-tijen, bij de litigieuze overeenkomst van 1 februari 1998, reeds vóór de ontbinding van hun huwelijk door echtscheiding zijn overgegaan tot gedeeltelijke vereffening en verdeling van hun gemeenschappelijk vermogen, miskennen de appelrechters, door gevolg te geven aan deze overeenkomst, het verbod van echtgenoten gehuwd onder een gemeenschapsstelsel om vóór de ontbinding van het huwelijk over te gaan tot vereffening en verdeling van hun huwelijksvermogensstelsel, zoals dit voortvloeit uit de bestendigheid van de huwelijksvoorwaarden (schending van de art. 6, 1131, 1133, 1392, 1393, 1394 en 1395, de twee laatste artikelen in hun versies zoals aan-gegeven in de aanhef van het middel, van het Burgerlijk Wetboek).

Nu aldus uit het bestreden arrest eveneens blijkt, minstens niet wordt uitgesloten, dat partijen de overeenkomst van 1 februari 1998 niet aan de echtscheidingsrechter hebben overgemaakt, miskennen de appelrechters de wettelijke verplichting een alomvattende overeenkomst betreffende de wederzijdse rechten van partijen op te maken en ter controle aan de echtscheidingsrechter over te leggen (schending van de art. 6, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek en de art. 1287, 1ste lid, 1289ter, 1297 en 1298 van het Gerechtelijk Wetboek).

De door het bestreden arrest weerhouden omstandigheid dat de overeenkomst van 1 februari 1998 “geen ‘geheime tegenbrief’ (vormt) die de notariële regelingen (van 20 april 1998 en 22 september 1998) op enigerlei wijze veranderde”, omdat deze notariële regelingsakten betrekking hebben op “verdere onverdeeldheden”, en niet deze geregeld op 1 februari 1998, doet geen afbreuk aan voornoemde onwettighe-den, nu de aan de echtscheidingsrechter over te maken regelingsakten betreffende de wederzijdse rechten van partijen alomvattend moeten zijn, zodat het enkel feit dat een aan de regelingsakten voorafgaande overeenkomst betreffende bepaalde, niet in de regelingsakten vermelde gemeenschappelijke goederen, niet in de regelingsakten werd opgenomen, op zich reeds volstaat om te besluiten tot de onwettigheid van de voorafgaande overeenkomst, die alsdan, voor de toepassing van artikel 1287, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, wel als een “geheime tegenbrief” t.a.v. de regelings-akten kan worden aangemerkt (schending van de art. 6, 1131, 1133, 1392, 1393, 1394 en 1395, de twee laatste artikelen in hun versies zoals aangegeven in de aanhef van het middel, van het Burgerlijk Wetboek en de art. 1287, 1ste lid, 1289ter, 1297 en 1298 van het Gerechtelijk Wetboek).

Tweede middel

Geschonden wetsbepalingen

–— de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Bestreden beslissing
Het bestreden arrest verklaart het beperkt hoger beroep van de eiser ongegrond en het incidenteel hoger beroep van de verweerster deels gegrond, hervormt het bestre-den vonnis in de mate waarin dit de tegenvordering van de eiser gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, en ter zake opnieuw rechtdoende, verklaart de oorspronkelijke tegenvordering van de eiser volledig ongegrond, op volgende gronden:

“3.6. De betaling door (de eiser) persoonlijk als hoofdelijke borg voor kredieten verleend aan de NV V.:
Uit twee notariële attesten blijkt dat:
–— notaris N. V. te Antwerpen verklaart naar aanleiding van de verkoop door (de eiser) van de panden (...), verleden op 26 maart 1999 op verzoek van Fortis Bank (voorheen Generale Bank) op 1 april 1999 16.200.000 BEF (lees: 401.587,51 EUR) te hebben gestort bij voornoemde bank,
–— notaris M.D. verklaart dat naar aanleiding van de verkoop door (de eiser) van de
opbrengsteigendom te Antwerpen, (...), verleden op 26 juli 1999, op verzoek van Fortis Bank (voorheen Generale Bank) op 27 juli 1999 18.000.000 BEF (lees: 446.208,34 EUR) is gestort bij voornoemde bank.

Met reden verwijst (de verweerster) hier naar de notariële regelingsakten waarbij (de eiser) zich ertoe verbond om verder alle borgstellingen te zijnen laste te nemen die betrekking hadden op de vennootschappen die in zijn kavel werden toebedeeld, en dit met uitsluiting/ter ontlasting van (de verweerster).
Uit de door (de verweerster) overgelegde stukken 11 tot en met 13 blijkt dat de in de regelingsakten uitgedrukte wil van partijen omgezet is in de bankrelatie, door de realisatie van het voorstel van de bank, geformuleerd in haar faxbericht van 27 augustus 1998, om ten aanzien van de kredieten verleend aan NV V. handlichting te verlenen van de hypothecaire inschrijvingen op (...) voor 8,3 en 8,5 miljoen BEF (lees: 205.751,63 EUR en resp. 210.709,50 EUR) en de vrijgave van de borgstelling van (de verweerster) voor 25 en 3,5 miljoen BEF (lees: 619.733,81 EUR en resp. 86.762,73 EUR) mits voldaan werd aan vier voorwaarden, ten uitvoer is gelegd in de drie kredietbrieven van 23 september 1998 en waarbij ten aanzien van de kredieten opzichtens V. werd voorzien dat de wijzigingen in het kredietdossier pas konden worden gerealiseerd nadat het krediet van 43.653.000 BEF (lees: 1.082.129,60 EUR) aan NV V. toegestaan werd aangezuiverd en herleid tot 33.000.000 BEF (lees: 818.048,63 EUR) ten laatste op 31 oktober 1998.

Het door (de verweerster) onder nr. 14 overgelegde onderhandse stuk betreft een door (de eiser) ondertekende verklaring waarbij hij handelend in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van de NV V. zich ertoe verbond opdat voornoemde vennootschap alle nodige stappen zou ondernemen om het krediet van 43.653.000 BEF (lees: 1.082.129,60 EUR) toegestaan aan haar door de Generale Bank aan te zuiveren en te herleiden tot een bedrag van 33.000.000 BEF (lees: 818.048,63 EUR) en dit ten laatste per 31 oktober 1998, en verder: Indien deze aanzuivering om eender welke reden niet zou hebben plaatsgevonden tegen 31 oktober 1998 verbindt (de eiser) zich hierbij persoonlijk tegenover (de ver-weerster).... om voormelde aanzuivering persoonlijk door te voeren en de nodige bedragen rechtstreeks door te storten naar de Generale Bank, derwijze dat (de ver-weerster) op geen enkel ogenblik en op geen enkele wijze zou kunnen aangesproken te dien einde. (De eiser) stelt zich dan ook persoonlijk borg voor de aanzuivering van voormelde schuld van de NV V. ....

Indien (de eiser) bijgevolg met de door de respectievelijke notarissen geattesteerde betalingen enige schuld uit zijn borgstellingen opzichtens de NV V. voldeed, dan betaalde hij slechts een eigen schuld, die hij ingevolge de hogervermelde volledige tenlastenemingen niet meer kan verhalen op (de verweerster).”

Grieven

1. Het hoger beroep van de eiser strekte o.m. tot hervorming van het vonnis a quo in zoverre hierin werd besloten tot de verwerping van zijn tegenvordering, strekkende tot aanstelling van een notaris om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening-verdeling van een betaling van 818.048,63 EUR (33.000.000 BEF) door de eiser aan Fortis Bank als persoonlijke hoofdelijke borg voor de NV V., waartoe beide
partijen gehouden waren, en waarvoor in de regelingsakte voorafgaand de echtscheiding door onderlinge toestemming niet voorzien was hoe dit zou moeten geregeld worden indien één van beiden aangesproken werd om dit te voldoen. Volgens de eiser diende de verweerster in de betaling van de schuld van 818.048,63 EUR voor de helft tussen te komen.

2. De eiser voerde in dit verband in conclusie voor de appelrechters o.m. aan (syn-theseberoepsbesluiten van eiser, neergelegd op 31 december 2007, p. 28-32, sub d):
–— dat partijen zich hoofdelijk borg hadden gesteld voor de schulden aangegaan door de NV V.;
–— dat de eiser zich in de notariële regelingsakte er slechts toe verbonden had “voor zover dit realiseerbaar is” “de nodige stappen te ondernemen bij de betrokken financiële instellingen opdat (de verweerster) ontlast wordt van de persoonlijke borgstellingen die zij aangegaan heeft in het kader van kredieten toegestaan ten voordele van vennootschappen toebedeeld aan (de eiser)”;
–— dat de eiser getracht heeft de hoofdelijke borgstellingen voor de schulden van de NV V. ongedaan te krijgen, maar dat Fortis Bank (brief Generale Bank d.d. 27 augustus 1998) voorwaarden stelde die niet realiseerbaar waren (hypotheek aan een pand, “Selderstraat”, dat aan de verweerster werd toebedeeld, en het reeds bestaan van een hypothecaire inschrijving op het pand “Nationalestraat”);
–— dat het schrijven van de Generale Bank d.d. 23 september 1998 het verderzetten betreft van de kredieten onder voorwaarde van het herleiden van de kredietlijn van de NV V. naar 33.000.000 BEF, doch nooit door de eiser werd ondertekend omdat de waarborgen niet realiseerbaar waren;
–— dat de eiser enkel aan de voorwaarde van het herleiden kon voldoen, in welk ver-band hij, op verzoek van de verweerster, de verklaring van 24 september 1998 ondertekende waarin hij zich persoonlijk engageerde om in te staan voor de afbouw van het krediet van 43.653.000 BEF naar 33.000.000 BEF, “niet meer, niet minder”;
–— dat de eisers standpunt bevestigd wordt door de realisatie door de bank van de hypothecaire volmacht van 58.000.000 BEF;
–— dat de hoofdelijke borgstelling van de verweerster voor de schulden van de NV V. nooit een einde heeft genomen;
–— dat de eiser de verweerster nooit heeft vrijgesteld van de persoonlijke borgstelling die zij had aangegaan voor de schulden van de NV V.;
–— dat de eiser nooit heeft gesteld dat hij alle schulden van de NV V. persoonlijk zou dragen ter vrijwaring van de verweerster.

