-A +A

wettige zelfverdediging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Zelfverdediging of noodweer, is het legitieme onmiddelijke en noodzakelijke geweld uitgeoefend door een persoon teneinde een actuele, ernstige en wederrechtelijke bedreiging op de eigen persoon of op te persoon van een ander af te weren, waarbij de bedreiging de fysieke integriteit, de vrijheid of het seksueel zelfbeschikkingsrecht aantast.

Er is sprake van wettige verdediging of noodweer wanneer een persoon ter verdediging van zichzelf of van een ander, een onrechtmatige aanval afweert door middel van slagen, verwondingen of doodslag.

De in artikel 416 Sw. voorziene rechtvaardigingsgrond "wettige verdediging" veronderstelt het bestaan van een ernstige en onmiddellijke bedreiging waartegen een vrijwillige en noodzakelijke tegenaanval wordt geplaatst, die evenredig is met de reikwijdte van de aanranding.

De feitenrechter oordeelt soeverein over de ernst en de actualiteit van de onrechtmatige aanranding, alsook over de noodzaak en de evenredigheid van het verweer, zulks op grond van de feitelijke omstandigheden en rekening houdend met de reacties die de aangerande persoon redelijk kon of moest hebben (Cass., 28 februari 1989, Arr.Cass., 1988-1989, 738).

De wettige verdediging kan worden omschreven als de toestand die aan iemand het recht verleent geweld te gebruiken als noodzakelijk afweermiddel tegen een actuele en onrechtmatige aanranding gericht op zijn eigen persoon of op andermans persoon

uittreksel uit het strafwetboek:

AFDELING IV. - GERECHTVAARDIGDE DOODSLAG, GERECHTVAARDIGDE VERWONDINGEN EN GERECHTVAARDIGDE SLAGEN.

Art. 416. Er is noch misdaad, noch wanbedrijf, wanneer de doodslag, de verwondingen en de slagen geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van zich zelf of van een ander.

Art. 417. Onder de gevallen van ogenblikkelijke noodzaak van de verdediging worden de twee volgende gevallen begrepen :
Wanneer de doodslag gepleegd wordt, wanneer de verwondingen of de slagen toegebracht worden bij het afweren, bij nacht, van de beklimming of de braak van de afsluitingen, muren of toegangen van een bewoond huis of appartement of de aanhorigheden ervan, behalve wanneer blijkt dat de dader niet kon geloven aan een aanranding van personen, hetzij als rechtstreeks doel van hem die poogt in te klimmen of in te breken, hetzij als gevolg van de weerstand welke diens voornemen mocht ontmoeten;
Wanneer het feit plaatsheeft bij het zich verdedigen tegen de daders van diefstal of plundering die met geweld tegen personen wordt gepleegd.

De wettige zelfverdediging is in principe beperkt tot slagen, verwondingen en doodslag. De artikelen 416 en 417 zijn immers opgenomen in boek II van het Strafwetboek en niet in boek I, dat de algemene beginselen bepaalt.

De rechtsleer aanvaardt eveneens dat minder zware vormen van verdediging dan doodslag, slagen en verwondingen als noodweer kunnen worden beschouwd.

Het onschadelijk maken van de aanvaller door hem van zijn vrijheid te beroven, het toebrengen van materiële schade,... zijn hier concrete voorbeelden van (zie Dupont en Verstraeten, op. cit., blz. 224).

Zwaardere misdrijven of andere vormen van misdrijven vallen op dit ogenblik principieel niet onder noodweer of wettige verdediging.

Wettige verdediging kan enkel worden aangevoerd om onrechtmatige aanrandingen van personen af te weren.

Noodweer, enkel ter verdediging van goederen of van aantasting van materiële goederen is niet toegelaten. De meerderheid van rechtspraak en rechtsleer volgt deze stelling (zie Cass., 28 juni 1938, AC, 1938, 144; Cass., 21 december 1983, Pas., 1984, I, 449; Corr. Luik, 21 maart 1980, Jur. Liège, 1981, 37 met noot F. Piedboeuf; Nypels, J. en Servais, J. « Le Code pénal belge interprété », III, blz. 84, nr. 11; Trousse, P., « Les Novelles, Droit pénal, II, 1, nr. 2653; Dupont, L. en Verstraeten, R., op. cit., nr. 222).

