-A +A

Wijzigen van hoedanigheid in de loop van het geding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het is de eiser principieel toegelaten in de loop van het geding de rechtsgrond voor zijn vordering te wijzigen onder de voorwaarden van artikel 807 van het gerechtelijk wetboek.

Doet de eiser dat niet zelf, dan is de rechter zelfs verplicht ambtshalve de juiste rechtsgrond toe te passen, mits hij de rechten van verdediging eerbiedigt en de partijen de kans geeft standpunt in te nemen over de ambtshalve ingeroepen nieuwe rechtsgrond (cassatie 14 april 2005, B&B 2005, aflevering 6,300).

Conform de cassatierechtspraak (cassatie 26 oktober 1995, rechtskundig weekblad 1996 - 97,158) is het onmogelijk een vordering tegen een gedaagde te richten in een andere hoedanigheid dan die waarin hij gedagvaard werd.

De hoedanigheid die volgens de voormelde geciteerde cassatierechtspraak niet kan gewijzigd worden is uiteraard alleen de proceshoedanigheid het verbod om de proceshoedanigheid van een gedaagdepartij te wijzigen in de loop van het geding stelt zich meer bepaald enkel wanneer de formele verwerende partij (= degene die in rechte optreedt) een andere is dan de materiële verwerende partij (= de titularis van het recht). Verder vordering ingeleid tegen een persoon die optreedt in naam van een andere persoon (bijvoorbeeld de ouders die optreden als vertegenwoordigers van hun minderjarige kind), dan kan die vordering niet in de loop van het geding worden uitgebreid tot die persoon in eigen naam (bijvoorbeeld niet tot de ouders een eigen naam op grond van hun persoonlijke aansprakelijkheid uit artikel 1384 tweede lid van het Burgerlijk Wetboek).

Maar het is ook mogelijk dat de eiser en een vordering inleidt niet op grond van een specifieke procesrechtelijke hoedanigheid. Dit kan door een zekere vaagheid in de dagvaarding, dan wel bijvoorbeeld door de vordering in te stellen op grond van verschillende rechtsgronden de ene in ondergeschikt verband van de andere.

Een vordering ingesteld op een bepaalde wettelijke grondslag wijzigen om deze nadien opnieuw in te stellen op basis van een andere wettelijke grondslag, impliceert een wijziging van wettelijke grondslag van een vordering maar niet van de procesrecht hoedanigheid.

Vred. Landen-Zoutleeuw 29/01/2014, T.Vred. 2014/ 11-12, 515

Of voortdurend-wijzigen van strategie, van rechtsgrond, van versie, dan wel van van vordering een verstandige dan wel tactische keuze is wordt hierbij in het midden gelaten, onverminderd het evolutief karakter van elke procedure.
 

Nog dit: 

Over de uitbreiding van de vordering na heropening van de debatten en de mogelijkheid tot aanvullende conclusie na heropening debatten:

Cass. 20/09/2010, RABG 2011/6, 411

samenvatting

Uit de artikelen 775 en 807 Ger.W. volgt dat uitbreidingen of wijzigingen van vordering, na de heropening van het debat, enkel kunnen worden geformuleerd wanneer ze verband houden met het voorwerp van de heropening van het debat Zie de conclusie van het openbaar ministerie.

uittreksel uit het arrest

Nr. S.09.0039.N

D.A.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

CODA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 2140 Antwerpen (Borgerhout), Plantin en Moretuslei 285,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

 

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 17 maart 2008 en 15 december 2008 gewezen door het arbeidshof te Antwerpen.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

1. Krachtens artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek, verzoekt de rechter, indien de heropening van het debat bevolen wordt, de partijen om, binnen de termijnen die hij bepaalt en op straffe van ambtshalve verwijdering uit het debat, hun schriftelijke opmerkingen over het middel of de verdediging ter rechtvaardiging ervan, uit te wisselen en hem deze te overhandigen. In voorkomend geval bepaalt hij dag en uur waarop de partijen over het door hem bepaalde onderwerp zullen worden gehoord.