3. Het bestreden arrest stelt vast dat de notarissen attesteerden naar aanleiding van de verkoop van onroerende goederen door de eiser op 26 maart 1999 en 26 juli 1999, 401.587,51 EUR en 446.208,34 EUR te hebben gestort bij Fortis Bank op verzoek van deze bank.
Het verwerpt eisers vordering om reden dat, indien de eiser door voornoemde door de notarissen geattesteerde betalingen enige schuld uit zijn borgstellingen opzichtens de NV V. voldeed, hij slechts een eigen schuld voldeed, die hij ingevolge de in het arrest vermelde “volledige tenlastenemingen” niet meer kan verhalen op de verweerster.

Het bestreden arrest vermeldt ter zake volgende “tenlastenemingen”:

–— in de notariële regelingsakten “waarbij (de eiser) zich ertoe verbond om verder alle borgstellingen te zijnen laste te nemen die betrekking hadden op de vennootschappen die in zijn kavel werden toebedeeld, en dit met uitsluiting/ter ontlasting van (de verweerster)” (arrest p. 23, voorlaatste alinea);
–— en in een onderhandse verklaring van eiser d.d. 24 september 1994, door de ver-weerster overgelegd onder stuk 14, en eveneens door eiser overgelegd onder stuk 7 van zijn “inventaris III (stukken i.v.m. Fortis Bank)” en onder stuk 1 van zijn “inventaris IV’.

Eerste onderdeel

4. In zoverre het bestreden arrest lastens de eiser als “volledige tenlasteneming” weerhoudt dat de eiser zich in de notariële regelingsakten verbond om alle borgstel-lingen ten laste te nemen, geeft het aan deze regelingsakten een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan.
De notariële regelingsakten waarvan melding in het arrest zijn de regelingsakten van 20 april 1998 en 22 september 1998. Dit blijkt ook uit het standpunt van de ver-weerster in conclusie waarnaar het bestreden arrest verwijst.

Slechts de notariële regelingsakte van 20 april 1998 regelt de toebedeling van de aandelen van de NV V. aan eiser, en de gevolgen hiervan voor de borgstellingen, en voorziet ter zake volgende clausule (p. 2, sub “B. Onlichamelijke roerende goede-ren”, sub 2. “aandelen”, in fine; tevens weergegeven in het arrest, p. 4, bovenaan):

“Er wordt hierbij uitdrukkelijk overeengekomen dat alle leningen, kredietopeningen of financieringen die toegestaan werden aan de hierboven vermelde vennootschap-pen en waarvoor (de eiser) en (de verweerster) zich persoonlijk borg hebben gesteld, volledig ten laste zullen genomen worden door de vennootschappen voor dewelke deze financieringen gediend hebben.

(De eiser) verbindt zich ertoe, voor zover dit realiseerbaar is, de nodige stappen te ondernemen bij de betrokken financiële instellingen opdat mevrouw S. ontlast wordt van de persoonlijke borgstellingen die zij aangegaan heeft in het kader van kredieten toegestaan ten voordele van vennootschappen toebedeeld aan (de eiser).”

De notariële regelingsakte voorziet derhalve alleen dat de vennootschappen de schulden waarvoor de eiser en de verweerster zich borg hebben gesteld, volledig ten laste zullen nemen. In hoofde van de eiser wordt alleen de verbintenis vermeld, “voor zover dit realiseerbaar is”, “de nodige stappen te ondernemen” bij de financiële instellingen om de verweerster te bevrijden van haar borgstellingen voor de vennootschappen.

Door niettemin uit deze notariële regelingsakte een verbintenis in hoofde van eiser tot “volledige tenlasteneming” van alle borgstellingen voor de NV V. af te leiden, geeft het bestreden arrest een uitlegging aan de regelingsakten van 20 april 1998 en 22 september 1998, en inzonderheid aan de hiervoor geciteerde clausule uit de regelingsakte van 20 april 1998, die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan, en miskent het derhalve de bewijskracht van deze regelingsakten en deze clausule (schending van de art. 1319, 1320 en 1322 B W).

Tweede onderdeel

S. In zoverre het bestreden arrest een “volledige tenlasteneming” lastens de eiser weerhoudt op grond van de onderhandse verklaring van 24 september 1998, geeft het ook aan dit geschrift een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan.

Zoals blijkt uit het bij de voorziening gevoegde stuk, is deze verklaring in volgende bewoordingen gesteld:
“De ondergetekende, (de eiser), bestuurder van vennootschappen (...), handelende in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van de naamloze vennootschap ‘V.’ (...) verbindt zich hierbij opdat voormelde vennootschap alle nodige stappen zou ondernemen om het krediet ad 43.6S3.000 BEF, toegestaan door de Generale Bank NV aan de naamloze vennootschap aan te zuiveren en te herleiden tot een bedrag ad 33.000.000 BEF en dit ten laatste per 31 oktober 1998.
Indien deze aanzuivering om eender welke reden niet zou hebben plaatsgevonden tegen 31 oktober 1998 verbindt (de eiser) zich hierbij persoonlijk tegenover (de verweerster) (...) om voormelde aanzuivering persoonlijk door te voeren en de nodige bedragen rechtstreeks door te storten naar de Generale Bank, derwijze dat (de verweerster) op geen enkel ogenblik en op geen enkele wijze zou kunnen aangesproken te dien einde.

(De eiser) stelt zich dan ook persoonlijk borg voor de aanzuivering van voormelde schuld van de NV ‘ V.’. (De eiser) verklaart dat deze persoonlijke borgstelling zich uitstrekt op de totaliteit van zijn persoonlijke lichamelijke en onlichamelijke roe-rende goederen alsook op de totaliteit van de onroerende goederen die zowel hijzelf als de vennootschappen waarin hij meerderheidsaandeelhouder is, in eigendom bezitten. ”

Uit de bewoordingen van deze verklaring blijkt:
–— dat zij enkel betrekking heeft op de “aanzuivering” en het “herleiden” van het krediet van 43.6S3.000 BEF naar 33.000.000 BEF,
–— dat de eiser zich in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van de NV V. verbindt om de nodige stappen te ondernemen, om het krediet aan te zuiveren en te herleiden;
–— dat de eiser zich persoonlijk verbindt opzichtens de verweerster om “voormelde aanzuivering” desnoods persoonlijk door te voeren;
–— dat de eiser zich “dan ook” persoonlijk borg stelt “voor de aanzuivering van voormelde schuld”.

De persoonlijke borgstelling van eiser, in deze verklaring, opzichtens verweerster, betreft dan ook enkel de aanzuivering van het krediet van 43.653.000 BEF naar 33.000.000 BEF, doch geenszins een “volledige tenlasteneming” van de integrale schuld van 43.653.000 BEF.

Door niettemin uit deze verklaring van eiser d.d. 24 september 1998 een verbintenis tot “volledige tenlasteneming” door de eiser, opzichtens de verweerster, van alle borgstellingen voor de NV V. af te leiden, geeft het bestreden arrest aan deze akte een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan, en miskent het derhalve de bewijskracht van dit stuk (schending van de art. 1319, 1320 en 1322 B W).

III. Beslissing van het Hof Beoordeling

Eerste middel

Ontvankelijkheid

1. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het middel is nieuw in zoverre het de schending aanvoert van de artikelen 1393, 1394 en 1395 van het Burgerlijk Wetboek en hieraan verbonden, de schending van de artikelen 6, 1131 en 1133 van dat wetboek.

2. De wettelijke regels inzake de wijzigbaarheid van het huwelijksvermogensstelsel zijn van dwingend recht. Nu uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat de eiser afstand heeft gedaan van de hem door de wet toegekende bescherming, is de eiser derhalve gerechtigd voor het eerst voor het Hof aan te voeren dat het de echtgenoten verboden is voor de ontbinding van het huwelijk een overeenkomst te sluiten betreffende de vereffening en verdeling van het gemeen-schappelijk vermogen.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Middel zelf

3. De echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestem-ming over te gaan, moeten een alomvattende regeling treffen zoals de artikelen 1287 en 1288 van het Gerechtelijk Wetboek bepalen.

Indien tussen de echtgenoten een overeenkomst betreffende hun vermogensrechte-lijke verhouding werd gesloten tijdens het huwelijk, die geen voorafgaande regeling betreft in de procedure van echtscheiding door onderlinge toestemming, die onder-worpen is aan de artikelen 1287 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, “dan dient een dergelijke overeenkomst te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 1392 en vol-gende van het Burgerlijk Wetboek”.

4. De appelrechters overwegen dat:
–— de verweerster van haar kant zich beroept op de onderhandse overeenkomst van 1 februari 1998, dit is bijna twee maanden voorafgaand aan de eerste notariële rege-lingsakte, en waarbij de eiser ten gunste van verweerster afstand deed van alle roe-rende en onroerende goederen in Spanje;
–— die onderhandse regeling voorafgaat aan de notariële regelingen en de rechtspositie van partijen met betrekking tot hun aanspraken in de Spaanse goederen, zowel de roerende als de onroerende definitief vaststelde.

5. De appelrechters die op grond van deze overwegingen zonder meer uitgaan van de geldigheid van de tussen partijen tot stand gekomen onderhandse akte, verant-woorden hun beslissing “dat er niets meer te verdelen viel op het moment dat partijen hun eerste regelingsakte opstelden” en “dat er geen reden is tot aanvullende vereffening en verdeling van die goederen”, niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

6. In de notariële regelingsakten, waarnaar de eiser verwijst in het eerste onderdeel van dit middel, wordt enerzijds overeengekomen dat alle leningen, kredietopeningen of financieringen die toegestaan werden aan de in diezelfde akte vermelde vennoot-schappen en waarvoor de eiser en de verweerster zich persoonlijk borg hebben gesteld, volledig ten laste zullen genomen worden door de vennootschappen voor dewelke deze financieringen gediend hebben.

Tevens vermelden deze akten dat de eiser zich ertoe verbindt, voor zover dit reali-seerbaar is, de nodige stappen te ondernemen bij de betrokken financiële instellingen opdat de verweerster bevrijd wordt van de persoonlijke borgstellingen die zij aange-gaan heeft in het kader van kredieten toegestaan ten voordele van vennootschappen toebedeeld aan de eiser.

