-A +A

wettige zelfverdediging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Zelfverdediging of noodweer, is het legitieme onmiddelijke en noodzakelijke geweld uitgeoefend door een persoon teneinde een actuele, ernstige en wederrechtelijke bedreiging op de eigen persoon of op te persoon van een ander af te weren, waarbij de bedreiging de fysieke integriteit, de vrijheid of het seksueel zelfbeschikkingsrecht aantast.

uittreksel uit het strafwetboek:

AFDELING IV. - GERECHTVAARDIGDE DOODSLAG, GERECHTVAARDIGDE VERWONDINGEN EN GERECHTVAARDIGDE SLAGEN.

Art. 416. Er is noch misdaad, noch wanbedrijf, wanneer de doodslag, de verwondingen en de slagen geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van zich zelf of van een ander.

Art. 417. Onder de gevallen van ogenblikkelijke noodzaak van de verdediging worden de twee volgende gevallen begrepen :
Wanneer de doodslag gepleegd wordt, wanneer de verwondingen of de slagen toegebracht worden bij het afweren, bij nacht, van de beklimming of de braak van de afsluitingen, muren of toegangen van een bewoond huis of appartement of de aanhorigheden ervan, behalve wanneer blijkt dat de dader niet kon geloven aan een aanranding van personen, hetzij als rechtstreeks doel van hem die poogt in te klimmen of in te breken, hetzij als gevolg van de weerstand welke diens voornemen mocht ontmoeten;
Wanneer het feit plaatsheeft bij het zich verdedigen tegen de daders van diefstal of plundering die met geweld tegen personen wordt gepleegd.

De wettige zelfverdediging is in principe beperkt tot slagen, verwondingen en doodslag. De artikelen 416 en 417 zijn immers opgenomen in boek II van het Strafwetboek en niet in boek I, dat de algemene beginselen bepaalt.

De rechtsleer aanvaardt eveneens dat minder zware vormen van verdediging dan doodslag, slagen en verwondingen als noodweer kunnen worden beschouwd.

Het onschadelijk maken van de aanvaller door hem van zijn vrijheid te beroven, het toebrengen van materiële schade,... zijn hier concrete voorbeelden van (zie Dupont en Verstraeten, op. cit., blz. 224).

Zwaardere misdrijven of andere vormen van misdrijven vallen op dit ogenblik principieel niet onder noodweer of wettige verdediging.

Wettige verdediging kan enkel worden aangevoerd om onrechtmatige aanrandingen van personen af te weren.

Noodweer, enkel ter verdediging van goederen of van aantasting van materiële goederen is niet toegelaten. De meerderheid van rechtspraak en rechtsleer volgt deze stelling (zie Cass., 28 juni 1938, AC, 1938, 144; Cass., 21 december 1983, Pas., 1984, I, 449; Corr. Luik, 21 maart 1980, Jur. Liège, 1981, 37 met noot F. Piedboeuf; Nypels, J. en Servais, J. « Le Code pénal belge interprété », III, blz. 84, nr. 11; Trousse, P., « Les Novelles, Droit pénal, II, 1, nr. 2653; Dupont, L. en Verstraeten, R., op. cit., nr. 222).

De aanval waartegen men zich wettig mag verweren, moet gericht zijn tegen personen. (zie Gorlé, F., « De strafrechtelijke bescherming van privaat eigendom », RW, 1983-1984, 2473).

In ons Belgisch recht kan men thans een dief die in een woning goederen wenst weg te nemen (zonder dat sprake is van een aanval of bedreiging van deze dief), niet aanvallen om hem dit te beletten.

Dit laatste zou niet kunnen vallen onder de wettige verdediging en bijgevolg geen rechtvaardigingsgrond kunnen uitmaken.

Hij die verwondingen toebrengt aan een dief kan zich enkel beroepen op verschoningsgronden (bijvoorbeeld uitlokking, zie artikel 411 van het Strafwetboek). Ook hier botst men evenwel op de vereiste van gewelddaden op de persoon, zodat bij een raamkraak of inbraak die louter gericht is op het stelen van goederen deze verschoning ook niet kan ingeroepen worden.

Evenwel kan men zich beroepen op verzachtende omstandigheden.

Verschoningsgronden en/of verzachtende omstandigheden ontnemen evenwel niet het strafbaar karakter aan de feiten.

Rechtspraak:

• Hof van Beroep Gent, 22/03/2016, 2015/NT/1043, juridat...

1.2. Het bestreden vonnis besliste tegenstrijdig door enerzijds de enige tenlastelegging bewezen te verklaren en aldus vast te stellen dat de onder deze tenlastelegging omschreven feiten geen blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg hadden in hoofde van de burgerlijke partij KVV, en anderzijds een deskundige aan te stellen met als opdracht om o.m. te bepalen of en in welke mate de onder de enige tenlastelegging omschreven feiten een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg hadden in hoofde van de burgerlijke partij KVV.


2. Strafrechtelijk


2.1. Wat betreft de aan de enige tenlastelegging ten grondslag liggende feiten, verwijst het hof naar de oordeelkundige uiteenzetting in het bestreden vonnis (titel "Feiten", blz. 3 en 4), die het beaamt en hier overneemt, voor zover daarvan hieronder niet wordt afgeweken.


2.2. Uit de door de burgerlijke partij KVV bijgebrachte stukken blijkt niet dat er enige aanwijzingen voorhanden zijn dat de aan hem toegebrachte slagen en verwondingen, bedoeld onder de enige tenlastelegging, in zijnen hoofde een ongeneeslijk lijkende ziekte, een blijvende arbeidsongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan of een zware verminking, zoals bedoeld in artikel 400 van het Strafwetboek, tot gevolg hadden.