2. Krachtens artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.

3. Uit deze bepalingen volgt dat uitbreidingen of wijzigingen van vordering, na de heropening van het debat, enkel kunnen worden geformuleerd wanneer ze verband houden met het voorwerp van de heropening van het debat.

4. Wanneer het debat wordt heropend met betrekking tot een ambtshalve ingeroepen middel tot afwijzing van de vorderingen omdat de laatste appelconclusie van de eiser niet uitdrukkelijk overeenkomstig artikel 744, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek diens eisen uiteenzet, houdt de precisering van die vorderingen in de conclusie na heropening van het debat verband met die heropening van het debat.

5. De appelrechters stellen in het tussenarrest van 17 maart 2008 onder de titel "procedure in eerste aanleg" op gedetailleerde wijze vast welke bedragen gevorderd werden door de eiser en de aanpassing ervan lopende het geding in eerste aanleg.

Zij stellen verder onder de titel "eisen in hoger beroep" vast dat:

- de vordering van de eiser ertoe strekt het bestreden vonnis te vernietigen en dienvolgens de oorspronkelijke vorderingen van de eiser ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- de eiser in de syntheseconclusie van 20 november 2007 zijn vorderingen "handhaaft" en ermee akkoord gaat de interesten te berekenen op de hem toekomende bedragen.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser op 25 maart 2008, na heropening van het debat, een syntheseconclusie heeft neergelegd, identiek aan de syntheseconclusie waaromtrent betwisting, evenwel met precisering in het dispositief van de gevorderde bedragen, overeenstemmend met de aanspraak van de eiser zoals vastgesteld in het tussenarrest.

7. De appelrechters oordelen in het eindarrest van 15 december 2008 dat:

- de eiser na de beslissing tot heropening van het debat zijn eisen niet kan uitbreiden of wijzigen, en zeker niet wanneer het voorwerp van de heropening van het debat juist betrekking had op de vaststelling dat mogelijks geen eis in hoger beroep was geformuleerd waarop het arbeidshof gehouden was te antwoorden en waardoor het hoger beroep mogelijks ongegrond zou zijn;

- de in de conclusie van 25 maart 2008 geformuleerde eisen dan ook te aanzien zijn als nieuwe eisen en niet-ontvankelijk zijn.

8. Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest van 15 december 2008.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Gent.

Bepaalt de kosten op de som van 163,55 euro jegens de eisende partij en op de som van 225,43 euro jegens de verwerende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer

raadpleeg dit arrest op juridat

download dit arrest in pdf

Conclusie van Mevrouw de Advocaat-generaal R. Mortier, bij voormeld arrest

1. Waar de rechter krachtens artikel 774 Ger. W. ambtshalve de heropening van het debat kan bevelen en hij hiertoe zelfs verplicht is alvorens de vordering af te wijzen op grond van een exceptie die partijen voor hem niet hadden ingeroepen, is in voorliggende zaak de vraag aan de orde in welke mate partijen binnen het heropend debat opmerkingen kunnen formuleren.

2.1. Artikel 775 bepaalde vóór de wijziging ervan bij de wet van 26 april 2007, dat de rechter door de heropening van de debatten de partijen kan horen over het door hem bepaalde onderwerp.

Zo kan hij de heropening van het debat bevelen teneinde nadere toelichting te bekomen over bepaalde punten, of om een partij de mogelijkheid te geven haar vordering nader te preciseren en, in voorkomend geval de hiermee gepaard gaande bewijzen over te leggen.(1)

2.2. Het heropend debat beperkt zich dan evenwel tot hetgeen het voorwerp uitmaakte van de beslissing van de rechter.

Uw Hof oordeelde bij arrest van 23 december 1976(2) dat wettig kan beslist worden om een nieuwe conclusie na heropening van het debat af te wijzen in zoverre zij een ander onderwerp heeft dan hetgeen waarop de heropening van het debat betrekking had. 

In dezelfde zin werd bij arrest van 29 juni 1995(3) geoordeeld dat de rechter wettig nieuwe vorderingen kan afwijzen die gesteld worden na heropening van het debat, maar die geen betrekking hebben op het onderwerp waarover het debat werd heropend.