7. In de akte van 24 september 1998, door de eiser aangehaald in het tweede onder-deel, verbindt de eiser zich in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van de NV V. om de nodige stappen te ondernemen om het krediet toegestaan door de Generale Bank NV aan te zuiveren en te herleiden. Vervolgens verbindt de eiser zich persoonlijk tegenover de verweerster om deze aanzuivering persoonlijk door te voe-ren en de nodige bedragen rechtstreeks door te storten aan de Generale Bank zodat de verweerster op geen enkel ogenblik en op geen enkele wijze zou kunnen aange-sproken worden te dien einde. Ten slotte stelt de eiser zich in voormelde akte per-soonlijk borg voor de aanzuivering van voormelde schuld van de NV V. waarbij hij verklaart dat deze persoonlijke borgstelling zich uitstrekt tot de totaliteit van zijn persoonlijke lichamelijke en onlichamelijke roerende goederen alsook tot de totaliteit van de onroerende goederen die zowel hijzelf als de vennootschappen waarin hij meerderheidsaandeelhouder is, in eigendom bezitten.

8. De appelrechters die deze akten aldus uitleggen dat de eiser er zich ten overstaan van de verweerster toe verbond om alle borgstellingen te zijnen laste te nemen die betrekking hadden op de vennootschappen die in zijn kavel werden toebedeeld,
waardoor hij deze na betaling niet meer kon verhalen op de verweerster, geven van deze akten een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.
Het middel mist feitelijke grondslag.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de aanspraken van de eiser op de drie onroerende goederen en vermogensbestanddelen in Spanje en over de kosten.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeelte-lijk vernietigde arrest.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Waar aanwezig waaren: E. Dirix, raadsheer wnd. voorzitter; E. Stassijns, B. Deco-ninck, A. Smetryns en G. Jocqué, raadsheren; in aanwezigheid van A. Van Ingelgem, advocaat-generaal met opdracht.

 

Nuttige tips: 

Wijziging van stelsel – Bekendmaking in het Belgisch Staatsblad – Tegenwerpbaarheid aan derden

Cass. 09/01/2016, RW 2016-2017, 1303

Samenvatting

Wijzigingen van het huwelijksvermogensstelsel die niet tot gevolg hebben dat het vorige stelsel wordt vereffend of dat de bestaande samenstelling van de vermogens wordt gewijzigd, moeten niet in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt om aan derden te kunnen worden tegengeworpen.

Tekst arrest
Nr. C.15.0383.N
D. V. K.,
eiser,

M. V. K.,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 25 juni 2015.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 1319, 1°, Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels en zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksver-mogensstelsel, worden het uittreksel uit het verzoek tot homologatie en de homo-logatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt door de zorg van beide echtgenoten. Zij zijn hiervan evenwel vrijgesteld indien de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel niet tot gevolg heeft dat het vorige stelsel wordt veref-fend of dat de bestaande samenstelling van de vermogens wordt gewijzigd.

2. Luidens artikel 1396, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij voor-melde wet van 14 juli 1976 en zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 18 juli 2008 tot wijziging van de wetgeving wat betreft de wijziging van het hu-welijksvermogensstelsel zonder tussenkomst van de rechtbank en tot wijziging van artikel 9 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt, kunnen bedongen wijzigingen van het huwelijksvermogensstelsel aan derden eerst worden tegengeworpen vanaf de dag van de bekendmaking van een uittreksel uit de ho-mologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad.

3. Uit de samenhang van deze artikelen en de wetsgeschiedenis blijkt dat wij-zigingen van het huwelijksvermogensstelsel die niet tot gevolg hebben dat het vo-rige stelsel wordt vereffend of dat de bestaande samenstelling van de vermogens wordt gewijzigd, niet in het Belgisch Staatsblad moeten worden bekendgemaakt om aan derden te kunnen worden tegengeworpen.

Het onderdeel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. De appelrechters oordelen dat "deze vraag moet worden bekeken gelet op de in 1992 toepasselijke wetgeving inzake de wijziging van huwelijkscontracten, zoals ingevoerd bij Wet van 14 juli 1976 ‘betreffende de wederzijdse rechten en ver-plichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels' en vóór de her-vormingen bij Wet van 9 juli 1998 ‘betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksvermogensstelsel' en bij Wet van 18 juli 2008 ‘tot wijziging van de wetgeving wat betreft het huwelijksvermogensstelsel zonder tussenkomst van de rechtbank en tot wijziging van artikel 9 van de Wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt'".

5. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, maken de appelrechters geen toepassing van de wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksvermogensstelsel.
Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feite-lijke grondslag.

Derde onderdeel
6. De appelrechters oordelen dat "zelfs ingeval [de eiser] als een derde in de zin van het oude artikel 1396, eerste lid BW wordt aangezien (terwijl de regeling van het oude art. 1396, tweede lid BW enkel geldt voor de echtgenoten onderling en niet voor hun rechtsopvolgers/kinderen), de zienswijze van [de eiser] dat de bedongen wijziging, bij gebrek aan publicatie in het Belgisch Staatsblad van een uittreksel van de homologatiebeslissing, hem (als derde) niet tegenwerpbaar is, echter niet kan worden gevolgd."

7. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat de eiser geen derde is in de zin van vermeld artikel 1396 Burgerlijk Wetboek.
Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feite-lijke grondslag.

Vierde onderdeel
8. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, nemen de appelrechters de rede-nen van de eerste rechter in verband met de mogelijke strijdigheid van artikel 1396 (oud) Burgerlijk Wetboek met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, niet over.
Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feite-lijke grondslag.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 851,50 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer in openbare rechtszitting van 9 juni 2016 uitgesproken

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: de heer D. V. K.,

eiser in cassatie

TEGEN: mevrouw M. V. K.,

verweerster in cassatie.

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter en aan de Dames en Heren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie.

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser heeft de eer aan Uw toezicht te onderwerpen een ar-rest van 25 juni 2015 van de elfde kamer van het Hof van beroep te Gent (A.R. nr 2013/AR/1074).

Van belang zijnde feiten en procedurevoorgaanden

1. Partijen zijn de kinderen van C. V. K. en S.M.

De ouders van partijen waren gehuwd op 25 november 1946 en, bij gebrek aan huwelijkscontract, vielen zij onder het wettelijk huwelijksvermogens-stelsel.

Bij notariële akte van 6 januari 1975 schonk C. V. K. het grootst be-schikbare deel van zijn nalatenschapsvermogen aan zijn echtgenote.

Bij notariële akte van 2 december 1992 wijzigden de ouders van partijen hun huwelijksvermogensstelsel met toevoeging van een verblijvingsbeding (in volle eigendom) in de zin van artikel 1461 van het Burgerlijk Wetboek.

Het gewijzigde stelsel werd, overeenkomstig het toen toepasselijke artikel 1395 van het Burgerlijk Wetboek, gehomologeerd bij beschikking van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent dd. 25 februari 1993.

Het uittreksel van de homologatiebeslissing werd evenwel niet ge-publiceerd in het Belgisch Staatsblad.

2. De heer C. V. K. is testamentloos overleden op 25 september 2003.

Mevrouw S. M. is met eigenhandig testament van 10 juni 2004 overleden op 14 november 2010. Zij vermaakte het grootst beschikbare deel van haar nalatenschapsvermogen aan verweerster.

3. Eiser is van oordeel dat het verblijvingsbeding hem niet kan worden tegengeworpen bij gebrek aan publicatie in het Belgisch Staatsblad van het uittreksel van de homologatiebeslissing.

4. De vordering van eiser strekt in essentie ertoe een beslissing te be-komen volgens dewelke het verblijvingsbeding hem niet tegenstelbaar is.

Bij vonnis dd. 5 februari 2013 heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Gent die vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

Het hoger beroep van eiser tegen dit vonnis wordt door het bestre-den arrest ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

Tegen dit arrest meent eiser gerechtigd te zijn volgend cassatiemid-del te formuleren.

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

- artikelen 1314 en 1319, 1° en 3° van het Gerechtelijk Wetboek zoals ingevoegd bij de Wet van 14 juli 1976 en van toepassing in de jaren 1992 en 1993 vóór de inwerkingtreding van de Wet van 9 juli 1998;
- artikelen 1396 (zoals van toepassing na de Wet van 14 juli 1976 en voor de Wet van 18 juli 2008) en 1122 van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 4 van de Wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksvermogensstelsel;
- artikel 149 van de Grondwet;
- artikel 26,§1,3° van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof.

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiser ongegrond en be-vestigt het vonnis van de eerste rechter, volgens hetwelk het door de ouders van partijen overeengekomen verblijvingsbeding aan eiser tegenstelbaar is. Het steunt die beslissing op eigen motieven en op de motieven van de eerste rechter.

De eigen motieven van het bestreden arrest luiden als volgt :

"Met de eerste rechter is ook het hof van oordeel dat :

(...)

* de procedure in de eerste plaats de juridische vraag betreft naar de te-genwerpbaarheid van voormeld verblijvingsbeding ten aanzien van (eiser);

* meer precies de vraag rijst naar de gevolgen van de bij huwelijkscon-tract van 2 december 1992 door het echtpaar/ouderpaar V. K.-M. bedongen wij-ziging van hun huwelijksvermogensstelsel met toevoeging van een zogeheten 'ver-blijvingsbeding' (in volle eigendom) in de zin van artikel 1461 BW., nu het aldus gewijzigde stelsel is gehomologeerd bij beschikking van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 25 februari 1993 zonder navolgende publicatie in het Belgisch Staatsblad van een uittreksel van de homologatiebeslissing;

* deze vraag moet worden bekeken gelet op de in 1992 toepasselijke wetgeving inzake de wijziging van huwelijkscontracten, zoals ingevoerd bij Wet van 14 juli 1976 'betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels' en vóór de hervormingen bij Wet van 9 juli 1998 'betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksvermogensstelsel' en bij Wet van 18 juli 2008 'tot wijziging van de wetgeving wat betreft het huwelijksvermogensstelsel zonder tussenkomst van de rechtbank en tot wijziging van artikel 9 van de Wet vna 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt';

* de bedoelde toevoeging van het verblijvingsbeding (waardoor, bij overlijden van de eerststervende echtgenoot, het gemeenschappelijke huwelijks-vermogen integraal verblijft aan de langstlevende echtgenoot) een zogeheten 'kleine wijziging' betrof in de zin van het oude artikel 1394, vierde lid BW;

* ook dergelijke kleine wijziging toen nog homologatie behoefde in de zin van het oude artikel 1395,§1 BW;

* de benodigde homologatie is tussengekomen bij beschikking van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 25 februari 1993;

* de publicatie in het Belgisch Staatblad van een uittreksel van de homo-logatiebeslissing echter niet hoefde, gelet op het oude artikel 1319, eerste lid, sub 1° Ger.W.;

