-A +A

wet ter bescherming van het loon van werknemers

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Alternatieve naam: 
loonbeschermingswet
Afkondiging: 
maa, 12/04/1965
Publicatie: 
vri, 30/04/1965
Gecoördineerde actuele versie van de wet: 

12 APRIL 1965. - Wet betreffende de <bescherming> van het <loon> der werknemers. 4-2009)

Publicatie : 30-04-1965
Inwerkingtreding : 01-08-1965

HOOFDSTUK I. _ Werkingssfeer

Artikel 1. Deze wet is van toepassing op de werknemers en op de werkgevers.
Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld
1° met werknemers: de leerlingen, alsook de personen, die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, tegen <loon> arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon;
2° met werkgevers: de personen die de onder 1° bedoelde personen tewerkstellen.
Ieder die geheel of gedeeltelijk beloond wordt met fooien of bedieningsgeld wordt, behoudens tegenbewijs, geacht werknemer te zijn in de zin van dit artikel.
Deze wet doet geen afbreuk aan gunstiger bijzondere regelingen die voor bepaalde categorieën van werknemers zijn of zullen worden getroffen door of krachtens een andere wet.

Art. 1bis. <Ingevoegd bij W 1999-04-07/32, art. 23; Inwerkingtreding : 01-01-2000> Deze wet is niet van toepassing op de werknemers aangeworven in het kader van een PWA-arbeidsovereenkomst.

Art. 2. Deze wet verstaat onder "<loon>" :
1° het <loon> in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever;
2° de fooien of het bedieningsgeld waarop de werknemer recht heeft ingevolge zijn dienstbetrekking of krachtens het gebruik;
3° de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever.
De Koning kan, op voorstel van de Nationale Arbeidsraad, het begrip "<loon>", zoals omschreven in het eerste lid, uitbreiden.
(Voor de toepassing van deze wet, moeten evenwel niet als <loon> worden beschouwd :
1° de vergoedingen rechtstreeks of onrechtstreeks door de werkgever betaald :
a) als vakantiegeld;
b) die moeten worden beschouwd als een aanvulling van de vergoedingen verschuldigd tengevolge van een arbeidsongeval of een beroepsziekte;
c) die moeten worden beschouwd als een aanvulling van de voordelen toegekend voor de verschillende takken van de sociale zekerheid;
2° de uitkeringen in speciën of in aandelen, of deelbewijzen aan de werknemers, overeenkomstig de toepassing van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen.) <W 2001-05-22/33, art. 32, 010; Inwerkingtreding : 29-12-2001, met dien verstande dat de eerste verdeelbare winst deze is van het boekjaar met afsluitdatum ten vroegste op 31 december 2001>
(In afwijking van het vorige lid, 1°, c), kan de Koning, na advies van de Nationale Arbeidsraad, overeenkomstig de modaliteiten en voorwaarden bepaald bij een in Ministerraad overlegd besluit, evenwel als <loon> beschouwen, de vergoedingen, rechtstreeks of onrechtstreeks door de werkgever betaald als een aanvulling bij alle of sommige uitkeringen van sociale zekerheid.
Voor toepassing van het vorig lid kan de Koning inzonderheid een onderscheid maken naargelang :
- de aanvullende vergoedingen worden toegekend op basis van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in de Nationale Arbeidsraad, van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in een paritair comité of paritair subcomité geldend voor alle ondernemingen die ressorteren onder het toepassingsgebied van het paritair comité of paritair subcomité, van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in een paritair comité of paritair subcomité niet geldend voor alle ondernemingen die ressorteren onder het toepassingsgebied van het paritair comité of paritair subcomité, van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in de onderneming, op basis van een individueel akkoord tussen werkgever en werknemer of op basis van een éénzijdige toezegging vanwege de werkgever;
- de leeftijd van de werknemer op het ogenblik van de eerste toekenning van de aanvullende vergoeding (en de periode gedurende dewelke de aanvullende vergoeding wordt toegekend, waarbij inzonderheid rekening wordt gehouden met het al dan niet doorbetalen tot aan het opnemen van het pensioen of het brugpensioen); <W 2005-12-23/30, art. 50, 017; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
- de hoogte van het bedrag van de aanvullende vergoeding, waarbij wordt rekening gehouden met het maximaal voordeel dat de werknemer zou kunnen ontvangen, zonder dat het vereist is dat de voorwaarden om dit maximaal voordeel te kunnen ontvangen, werkelijk worden vervuld;
- de datum van regeling bedoeld onder a) waarop de toekenning van de aanvullende vergoeding gebaseerd is;
- de datum van eerste toekenning aan de werknemer van de aanvullende vergoeding;
- de regeling bedoeld onder a) waarop de toekenning van de aanvullende vergoeding gebaseerd is al dan niet uitdrukkelijk bepaalt dat de aanvullende vergoeding verder uitbetaald wordt in geval van werkhervatting van de werknemer bij een andere werkgever dan deze in wiens opdracht de aanvullende vergoeding rechtstreeks of onrechtstreeks wordt uitbetaald;
- de werknemer in de beschouwde maand het werk heeft hervat bij een andere werkgever dan deze in wiens opdracht de aanvullende vergoeding rechtstreeks of onrechtstreeks wordt uitbetaald.) <W 2004-12-27/30, art. 146, 015; Inwerkingtreding : 01-04-2006; wijzigende bepaling opgeheven bij W 2006-12-27/32, art. 146>

HOOFDSTUK II. - <Bescherming> van het <loon>

Art. 3. Het is de werkgever verboden de vrijheid van de werknemer om naar goeddunken over zijn <loon> te beschikken, op enigerlei wijze te beperken.

Art. 3bis. <Ingevoegd bij W 2002-06-26/55, art. 81; Inwerkingtreding : 01-07-2005> De werknemer heeft recht op de betaling, door de werkgever, van het hem verschuldigde <loon>. Dit recht op de betaling van het <loon> heeft betrekking op het <loon>, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht.