Bij arrest van 20 oktober 2003(4) werd geoordeeld dat uit artikel 775 Ger.W. volgt dat na een bevolen heropening van het debat, dit enkel nog kan gaan over het door de rechter aangewezen onderwerp en geen nieuwe vorderingen kunnen worden gesteld en bestaande vorderingen die buiten het aangewezen onderwerp vallen, niet kunnen worden uitgebreid of gewijzigd.

3. Bij de wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand, werd de tekst van artikel 775 Ger.W. gewijzigd in die zin dat, indien de heropening van het debat wordt bevolen, de rechter de partijen verzoekt om, binnen de termijnen die hij bepaalt en op straffe van ambtshalve verwijdering uit de debatten, hun schriftelijke opmerkingen over het middel of de verdediging ter rechtvaardiging ervan uit te wisselen en hem te overhandigen.

Mede in het kader van de algemene filosofie van het wetsontwerp om de civiele rechtsgang te verbeteren, onder andere door de actieve rol van de rechter te versterken en de kennisname door de rechter van de geschriften vóór de zitting te bevorderen, zodat de zitting interactief kan worden en heropeningen van het debat kunnen voorkomen worden, had de wijziging van artikel 775 vooral tot doel de rechten van verdediging en de doeltreffendheid van de heropening van het debat op elkaar af te stemmen. Het werd de rechter mogelijk gemaakt de partijen een dwingend tijdschema op te leggen met betrekking tot de ontvangst van hun opmerkingen en met nadruk op de schriftelijke procedure. De tekst werd belangrijk geacht in algemene zin, nu de heropening van het debat een tegengewicht kan vormen voor de actieve rol van de rechter bij de toepassing van het recht.(5)

De wijziging was er dus niet op gericht partijen andere mogelijkheden toe te kennen voor het formuleren van opmerkingen na heropening van het debat.

De rechtspraak van uw Hof zoals van toepassing vóór de wetswijziging, blijft dus gelden.

Zo oordeelde uw Hof bij arrest van 23 mei 2008(6) dat, ingeval van heropening van het debat krachtens artikel 775, eerste lid, het debat slechts over dat onderwerp kan gaan. Geen enkele nieuwe vordering mag worden ingediend en de bestaande vorderingen die niet behoren tot het door de rechter bepaalde onderwerp, mogen niet worden uitgebreid of gewijzigd.

4. Uw Hof heeft dus in de voormelde rechtspraak de mogelijkheid voor partijen om opmerkingen te formuleren in negatieve zin bepaald. Vorderingen die niet behoren tot het door de rechter bepaalde onderwerp mogen niet worden uitgebreid of gewijzigd.

Maar wanneer het debat overeenkomstig artikel 775 Ger.W. wordt heropend, wordt het vorig debat met betrekking tot dit specifiek voorwerp voortgezet.(7)

Dit impliceert dat, binnen de perken van het voorwerp van de heropening, ook een toelichting of een precisering van de vordering tot de mogelijkheden behoort en nieuwe stukken kunnen voorgelegd worden.

5. Uit de stukken waarop mag acht geslaan worden blijkt het volgende.

De appelrechters stellen vast dat eiser in zijn gedinginleidende dagvaarding een becijferde ontslagvergoeding vorderde waarvan het bedrag in latere conclusies werd aangepast.

Zij stellen vast dat eiser in de akte hoger beroep vordert "de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren" en hij in de syntheseconclusie stelt dat de door hem gevorderde opzeggingsvergoeding op basis van de formule Claeys gegrond is.

Zij oordelen echter dat waar eiser in zijn syntheseconclusie "volhardt" voor wat de opzeggingsvergoeding betreft, maar hij nergens de veroordeling van verweerder vordert tot betaling van een geldsom, er mogelijks zou kunnen besloten worden dat geen enkele vordering gesteld wordt waarop de appelrechters gehouden zijn te antwoorden en het hoger beroep om die reden ongegrond zou zijn.

Zij heropenen het debat op dit punt.

Eiser formuleert zijn schriftelijke opmerkingen door het neerleggen van een syntheseconclusie die identiek is aan de eerder neergelegde syntheseconclusie, maar waar het dispositief "volhardt" wordt vervangen door een cijfermatige berekening van de opzeggingsvergoeding zoals reeds door de appelrechters vastgesteld in het tussenarrest.