* het toepasselijke (oude) artikel 1396 BW evenwel bepaalde dat bedon-gen wijzigingen van het huwelijksvermogensstelsel aan derden eerst kunnen wor-den tegengeworpen vanaf de dag van de publicatie in het Belgisch Staatsblad van een uittreksel van de homologatiebeslissing, terwijl zij tussen de echtgenoten ge-volg hebben vanaf de datum van de wijzigingsakte;

* (Eiser), gelet op een letterlijke lezing van deze bepaling, kan voorhou-den dat de bedongen wijziging, bij gebrek aan publicatie in het Belgisch Staatsblad van een uittreksel van de homologatiebeslissing, hem als derde niet tegenwerpbaar is;

* zelfs ingeval (eiser) als een derde in de zin van het oude artikel 1396, eerste lid BW wordt aangezien (terwijl de regeling van het oude art. 1396, tweede lid BW enkel geldt voor de echtgenoten onderling en niet voor hun rechtsopvol-gers/kinderen), de zienswijze van (eiser) dat de bedongen wijziging, bij gebrek aan publicatie in het Belgisch Staatsblad van een uittreksel van de homologatie-beslissing, hem (als derde) niet tegenwerpbaar is, echter niet kan worden gevolgd;

* het gelijktijdige bestaan van enerzijds het oude artikel 1319, eerste lid, sub 1° Ger.W. en anderzijds het oude artikel 1396, eerste lid BW immers maakt dat (in de lijn van een meerderheidsstrekking in de rechtsleer) redelijkerwijze moet worden aangenomen dat het oude artikel 1396, eerste lid BW, gelet op de uitdrukkelijke vrijstelling waarin het oude artikel 1319, eerste lid, sub 1° GER.W. voorzag, uitsluitend betrekking heeft op de tegenwerpbaarheid van zogeheten 'grote wijzigingen', terwijl kleine wijzigingen onmiddellijk tegenwerpbaar zijn aan derden vanaf de datum van de wijzigingsakte en derhalve zonder enige publicatie in het Belgisch Staatsblad;

* deze invulling/interpretatie van het oude artikel 1396, eerste lid BW in weerwil van haar algemene/letterlijke bewoordingen immers beantwoordt aan de bedoeling van de wetgever;

* de zinsnede 'bedongen wijzigingen' in het oude artikel 1396, eerste lid BW aldus uitsluitend slaat op grote wijzigingen, dit zijn wijzigingen die de veref-fening van het voorgaande stelsel meebrengen of de bestaande samenstelling van de vermogens wijzigen;

* de zinsnede 'bedongen wijzigingen' in het oude artikel 1396, eerste lid BW aldus niet slaat op kleine wijzigingen, die (gelet op het oude art. 1319, eerste lid, sub 1° Ger.W.) van publicatie in het Belgisch Staatsblad waren vrijgesteld, zodat die publicatie bezwaarlijk kan worden vereist voor de tegenwerpbaarheid van kleine wijzigingen aan derden;

* met de hervorming bij Wet van 9 juli 1998 'betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksvermogensstelsel' overigens de rechterlijke ho-mologatie van kleine wijzigingen is afgeschaft, zodat alsdan (in de rechtsleer) zonder meer werd aangenomen dat geen publicatie in het Belgisch Staatsblad meer aan de orde was voor de tegenwerpbaarheid van kleine wijzigingen aan derden;

* een en ander in casu maakt dat voormeld verblijvingsbeding, ondanks het gebrek aan publicatie in het Belgisch Staatsblad van een uittreksel van de ho-mologatiebeslissing aan (eiser) tegenwerpbaar is, met alle gevolgen van dien;

* (Eiser) het bedoelde verblijvingsbeding dan ook onverkort moet on-dergaan, terwijl zijn vordering in geen van de onderdelen kan worden ingewilligd.

Het hof valt de omstandig gemotiveerde zienswijze en beslissing van de eerste rechter bij."

De motieven van de eerste rechter luiden als volgt :

"3. De wettelijke mogelijkheid voor echtgenoten om tijdens het huwelijk hun huwelijksvermogensstelsel te wijzigen, kent een bewogen geschiedenis.

Deze mogelijkheid werd (pas) ingevoerd bij Wet van 14 juli 1976 betref-fende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijks-vermogensstelsels, B.S. 18 september 1976, p. 11697, waarbij de ganse Titel V 'Huwelijksvermogensstelsels' van Boek III van het Burgerlijk Wetboek werd ver-vangen.

Nadien volgden in deze materie nog een aantal grote wettelijke hervor-mingen, meer bepaald bij Wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, B.S. 7 augustus 1998, p. 285356 (in werking getreden op 17 augustus 1998) (met o.a. de afschaffing van de rechterlijke homologatie voor zgn. 'kleine wijzigingen' en de invoering van een minder rigide procedure voor zgn. 'middelgrote wijzigingen'), en bij Wet van 18 juli 2008 tot wijziging van de wetgeving wat betreft de wijziging van het huwelijksvermo-gensstelsel zonder tussenkomst van de rechtbank en tot wijziging van artikel 9 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt, B.S. 14 augustus 2008, p. 43560 (in werking getreden op 1 november 2008 : zie art. 11) (met o.a. de volledige afschaffing van de rechterlijke homologatie voor álle wijzigingen).

Het litigieuze verblijvingsbeding blijkt te zijn vervat in een wijzigende akte die tussen de ouders van de partijen werd verleden op 2 december 1992 (niet be-twist). Deze akte werd door de rechtbank gehomologeerd bij beschikking van 25 februari 1993 - maar (een uittreksel van) deze homologatiebeslissing werd nader-hand niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, laat staan (een uittreksel van) de notariële wijzigingsakte zelf (niet betwist).

Anders dan de verweerster lijkt te geloven, wordt de rechtsgeldigheid van de voormelde wijzigingsakte en/of het daarin vervatte verblijvingsbeding door de eiser niet in vraag gesteld. De eiser betwist alleen dat deze akte, en in het bijzonder het daarin vervatte verblijvingsbeding, hem tegenstelbaar zou zijn. De eiser stelt dus (enkel) dat hijzelf de gevolgen van dit verblijvingsbeding niet zou moeten ondergaan maar hiervan abstractie zou mogen maken, meer bepaald in het kader van de vereffening-verdeling van de nalatenschappen van de (inmiddels allebei overleden) ouders van de partijen.

Zoals de eiser terecht stelt, dient (ook) de vraag naar de tegenstelbaarheid van het bewuste verblijvingsbeding te worden beoordeeld conform de wetgeving zoals die van kracht is ten tijde van de betrokken wijzigingsakte en/of homologa-tiebeslissing (vgl. art. 10 Wet 18 juli 2008). Derhalve moet toepassing worden gemaakt van de relevante wetgeving zoals die bestond in 1992-1993, d.i. vóór de hoger vermelde (grote) wettelijke hervormingen van 9 juli 1998 en 18 juli 2008. In wat volgt zal dus (telkens) worden verwezen naar de versie van de aangehaalde wetsbepalingen die van kracht was vóór 17 augustus 1998, datum van inwerking-treding van de Wet van 9 juli 1998.

4. De tussen de ouders van de partijen verleden notariële wijzigingsakte van 2 december 1992, hield naar verluidt niets anders in dan het litigieuze ver-blijvingsbeding, krachtens hetwelk bij het overlijden van de eerststervende het ganse gemeenschappelijk vermogen (contractueel) zou toevallen aan de langstle-vende van de beide echtgenoten.

Deze wijziging had derhalve niet de vereffening van het bestaande stelsel of een dadelijke verandering van de samenstelling van de vermogens tot gevolg. Het betrof m.a.w. (geen 'grote' maar) een zgn. 'kleine wijziging' in de zin van artikel 1394, vierde lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing in 1992-1993 (van zgn. 'middelgrote wijzigingen', in de zin van artikel 1394, vijfde lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek, was toen nog geen sprake : dit vijfde lid werd pas ingevoerd bij artikel 2 van de Wet van 9 juli 1998).

Ten tijde van het verlijden van de hier bedoelde wijzigingsakte van 2 de-cember 1992, diende nog alle akten houdende ('grote' of 'kleine') wijziging van het huwelijksvermogensstelsel door de rechtbank te worden gehomologeerd. De ver-plichte homologatie voor zgn. 'kleine wijzigingen' werd namelijk pas afgeschaft in 1998 (zie art. 1395,§1, eerste lid (oud) Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij art. 3,a) Wet 9 juli 1998).

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de ouders van de partijen des-tijds ook effectief hebben gezorgd voor de homologatie van de voormelde akte houdende ('kleine') wijziging van hun huwelijksvermogensstelsel. De desbetref-fende homologatiebeslissing blijkt te dateren van 25 februari 1993 (niet betwist).

Van de wijzigende akte en/of de homologatiebeslissing werd evenwel géén uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad (niet betwist). Ook dát hoeft niet te verwonderen, aangezien de ouders van de partijen daar destijds - voor een zgn. 'kleine wijziging', als deze die zij hebben doorgevoerd (zie hoger) - krachtens de wet zelf uitdrukkelijk van waren vrijgesteld.

Immers, de toenmalige wet schreef voor dat het uittreksel uit het verzoek en de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt door de zorg van beide echtgenoten, maar dat zij hiervan waren vrijgesteld indien de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel niet tot gevolg had dat het vorige stelsel werd vereffend of dat de bestaande samenstelling van de vermogens werd gewijzigd (zie art. 1319, eerste lid, 1° Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing in 1992-1993).

De notariële akte van 2 december 1992, verleden tussen de ouders van de partijen, hield slechts een verblijvingsbeding in en had (dus) niet tot gevolg dat het bestaande stelsel werd vereffend of dat de samenstelling van de vermogens werd gewijzigd (zie hoger). Van de desbetreffende homologatiebeslissing van 25 februari 1993 werd dan ook - geheel conform de toenmalige wetgeving (zie art. 1319, eerste lid, 1° Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing in 1992-1993) - géén uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

5. Bedongen wijzigingen van het huwelijksvermogensstelsel kunnen aan derden eerst worden tegengeworpen vanaf de dag van de bekendmaking van een uittreksel uit de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad (zie art. 1396, eerste lid (oud) Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing in 1992-1993). Tussen echtgenoten hebben zij gevolg vanaf de datum van de akte (zie art. 1396, tweede lid (oud) Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing in 1992-1993).