De aanval waartegen men zich wettig mag verweren, moet gericht zijn tegen personen. (zie Gorlé, F., « De strafrechtelijke bescherming van privaat eigendom », RW, 1983-1984, 2473).

In ons Belgisch recht kan men thans een dief die in een woning goederen wenst weg te nemen (zonder dat sprake is van een aanval of bedreiging van deze dief), niet aanvallen om hem dit te beletten.

Dit laatste zou niet kunnen vallen onder de wettige verdediging en bijgevolg geen rechtvaardigingsgrond kunnen uitmaken.

Hij die verwondingen toebrengt aan een dief kan zich enkel beroepen op verschoningsgronden (bijvoorbeeld uitlokking, zie artikel 411 van het Strafwetboek). Ook hier botst men evenwel op de vereiste van gewelddaden op de persoon, zodat bij een raamkraak of inbraak die louter gericht is op het stelen van goederen deze verschoning ook niet kan ingeroepen worden.

Evenwel kan men zich beroepen op verzachtende omstandigheden.

Verschoningsgronden en/of verzachtende omstandigheden ontnemen evenwel niet het strafbaar karakter aan de feiten.

Rechtspraak:

• Hof van Beroep Gent, 22/03/2016, 2015/NT/1043, juridat...

1.2. Het bestreden vonnis besliste tegenstrijdig door enerzijds de enige tenlastelegging bewezen te verklaren en aldus vast te stellen dat de onder deze tenlastelegging omschreven feiten geen blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg hadden in hoofde van de burgerlijke partij KVV, en anderzijds een deskundige aan te stellen met als opdracht om o.m. te bepalen of en in welke mate de onder de enige tenlastelegging omschreven feiten een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg hadden in hoofde van de burgerlijke partij KVV.


2. Strafrechtelijk


2.1. Wat betreft de aan de enige tenlastelegging ten grondslag liggende feiten, verwijst het hof naar de oordeelkundige uiteenzetting in het bestreden vonnis (titel "Feiten", blz. 3 en 4), die het beaamt en hier overneemt, voor zover daarvan hieronder niet wordt afgeweken.


2.2. Uit de door de burgerlijke partij KVV bijgebrachte stukken blijkt niet dat er enige aanwijzingen voorhanden zijn dat de aan hem toegebrachte slagen en verwondingen, bedoeld onder de enige tenlastelegging, in zijnen hoofde een ongeneeslijk lijkende ziekte, een blijvende arbeidsongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan of een zware verminking, zoals bedoeld in artikel 400 van het Strafwetboek, tot gevolg hadden.


Uit de vaststelling dat er blijkens het bijgebrachte doktersattest sprake is van persisterende hoofdpijn, zonder dat wordt gesuggereerd dat deze permanent zou zijn of een weerslag zou hebben op de arbeidsgeschiktheid van de burgerlijke partij KVV, blijken geen aanwijzingen voor de omstandigheden bedoeld in artikel 400 van het Strafwetboek. Er is dan ook geen reden om de enige tenlastelegging te heromschrijven of in dit verband een deskundig onderzoek te bevelen.


2.3. Anders dan de eerste rechter, is het hof eenparig van oordeel dat de schuld van de beklaagde PVD aan de feiten omschreven onder de enige tenlastelegging naar eis van recht vaststaat, en dit op grond van de hierna volgende overwegingen.


De beklaagde PVD betwist niet dat hij ook opzettelijk vuistslagen toediende aan de burgerlijke partij KVV, zoals deze laatste van meet af aan formeel heeft verklaard.


Dat zulks gebeurde met oog op de in artikel 416 van het Strafwetboek bedoelde wettige verdediging van de beklaagde KB en/of met de uitsluitende bedoeling de vechtende partijen te scheiden, is een eenzijdige en lukrake bewering die in het licht van de strafinformatie niet in het minst ook maar enigszins aannemelijk wordt gemaakt.