Art. 4. Het <loon> in geld moet worden uitbetaald in munt die wettelijk gangbaar is in België, wanneer de werknemer er zijn activiteit uitoefent.
Wanneer deze activiteit wordt uitgeoefend in het buitenland, moet het <loon> in geld, op verzoek van de werknemer, geheel of gedeeltelijk worden uitbetaald, hetzij in munt die wettelijk gangbaar is in België, hetzij in munt die wettelijk gangbaar is in het land waar de werknemer zijn activiteit uitoefent.
De werkgever dient ervoor te waken dat de wisselwaarborg die hij verkrijgt voor zijn bestelling of aanbesteding, uitgebreid wordt tot het <loon> van de werknemer.

Art. 5. <W 1985-06-27/32, art. 1, 003> § 1. De uitbetaling van het <loon> in geld moet gebeuren hetzij van hand tot hand, hetzij in giraal geld.
(Indien de uitbetaling van het <loon> van hand tot hand gebeurt, moet de werkgever een kwitantie van deze uitbetaling aan de werknemer ter ondertekening voorleggen.) <W 1992-06-26/30, art. 110, 007; Inwerkingtreding : 10-07-1992>
§ 2. Voor de werknemers tewerkgesteld in de openbare sector gebeurt de uitbetaling van het <loon> in geld, in giraal geld mits de schriftelijke toestemming van de werknemers.
§ 3. Voor de werknemers tewerkgesteld in de privé-sector wordt de beslissing genomen door de ondernemingsraad om de uitbetaling van het <loon> in geld te laten gebeuren volgens een van de bij § 1 voorziene modaliteiten.
Bij ontstentenis van een ondernemingsraad of een eenparige beslissing die door deze raad is genomen, kan de uitbetaling volgens de bij § 1 voorziene modaliteiten voortvloeien uit een akkoord tussen de werkgever enerzijds en de syndicale afvaardiging anderzijds, of bij ontstentenis van deze laatste, de meerderheid van de werknemers.
Bij ontstentenis van een beslissing genomen in toepassing van de vorige leden gebeurt de uitbetaling van het <loon> in geld, met de schriftelijke toestemming van de werknemers, in giraal geld. Bij ontstentenis van dergelijk akkoord gebeurt de uitbetaling van hand tot hand.
§ 4. De bij § 3 bedoelde beslissingen en akkoorden moeten de uitbetalingswijzen die in de onderneming van toepassing zijn, de modaliteiten en de termijnen van verandering van de uitbetalingswijze aanduiden.
De post- of banktaks mag niet worden afgetrokken van het <loon>.
§ 5. Bij uitbetaling in giraal geld stelt de Koning de toegelaten uitbetalingswijzen vast alsmede het ogenblik vanaf wanneer het <loon> geacht wordt te zijn uitbetaald aan de werknemer.
§ 6. Wanneer het <loon> van de werknemer of zijn bank- of postcheckrekening waarop zijn <loon> wordt gestort het voorwerp uitmaakt van beslag of overdracht, gebeurt de uitbetaling van het gedeelte van het <loon> dat niet voor overdracht of beslag vatbaar is (op verzoek van de werknemer) van hand tot hand, door middel van een postassignatie of volgens een andere wijze van betaling die door de Koning wordt bepaald. <W 2005-12-27/31, art. 8, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, stelt de Koning de procedure vast waarmee de werkgever van de overdracht van of het beslag op de rekening van de werknemer in kennis wordt gesteld.

Art. 6. § 1. Een gedeelte van het <loon> mag in natura worden uitbetaald, wanneer deze wijze van betaling gebruikelijk of wenselijk is wegens de aard van de betrokken bedrijfstak of het betrokken beroep.
Dit gedeelte wordt schriftelijk geschat en ter kennis van de werknemer gebracht bij zijn indienstneming.
Het mag een vijfde van het totale bruto-<loon> niet overschrijden.
Het mag twee vijfde niet overschrijden, wanneer de werkgever een huis of een appartement ter beschikking van de werknemer stelt.
Het mag de helft niet overschrijden wanneer het de volgende werknemers betreft, die volledig bij de werkgever gehuisvest en gevoed worden:
1° het huispersoneel;
2° de huisbewaarders;
3° de leerlingen of de stagiairs.
§ 2. Als <loon> in natura mogen alleen worden verstrekt:
1° huisvesting;
2° gas, elektriciteit, water, verwarming en brandstof;
3° het genot van een grond;
4° voedsel gebruikt op de plaats waar de arbeid wordt verricht;
5° gereedschap, dienst- of werkkleding en het onderhoud ervan, voor zover de werkgever krachtens een wets- of reglementsbepaling niet verplicht is die te verstrekken of te onderhouden:
6° het voor de arbeid nodige materieel of materiaal dat ten laste van de werknemer is overeenkomstig zijn dienstbetrekking of het gebruik.
Het <loon> in natura mag geen sterke drank en geen voor de gezondheid van de werknemer en zijn gezin schadelijke produkten omvatten.
§ 3. Bij de betaling in natura mag de werkgever geen winst nastreven.
De voordelen genoemd in § 2, 2°, 5° en 6°, moeten worden geraamd tegen de kostprijs, die in geen geval meer dan de normale handelswaarde mag bedragen.
De waarde van de voeding alsook van de huisvesting behalve die waarvan sprake in § 1, vierde lid, moet forfaitair worden geraamd op de bedragen, bepaald voor de berekening van de bijdragen voor de sociale zekerheid. In dat geval is de levering van elektriciteit, verwarming en water begrepen in de forfaitaire raming.
Behalve voor de in het vorige lid bedoelde voeding en huisvesting, is het bewijs dat het bepaalde in deze paragraaf in acht is genomen, ten laste van de werkgever.
§ 4. Op voorstel van het bevoegde paritair comité, (...) of van de Nationale Arbeidsraad kan de Koning voor bepaalde categorieën van werknemers of ingevolge de in sommige beroepen gevestigde gewoonten, afwijken van het bepaalde in § 1, derde, vierde en vijfde lid, en in § 2, eerste lid. <KB 1-3-1971, art. 16, 1°>

Art. 7. De werkgever en zijn aangestelden mogen tegen de werknemer slechts een rechtsvordering tot betaling instellen voor leveringen gedaan of diensten verleend:
1° overeenkomstig de hiernavolgende bepalingen van de wet van 15 mei 1956 betreffende de diensten voor personeelszorg:
a) artikel 1, b), voor de werknemers der openbare diensten;
b) artikel 3, tweede lid, voor de andere werknemers;
2° voor de door de werknemer uitgeoefende handel.