Hierdoor heeft eiser, binnen de perken van het heropend debat, enkel de reeds door hem gestelde vordering verduidelijkt.

De appelrechters die, ne het heropenen van het debat om duidelijkheid te krijgen over de vorderingen die eiser formuleert, oordelen dat deze verduidelijking een nieuwe eis betreft, die geen verband houdt met het door de rechter aangewezen onderwerp voor het heropenen van het debat, schenden artikel 775 Ger.W. en verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het tweede onderdeel is gegrond.

Conclusie: VERNIETIGING

____________________

(1) Zie Cass. 23 oktober 1992, AR 7770, A.C., 1991-1992, 1239.

(2) Cass. 23 december 1976, A.C. 1977, 462.

(3) Cass. 29 juni 1995, AR C.94.0407.F, A.C. 1995, nr. 341.

(4) Cass. 28 oktober 2003, AR P.03.0832.N, A.C. 2003, nr. 536.

(5) Kamer, Doc. 51-2811/005, 86.

(6) Cass. 23 mei 2008, AR C.06.0607.F, Pas., 2008, n° 313, met conclusie Advocaat-generaal met opdracht de Koster.

(7) Zie Cass. 12 december 2008, AR C.08.0087.N

• Cass. 08/03/2010, AR, S.07.0028.F, juridat

Samenvatting

Een rechtsvordering kan bij conclusie worden uitgebreid of gewijzigd wanneer die conclusie gegrond is op dezelfde feiten als die welke in de dagvaarding zijn vermeld, ook al had de eiser daaruit toen geen rechtsgevolgen met betrekking tot de gegrondheid van zijn vordering afgeleid.

Tekst arrest

Nr. S.07.0028.F
S. C.,
tegen
RADIO-TELEVISION BELGE DE LA COMMUNAUTE FRANÇAISE,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 september 2006 gewezen door het arbeidshof te Brussel.
...
II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert volgend middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen
Het arrest beslist dat de vordering tot betaling van de litigieuze vergoedingen, in zoverre zij subsidiair gegrond is op de beschermingsclausule, nieuw is en verklaart ze niet-ontvankelijk omdat ze niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, en beslist dat de nog meer in subsidiaire orde ingestelde vordering tot schadevergoeding evenmin ontvankelijk is, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en meer bepaald om de volgende redenen:

"(De verweerster) werpt (...) op grond van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek het middel van niet-ontvankelijkheid van die vordering op.

Zij verwijt de eerste rechter overigens dat hij zich onbevoegd heeft verklaard, op grond dat hij, nog vóór de inhoud van die vordering te onderzoeken en zich op grond daarvan onbevoegd te verklaren, had moeten vaststellen dat de vordering van (de eiseres), die betrekking heeft op de ‘beschermingsclausule' die zij aanvoerde, niet rechtsgeldig was ingesteld, gelet op het bepaalde in artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, luidens hetwelk ‘een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd kan worden indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd berusten, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is'.

Volgens (de eiseres) (...) betoogt (de verweerster) ten onrechte dat de subsidiair ingestelde vordering niet ontvankelijk is. Zij meent dat die vordering ‘niet echt een nieuwe vordering is, aangezien zij in haar brief van 23 april 2002 reeds duidelijk de twee mogelijkheden ter sprake had gebracht, naargelang haar benoeming al dan niet in aanmerking werd genomen'.

Zij preciseert in diezelfde conclusie dat zij, tot staving van de bevoegdheid van de rechtbank, eerst een inbreuk op de wet op de loonbescherming had aangevoerd en de eerste rechter in dat verband had verweten dat hij niet op dat ‘argument' had geantwoord.

Zij betoogt ten slotte dat die vordering, gesteld dat het een nieuwe vordering betreft, regelmatig is ingesteld overeenkomstig artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het (arbeids)hof kan de argumentatie van (de eiseres) over dat rechtspunt niet volgen. Zij betoogt ten onrechte dat haar subsidiaire vordering ‘niet echt een nieuwe vordering is, aangezien zij in haar brief van 23 april 2002 reeds duidelijk de twee mogelijkheden ter sprake had gebracht, naargelang haar benoeming al dan niet in aanmerking werd genomen'.