Het hof ziet ten eerste geen enkele reden om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaring van de burgerlijke partij KVV, die stelde dat hij reeds slagen kreeg van de beide beklaagden - m.a.w. ook van de beklaagde PVD - nog vóór hij samen met de beklaagde KB op de grond belandde, nu niet valt in te zien waarom de burgerlijke partij KVV hierover zou liegen, temeer nu zijn verklaring, in, zijn geheel genomen, in wezen overeenstemt met de verklaringen van zowel de beklaagde KB als van de getuige Jon Van Den Abeele.


Ten tweede was het concreet door de beklaagde PVD gebruikte geweld duidelijk niet bedoeld om het gevecht tussen de burgerlijke partij KVV en de beklaagde KB te doen ophouden, maar wel om deze laatste bij te staan in de onrechtmatige geweldpleging ten aanzien van de burgerlijke partij KVV. Indien het eerste het geval was geweest, had de beklaagde PVD er mee kunnen volstaan om de burgerlijke partij KVV, toen die bovenop de beklaagde KB was terechtgekomen, van deze laatste los te trekken of weg te duwen (zoals hij uiteindelijk in een volgende fase wel deed met de beklaagde KB). Evenwel heeft de beklaagde PVD gewoon zware vuistslagen toegediend aan de burgerlijke partij KVV, in die mate zelfs dat de vuist van de beklaagde PVD open verwondingen vertoonde (zie foto, kaft 1, st. 24) en hijzelf onder het bloed kwam te zitten. Dat de beklaagde PVD hierbij louter de bedoeling had de vechtpartij te doen staken, is dan ook volkomen ongeloofwaardig, temeer nu duidelijk is dat de agressie uitging van de beklaagde KB - hetgeen deze thans niet langer betwist - en de burgerlijke partij KVV zich slechts poogde te verdedigen.


Waar de beklaagde PVD thans zedig komt beweren dat hij "dus beide kemphanen [heeft] bestreden", kan het hof enkel vaststellen dat hij het in dit verband klaarblijkelijk enkel nodig vond om zware vuistslagen toe te dienen aan de burgerlijke partij KVV, maar niet aan zijn kameraad, de beklaagde KB, hetgeen nogmaals aantoont dat het door de beklaagde PVD gebruikte geweld, anders dan hij voorhoudt, niet de bescherming van de beklaagde KB (of van de burgerlijke partij KVV) beoogde.


Ten slotte is ook de door de beklaagde PVD aangenomen houding na de feiten, die erin bestond dat hij samen met de beklaagde KB op de loop ging - achternagezeten door enkele voorbijgangers, waaronder de getuige JD -, hoewel hij ongetwijfeld wist dat de burgerlijke partij KVV relatief ernstig gekwetst was en dat de politiediensten reeds waren verwittigd, hoegenaamd niet verenigbaar met het thans door hem volgehouden verweer.


Om dezelfde redenen als hoger weergegeven is er evenmin sprake van uitlokking in de zin van artikel 411 van het Strafwetboek. Uit wat voorafgaat volgt immers ook dat de beklaagde PVD geenszins werd uitgelokt "door zware gewelddaden tegen personen" - al dan niet moreel van aard -, maar gewoon - zij het in mindere mate dan de beklaagde KB - kortstondig heeft deelgenomen aan de volstrekt onnodige geweldpleging op de persoon van de burgerlijke partij KVV, die de beide beklaagden perfect hadden kunnen vermijden door gewoon weg te gaan. Ook dit verweer wordt, gelet op wat voorafgaat, op geen enkele manier ook maar enigszins aannemelijk gemaakt.


De andersluidende feitelijke middelen aangevoerd door de beklaagde PVD in de namens hem ter terechtzitting neergelegde besluiten, zijn niet van aard het hof tot een ander oordeel te brengen.