Art. 8. Behoudens tegenbewijs worden de leveringen en de diensten aan de werknemer in het kader van artikel 7 gedaan of verleend door de echtgenoot of de kinderen van de werkgever of van diens aangestelden of door enig persoon die bij de werkgever, bij diens aangestelden of onderaannemers inwoont, vermoed door de werkgever zelf of zijn aangestelden te zijn gedaan of verleend.
Worden evenzo vermoed aan de werknemer te zijn gedaan of verleend, de leveringen en de diensten aan zijn echtgenoot en aan zijn kinderen alsmede aan de personen die bij hem inwonen.

Art. 9. Het <loon> moet op gezette tijden, ten minste tweemaal in de maand, met een tussenpoos van ten hoogste zestien dagen, worden uitbetaald, behalve wat betreft:
1° het <loon> van de bedienden, dat ten minste om de maand moet worden uitbetaald;
2° het commissieloon van de handelsvertegenwoordigers, uitbetaald volgens de bepalingen van de wet tot instelling van het statuut van de handelsvertegenwoordigers;
3° het commissieloon van andere werknemers dan de handelsvertegenwoordigers, dat ten minste om de drie maanden moet worden uitbetaald.
4° de aandelen in de winst en andere gelijksoortige prestaties, waarvan de betaling geschiedt overeenkomstig het akkoord tussen partijen, het werkplaatsreglement of enig ander vigerend reglement.
Bij vooruitbetaling moet het bedrag bij benadering overeenstemmen met het verschuldigde netto-<loon>.
In de gevallen waarin het <loon> ten minste tweemaal in de maand moet betaald worden, moet een van die betalingen een definitieve betaling uitmaken van het <loon> van de maand.
Voor de werknemers die betaald worden tegen tariefloon, taakloon of akkoordloon moet evenwel een gedeeltelijk of definitieve betaling ten minste om de maand geschieden.
(Van het bepaalde in het eerste lid kan worden afgeweken bij beslissing van het bevoegde paritair comité door de Koning algemeen verbindend verklaard.) <KB 1-3-1971, art. 16, 2°>
(Onverminderd het bepaalde in het eerste en derde lid, moet het <loon> worden uitbetaald op de tijdstippen en binnen de termijnen die worden bepaald door een collectieve arbeidsovereenkomst.
Bij ontstentenis van een collectieve arbeidsovereenkomst, moet het <loon> worden uitbetaald op de tijdstippen en binnen de termijnen die zijn vastgesteld in het arbeidsreglement of in enig ander vigerend reglement; de bepalingen van deze reglementen mogen de datum van uitbetaling van het <loon> niet later vaststellen dan de zevende werkdag na de arbeidsperiode waarover de uitbetaling geschiedt.
Bij ontstentenis van een collectieve arbeidsovereenkomst of van bepalingen in het arbeidsreglement of in enig ander vigerend reglement, moet het <loon> uiterlijk worden uitbetaald op de vierde werkdag na de arbeidsperiode waarvoor de uitbetaling geschiedt.) <W 1985-06-27/32, art. 2, 003>

Art. 9bis. <KBN225 7-12-1983,art. 13> § 1. Bij toepassing van artikel 26bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 moet het gewone <loon> voor elk uur dat verricht werd boven de grens van 40 uren of boven een lagere grens, zoals vastgesteld ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst, betaald worden op hetzelfde ogenblik en vastgesteld worden op dezelfde manier als het <loon> dat verschuldigd is voor de betaalperiode gedurende dewelke de inhaalrust is toegekend geworden.
Wanneer de inhaalrust wegens het bepaalde in artikel 26bis, § 3, vierde lid, van dezelfde wet niet wordt toegekend, wordt het <loon> dat verschuldigd blijft betaald op het einde van de in dat lid bepaalde termijn van zes maanden en wordt het op dezelfde manier vastgesteld als het <loon> dat op dat ogenblik zou verschuldigd geweest zijn.
Wanneer de inhaalrust niet kan worden toegekend vóór het einde van de opzeggingstermijn of vóór het einde van de overeenkomst voor een bepaalde tijd of een duidelijk omschreven werk of wanneer zonder opzegging een einde wordt gemaakt aan een overeenkomst voor onbepaalde tijd, moet het <loon> overeenkomstig artikel 11 worden betaald en moet het op dezelfde manier worden vastgesteld als het <loon> dat verschuldigd is of zou verschuldigd geweest zijn op het ogenblik van het einde van de arbeidsovereenkomst.
§ 2. In geval overwerk wordt verricht dat recht geeft op overloon overeenkomstig artikel 29 van dezelfde wet, moet het overloon betaald worden volgens de bepalingen van artikel 9 van deze wet.

Art. 9ter. <W 1985-01-22/30,art. 85, 002> In geval van toepassing van artikel 20bis van de arbeidswet van 16 maart 1971, heeft de werknemer bij elke betaalperiode recht op het gewone <loon> voor de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur vastgesteld bij de collectieve arbeidsovereenkomst.
Wanneer op de dag dat de arbeidsovereenkomst een einde neemt of op het einde van de bij collectieve arbeidsovereenkomst vastgestelde periode, de werknemer minder heeft gewerkt dan de overeengekomen gemiddelde arbeidsduur, blijft het hem uitbetaalde <loon> verworven en kan het niet in mindering worden gebracht van het nog verschuldigde <loon>.
Heeft hij daarentegen meer uren gepresteerd, dan is hem het <loon> voor die meer gepresteerde arbeidsuren verschuldigd.