(De eiseres) betoogt weliswaar dat zij die vordering heeft vermeld in haar brief aan (de verweerster), maar zij heeft ze niet ingesteld bij wege van de gedinginleidende dagvaarding, maar slechts bij wege van de conclusie die ze voor de eerste rechter heeft neergelegd. Het gaat dus wel degelijk om een nieuwe vordering. Om te voldoen aan een van de twee, in artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde voorwaarden, met name ‘op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd berusten', maakt het weinig uit dat er in een brief vóór de dagvaarding op twee mogelijkheden is gezinspeeld, daar het feit of de akte in de dagvaarding moet worden aangevoerd.

Overigens, de ‘beschermingsclausule' waarop (de eiseres) zich wil beroepen, wordt weliswaar in de dagvaarding vermeld, maar wordt daarin niet ‘aangevoerd' in de zin van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek. Men mag immers ‘vermelden' en ‘aanvoeren' niet met elkaar verwarren (Burg. rb. Brussel, 13 januari 1970, Pas., II, 84).

(De verweerster) betoogt in haar conclusie terecht dat ‘het feit dat het woord "beschermingsclausule" slechts vermeld wordt in een zin van de dagvaarding, zonder dat die zin wil aanvoeren dat een statutaire bepaling de geïntegreerde contractuele ambtenaren het behoud van het loon waarborgde, zoals (dat) eerder al (was) bepaald in hun arbeidsovereenkomst, vormt niet de uiteenzetting van de feiten waarop een nieuwe vordering verplicht gegrond moet worden' (...). In dat opzicht dient overigens erop te worden gewezen dat het Hof van Cassatie in die zin heeft beslist dat ‘de enkele vermelding van een arbeidsovereenkomst in de dagvaarding waarbij een vordering wordt ingesteld tot naleving van welbepaalde verplichtingen voortvloeiend uit de uitvoering tijdens de overeenkomst van die arbeidsovereenkomst, niet kan volstaan als aanvoering van een feit of handeling waarop een vordering kan worden gegrond tot betaling van vergoedingen verschuldigd wegens de verbreking van die arbeidsovereenkomst' (Cass., 21 februari 1994, A.C., 1994, p. 184).

Hieruit volgt dat de nieuwe vordering betreffende een ‘beschermingsclausule' niet kan worden aangenomen, ook al heeft (de eiseres) die vordering achteraf nog willen baseren op de schending van de wet betreffende de arbeidsbescherming. Die grondslag werd immers, zoals (de eiseres) zelf betoogt, slechts aangevoerd om de bevoegdheid van de rechtbank en vervolgens van het (arbeids)hof te verantwoorden, maar niet om de ontvankelijkheid van de nieuwe vordering te staven, die overigens gegrond is op dezelfde, niet in de dagvaarding aangevoerde feiten. Het [arbeids]hof preciseert, voor zover nodig - wat gelet op de voorgaande overwegingen niet het geval is - dat (de eiseres) in haar dagvaarding daarenboven nooit heeft aangevoerd dat (de verweerster) de wet op enigerlei wijze zou hebben geschonden.

De (eiseres) heeft de vordering tot schadevergoeding die ‘nog meer in subsidiaire orde' was ingesteld, (...) (...) voor het (arbeids)hof aangevuld. Luidens haar conclusie, die op 3 oktober 2005 ter griffie van het (arbeids)hof is ontvangen, wil (de eiseres) immers haar nieuwe, ‘nog meer in subsidiaire orde' ingestelde vordering niet alleen baseren op de onwettigheid van haar arbeidsovereenkomst, zoals hierboven is gezegd, maar ook op een vermeende fout van (de verweerster), die hierin bestaat dat zij de betaling van de litigieuze vergoedingen plots en zonder enige toelichting heeft stopgezet. (De eiseres) betoogt dat (de verweerster), door die betalingen stop te zetten, het beginsel van de gewettigde verwachtingen van de eiseres duidelijk heeft miskend (...).