2.4. De feiten omschreven onder de enige tenlastelegging en de schuld van de beklaagde KB daaraan, zijn voor het hof zoals voor de eerste rechter bewezen, gelet op de strafinformatie en het onderzoek ter terechtzitting.

Ter terechtzitting van het hof verklaarde de beklaagde KB overigens dat hij zijn schuld aan de enige tenlastelegging niet langer betwistte...(Vierde kamer, 2015/NT/1043, 22/03/2016)


 

Nog dit: 

Hof van Beroep Gent, AR 2013/NT/1125, 19/04/2016, juridat

[...]2.1.De beklaagde wordt vervolgd wegens het te Ronse op 26 oktober 2011
toebrengen van opzettelijke slagen of verwondingen aan AL (tenlastelegging B) en wegens AL door gebaren of zinnebeelden te hebben bedreigd met een aanslag op personen of eigendommen waarop een criminele straf is gesteld (tenlastelegging C).

Hij wordt tevens vervolgd wegens een inbreuk op de wapenwetgeving van 8 juni 2006 door een breekmes te hebben gedragen, zijnde een voorwerp dat niet als wapen is ontworpen maar waarvan het in de gegeven concrete omstandigheden duidelijk is dat hij dit wenste te gebruiken voor het toebrengen van een lichamelijk letsel of voor het bedreigen van personen (tenlastelegging A).

2.2.Wat betreft de tenlasteleggingen B en C

-Op 26 oktober 2011 om 17.56 uur werd de lokale politie van de politiezone Ronse in kennis gesteld van een agressiedelict dat werd gepleegd met gebruik van een mes ter hoogte van het nummer X van de plaats te Ronse.

Ter plaatse aangekomen stelden de verbalisanten vast dat er zich een 20-tal personen op de openbare weg bevonden.
Het slachtoffer AL had een bebloed gezicht en de verbalisanten stelden vast dat ook zijn rechterhand aan het bloeden was. Hij verhaalde dat hij voor de woning van zijn vriendin door de beklaagde was aangevallen met een mes.

De beklaagde, aangeduid als de dader, had de plaats reeds verlaten in het bijzijn van zijn vader.

Gemeld werd dat AL en de beklaagde al enige tijd in onmin leefden en uit de door de verbalisanten verstrekte inlichtingen blijkt dat de politie reeds eerder verschillende keren diende tussen te komen wegens onenigheid tussen de betrokkenen. Beide partijen bevonden zich afwisselend in de rol van slachtoffer of dader.

-Zoals voor de eerste rechter betwist de beklaagde niet dat hij met het breekmes heeft uitgehaald naar AL waardoor deze verwondingen heeft opgelopen.

Hij beroept zich evenwel opnieuw op de in artikel 411 Sw. voorziene verschoningsgrond ‘uitlokking', daarbij stellende dat hij pas nadat hij zélf slagen had gekregen van AL, bij wijze van verdediging, het breekmes heeft genomen.

Er werd in die zin geconcludeerd zodat de beklaagde zich eigenlijk tevens beroept op de in het artikel 416 Sw. voorziene rechtvaardigingsgrond ‘wettige verdediging'.

De strafverminderende verschoningsgrond van de uitlokking komt slechts ter sprake voor zover de feiten bewezen zouden worden verklaard. Dit aspect dient desgevallend te worden onderzocht onder de rubriek straftoemeting.

-Net als de eerste rechter is het hof van oordeel dat door de voorliggende beoordelingsgegevens van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting van het hof, de feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen B en C, zoals omschreven in de dagvaarding, in hoofde van de beklaagde bewezen blijven.

-De hamvraag die dient te worden gesteld is te weten wie er als eerste het agressiedelict heeft gepleegd en wie zich daarop heeft verweerd.

Volgens de beklaagde was hij als eerste het slachtoffer van de aanval door AL waarbij hij in zijn persoonlijke fysieke integriteit werd geraakt doordat hij eerst door AL tegen de muur werd geduwd en vervolgens werd geslagen en hij zich enkel heeft verweerd en daarbij het breekmes heeft gebruikt.