Art. 9quater. <W 1985-01-22/30, art. 84, § 1, 002> Bij toepassing van een arbeidsstelsel op basis van artikel (20, § 2, 20bis, en 26bis van de arbeidswet van 16 maart 1971) (en van artikel 11bis, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten), moet de werknemer worden ingelicht (, hetzij in papieren vorm, hetzij in elektronische vorm,) over de staat van zijn prestaties met betrekking tot de dagelijkse en de wekelijkse arbeidsduur die hij moet verrichten. <W 1985-01-22/30, art. 84, § 2, 002> <W 1989-12-22/31, art. 184, 004; Inwerkingtreding : 09-01-1990> <L 2007-06-03/81, art. 21, 019; Inwerkingtreding : 02-08-2007>
(De Koning stelt de nadere regelen voor de toepassing van dit artikel vast.) <W 1985-01-22/30, art. 84, § 3, 002>

Art. 9quinquies. (ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 185) De bepalingen van artikel 9ter zijn eveneens van toepassing op de werknemer die deeltijds is tewerkgesteld in een variabele werkregeling zoals bedoeld bij artikel 11bis, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
De bepalingen van het vorige lid hebben evenwel enkel betrekking op de betaling van het gewone <loon> voor de arbeidsduur zoals overeengekomen in de arbeidsovereenkomst.

Art. 10. <W 2002-06-26/55, art. 82, 011; Inwerkingtreding : 01-07-20005> Voor het <loon> is van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt.
Die rente wordt berekend op het <loon>, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht.

Art. 11. Wanneer de dienstbetrekking een einde neemt, moet het nog verschuldigde <loon> onverwijld worden uitbetaald en uiterlijk op de eerste betaaldag die volgt op de datum waarop de dienstbetrekking eindigt, onverminderd, wat betreft de handelsvertegenwoordigers, het bepaalde in de wet tot instelling van hun statuut.
In zodanig geval moet de uitbetaling van het nog verschuldigde <loon>, indien de werknemer het verzoekt, door tussenkomst van (DE POST) of een bank worden uitbetaald. <W 1991-03-21/30, art. 130, 005; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
De post- of banktaks mag niet worden afgetrokken van het <loon>.

Art. 12. De kwijting voor afrekening door de werknemer afgegeven bij het einde van de dienstbetrekking, sluit generlei afstand van zijn rechten in.
Zij geldt slechts als ontvangstbewijs.

Art. 13. Het <loon> moet derwijze worden uitbetaald dat de werknemer zich niet tijdens een gewone rustdag moet verplaatsen.

Art. 14. De uitbetaling van hand tot hand moet, behoudens akkoord van partijen, gedaan worden op de plaats waar de arbeid wordt verricht of in de onmiddellijke nabijheid ervan.
Behalve voor de daarin te werk gestelde werknemers, mag de uitbetaling in geen geval geschieden:
1° in een kantine, in een lokaal waar dranken, eetwaren of enigerlei goederen worden verkocht;
2° in vermaakgelegenheden;
3° in lokalen palend aan de onder 1° en 2° genoemde plaatsen of in de aanhorigheden daarvan.

Art. 15.Bij elke definitieve betaling wordt aan de werknemer een afrekening overhandigd (, hetzij in papieren vorm, hetzij in elektronische vorm). <W 2007-06-03/81, art. 22, 019; Inwerkingtreding : 02-08-2007>
[1 De Koning kan bepalen dat de afrekening bepaalde gegevens moet bevatten, en op welke wijze deze gegevens in rubrieken moeten worden onderverdeeld.]1
Binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet bepalen de paritaire comités welke gegevens dat stuk moet bevatten.
Deze beslissingen van de paritaire comités kunnen door de Koning algemeen verbindend worden verklaard (...) <KB 1-3-1971, art. 16, 3°.>
Wanneer de paritaire comités in gebreke blijven, of wanneer er geen paritair comité bestaat, neemt de Koning de in het [1 derde lid]1 bedoelde maatregelen op advies van de Nationale Arbeidsraad.
----------
(1)<W 2009-03-27/37, art. 52, 020; Inwerkingtreding : 17-04-2009>

Art. 15bis. <Ingevoegd bij W 2006-12-27/30, art. 148; Inwerkingtreding : 01-04-2007> § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder werkgevers verstaan de werkgevers in de zin van artikel 1, die op het Belgisch grondgebied één of meer werknemers in de zin van artikel 1 tewerkstellen die hetzij gewoonlijk werken op het grondgebied van één of meer andere landen dan België, hetzij zijn aangeworven in een ander land dan België.
§ 2. De werkgevers zijn gedurende een door de Koning vastgestelde periode vrijgesteld van het opstellen van de in artikel 15 bedoelde afrekening voor zover zij, gedurende de in § 1 bedoelde tewerkstellingsperiode, een afschrift van de documenten betreffende het <loon> bepaald door de wetgeving van het land waar de werkgever gevestigd is en welke vergelijkbaar zijn met de in artikel 15 bedoelde afrekening ter beschikking houden van de door de Koning aangewezen ambtenaren, op hun verzoek. Zij kunnen van de verplichting vergelijkbare documenten ter beschikking te houden door de Koning worden vrijgesteld, volgens de voorwaarden die Hij bepaalt, rekening houdend met de beperkte duur van hun activiteiten in België of de bijzondere aard van deze activiteiten.
§ 3. Na afloop van de tewerkstellingsperiode bedoeld in § 1 zijn de werkgevers, gedurende een periode van twee jaren, ertoe gehouden de afschriften van de in § 2 bedoelde vergelijkbare documenten over te zenden aan de door de Koning aangewezen ambtenaren, op hun verzoek.
§ 4. Wanneer de werkgevers, die ertoe gehouden zijn, de in § 2 bedoelde vergelijkbare documenten niet ter beschikking stellen of verzenden overeenkomstig dezelfde paragraaf en overeenkomstig § 3, wanneer het verzoek werd gedaan, zijn zij ertoe gehouden de in artikel 15 bedoelde afrekening op te stellen en bij te houden.
§ 5. Na afloop van de door de Koning krachtens § 2 vastgestelde periode zijn de werkgevers verplicht de in artikel 15 bedoelde afrekening op te stellen overeenkomstig ditzelfde artikel.

Art. 16. Zelfs op grond van een volmacht of van een mondelinge of schriftelijke, algemene of bijzondere, al dan niet beloonde lastgeving, is het verboden:
1° aan de werkgever, aan zijn echtgenoot, aan zijn kinderen of de personen die bij hem inwonen, of aan zijn aangestelden het <loon> van de werknemer te overhandigen aan:
a) de exploitant, de houder, de zaakvoerder of de vergunninghouder van een kantine, van een lokaal waar dranken, eetwaren of enigerlei goederen worden verkocht, of van een vermaakgelegenheid;
b) de echtgenoot, de kinderen of de personen die bij hem inwonen, of de aangestelden van de onder a) bedoelde personen;
c) ieder die bij een van de onder a) genoemde personen inwoont;
2° aan de onder 1°, a), b) en c), bedoelde personen het <loon> van de werknemer in ontvangst te nemen.