De eiser beroept zich op de (letterlijke) inhoud van deze wettelijke bepaling om voor te houden dat de wijzigingsakte van 2 december 1992, en in het bijzonder het daarin vervatte verblijvingsbeding, bij ontstentenis van publicatie van een uittreksel uit de desbetreffende homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad (zie hoger) hem, als derde bij deze akte, niet tegenstelbaar zou zijn.

Dit standpunt is op zijn minst verdedigbaar. Het (toenmalige) eerste lid van artikel 1396 van het Burgerlijk Wetboek maakte immers (inderdaad) geen enkel onderscheid tussen zgn. 'kleine' en 'grote wijzigingen' en liet de tegenstelbaarheid van alle bedongen wijzigingen afhangen van de voorafgaande bekendmaking van een uittreksel uit de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad. Het (toenmalige) tweede lid van artikel 1396 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde dan weer dat de wijziging (enkel) tussen de echtgenoten gevolg had vanaf de datum van de akte.

Toch kan het standpunt van de eiser door de rechtbank niet worden gevolgd - en dit om de hierna volgende redenen.

6. Ten eerste is het zeer de vraag of de eiser, als afstammeling en (dus) rechtsopvolger van zijn ouders (die de wijzigende akte van 2 december 1992 heb-ben gesloten), wel te beschouwen is als een derde in de zin van artikel 1396, eerste lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek.

In het algemeen wordt immers aangenomen dat rechtsopvolgers géén der-den zijn. Rechtsopvolgers treden namelijk - a.h.w. per definitie - slechts in de rechten en verplichtingen van hun rechtsvoorganger. Dit geldt in het bijzonder in contractuele aangelegenheden, aangezien eenieder (in principe) wordt geacht te hebben bedongen voor zichzelf en voor zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden (zie art. 1122 Burgerlijk Wetboek).

In die optiek zijn de kinderen van de echtgenoten (versta : die hun huwe-lijksvermogensstelsel hebben gewijzigd) géén derden in de zin van artikel 1396, eerste lid (oud) van het burgerlijk Wetboek, zodat de wijziging hen - net als aan de echtgenoten zelf - ook zónder bekendmaking van een uittreksel uit de homolo-gatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad (zonder meer) tegenstelbaar zou zijn (zie o.m. : M. COENE, 'Aktuele problemen inzake conventionele wijziging van huwelijksvermogensstelsels', T.P.R. 1985, p. (175) 190, nr. 17; N. TORFS, 'De te-genwerpelijkheid van de 'kleine' wijziging van het huwelijksvermogensstelsel', (noot onder Rb. Brugge 20 oktober 1995), Not. Fisc. M. 1997, p. (239) 244).

Zo had de wijzigende akte van 2 december 1992 voor de heer C. V. K. ge-volg vanaf de datum van de akte (zie art. 1396, tweede lid (oud) Burgerlijk Wet-boek, zoals van toepassing op 2 december 1992). Na het overlijden van de heer C. V. K. (op 25 september 2003) zou in deze hypothese hetzelfde gelden voor de eiser, die immers als zoon van de overledene (louter) in de rechten en verplichtingen van deze laatste is getreden.

Toch valt niet uit te sluiten dat de kinderen (of andere rechtsopvolgers) van echtgenoten die hun huwelijksvermogensstelsel hebben gewijzigd, althans wat die wijziging betreft, niet als derden mogen worden beschouwd.

Immers, men wordt geacht te hebben bedongen voor zichzelf en voor zijn erfgenamen en rechtsverkrijgenden, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk bepaald is of uit de aard van de overeenkomst voortvloeit (zie art. 1122 Burgerlijk Wetboek). Het lijkt alvast niet onverdedigbaar dat een huwelijkscontract (of een wijziging daarvan), dat onlosmakelijk samenhangt met het huwelijk van de contractanten en automatisch vervalt van zodra dit huwelijk wordt ontbonden, uit zijn aard zelf uit-sluitend geldt voor de betrokken echtgenoten en (dus) niet voor hun rechtsopvolgers - die bijgevolg volkomen vreemd zijn en blijven aan een dergelijk contract, ook al dienen zij hiervan (in principe) de gevolgen te ondergaan.

Daarbij komt dat de toenmalige wetgeving uitdrukkelijk voorzag in de mo-gelijkheid voor de kinderen van de echtgenoten (die een wijziging van hun huwe-lijksvermogensstelsel wilden doorvoeren), net als voor de schuldeisers van de laatstgenoemden, om tussen te komen in de (toen nog verplichte) homologatiepro-cedure (zie art. 1314 en 1319, eerste lid, 3° (oud) Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing in 1992-1993). Dit lijkt erop te wijzen dat de kinderen, althans in het raam van (een procedure tot) wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, door de wetgever destijds wel degelijk als derden werden beschouwd - zodat de tegen-stelbaarheid van de wijziging, krachtens het toenmalige artikel 1396, eerste lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek, ook voor hen onderworpen zou zijn geweest aan de bekendmaking van een uittreksel uit de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad (zie o.m. : Rb. Brugge 20 oktober 1995, Not. Fisc. M. 1997, p; (238) 239).

De rechtbank herhaalt ten slotte dat, krachtens artikel 1396, tweede lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek, een bedongen wijziging van het huwelijksver-mogensstelsel alleen voor de echtgenoten gevolg had vanaf de datum van de akte. Van de kinderen van de betrokken echtgenoten was in die bepaling dus geen sprake - ook al werden de kinderen elders wél afzonderlijk vermeld (zie art. 1319, eerste lid, 3° (oud) Gerechtelijk Wetboek).

Echter, ook in de veronderstelling dat de eiser een derde was/is ten aanzien van de destijds door zijn ouders overeengekomen wijziging van hun huwe-lijksvermogensstelsel, zoals vervat in de notariële akte van 2 december 1992, dan nóg kan hij niet worden gevolgd waar hij stelt dat deze wijziging hem niet tegen-stelbaar zou zijn bij gebreke van publicatie van de desbetreffende homologatiebe-slissing van 25 februari 1993. Dit wordt hierna nader toegelicht.

7. De eiser steunt zijn standpunt op de (letterlijke) inhoud van artikel 1396, eerste lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing in 1992-1993. Zoals hoger reeds aangestipt, zou deze wettelijke bepaling - op zichzelf genomen - een dergelijk standpunt inderdaad kunnen verantwoorden (zie hoger).

Ten onrechte evenwel wordt deze wettelijke bepaling door de eiser geïso-leerd van de rest van de toepasselijke wetgeving die destijds van kracht was. Zo maakt de eiser onterecht abstractie van het hoger reeds aangehaalde artikel 1319, eerste lid, 1° (oud) van het Gerechtelijk Wetboek, dat de echtgenoten die een zgn. 'kleine wijziging' van hun huwelijksvermogensstelsel wilden laten homologeren uitdrukkelijk vrijstelde van de verplichting om een uittreksel uit de desbetreffende homologatiebeslissing te laten bekendmaken in het Belgisch Staatsblad (zie hoger). Deze uitdrukkelijke vrijstelling werd pas afgeschaft bij artikel 4 van de Wet van 9 juli 1998, m.a.w. met ingang van 17 augustus 1998 - om de evidente reden dat voor zulke 'kleine wijzigingen', bij diezelfde wetswijziging, de verplichting tot homologatie helemaal werd afgeschaft (zie hoger).

Het is precies door het gelijktijdig bestaan van artikel 1396, eerste lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek en (de oorspronkelijke versie van) artikel 1319, eerste lid, 1° (oud) van het Gerechtelijk Wetboek, dat de toenmalige wetgeving uiterst ambigu was, meer bepaald met betrekking tot de vraag of de tegenstelbaarheid van zgn. 'kleine wijzigingen' óók onderworpen was aan de voorafgaande publicatie van een uittreksel uit de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad. Uit een geïsoleerde en letterlijke lezing van artikel 1396, eerste lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek zou een dergelijk besluit zich stellig hebben opgedrongen. Maar dit stond dan wel haaks op (de toenmalige versie van) artikel 1319, eerste lid, 1° (oud) van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij de echtgenoten juist voor zgn. 'kleine wijzigingen' uitdrukkelijk werden vrijgesteld van een dergelijke publicatie-verplichting.

De voormelde wettelijke bepalingen, die ook ten tijde van de wijzigingsakte van 2 december 1992 en de homologatiebeslissing van 25 februari 1993 samen van kracht waren, stonden dan ook op gespannen voet met elkaar. Immers, enerzijds werd de tegenstelbaarheid aan derden onderworpen aan de publicatie van een uittreksel uit de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad, maar anderzijds was men van een dergelijke publicatie uitdrukkelijk vrijgesteld indien het slechts ging om een zgn. 'kleine wijziging'. Op die manier ontstond a.h.w. een 'legistieke kortsluiting' die, in weerwil van de (ogenschijnlijke) helderheid van de inhoud van artikel 1396, eerste lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek, de toepasselijke wetgeving van toen - in zijn geheel genomen - op dit punt uiterst ambigu, on-duidelijk en dubbelzinnig maakte.

8. Deze onduidelijkheid in de toenmalige wetgeving bleef uiteraard niet onopgemerkt. Zij gaf destijds aanleiding tot een controverse in de rechtspraak en de rechtsleer. Om de knoop te ontwarren werden uiteenlopende standpunten ver-dedigd.

Volgens sommigen kon, gelet op de algemene formulering van de (letter-lijke) inhoud van artikel 1396, eerste lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek ('be-dongen wijzigingen'), ook een zgn. 'kleine wijziging' pas aan derden tegenstelbaar zijn na publicatie van een uittreksel uit de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad (zie o.m. : Rb. Brugge 20 oktober 1995, Not. Fisc. M. 1997, p. 238; H. CASMAN, Notarieel familierecht, Gent, Mys & Breesch, 1991, p. 150, nr. 434; R.P.D.B., Compl. VI, v° Régimes matrimoniaux (droit interne), p. (660) 787, nr. 1008).