Uit de vaststelling dat er blijkens het bijgebrachte doktersattest sprake is van persisterende hoofdpijn, zonder dat wordt gesuggereerd dat deze permanent zou zijn of een weerslag zou hebben op de arbeidsgeschiktheid van de burgerlijke partij KVV, blijken geen aanwijzingen voor de omstandigheden bedoeld in artikel 400 van het Strafwetboek. Er is dan ook geen reden om de enige tenlastelegging te heromschrijven of in dit verband een deskundig onderzoek te bevelen.


2.3. Anders dan de eerste rechter, is het hof eenparig van oordeel dat de schuld van de beklaagde PVD aan de feiten omschreven onder de enige tenlastelegging naar eis van recht vaststaat, en dit op grond van de hierna volgende overwegingen.


De beklaagde PVD betwist niet dat hij ook opzettelijk vuistslagen toediende aan de burgerlijke partij KVV, zoals deze laatste van meet af aan formeel heeft verklaard.


Dat zulks gebeurde met oog op de in artikel 416 van het Strafwetboek bedoelde wettige verdediging van de beklaagde KB en/of met de uitsluitende bedoeling de vechtende partijen te scheiden, is een eenzijdige en lukrake bewering die in het licht van de strafinformatie niet in het minst ook maar enigszins aannemelijk wordt gemaakt.


Het hof ziet ten eerste geen enkele reden om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaring van de burgerlijke partij KVV, die stelde dat hij reeds slagen kreeg van de beide beklaagden - m.a.w. ook van de beklaagde PVD - nog vóór hij samen met de beklaagde KB op de grond belandde, nu niet valt in te zien waarom de burgerlijke partij KVV hierover zou liegen, temeer nu zijn verklaring, in, zijn geheel genomen, in wezen overeenstemt met de verklaringen van zowel de beklaagde KB als van de getuige Jon Van Den Abeele.


Ten tweede was het concreet door de beklaagde PVD gebruikte geweld duidelijk niet bedoeld om het gevecht tussen de burgerlijke partij KVV en de beklaagde KB te doen ophouden, maar wel om deze laatste bij te staan in de onrechtmatige geweldpleging ten aanzien van de burgerlijke partij KVV. Indien het eerste het geval was geweest, had de beklaagde PVD er mee kunnen volstaan om de burgerlijke partij KVV, toen die bovenop de beklaagde KB was terechtgekomen, van deze laatste los te trekken of weg te duwen (zoals hij uiteindelijk in een volgende fase wel deed met de beklaagde KB). Evenwel heeft de beklaagde PVD gewoon zware vuistslagen toegediend aan de burgerlijke partij KVV, in die mate zelfs dat de vuist van de beklaagde PVD open verwondingen vertoonde (zie foto, kaft 1, st. 24) en hijzelf onder het bloed kwam te zitten. Dat de beklaagde PVD hierbij louter de bedoeling had de vechtpartij te doen staken, is dan ook volkomen ongeloofwaardig, temeer nu duidelijk is dat de agressie uitging van de beklaagde KB - hetgeen deze thans niet langer betwist - en de burgerlijke partij KVV zich slechts poogde te verdedigen.


Waar de beklaagde PVD thans zedig komt beweren dat hij "dus beide kemphanen [heeft] bestreden", kan het hof enkel vaststellen dat hij het in dit verband klaarblijkelijk enkel nodig vond om zware vuistslagen toe te dienen aan de burgerlijke partij KVV, maar niet aan zijn kameraad, de beklaagde KB, hetgeen nogmaals aantoont dat het door de beklaagde PVD gebruikte geweld, anders dan hij voorhoudt, niet de bescherming van de beklaagde KB (of van de burgerlijke partij KVV) beoogde.


Ten slotte is ook de door de beklaagde PVD aangenomen houding na de feiten, die erin bestond dat hij samen met de beklaagde KB op de loop ging - achternagezeten door enkele voorbijgangers, waaronder de getuige JD -, hoewel hij ongetwijfeld wist dat de burgerlijke partij KVV relatief ernstig gekwetst was en dat de politiediensten reeds waren verwittigd, hoegenaamd niet verenigbaar met het thans door hem volgehouden verweer.


Om dezelfde redenen als hoger weergegeven is er evenmin sprake van uitlokking in de zin van artikel 411 van het Strafwetboek. Uit wat voorafgaat volgt immers ook dat de beklaagde PVD geenszins werd uitgelokt "door zware gewelddaden tegen personen" - al dan niet moreel van aard -, maar gewoon - zij het in mindere mate dan de beklaagde KB - kortstondig heeft deelgenomen aan de volstrekt onnodige geweldpleging op de persoon van de burgerlijke partij KVV, die de beide beklaagden perfect hadden kunnen vermijden door gewoon weg te gaan. Ook dit verweer wordt, gelet op wat voorafgaat, op geen enkele manier ook maar enigszins aannemelijk gemaakt.


De andersluidende feitelijke middelen aangevoerd door de beklaagde PVD in de namens hem ter terechtzitting neergelegde besluiten, zijn niet van aard het hof tot een ander oordeel te brengen.


2.4. De feiten omschreven onder de enige tenlastelegging en de schuld van de beklaagde KB daaraan, zijn voor het hof zoals voor de eerste rechter bewezen, gelet op de strafinformatie en het onderzoek ter terechtzitting.

Ter terechtzitting van het hof verklaarde de beklaagde KB overigens dat hij zijn schuld aan de enige tenlastelegging niet langer betwistte...(Vierde kamer, 2015/NT/1043, 22/03/2016)


 

Franse term: 
légitime défense
Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: di, 09/05/2017 - 11:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.