Volgens AL werd hij door de beklaagde op een agressieve wijze aangesproken en haalde deze uit met een cuttermes dat hij uit zijn werkkledij haalde.

Geen van de ondervraagde derden-getuigen (JYP, DB, NDR) hebben de aanleiding tot het incident en het incident op zich gezien.

JYP verklaarde : "...Ik hoorde plots veel geroep en getier. Dit bleef enige tijd aanhouden waarop ik eens ben gaan kijken wat er aan de hand was. Ik zag lager in de straat A staan en ik zag dat hij aan het bloeden was in zijn aangezicht. Toen ik dichterbij kwam zag ik dat er een hevige discussie aan de gang was tussen A en K. Ik zag dat K een cuttermes in zijn hand had en voor mij was het duidelijk dat hij hiermee A had aangevallen gezien er bloed aan het cuttermes hing. Ik heb zelf niet gezien dat K met het cuttermes heeft uitgehaald naar A. De vader van K stond er ook bij en de vader zei herhaaldelijk tegen zijn zoon dat hij het cuttermes moest afgeven maar K ging hier niet direct op in...Volgens hetgeen dat ik gezien heb heeft A niet uitgehaald naar K...".

DB verklaarde : "...Ik ben inderdaad gestopt en gevraagd aan die mensen om zich normaal te gedragen. Ik kan echter niet meer vertellen wie wat heeft gedaan...
Ik heb geen mes of andere wapens gezien... Ik weet wel nog dat er een personenauto BMW te midden van de straat stond...".

De verklaring van NDR, afgelegd op 2 december 2015, is waardeloos nu zij wenst te benadrukken dat AL al aan het bloeden was voor K hem vastgepakt heeft en dat die verwondingen zeker niet afkomstig zijn van K. Dit druist in tegen alle elementen van het strafdossier en zelfs tegen de verklaring van de beklaagde in die wel degelijk toegeeft dat hij met het cuttermes heeft uitgehaald naar AL.

De verklaringen van LY, de vader van de beklaagde, dienen met de nodige omzichtigheid te worden benaderd. Vooreerst kan LY bezwaarlijk als een onafhankelijke getuige worden beschouwd, doch bovendien wijkt zijn handgeschreven verklaring van 15 mei 2013 (neergelegd voor de eerste rechter) in meerdere opzichten af van zijn op 26 oktober 2011 aan de politie afgelegde verklaring.
In de handgeschreven verklaring worden de feiten duidelijk aangedikt.
De handgeschreven en niet ondertekende noch gedagtekende verklaring van de niet nader geïdentificeerde oma van de beklaagde kan bezwaarlijk als bewijsstuk worden gehanteerd.

Het hof is van oordeel dat de beklaagde wel degelijk de agressor was.

De geweldpleging op AL blijkt uit de opgelopen verwondingen die geattesteerd werden door dokter E (stukken 12-13 strafdossier).
Hij had snijwonden aan het voorhoofd, aan het rechter ooglid, aan de vinger en hij had een wonde ter hoogte van de linker testes.

De beklaagde had geen verwondingen opgelopen, minstens legt hij daaromtrent geen stuk van voor. Na de feiten heeft hij zich trouwens onmiddellijk verwijderd.

*Er is sprake van wettige verdediging of noodweer wanneer een persoon ter verdediging van zichzelf of van een ander, een onrechtmatige aanval afweert door middel van slagen, verwondingen of doodslag.

De in artikel 416 Sw. voorziene rechtvaardigingsgrond "wettige verdediging" veronderstelt het bestaan van een ernstige en onmiddellijke bedreiging waartegen een vrijwillige en noodzakelijke tegenaanval wordt geplaatst, die evenredig is met de reikwijdte van de aanranding.

De feitenrechter oordeelt soeverein over de ernst en de actualiteit van de onrechtmatige aanranding, alsook over de noodzaak en de evenredigheid van het verweer, zulks op grond van de feitelijke omstandigheden en rekening houdend met de reacties die de aangerande persoon redelijk kon of moest hebben (Cass., 28 februari 1989, Arr.Cass., 1988-1989, 738).