Art. 17. Het is aan een ieder verboden, zelfs indien hij handelt op grond van een volmacht of van een mondelinge of schriftelijke, algemene of bijzondere lastgeving:
1° er een gewoonte van te maken aan de werknemer zelfs om niet een geldvoorschot te geven en vervolgens van de werkgever of van zijnentwege het <loon> van die werknemer in ontvangst te nemen;
2° er een gewoonte van te maken tegen vergoeding het <loon> van de werknemer in ontvangst te nemen.

Art. 18. (.....) Het is de werkgever verboden aan de geheel of gedeeltelijk met fooien of bedieningsgeld betaalde werknemer, bij zijn indiensttreding, tijdens zijn dienstbetrekking of bij het beëindigen ervan, onder enige benaming van kosten of anderzins, en voor welk doel ook, stortingen op de te zijnen behoeve overhandigde fooien of bedieningsgeld op te leggen of hierop andere dan wettelijke toegelaten inhoudingen te doen, of de dienstbetrekking of de voortzetting ervan afhankelijk te stellen van enigerlei storting. <KB 1-3-1971, art. 16, 4° en 5°.>
§ 2. (.....) <KB 1-3-1971, art. 16, 5°.>

HOOFDSTUK III. _ Meting van de arbeid.

Art. 19. <W 16-6-1970/27, art. 32, § 7, 1°> Wanneer bij het meten van de arbeid der werknemers voor de bepaling van hun <loon> gebruik wordt gemaakt van lengte-, vlakte-, inhouds- of volume-eenheden, is het verboden andere eenheden te bezigen dan die welke zijn vastgesteld bij of krachtens de wet betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen.
Overeenkomstig de bepalingen van die wet en de bepalingen die ter uitvoering ervan zijn vastgesteld, worden de gebezigde meetwerktuigen geijkt en voorzien van merken of tekens, of zijn zij vergezeld van getuigschriften ten bewijze van die ijking.

Art. 20. <W 16-6-1970/27, art. 32, § 7, 2°> Met het oog op de bepaling van het <loon> der werknemers kan de Koning, na advies van de Nationale Arbeidsraad:
a) voor bepaalde bedrijfstakken het gebruik verbieden van meeteenheden die niet behoren tot het wettelijk stelsel van de meeteenheden;
b) de ijking voor andere dan de in artikel 19 vermelde meetwerktuigen, alsook het aanbrengen van merken of tekens of het afgeven van getuigschriften ten bewijze van die ijking voorschrijven;
c) voor bepaalde bedrijfstakken het gebruik van bijzondere meetwerktuigen opleggen.
De wijze van ijking van de werktuigen, bedoeld in het eerste lid, b en c, alsook de eisen waaraan zij moeten voldoen, worden door de Koning vastgesteld.

Art. 21. <W 16-6-1970, art. 32, § 7, 3°> De in de artikelen 19 en 20 bedoelde verrichtingen worden gedaan door hen die belast zijn met de uitvoering van de wet betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen.

Art. 22. Niettegenstaande elke strijdige overeenkomst heeft de werknemer altijd het recht toezicht uit te oefenen op het meten, het wegen of elke andere verrichting dienend om de hoeveelheid of de hoedanigheid van de verrichte arbeid vast te stellen en alzo het bedrag van het <loon> te bepalen.

HOOFDSTUK IV. - Inhoudingen op het <loon>.

Art. 23. Op het <loon> van de werknemer mogen alleen in mindering worden gebracht:
1° de inhoudingen krachtens de belastingwetgeving, de wetgeving op de sociale zekerheid en krachtens particuliere of collectieve overeenkomsten betreffende bijkomende voordelen inzake sociale zekerheid;
2° de krachtens het werkplaatsreglement opgelegde geldboeten;
(3° de vergoedingen en schadeloosstellingen, verschuldigd ter uitvoering van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en van artikel 24 van de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomst wegens dienst op binnenschepen en van artikel 5 van de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen.) <W 2003-02-10/34, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 09-03-2003>
4° de voorschotten in geld verstrekt door de werkgever;
5° de gestelde borg voor het nakomen der verplichtingen van de werknemer.
Het totaal van de inhoudingen mag niet meer bedragen dan één vijfde van het bij elke uitbetaling verschuldigde <loon> in specie na aftrek van de inhoudingen op grond van de belastingwetgeving, van de wetgeving op de sociale zekerheid en van particuliere of collectieve overeenkomsten betreffende bijkomende voordelen inzake sociale zekerheid.
Deze beperking is echter niet van toepassing wanneer de werknemer bedrog heeft gepleegd of vóór de afrekening van de in het eerste lid, 3°, bedoelde vergoedingen en schadeloosstellingen vrijwillig zijn dienstbetrekking heeft beëindigd.

HOOFDSTUK V. - (.....) <W 10-10-1967, art. 2, art. 35, 31°>.

Art. 24. (.....) <W 10-10-1967, art. 2, art. 35, 31°>.

Art. 25. (.....) <W 10-10-1967, art. 2, art. 35, 31°>.

Art. 26. (.....) <W 10-10-1967, art. 2, art. 35, 31°>.

HOOFDSTUK VI. - Procedure betreffende de overdracht van het <loon>.

Art. 27. De overdracht van het <loon> moet gebeuren bij een akte onderscheiden van die welke de hoofdverbintenis waarvan zij uitvoering waarborgt, bevat.
Die akte wordt opgemaakt in zoveel exemplaren als er partijen zijn met een onderscheiden belang.
(In de gevallen waarin de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet toepasselijk is, moeten de bepalingen van de artikelen 28 tot 32 in de akte voorkomen.) <W 1991-06-12/30, art. 113, 006; Inwerkingtreding : onbepaald>
De bepalingen van dit artikel zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid.