Het (arbeids)hof merkt op dat die vordering uiteraard een herhaling is van de ‘subsidiair' ingestelde vordering, die gegrond is op de vermeende ‘beschermings-clausule', en dat zij betrekking heeft op dezelfde feitelijke situatie. Zij kan niet worden aangemerkt als een vordering die gegrond is op een in de dagvaarding aangevoerd feit".

Grieven
Eerste onderdeel
Krachtens artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, dat overeenkomstig artikel 1042 van datzelfde wetboek in hoger beroep van toepassing is, kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of op de feiten in de dagvaarding aangevoerd. Het maakt niet uit dat de eiser, in die dagvaarding, uit dat feit of uit die feiten geen rechtsgevolgen over de gegrondheid van zijn vordering heeft afgeleid, aangezien de feiten in de dagvaarding niet juridisch omschreven hoeven te worden opdat de uitgebreide vordering ontvankelijk kan worden verklaard. Artikel 807 maakt derhalve geen enkel onderscheid tussen de feiten die in de dagvaarding worden "aangevoerd" en die welke hierin worden "vermeld", naargelang die vordering al dan niet "ertoe strekte" de rechtsgronden tot staving van een eis "aan te voeren".
Het arrest erkent dat de door de eiseres subsidiair ingestelde vordering "gegrond was op een ‘beschermingsclausule', krachtens welke de (verweerster) de gevorderde vergoedingen twee jaar lang zou hebben gestort, tot die stortingen tijdens het zwangerschapsverlof van (de eiseres) plots en zonder enige toelichting werden stopgezet".

In haar dagvaarding heeft de eiseres het volgende verklaard:
- sinds 1 januari 1996 genoot zij een verplaatsings- of kilometervergoeding en was de forfaitaire verplaatsingsvergoeding, gelijk aan 1.000 kilometer per maand, opgenomen in de arbeidsovereenkomst van 22 december 1999;
- vanaf 1 januari 1996 genoot zij ook een vergoeding die eerst als een vergoeding "forfaitaire kosten diensthoofd" en vervolgens als een kabinetsvergoeding omschreven werd, waarbij de laatste overeenkomst van 22 december 1999 die vergoeding niet meer beperkte tot de uitoefening van haar functie als verantwoordelijke voor het kabinet van de administrateur-generaal;
- "na hierover door de personeelsdirectrice te zijn geraadpleegd, heeft de administrateur-generaal van de (verweerster) in een interne nota van 23 februari 2001 op voorhand bevestigd dat de nettovergoeding van 247,80 euro per maand, verhoogd tot 446,21 euro op 22 december (...) 1999, was opgenomen in de overeenkomst van (de eiseres), welke verwees naar de beschermingsclausule die in het kader van haar integratie op haar van toepassing is en dus niet meer betwist kon worden";
- zij heeft zelf "vastgesteld dat, vanaf februari 2002, haar loon met 446,21 euro was gedaald en dat, vanaf januari 2002, ook de forfaitaire vergoeding was afgetrokken, zonder dat daarvoor enige reden werd opgegeven";
- de verweerster "kan de benoeming (van de eiseres) tot bestuurssecretaris, vanaf 1 januari 2000, niet als reden aangrijpen om de vergoedingen die bij overeenkomst waren vastgelegd en die zonder enig voorbehoud tot en met februari 2002 zijn uitbetaald, niet meer te betalen".

De eiseres heeft in haar dagvaarding zodoende alle feiten aangevoerd die als grondslag voor haar nieuwe vorderingen dienen. Het maakt niet uit dat zij hieruit geen rechtsgevolgen heeft afgeleid en dat zij evenmin heeft vermeld dat haar recht op de litigieuze vergoedingen gebaseerd was op haar benoemingsvoorwaarden en op de wet betreffende de loonbescherming. De nieuwe vorderingen vertoonden voldoende samenhang met de oorspronkelijke vordering om ontvankelijk te worden verklaard.