Volgens anderen daarentegen diende artikel 1396, eerste lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek, gelet op de uitdrukkelijke vrijstelling waarin artikel 1319, eerste lid, 1° (oud) van het Gerechtelijk Wetboek voorzag, in die zin te worden begrepen dat die (eerste) wettelijke bepaling, in weerwil van haar algemene be-woordingen, uitsluitend betrekking had op (de tegenstelbaarheid van) zgn. 'grote wijzigingen' - zodat zgn. 'kleine wijzigingen' (onmiddellijk) aan derden tegenstel-baar zijn vanaf de datum van de akte zelf, m.a.w. zónder enige publicatie in het Belgisch Staatsblad (zie o.m. : Gent 23 december 1988, T. Not. 1989, p. 259, met goedkeurende noot J. DE VROE; C. DE WULF en H. DE DECKER, Het opstellen van notariële akten, I, Deurne, Kluwer, 1994, p. 545, nr. 472; J. GERLO, Huwelijksvermogensrecht, Brugge, Die Keure, 1996, p. 246, nr. 501; C. DE BUS-SCHERE, 'Wijziging van het huwelijksstelsel tijdens het huwelijk. Enkele capita selecta', Not. Fisc. M. 1990, p. (189) (208, nr. 76; C. DE BUSSCHERE, 'De wijzi-ging van het huwelijksvermogensstelsel tijdens het huwelijk - Enkele aspecten uit de praktijk', R.W. 1993-94, p. (65) 79, nr. 57; M. COENE, l.c., p. 190-193, nrs. 17-18; N. TORFS, l.c., p. 244).

Die laatste opvatting werd klaarblijkelijk dominant. Waar de eiser thans verwijst naar auteurs als H. CASMAN en naar het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 20 oktober 1995, beroept hij zich m.a.w. op een min-derheidsstandpunt.

Anders dan de eiser wil (doen) geloven, werd het hoger aangehaalde von-nis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 20 oktober 1995 door N. TORFS, in haar noot bij dit vonnis, helemaal niet goedgekeurd. De uitspraak werd door deze auteur integendeel (impliciet maar zeker) afgewezen, in het bijzonder waar hij/zij schreef :

'In de rechtsleer gaat men er, mijns inziens terecht, vanuit dat, aangezien geen specifieke regeling is voorzien voor tegenwerpelijkheid in geval van kleine wijziging, de gemeenrechtelijke regeling inzake tegenwerpelijkheid van het gekozen huwelijksvermogensstelsel geldt. De wet voorziet tegen-werpelijkheid van het oorspronkelijk huwelijkscontract door de vermelding ervan in de huwelijksakte. De kleine wijziging zal dan ook tegenwerpelijk zijn vanaf de vermelding van de homologatiebeslissing in de kant van de huwelijksakte, waarbij het feit dat de inhoud van de wijziging niet moet worden vermeld, toch wel een probleem vormt.'

(zie N. TORFS, l.c., p. 244) (onderlijning door de rechtbank) - en dus niet vanaf de publicatie in het Belgisch Staatsblad, zoals de rechtbank van eerste aanleg te Brugge had geoordeeld in het geannoteerde vonnis.

9. Ook naar het oordeel van deze rechtbank moet het hoger vermelde meerderheidsstandpunt worden bijgetreden - dat, voor alle duidelijkheid, niet uit-sluitend door 'het notariaat' wordt gehuldigd (zie hoger).

Zoals gezegd, was/is de toepasselijke wetgeving die destijds van kracht was - in zijn geheel genomen - (precies) wat betreft de tegenstelbaarheid aan derden van zgn. 'kleine wijzigingen' uiterst ambigu, onduidelijk en dubbelzinnig (zie hoger). Niettegenstaande de (ogenschijnlijke) helderheid van de tekst van artikel 1396, eerste lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek, dringt in die omstandigheden een bepaalde interpretatie van de (globale) toepasselijke wetgeving zich wel degelijk op.

Om wetgeving te interpreteren, is in de eerste plaats de bedoeling van de wetgever doorslaggevend. De rechtbank is van oordeel dat het onmogelijk de be-doeling van de wetgever kan zijn geweest om, enerzijds, zgn. 'kleine wijzigingen' vrij te stellen van de (normale) verplichting tot publicatie in het Belgische Staats-blad en, anderzijds, de tegenstelbaarheid van diezelfde 'kleine wijzigingen' tóch afhankelijk te maken van een dergelijke (niet verplichte) publicatie. Nochtans staat vast dat de echtgenoten, in geval van zgn. 'kleine wijzigingen', hoe dan ook waren vrijgesteld van de verplichting tot publicatie in het Belgisch Staatsblad (zie art. 1319, eerste lid, 3° (oud) Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing in 1992-1993). Logischerwijze moet de wetgever dan ook de bedoeling hebben gehad om, bij zulke (van publicatie vrijgestelde) 'kleine wijzigingen', de tegenstelbaarheid aan derden niet te onderwerpen aan de (onbestaande) vereiste van een dergelijke publicatie.

Daarbij komt dat, als men artikel 1396, eerste lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek anders zou interpreteren, en meer bepaald in de thans door de eiser ver-dedigde zin, deze wettelijke bepaling allicht een (ongeoorloofde) discriminatie zou hebben ingehouden, doordat ongelijke gevallen (t.w. echtgenoten die een zgn. 'kleine wijziging' wilden doorvoeren, die uitdrukkelijk vrijgesteld waren van de verplichting tot publicatie in het Belgisch Staatsblad, en echtgenoten die voor een zgn. 'grote wijziging' stonden, die wél dienden te zorgen voor een dergelijke pu-blicatie) gelijk behandeld zouden zijn geweest (wijziging telkens pas tegenstelbaar aan derden na publicatie in het Belgisch Staatsblad) en dit zónder dat daarvoor enige objectieve en redelijke verantwoording kan worden gevonden. In die zin geïnterpreteerd, zou artikel 1396, eerste lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek dan ook in aanvaring zijn gekomen met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en non-discriminatie (zie art. 10 en 11 Grondwet).

Kortom, wetsteleologisch én grondwetsconform geïnterpreteerd, moet ar-tikel 1396, eerste lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek in die zin worden begrepen dat de 'bedongen wijzigingen' waarvan sprake in deze bepaling, uitsluitend slaan op de zgn. 'grote wijzigingen' (die destijds onderworpen waren en bleven aan een verplichte publicatie van een uittreksel uit het homologatievonnis in het Belgisch Staatsblad) - en dus niet op zgn. 'kleine wijzigingen' (die van een dergelijke publi-catie uitdrukkelijk waren vrijgesteld), zodat deze publicatie ook niet was vereist om zulke 'kleine wijzigingen' tegenstelbaar te maken aan derden.

Het valt overigens op dat, na de afschaffing van de (voordien verplichte) homologatie van zgn. 'kleine wijzigingen' bij artikel 3,a) van de Wet van 9 juli 1998 (zie hoger), in de rechtsleer prompt werd aangenomen dat géén publicatie van een uittreksel van de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad meer vereist was om zulke 'kleine wijzigingen' tegenstelbaar te maken aan derden (zie o.m. : W. PINTENS, B. VAN DER MEERSCH en K. VANWINCKELEN, Inleiding tot het familiaal vermogensrecht, Leuven, Universitaire Pers, 2002, p. 345, nr. 729; F. BUYSSENS, 'Commentaar bij de Wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake de wijziging van huwelijksvermogensstelsels', E.J. 1998, p. (118) 122, nr. 13; C. DE BUSSCHERE, 'De wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake de minnelijke wijziging van het huwelijksvermogensstelsel tijdens het huwelijk, T. Not. 1999, p; (2) 21-22, nrs. 28-29). Nochtans werd de oorspronkelijke tekst van artikel 1396, eerste lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek bij diezelfde Wet van 9 juli 1998 niet gewijzigd.

10. De notariële akte van wijziging die tussen de ouders van de partijen werd verleden op 2 december 1992, hield (niets anders dan een verblijvingsbeding en dus) slechts een zgn. 'kleine wijziging' in (zie hoger).

Volgens de (welbegrepen) artikelen 1396, eerste lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek én 1319, eerste lid, 1° (oud) van het Gerechtelijk Wetboek, in de versies zoals die op dat ogenblik van kracht waren, was de publicatie van een uittreksel uit de desbetreffende homologatiebeslissing (van 25 februari 1993) in het Belgisch Staatsblad sowieso niet vereist - en dit, wetsteleologisch en grondwetsconform geïnterpreteerd, óók niet om deze wijzigende akte tegenstelbaar te maken aan derden.

Hieruit volgt dat, zélfs indien men de eiser in dit verband beschouwt als een derde, het verblijvingsbeding opgenomen in de hoger bedoelde wijzigingsakte van 2 december 1992 hem wel degelijk tegenstelbaar was/is, ook zónder publicatie van een uittreksel van de desbetreffende homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad.

Ook de eiser zal de gevolgen van dit tussen zijn ouders overeengekomen verblijvingsbeding dus onverkort moeten ondergaan, in het bijzonder in het kader van de vereffening-verdeling van de nalatenschappen van zijn (inmiddels allebei overleden) ouders.

Het door de eiser gevorderde declaratief van recht kan bijgevolg niet worden ingewilligd. Anders dan de eiser voorhoudt, bestaat hiervoor géén wette-lijke grondslag.

De vordering van de eiser is dan ook ongegrond en dit in alle onderdelen."

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 1319,1° (oud) van het Gerechtelijk Wetboek (zoals van toe-passing in 1992-93, na de invoeging ervan bij Wet van 14 juli 1976), dat, zoals beslist door de appelrechters, in onderhavige zaak van toepassing is, bepaalt het volgende :

"De bepalingen van de artikelen 1311 tot 1316 zijn van toepassing op de verzoeken tot homologatie van de akte tot wijziging van het huwelijksver-mogensstelsel, behoudens het hierna bepaalde :
1° Het uittreksel uit het verzoek en de homologatiebeslissing worden in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakt door de zorg van beide echtgenoten. Zij zijn hiervan evenwel vrijgesteld indien de wijziging van het huwelijks-vermogensstelsel niet tot gevolg heeft dat het vorig stelsel wordt vereffend of dat de bestaande samenstelling van de vermogens wordt gewijzigd."

Artikel 1319 (oud) van het Gerechtelijk Wetboek regelt de rechts-pleging voor verzoeken tot homologatie van een akte houdende wijziging van huwelijksvermogensstelsel (die artikelen maken deel uit van Boek IV van het Ge-rechtelijk Wetboek dat als titel draagt "Bijzondere rechtsplegingen").

Aldus is voor de rechtspleging inzake wijziging van het huwelijks-vermogensstelsel vereist dat het uittreksel uit het verzoek en uit de homologatie beslissing door de zorg van beide echtgenoten bekendgemaakt wordt in het Bel-gisch Staatsblad (dit in afwijking van de toepasselijke artikelen 1312 en 1316 die voorzien dat de bekendmakingen van die uittreksels gebeurt door de eiser). Deze vereiste geldt evenwel niet indien de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel niet tot gevolg heeft dat het vorig stelsel wordt vereffend of dat de bestaande sa-menstelling van de vermogens wordt gewijzigd (dergelijke wijziging zijnde een "kleine wijziging").