Art. 28. Bij gebreke van verzet door de overdrager overeenkomstig artikel 29 heeft de overdracht gevolg, nadat de overnemer:
1° aan de overdrager kennis heeft gegeven van zijn voornemen de overdracht uit te voeren;
2° aan de gecedeerde schuldenaar een afschrift van de onder 1° bedoelde kennisgeving heeft gezonden;
3° na het verstrijken van de termijn van verzet, aan de gecedeerde schuldenaar een eensluidend verklaard afschrift van de akte van overdracht heeft gezonden.
++++++++++++++++++++
TOEKOMSTIGE WETTEKST
--------------------

Art. 28bis. <Ingevoegd bij KB 2004-12-27/41, art. 6; Inwerkingtreding : onbepaald> De aanzegging bedoeld in artikel 28, 1°, bevat, op straffe van nietigheid, het aangifteformulier voor kind ten laste, waarvan het model bepaald is door de Minister van Justitie.
++++++++++++++++++++

Art. 29.Binnen tien dagen na de verzending van de in artikel 28, 1°, bedoelde kennisgeving kan de overdrager zich verzetten tegen het voornemen tot uitvoering van de overdracht, mits hij daarvan kennis geeft aan de gecedeerde schuldenaar.
(...) <W 2006-07-20/39, art. 21, 018; Inwerkingtreding : 30-01-2007; zie ook W 2006-07-20/39, art. 29>
Binnen vijf dagen na de verzending van de brief van de overdrager moet de gecedeerde schuldenaar de overnemer daarvan in kennis stellen.
In geval van verzet mag de gecedeerde schuldenaar niets inhouden van het <loon> ter uitvoering van de overdracht, zolang deze niet bekrachtigd is overeenkomstig artikel 31.

Art. 30. Op straffe van nietigheid geschieden alle in de artikelen 28 en 29 bedoelde kennisgevingen, bij ter post aangetekende brief of bij deurwaardersexploot, waarvan de kosten ten bezware blijven van degene die ze gemaakt heeft.

Art. 31. In geval van verzet roept de overnemer de overdrager bij aangetekende brief, toegezonden door een deurwaarder, voor de vrederechter van het kanton van de woonplaats van de overdrager, ten einde de overdracht te horen bekrachtigen.
De vrederechter beslist in laatste aanleg, ongeacht het bedrag van de overdracht. Bij bekrachtiging kan de overdracht door de gecedeerde schuldenaar worden uitgevoerd op eenvoudige kennisgeving die hem door de griffier wordt gedaan binnen vijf dagen te rekenen van het vonnis.

Art. 31bis.<W 2006-07-20/39, art. 22, 018; Inwerkingtreding : 30-01-2007; zie ook W 2006-07-20/39, art. 29> § 1. De overdrager die aanspraak kan maken op een verhoging van zijn inkomsten die niet vatbaar zijn voor beslag met toepassing van artikel 1409, § 1, vierde lid, of 1409, § 1bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, doet hiervan aangifte, afgegeven tegen ontvangstbewijs respectievelijk aan de overgedragen schuldenaar en, in afschrift, aan de overnemer of verzonden aan dezen bij aangetekende brief, door middel van een formulier waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie.
§ 2. De verklaring zal rechtskracht hebben vanaf de maand volgend op de ontvangst ervan door de derde voor zover deze beschikt over een termijn van tien werkdagen vóór de gewone datum van de betaling, de hoedanigheid van kind ten laste wordt vastgesteld overeenkomstig het formulier en één van de bewijsmiddelen bedoeld in artikel 1409quater van het Gerechtelijk Wetboek, en de overdrager op erewoord verklaart dat het kind niet beschikt over inkomsten waarvan het bedrag hoger is dan door de Koning bepaald of dat zijn inkomsten het voorwerp zijn geweest van een gemeenschappelijke belastingsaangifte.
§ 3. Iedere betwisting wordt door de overnemer of de overdrager aan de vrederechter voorgelegd door een eenvoudige schriftelijke verklaring neergelegd ter griffie of aan de griffie verzonden. De overnemer en de overdrager worden bij gerechtsbrief opgeroepen voor de voor de rechter vastgestelde zitting.
De overgedragen schuldenaar wordt, bij gerechtsbrief, in kennis gesteld van het tussengeschil en is verplicht om, vanaf de volgende vervaldag van de betaling, behalve in geval van verzet van de overdrager op grond van artikel 29, derde lid, het bedrag van de toegepaste vermeerdering die aanleiding geeft tot betwisting in zijn handen onbeschikbaar te maken.
Onverminderd een overeenkomst tussen de overdrager en de overnemer loopt het gevolg van de onbeschikbaarheid verder tot de kennisgeving van de beschikking over de betwisting.
De rechter doet uitspraak bij voorrang boven alle andere zaken. De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Zij wordt onmiddellijk bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de overnemer, van de overdrager en van de overgedragen schuldenaar.
Indien de vermeerdering niet werd toegepast door de overgedragen schuldenaar zal de beschikking die de hoedanigheid van kind ten laste erkent rechtskracht hebben vanaf de maand volgend op de ontvangst ervan door deze, voor zover hij beschikt over een termijn van tien werkdagen vóór de gewone datum van betaling.
Indien de vermeerdering werd toegepast door de overgedragen schuldenaar en in zijn handen onbeschikbaar werd gemaakt overeenkomstig het tweede lid, wordt het bedrag van de onbeschikbaar geworden vermeerdering al naargelang het geval aan de overdrager of aan de overnemer gestort.
In geval van een invorderingsprocedure waarbij vanaf de aanvang of in de loop van de procedure meerdere schuldeisers betrokken zijn, wordt de beschikking geacht ten aanzien van alle schuldeisers op tegenspraak te zijn gewezen.
§ 4. In geval van veranderende omstandigheden wordt de vermeerdering voor kind ten laste aangepast in overeenstemming met de paragrafen 2 en 3.
Indien de overdrager onrechtmatig en ten onrechte de vermeerdering geniet, worden de bedragen die daarmee overeenstemmen, op grond van een beschikking gewezen overeenkomstig de derde paragraaf van dit artikel, zonder enige beperking gere-integreerd in het voor beslag vatbare bedrag, onverminderd de toepassing van enige andere invorderingsmaatregel.