Het arrest, dat die vorderingen onontvankelijk verklaart door een onderscheid te maken tussen de aangevoerde feiten en de in de dagvaarding vermelde feiten en door de eiseres te verwijten dat zij, in die dagvaarding, niet "wil aanvoeren dat een statutaire bepaling de geïntegreerde contractuele ambtenaren het behoud van het loon waarborgde, zoals dat eerder al was bepaald in hun arbeidsovereenkomst" en evenmin vermeld heeft dat "(de verweerster de wet op enigerlei wijze zou hebben overtreden", schendt derhalve de artikelen 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek.
(...)
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
Over de door de verweerster tegen dat onderdeel aangevoerde grond van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel is onduidelijk:
Uit dat onderdeel blijkt duidelijk genoeg dat het feit dat als grondslag voor de nieuwe vordering dient, in de gedinginleidende dagvaarding is vermeld en dat het voormelde feit, te dezen, de beschermingsclausule is.
De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.
De gegrondheid van het onderdeel
Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd kan worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.
Een rechtsvordering kan bij wege van conclusie worden uitgebreid of gewijzigd wanneer die conclusie gegrond is op dezelfde feiten als die welke in de dagvaarding zijn vermeld, ook al had de eiser daaruit toen geen rechtsgevolgen met betrekking tot de gegrondheid van zijn vordering afgeleid.
De vordering van de eiseres strekte tot betaling van de vergoedingen die zij oorspronkelijk vorderde op grond van een arbeidsovereenkomst, maar de eiseres wees in haar dagvaarding erop dat zij
- sinds 1 januari 1996 een verplaatsingsvergoeding ontving, die op 22 december 1999 werd opgenomen in haar arbeidsovereenkomst;
- vanaf diezelfde datum een tweede vergoeding genoot, waarvan de administrateur-generaal van de verweerster in een interne nota gepreciseerd had dat deze was opgenomen in de overeenkomst van de eiseres, welke verwees naar de beschermingsclausule die in het kader van haar integratie op haar van toepassing was;
- de verweerster de benoeming van de eiseres tot bestuurssecretaris niet als reden kon aangrijpen om de litigieuze vergoedingen, die tot in februari 2002 zonder enig voorbehoud zijn uitbetaald, niet meer te betalen.
In de loop van de procedure heeft de eiseres subsidiair aangevoerd dat haar vordering gegrond was op de beschermingsclausule, krachtens welke de gevorderde vergoedingen haar waren uitbetaald, tot die betalingen plots en zonder enige toelichting werden stopgezet.
Het arrest beslist dat "de ‘beschermingsclausule' waarop (de eiseres) zich wil beroepen, weliswaar in de dagvaarding wordt vermeld, maar wordt daarin niet ‘aangevoerd' in de zin van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek", dat "men immers ‘vermelden' en ‘aanvoeren' niet met elkaar mag verwarren", dat "het feit dat het woord ‘beschermingsclausule' slechts vermeld wordt in een zin van de dagvaarding, zonder dat die zin wil aanvoeren dat een statutaire bepaling de geïntegreerde contractuele ambtenaren het behoud van het loon waarborgde, zoals (dat) eerder al (was) bepaald in hun arbeidsovereenkomst, niet de uiteenzetting vormt van de feiten waarop een nieuwe vordering verplicht gegrond moet worden".
Het arrest dat, om die redenen, beslist dat "de nieuwe vordering, die betrekking heeft op een beschermingsclausule, niet kan worden aangenomen", schendt artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek.
Omvang van de vernietiging
De vernietiging van de beslissing waarbij de subsidiaire vordering die de eiseres grondt op de beschermingsclausule, niet ontvankelijk wordt verklaard, strekt zich uit tot de daaruit voortvloeiende beslissingen, met name, enerzijds, die waarbij de vordering die de eiseres in meer subsidiaire orde met het oog op schadevergoeding heeft ingesteld, niet ontvankelijk wordt verklaard, op grond dat die vordering "betrekking heeft op dezelfde feitelijke situatie", die "niet als een in de dagvaarding aangevoerd feit kan worden aangemerkt", en, anderzijds, die welke het incidenteel beroep van de verweerster gegrond verklaart.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het het incidenteel beroep ontvankelijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Luik.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, De raadsheer,

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 06/09/2017 - 12:51
Laatst aangepast op: wo, 06/09/2017 - 12:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.