Artikel 1319 (oud) regelt evenwel niet de kwestie van de tegenstel-baarheid van een "kleine wijziging" van het huwelijksvermogensstelsel aan derden.

Die kwestie wordt voor wat betreft de wijziging van het huwelijks-stelsel van de ouders van partijen (een "kleine wijziging"), die het voorwerp heeft uitgemaakt van een homologatiebeslissing, geregeld door het eerste lid van artikel 1396 (oud) van het Burgerlijk Wetboek.

Het eerste lid van dit artikel bepaalt het volgende :

"Bedongen wijzigingen van het huwelijksvermogensstelsel kunnen aan derden eerst worden tegengeworpen vanaf de dag van de bekendmaking van een uittreksel uit de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad."

Het is niet omdat de op onderhavige zaak toepasselijke wetgeving, voor wat betreft de rechtspleging ter zake het verzoek tot homologatie van de akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, de echtgenoten vrijstelt van de bekendmaking van het uittreksel uit het verzoek en de homologatiebeslis-sing in het Belgisch Staatsblad indien de wijziging niet tot gevolg heeft dat het vorig stelsel wordt vereffend of de bestaande samenstelling van de vermogens wordt gewijzigd, dat daarom zulke wijziging tegenstelbaar is aan derden. Artikel 1319 (oud) van het Gerechtelijk Wetboek voorziet zulks niet en artikel 1396 (oud) van het Burgerlijk Wetboek vereist daarentegen de bekendmaking van een uittreksel van de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad voor de tegenstelbaarheid aan derden van bedongen wijzigingen van het huwelijksvermogensstelsel. Beide artikelen hebben een eigen doelstelling en bestaan naast elkaar zonder tegenstrijdigheid.

De artikelen 1319,1° (oud) van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 1396 (oud) van het Burgerlijk Wetboek zijn klaar en duidelijk en behoeven geen interpretatie : voor de rechtspleging ter zake een verzoek tot homologatie van een akte houdende wijziging van huwelijksvermogensstelsel is niet vereist dat het uit-treksel uit het verzoek en de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad worden gepubliceerd indien de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel niet tot gevolg heeft dat het vorig stelsel wordt vereffend of de bestaande samenstel-ling van de vermogens wordt gewijzigd, maar indien de echtgenoten de tegenstel-baarheid aan derden van zulke wijziging wensen, is een publicatie van het uittrek-sel van de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad wel nodig.

Het bestreden arrest, door te beslissen dat ondanks het gebrek aan publicatie van het uittreksel van de homologatiebeslissing van 25 februari 1993 in het Belgisch Staatsblad, het door de ouders van partijen op 2 december 1992 be-dongen wijziging van hun huwelijksstelsel aan eiser tegenstelbaar is omdat het een wijziging is die niet tot gevolg heeft dat het vorig stelsel wordt vereffend of de bestaande samenstelling van de vermogens wordt gewijzigd, schendt derhalve het artikel 1319 (oud) van het Gerechtelijk Wetboek (in het bijzonder de tweede zin onder 1°) en het eerste lid van artikel 1396 (oud) van het Burgerlijk Wetboek.

Dit geldt des te meer nu het eerste lid van artikel 1396 (oud) van het Burgerlijk Wetboek, door de publicatie in het Belgisch Staatsblad te vereisen van een uittreksel van de homologatiebeslissing betreffende een bedongen wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, de derden (waaronder eiser) beschermt en het is de rechter niet toegelaten die wettelijk voorziene bescherming van derden on-gedaan te maken op grond van een wetsbepaling (artikel 1319 (oud) van het Ge-rechtelijk Wetboek) die enkel de rechtspleging regelt inzake een verzoek tot ho-mologatie van een akte houdende wijziging van huwelijksvermogensstelsel zonder de vereiste van zulke publicatie ongedaan te maken voor wat betreft de tegen-stelbaarheid ervan aan derden.

Tweede onderdeel

Gezien de "kleine wijziging" van het huwelijksvermogensstelsel van de ouders van partijen plaats heeft gehad in het jaar 1992 en die wijziging het voorwerp heeft uitgemaakt van een homologatiebeslissing (de beslissing van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent dd. 25 februari 1993), dit ingevolge de wettelijke verplichting daartoe (zie artikel 1319 (oud) van het Burgerlijk Wetboek), valt die wijziging niet onder de Wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, die in zijn artikel 4 de homologatieverplichting van een "kleine wijziging" heeft afgeschaft met als automatisch gevolg het wegvallen van de verplichting tot publicatie van een uittreksel uit de homologatiebeslissing om de wijziging tegenstelbaar te maken aan derden.

In zoverre het bestreden arrest zou beslissen dat de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel van de ouders van de partijen aan eiser tegenstel-baar is ingevolge de vermelde Wet van 9 juli 1998 (quod non, gezien het bestreden arrest uitdrukkelijk beslist dat de rechtsvraag in deze zaak "moet worden bekeken gelet op de in 1992 toepasselijke wetgeving inzake de wijziging van huwe-lijkscontracten, zoals ingevoerd bij de Wet van 14 juli 1976 (...) en vóór de her-vormingen bij Wet van 9 juli 1998"), schendt het de artikelen 1319 (oud) van het Gerechtelijk Wetboek (meer in het bijzonder de tweede zin onder 1°) en het eerste lid van artikel 1396 (oud) van het Burgerlijk Wetboek, dit omdat die artikelen van toepassing zijn in onderhavige zaak, en schendt het tevens artikel 4 van de Wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksver-mogensstelsel, dit omdat dit artikel niet van toepassing is op onderhavige zaak.

Tevens schendt het bestreden arrest, in de veronderstelling dat het zou beslissen dat vermelde Wet van 9 juli 1998 ten deze van toepassing is, artikel 149 van de Grondwet daar het tegenstrijdig is enerzijds te beslissen door eigen motieven en door overname van de motieven van de eerste rechter dat de vraag inzake de tegenstelbaarheid aan eiser van de wijziging van het huwelijksvermo-gensstelsel van zijn ouders bekeken moet worden gelet op de in 1992 toepasselijke wetgeving inzake de wijziging van huwelijkscontracten, zoals ingevoegd bij Wet van 14 juli 1976 en vóór de hervorming bij vermelde Wet van 9 juli 1998, doch anderzijds die vraag te beslechten op basis van vermelde Wet van 9 juli 1998.

Derde onderdeel

Uit de artikelen 1319,3° (oud) van het Gerechtelijk Wetboek en 1396 (oud) van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de overeenkomst tussen echtge-noten tot wijziging van hun huwelijksvermogensstelsel niet tegenstelbaar is aan hun kinderen, behalve vanaf de publicatie van het uittreksel van de homologatie-beslissing in het Belgische Staatsblad. Uit de aard van die overeenkomst volgt dat de echtgenoten enkel voor zichzelf bedingen, zodat in toepassing van artikel 1122 van het Burgerlijk Wetboek de kinderen derden zijn.

In zoverre het bestreden arrest (met eigen motieven en door over-name van de motieven van de eerste rechter) zou beslissen dat eiser geen derde is bij de door zijn ouders bedongen wijziging van hun huwelijksvermogensstelsel - quod non : noch de appelrechters, noch de eerste rechters nemen hierover een be-slissing maar stellen dat het niet uit te sluiten is dat eiser als een derde kan worden beschouwd -, schendt het artikelen 1319,3° (oud) van het Gerechtelijk Wetboek (en voor zoveel als nodig artikel 1314 van het Gerechtelijk Wetboek waarnaar dit artikel verwijst), 1122 en artikel 1396 (oud) van het Burgerlijk Wetboek.

Vierde onderdeel

Krachtens artikel 26,§1,3° van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof doet het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent de schending door de wet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Door zich de motieven van de eerste rechter toe te eigenen en aldus zelf te beslissen dat artikel 1396 (oud) van het Burgerlijk Wetboek een discrimi-natie zou bevatten indien het van toepassing is op kleine en grote wijzigingen van het huwelijksvermogensstelsel (met als gevolg dat dit artikel op zulke wijze dient te worden geïnterpreteerd dat het geen discriminatie inhoudt), eigent het Hof van beroep zich een bevoegdheid toe die hem niet toekomt en schendt het aldus artikel 26,§1,3° van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Door artikel 1396 (oud) van het Burgerlijk Wetboek niet toe te passen op de "klei-ne wijziging" van het huwelijksvermogensstelsel van de ouders van de partijen omwille van een (beweerde) discriminatie, schendt het Hof van beroep bovendien dit artikel.

TOELICHTING

1. De Wet van 14 juli 1976 heeft de procedure versoepeld voor de zo-genoemde "kleine wijziging" (dit is de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel die niet de vereffening van het vorig stelsel of de wijziging van de samenstelling van de vermogens tot gevolg heeft), door de echtgenoten, in het kader van de procedure van een verzoek tot homologatie van een akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, vrij te stellen van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van een uittreksel uit het verzoek en uit de homologatiebeslissing.

Evenwel, indien de echtgenoten de kleine wijziging aan derden te-genstelbaar wilden maken - hetgeen zij vrij waren te beslissen -, was het voor hen noodzakelijk om in toepassing van artikel 1396, eerste lid (oud) van het Burgerlijk Wetboek, dat eveneens werd ingevoerd bij Wet van 14 juli 1976, een uittreksel uit de homologatiebeslissing te publiceren in het Belgisch Staatsblad.

2. De Wet van 9 juli 1998 heeft voor de kleine wijziging ook de homo-logatieverplichting afgeschaft.

Voor een kleine wijziging verviel dus vanaf de inwerkingtreding van die wet ook de vereiste van de homologatieverplichting.

Artikel 1396 (oud) van het Burgerlijk Wetboek was vanaf dat ogen-blik niet meer toepasselijk voor een kleine wijziging bij gebrek aan een homolo-gatiebeslissing en derhalve aan een te publiceren uittreksel uit de homologatiebe-slissing.

De rechters ten gronde hebben terecht beslist dat de Wet van 9 juli 1998 op onderhavige zaak niet van toepassing is.

De kleine wijziging van het huwelijksvermogensstelsel van de ou-ders van partijen heeft immers plaats gehad in 1992 en diende toen verplicht het voorwerp uit te maken van een homologatiebeslissing.