Art. 32. Wanneer de dienstbetrekking van de overdrager eindigt voordat de inhoudingen het bedrag van de door de vrederechter bekrachtigde overdracht hebben bereikt, zendt de gecedeerde schuldenaar de in artikel 31, tweede lid, bedoelde kennisgeving door aan de overnemer, met vermelding van het totaal der ingehouden bedragen.
De bekrachtiging behoudt haar gevolgen en de overdracht kan door iedere nieuwe werkgever worden uitgevoerd ten belope van het oorspronkelijke bedrag, verminderd met de reeds ingehouden bedragen, mits de overnemer bij een ter post aangetekende brief de bekrachtigingsbeslissing van de vrederechter en de opgave van de reeds ingehouden bedragen ter kennis van de nieuwe werkgever brengt.

Art. 33. Wanneer de dienstbetrekking van de overdrager eindigt voordat de inhoudingen het bedrag van de overdracht hebben bereikt of wanneer het bedrag van de overdracht is bereikt, bezorgt de gecedeerde schuldenaar een staat van de periodieke inhoudingen en het totale bedrag aan de overdrager.

Art. 34.<W 2006-07-20/39, art. 23, 018; Inwerkingtreding : 30-01-2007; zie ook W 2006-07-20/39, art. 29> Onverminderd het tweede lid en artikel 34bis, is dit hoofdstuk niet van toepassing wanneer de overdracht van het <loon> in een authentieke akte is vastgesteld.
Op straffe van procedurele nietigheid van de overdracht vermeldt de authentieke akte dat de overdrager door de notaris in kennis is gesteld van het vermeerderingsmechanisme voor kind ten laste en dat hij bevestigt van deze laatste het aangifteformulier voor kind ten laste waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie te hebben ontvangen.

Art. 34bis.<Ingevoegd bij W 2006-07-20/39, art. 24; Inwerkingtreding : 30-01-2007; zie ook W 2006-07-20/39, art. 29> § 1. De overdrager die aanspraak kan maken op een verhoging van zijn inkomsten die niet vatbaar zijn voor beslag met toepassing van artikel 1409, § 1, vierde lid, of 1409, § 1bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek doet hiervan aangifte, afgegeven tegen ontvangstbewijs respectievelijk aan de overgedragen schuldenaar en, in afschrift, aan de overnemer of verzonden aan dezen bij aangetekende brief, door middel van een formulier waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie.
§ 2. De verklaring zal rechtskracht hebben vanaf de maand volgend op de ontvangst ervan door de derde voor zover deze beschikt over een termijn van tien werkdagen vóór de gewone datum van de betaling, de hoedanigheid van kind ten laste wordt vastgesteld overeenkomstig het formulier en één van de bewijsmiddelen bedoeld in artikel 1409quater van het Gerechtelijk Wetboek, en de overdrager op erewoord verklaart dat het kind niet beschikt over inkomsten waarvan het bedrag hoger is dan door de Koning bepaald of dat zijn inkomsten het voorwerp zijn geweest van een gemeenschappelijke belastingsaangifte.
§ 3. Iedere betwisting wordt door de overnemer of de overdrager aan de beslagrechter voorgelegd door een eenvoudige schriftelijke verklaring neergelegd ter griffie of aan de griffie verzonden. De overnemer en de overdrager worden bij gerechtsbrief opgeroepen voor de voor de rechter vastgestelde zitting.
De overgedragen schuldenaar wordt, bij gerechtsbrief, in kennis gesteld van het tussengeschil en is verplicht om, vanaf de volgende vervaldag van de betaling, het bedrag van de toegepaste vermeerdering die aanleiding geeft tot betwisting in zijn handen onbeschikbaar te maken.
Onverminderd een overeenkomst tussen de overdrager en de overnemer loopt het gevolg van de onbeschikbaarheid verder tot de kennisgeving van de beschikking over de betwisting.
De rechter doet uitspraak bij voorrang boven alle andere zaken. De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Zij wordt onmiddellijk bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de overnemer, van de overdrager en van de overgedragen schuldenaar.
Indien de vermeerdering niet werd toegepast door de overgedragen schuldenaar, zal de beschikking die de hoedanigheid van kind ten laste erkent rechtskracht hebben vanaf de maand volgend op de ontvangst ervan door deze, voor zover hij beschikt over een termijn van tien werkdagen vóór de gewone datum van betaling.
Indien de vermeerdering werd toegepast door de overgedragen schuldenaar en in zijn handen onbeschikbaar werd gemaakt in overeenstemming met het tweede lid, wordt het bedrag van de onbeschikbaar gemaakte vermeerdering al naargelang het geval aan de overdrager of aan de overnemer gestort.
In geval van een invorderingsprocedure waarbij vanaf de aanvang of in de loop van de procedure meerdere schuldeisers betrokken zijn, wordt de beschikking geacht ten aanzien van alle schuldeisers op tegenspraak te zijn gewezen.
§ 4. In geval van veranderende omstandigheden wordt de vermeerdering voor kind ten laste aangepast in overeenstemming met de paragrafen 2 en 3 van dit artikel.
Indien de overdrager onrechtmatig en ten onrechte de vermeerdering geniet, worden de bedragen die daarmee overeenstemmen, op grond van een beschikking gewezen overeenkomstig de derde paragraaf, zonder enige beperking gere-integreerd in het voor beslag vatbare bedrag, onverminderd de toepassing van enige andere invorderingsmaatregel.

Art. 35. De bepalingen in hoofdstukken V en VI zijn van toepassing op de prestaties, bedoeld in artikel 2, laatste lid, 1°.
De bepalingen van artikel 8 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders zijn toepasselijk op de in artikel 2, laatste lid, 2° en 3°, vermelde prestaties.

HOOFDSTUK VII. - Toezicht

Art. 36. De werkgevers, met uitzondering van de door artikel 1, tweede lid, 2°, bedoelde personen, moeten zich schikken naar de bepalingen van de besluiten genomen ter uitvoering van (het koninklijk besluit nr 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten). <W 1998-02-13/32, art. 59, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
De Koning kan het geheel of een deel van de bepalingen van (het voormelde koninklijk besluit nr 5 van 23 oktober 1978) en van de uitvoeringsbesluiten ervan toepasselijk maken op de door artikel 1, tweede lid, 2°, bedoelde personen. <W 1998-02-13/32, art. 59, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>

Art. 37. <W 1989-12-22/31, art. 205, 004; Inwerkingtreding : 09-01-1990> Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.