De wettige verdediging kan worden omschreven als de toestand die aan iemand het recht verleent geweld te gebruiken als noodzakelijk afweermiddel tegen een actuele en onrechtmatige aanranding gericht op zijn eigen persoon of op andermans persoon
(zie A. De Nauw, Inleiding tot het algemeen strafrecht, Die Keure 2010 - 3e editie, nr. 155).

De voorliggende gegevens van het strafdossier tonen niet op een objectieve wijze aan dat AL initieel enige fysieke uithaal naar de beklaagde toe heeft ondernomen.

Maar er is meer. Zélfs indien de beklaagde zich bedreigd zou hebben gevoeld door de handelwijze van AL en er een zekere noodzaak bestond om zich hiertegen te verdedigen, staat de wijze waarop de beklaagde te keer is gegaan, namelijk met een mes uithalen naar het aangezicht en naar de lies, duidelijk niet in evenredigheid met het eventueel af te weren gevaar.

De beklaagde beroept zich derhalve ten onrechte op de rechtvaardigingsgrond van de wettige verdediging.
Door de voorliggende beoordelingsgegevens van het strafdossier en het onderzoek op de terechtzitting van het hof zijn de feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen B en C, bewezen gebleven.

2.3.Wat betreft de tenlastelegging A

Zoals voor de eerste rechter wordt deze tenlastelegging betwist.
De beklaagde stelt dat het breekmes in één van zijn zakken van zijn werkbroek stak nu hij dit tijdens zijn werk steeds bij zich heeft om de verpakking van wisselstukken te kunnen lossnijden.
Hij had het breekmes dus niet bij zich om zich te verdedigen, iemand te verwonden of te bedreigen.

In het artikel 3 §1,17e van de Wapenwet wordt als een verboden wapen beschouwd, de voorwerpen en stoffen die niet als een wapen zijn ontworpen, maar waarvan, gegeven de concrete omstandigheden, duidelijk is dat degene die ze voorhanden heeft, draagt of vervoert, ze wenst te gebruiken voor het toebrengen van lichamelijk letsel aan of het bedreigen van personen.

Een breekmes is op zich geen wapen doch de beklaagde heeft het breekmes gebruikt om AL te verwonden.
Door dit oneigenlijk gebruik van het breekmes dient het in de gegeven context wel als een verboden wapen te worden beschouwd.

Ook de tenlastelegging A blijft bewezen.

2.4.Alle overige feitelijke beschouwingen en argumentaties van de beklaagde, zoals verwoord in termen van pleidooi en in de ter terechtzitting van dit hof op 18 februari 2015 neergelegde conclusie kunnen het hof niet tot een andere beslissing met betrekking tot de schuld van de beklaagde aan alle hem ten laste gelegde feiten brengen.

3. Nopens de straftoemeting

De eerste rechter heeft de feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen A, B en C samen, bij toepassing van het artikel 65 Sw., wetmatig beteugeld met een werkstraf van 60 uur of een werkstraf vervangende gevangenisstraf van twee maanden.

De beklaagde pleit de strafverminderende verschoningsgrond uitlokking.

De verschoningsgrond van uitlokking berust op de gedachte van de morele dwang die de dader ondergaan heeft op het ogenblik van de feiten. De zwaarwichtigheid van de gewelddaden wordt derhalve niet gemeten volgens hun materiële hevigheid, maar wel volgens de hevigheid van de reactie die zij veroorzaakt hebben. De zwaarte van de in art. 411 Sw. bedoelde gewelddaden moet dus subjectief beoordeeld worden (zie en vgl. Corr.Turnhout, 14 oktober 1961, R.W., 1961-1962,896).