Gezien de akte van wijziging van het huwelijksvermogensstelsel van de ouders van partijen bij beslissing van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent dd. 25 februari 1993 gehomologeerd werd, diende, voor de tegenstelbaarheid aan derden van die wijziging, een uittreksel uit die beslissing te worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, dit zoals voorgeschreven door het eerste lid van het toen toepasselijk artikel 1396 (oud) van het Burgerlijk Wetboek.

3. De Wet van 18 juli 2008 heeft de procedure inzake wijziging huwe-lijksvermogensstelsel opnieuw gewijzigd (enkel voor wijzigingsakten en verzoeken tot homologatie na de inwerkingtreding van die wet : zie artikel 10), en ook artikel 1396 van het Burgerlijk Wetboek gewijzigd.

Weze, voor zoveel als nodig, opgemerkt dat het bij die wet gewij-zigd artikel 1396 van het Burgerlijk Wetboek van strikte interpretatie is (Pintens e.a., Overzicht van rechtspraak, Huwelijksvermogensrecht 2003-2010, T.P.R., 2010, p. 1575, nr 274) en dat een verblijvingsbeding zoals deze in onderhavige zaak (een verblijvingsbeding zonder last) aan publicatie is onderworpen om te-genstelbaar te zijn aan derden.

4. Het tweede, derde en vierde onderdeel worden voor zoveel als no-dig geformuleerd.

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN

Besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie dat het U beha-ge, Hooggeachte Dames en Heren, het bestreden arrest te vernietigen en de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander Hof van beroep, kosten als naar recht.

Brussel, 11 september 2015


C.15.0383.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. De ouders van partijen waren destijds gehuwd onder het wettelijk huwelijksvermogensstelsel. Bij notariële akte van 2 december 1992 wijzigden zij hun huwelijksvermogensstelsel met toevoeging van een zogenaamd verblijvingsbeding in volle eigendom (in de zin van art. 1461 BW). Deze wijziging werd gehomologeerd bij beschikking van de rechtbank van eerste aanleg.

2. Eiser is van mening dat het verblijvingsbeding hem niet tegenstelbaar is bij gebrek aan publicatie van een uittreksel van de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad.

3. Zijn vordering werd door het bestreden arrest (ter bevestiging van het vonnis a quo) verworpen.

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL

1. Het enig cassatiemiddel komt op tegen de beslissing dat het door de ouders van partijen overeengekomen verblijvingsbeding tegenstelbaar is aan eiser.

2. Het in de huidige zaak relevante artikel 1319, 1°, (oud) Gerechtelijk Wetboek (zoals het gold sinds de hervorming van het huwelijksvermogensrecht bij wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels, en vóór de wijziging ervan bij artikel 4 van de wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksvermogensstelstel) bepaalde dat de bepalingen van de artikelen 1311 tot 1316(1) van toepassing zijn op de verzoeken tot homologatie van de akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, behoudens het hierna bepaalde: 1° Het uittreksel uit het verzoek en de homologatiebeslissing worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt door de zorg van de beide echtgenoten. Zij zijn hiervan evenwel vrijgesteld indien de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel niet tot gevolg heeft dat het vorige stelsel wordt vereffend of dat de bestaande samenstelling van de vermogens wordt gewijzigd. (...)

3. Krachtens voormeld artikel 1319, 1°, (oud) Gerechtelijk Wetboek dient aldus uitsluitend bij "grote wijzigingen" van het huwelijksvermogensstelsel (die de vereffening van het vorige stelsel of een wijziging van de bestaande samenstelling van de vermogens tot gevolg hebben) een uittreksel van het verzoek tot homologatie en de homologatiebeslissing te worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De echtgenoten zijn daarentegen vrijgesteld van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, indien de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel niet dergelijk gevolg heeft. In dat geval spreekt men van een "kleine wijziging".

4. Artikel 1396, eerste lid, (oud) Burgerlijk Wetboek (zoals het geldt sinds de hervorming van het huwelijksvermogensrecht bij wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels, en vóór de vervanging ervan bij artikel 4 van de wet van 18 juli 2008 tot wijziging van de wetgeving wat betreft de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel zonder tussenkomst van de rechtbank en tot wijziging van artikel 9 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt) bepaalt daarentegen algemeen - zonder onderscheid tussen grote of kleine wijzigingen - dat bedongen wijzigingen van het huwelijksvermogensstelsel aan derden eerst kunnen tegengeworpen worden vanaf de dag van de bekendmaking van een uittreksel uit de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad.

5. Volgens een letterlijke lezing van dit artikel - die de eiser in de voorziening voorstaat - zou het voor de tegenwerpbaarheid aan derden van kleine wijzigingen dus wel vereist zijn dat zij in het Belgisch Staatsblad worden gepubliceerd.

6. Deze opvatting lijkt mij echter niet in overeenstemming met de context waarbinnen dit artikel moet worden gelezen, noch met de bedoeling van de wetgever.
Nu zij beide werden ingevoerd door de wet van 14 juli 1976 staat het mij voor dat de artikelen 1319, 1°, (oud) Ger. W. en 1396, eerste lid, (oud) BW samen dienen te worden gelezen, en dat de draagwijdte van hun bepalingen aldus in samenhang dient te worden beoordeeld. Aangezien voormeld artikel 1319, 1°, voor kleine wijzigingen in een vrijstelling voorziet van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, vloeit hieruit m.i. derhalve voort dat in het kader van artikel 1396, eerste lid, voor de tegenstelbaarheid aan derden van kleine wijzigingen evenmin een bekendmaking in het Belgisch Staatsblad vereist is.

7. Ook de parlementaire voorbereiding bij de wet van 14 juli 1976 wijst op het verband dat bestaat tussen het publiciteitsvereiste in artikel 1319 Ger. W. en de tegenwerpbaarheid aan derden in artikel 1396, eerste lid, BW die op dit publiciteitssysteem gesteund is. In het verslag namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht(2) wordt immers vermeld dat werd besloten de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad opnieuw in te voeren, en dat zeker wanneer de wijziging van het stelsel neerkomt op een volledige verandering of op een verandering in de samenstelling van de vermogens, die bekendmaking even noodzakelijk is om de behartiging van de belangen van derden en in voorkomend geval hun tussenkomst mogelijk te maken als de bekendmaking inzake de gerechtelijke scheiding van goederen waarin de artikelen 1311 tot 1319 van het Gerechtelijk Wetboek voorzien. Aangezien de publiciteitsvereisten van artikel 1319 (oud) Ger. W. enkel gelden voor de grote wijzigingen, is de tegenstelbaarheid aan derden die op dit publiciteitssysteem steunt, in het kader van artikel 1396, eerste lid, (oud) BW m.i. dan ook enkel van toepassing op grote wijzigingen.

8. Ook een meerderheid in de rechtsleer(3) is van mening dat uit de samenhang van de vermelde bepalingen blijkt dat voor de tegenwerpbaarheid aan derden van kleine wijzigingen geen publicatie in het Belgisch Staatsblad vereist is.

9. Dit wil echter niet zeggen dat de derde helemaal niet op de hoogte zal zijn van een kleine wijziging. Kleine wijzigingen kunnen aan derden worden tegengeworpen vanaf de vermelding van de homologatiebeslissing in de kant van de huwelijksakte(4).

10. Er kan in voormelde context trouwens worden opgemerkt dat sinds de wet van 9 juli 1998 betreffende de procedure inzake wijziging van het huwelijksvermogensstelsel de rechterlijke homologatie voor kleine wijzigingen werd afgeschaft(5). Hiermee is een einde gekomen aan de discussie of kleine wijzigingen ook in het Belgisch Staatsblad moeten worden bekendgemaakt om tegenwerpbaar te zijn aan derden. Artikel 1396 (oud) Burgerlijk Wetboek is immers alleen van toepassing op wijzigingen met rechterlijke homologatie(6).

11. Het (eerste) onderdeel dat er geheel van uitgaat dat ook voor de tegenwerpbaarheid aan derden van kleine wijzigingen een publicatie in het Belgisch Staatsblad vereist is in toepassing van art. 1396 (oud) Burgerlijk Wetboek, ondanks de uitdrukkelijke vrijstelling van publicatie in het Belgisch Staatsblad van kleine wijzigingen in artikel 1319, 1°, (oud) Gerechtelijk Wetboek faalt m.i. derhalve naar recht.
(...)

III. CONCLUSIE: VERWERPING.
________________
(1) Genoemde artikelen 1311 tot 1316 Ger. W. betreffen de vordering tot scheiding van goederen, waarbij art. 1312 een publicatie in het Belgisch Staatsblad voorziet van het uittreksel van de vordering, en art. 1316, eerste lid, een publicatie - op verzoek van de eiser - bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad van de beslissing van scheiding van goederen.
(2) Gedr. St. Senaat, B.Z. 1974, nr. 683/2, p. 24-25.
(3) G. BAETEMAN, H. CASMAN en J. GERLO, Overzicht van rechtspraak. Huwelijksvermogensrecht (1989-1995), TPR 1996, 251, nr. 104; M. COENE, Aktuele problemen inzake conventionele wijziging van huwelijksvermogensstelsels, TPR 1985, 190-191, nrs. 17-18; C. DE BUSSCHERE, De wijziging van het huwelijksvermogensstelsel tijdens het huwelijk - enkele aspecten uit de praktijk, RW 1993-94, 79, nr. 57; Y.-H. LELEU, Examen de jurisprudence (1982 à 1996). Régimes matrimoniaux, RCJB 1998, 324. Contra: H. CASMAN en M. VAN LOOK, Huwelijksvermogensstelsels, Brussel, CED-Samson, 1990, 18.5, p. 29; zie ook H. CASMAN, Notarieel familierecht, Gent, Nys en Breesch, 1991, 150, nrs. 434 en 435.
(4) N. TORFS, De tegenwerpelijkheid van de "kleine" wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, Not. Fisc. M. 1997, 239 e.v., nr. 6.
(5) Cf. art. 1395, §1, eerste lid, BW in de versie vóór de latere wijziging bij wet van 18 juli 2008 tot wijziging van de wetgeving wat betreft de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel zonder tussenkomst van de rechtbank en tot wijziging van artikel 9 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt.
(6) W. PINTENS, B. VAN DER MEERSCH en K. VANWINCKELEN, Inleiding tot familiaal vermogensrecht, Leuven, Universitaire Pers, 2002, 345, nr. 729.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: ma, 08/05/2017 - 12:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.