Art. 38. <W 1989-12-22/31, art. 205, 004; Inwerkingtreding : 09-01-1990> Bovendien mogen deze ambtenaren bij de uitoefening van hun opdracht op elk ogenblik van de dag of van de nacht, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnengaan in alle werkplaatsen of andere plaatsen waar het <loon> wordt uitbetaald, evenals in de lokalen waar men gebruik maakt van toestellen onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 19 en 20.
Tot de bewoonde lokalen hebben zij evenwel enkel toegang wanneer de rechter in de politierechtbank vooraf toestemming heeft verleend.

Art. 39. (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 205, 004; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

Art. 40. (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 205, 004; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

Art. 41. Zullen door de keurders der maten en gewichten worden in beslag genomen en zullen worden verbeurd verklaard en vernietigd, de valse maten en gewichten en alle valse meet- of weegtoestellen alsook de gewichten, maten en toestellen die niet voldoen aan de eisen van deze wet.
Zullen door de ambtenaren voor de keuring of het toezicht aangesteld, worden in beslag genomen en teruggegeven na het vonnis, de toestellen die geen andere onregelmatigheden dan het ontbreken der keurmerken zouden vertonen.

HOOFDSTUK VIII. - Strafbepalingen.

Art. 42. Onverminderd de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van 26 tot 500 frank of met een van die straffen alleen:
1° (de werkgever,zijn aangestelden of lasthebbers die zich schuldig hebben gemaakt aan overtreding van de artikelen 3, 4, 5, 6, (9 tot 9quinquies), 11, 13, 14, 15, eerste lid, 18, 23 en 27 tot 34 (of van de besluiten ter uitvoering van de artikelen 6, § 4, 9quater en 15, vierde lid,) of van een beslissing van het bevoegde paritair comité, algemeen verbindend verklaard door de Koning bij toepassing van artikel 15, derde lid.) <KB5 23-10-1978, art. 16> <W 1989-12-22/31, art. 186, 004; Inwerkingtreding : 09-01-1990> <W 1998-02-13/32, art. 60, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
2° ieder in artikelen 16 en 17 bedoelde persoon die deze artikelen heeft overtreden;
3° ieder die de werknemer heeft gehinderd in de uitoefening van het hem bij artikel 22 verleende recht van toezicht;
4° de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers en de werknemers die het krachtens deze wet geregelde toezicht hebben verhinderd.

Art. 43. Bij herhaling binnen een jaar na een vorige veroordeling kan de straf het dubbele van het maximum bedragen.

Art. 44. De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe zijn aangestelden of lasthebbers zijn veroordeeld.
De exploitant, de houder, de zaakvoerder of de vergunninghouder van een kantine, van een lokaal waar dranken, eetwaren of enigerlei goederen worden verkocht, of van een vermaakgelegenheid is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe zijn echtgenoot, zijn kinderen die bij hem inwonen en zijn aangestelden zijn veroordeeld.

Art. 45. <W 1998-02-13/32, art. 96, 009; Inwerkingtreding : 01-03-1998> § 1. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V maar met inbegrip van hoofdstuk VII, zijn toepasselijk op de bij deze wet bepaalde misdrijven.
§ 2. Artikel 85 van voormeld wetboek is toepasselijk op de in deze wet bepaalde misdrijven zonder dat het bedrag van de geldboete lager mag zijn dan 40 % van het bij deze wet bepaalde minimumbedrag.

Art. 46. De publieke rechtsvordering wegens overtreding van de bepalingen van deze wet en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten verjaart door verloop van (vijf jaar) na het feit waaruit de vordering is ontstaan. <W 1994-03-23/30, art. 25, 008; Inwerkingtreding : 01-04-1994>

HOOFDSTUK IX. _ Algemene bepalingen.

Art. 47. De nietigheid van de overeenkomst kan niet worden ingeroepen ten aanzien van loonaanspraken die steunen op het verrichten van arbeid:
1° ingevolge een overeenkomst nietig wegens overtreding van bepalingen die de regels van de arbeidsverhoudingen tot voorwerp hebben;
2° in speelzalen.

Art. 47bis. <W 16-3-1971, art. 61> Overeenkomstig artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, goedgekeurd bij de wet van 2 december 1957, kan iedere werknemer bij het bevoegde rechtscollege een vordering instellen om het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers te doen toepassen.

Art. 48. De bepaling van artikel 3 van deze wet doet geen afbreuk aan de bepalingen van artikel 6 van de wet van 27 november 1891 tot beteugeling der landloperij en der bedelarij.

Art. 49. <Wijzigingsbepalingen>.

Art. 50. <Wijzigingsbepaling>.

Art. 51. <Wijzigingsbepalingen>.

Art. 52. <Wijzigingsbepalingen>.

Art. 53. De Koning kan de bestaande wetsbepalingen wijzigen om de tekst ervan in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze wet.

Art. 54. Opgeheven worden:
1° de wet van 16 augustus 1887 tot regeling van de uitbetaling der bezoldiging van de bij een arbeidsovereenkomst verbonden werknemers,gewijzigd bij de wetten van 17 juni 1896,7 juni 1936 en 22 maart 1940,bij de besluitwet van 20 september 1945,bij de wet van 22 juni 1953 en bij het koninklijk besluit van 13 oktober 1953;
2° <Opheffingsbepaling>
3° de wet van 11 april 1896 houdende uitvoering van de wet van 16 augustus 1887,waarbij de betaling van de lonen aan de werklieden wordt geregeld;
4° <Opheffingsbepaling>
5° de wet van 30 juli 1901 tot regeling van de berekening van de arbeid der werklieden,gewijzigd bij koninklijk besluit van 15 maart 1954;
6° De wet van 21 ventôse jaar IX.

Art. 55. (.....) <W 21-11-1969, art. 70>

Art. 56. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de vierde maand volgend op die gedurende welke zij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Evenwel zijn de bepalingen van de hoofdstukken V en VI niet toepasselijk op de overdrachten met vaste datum vóór de bekendmaking van deze wet.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 26/09/2009 - 19:27
Laatst aangepast op: za, 18/06/2011 - 18:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.