De in art. 411 Sw. bedoelde uitlokking kan het gevolg zijn van geestelijke gewelddaden, voor zover het gaat om zware gewelddaden, waarvan ieder redelijke mens zo sterk onder de indruk kan komen dat hij zich bedreigd voelt, dat zijn veiligheid in gevaar komt en dat er in zijn hoofde een sterkere en diepere verontwaardiging rijst dan die als gevolg van lichamelijke gewelddaden (zie en vgl. Corr. Aarlen, 8 februari 1990, J.L.M.B., 1991, 1185).

De beklaagde verklaarde dat, toen hij met zijn vader te voet stapte in de plaats te Ronse, AL alleen met zijn voertuig BMW kwam aangereden waarbij de wagen plots versnelde met piepende banden, wellicht nadat hij de beklaagde had opgemerkt.

LY verklaarde in zijn eerste verhoor : "Toen we van bij mijn moeder te voet de straat naar beneden gingen kwam A met zijn voertuig in volle snelheid afgereden richting ons. Ter hoogte van zijn deur trok hij de handrem van zijn voertuig (aan) en stapte A uit zijn voertuig. Hierop riep hij naar mijn zoon dat hij zo niet moest kijken en kwam in onze richting gestapt. Er is onmiddellijk een hevige verbale discussie ontstaan tussen mijn zoon en A...".

De onafhankelijke getuige DB herinnerde zich meer dan vier jaar na de feiten nog dat er een personenwagen BMW te midden van de straat stond wat dus eerder strookt met de verklaringen van K en LY.

Het hof is er dan ook van overtuigd dat AL zich voorafgaandelijk aan de messteken evenmin onbetuigd heeft gelaten tegenover de beklaagde met wie hij duidelijk in onmin leefde en dit door zijn bedreigend gedrag aan boord van zijn voertuig BMW.
Zoals hierboven reeds aangehaald blijkt uit de door de verbalisanten verstrekte inlichtingen dat de politie reeds eerder verschillende malen diende tussen te komen wegens onenigheid tussen de betrokkenen. Beide partijen bevonden zich afwisselend in de rol van slachtoffer of dader.

De gedragingen van AL hadden dan ook zeker tot gevolg dat de beklaagde zich bedreigd moet hebben gevoeld en dat hij vreesde voor zijn fysieke veiligheid.
Het hof aanvaardt dan ook de uitlokking in de zin van het artikel 411 Sw..

Ook het Openbaar Ministerie was van oordeel dat de feiten werden uitgelokt in de zin van het artikel 411 Sw..

De beklaagde verzocht de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te gelasten. Ondergeschikt wordt een werkstraf gevraagd of een straf omkleed met de gunst van het uitstel van de tenuitvoerlegging.

Het Openbaar Ministerie adviseerde negatief omtrent de gevraagde opschorting van de uitspraak van de veroordeling en vorderde de bevestiging van het bestreden vonnis.

Het hof stelt vast dat de beklaagde nog geen veroordelingen heeft opgelopen door de correctionele rechtbank. Hij kreeg wel reeds een berisping door de jeugdrechtbank en hij werd vier maal veroordeeld door de politierechtbank.
Op het ogenblik van de feiten was de beklaagde nog geen 19 jaar oud.

Teneinde de toekomst van de nog jeugdige beklaagde niet te hypothekeren, is het hof van oordeel dat - mede gelet op het tijdsverloop sedert de gepleegde feiten en de aanvaarde uitlokking van de feiten - aan de thans 24- jarige beklaagde de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling kan worden verleend, dit gedurende een termijn van drie jaar vanaf heden.

De beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden zoals bepaald in art.3 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, zoals gewijzigd bij art. 36 van de Wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie.

De openbare orde en de maatschappij zullen voldoende gevrijwaard worden door deze maatregel.
Onderhavige beslissing staat een latere toepassing van een straf ingeval van nieuwe delinquentie trouwens niet in de weg.
Het hof verwacht dat de strafvervolging op zich en de gunstmaatregel van de opschorting zullen volstaan om de beklaagde ervan te weerhouden in de toekomst nog dergelijke feiten te plegen.

...

(Achtste kamer, 2013/NT/1125, 19/04/2016)

Franse term: 
légitime défense
Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: di, 13/06/2017 - 13:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.