-A +A

Wet strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Alternatieve naam: 
SUO wet
Afkondiging: 
din, 11/02/2014
Publicatie: 
din, 08/04/2014
Tekst van de wetgeving: 

Deel 1 (voor de geconsolideerde versie klik hier)


11 FEBRUARI 2014. - Wet houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (I)

Bron : JUSTITIE
Publicatie : 08-04-2014 nummer : 2014009091 bladzijde : 29894 BEELD
Dossiernummer : 2014-02-11/12
Inwerkingtreding : 18-04-2014

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK 2. - Het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek (SUO)

Art. 2. In boek II, titel IV van het Wetboek van strafvordering wordt een hoofdstuk Ibis ingevoegd, luidende "Strafrechtelijk uitvoerings-onderzoek".

Art. 3. In hoofdstuk Ibis, ingevoegd bij artikel 2, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende "Begrip en algemene beginselen".

Art. 4. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 3, wordt een artikel 464/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/1. § 1. Het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, hierna het "SUO" genoemd, is het geheel van handelingen dat strekt tot de opsporing, de identificatie en de inbeslagneming van het vermogen waarop de veroordeling tot betaling van een geldboete, een bijzondere verbeurdverklaring of de gerechtskosten kan worden uitgevoerd.
§ 2. Het SUO wordt gevoerd door en onder het gezag en de leiding van het openbaar ministerie.
De magistraat van het openbaar ministerie die het SUO voert, hierna "de SUO-magistraat" genoemd, waakt over de wettigheid van de uitvoeringshandelingen.
§ 3. Het SUO wordt gevoerd ten aanzien van de veroordeelde dader, hierna "de veroordeelde" genoemd, en de derden die wetens en willens met de veroordeelde samenspannen om zijn vermogen te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de uitvoerbare veroordelingen.
§ 4. Behoudens wettelijke uitzonderingen mogen de uitvoeringshandelingen geen enkele dwangmaatregel noch schending inhouden van individuele rechten en vrijheden. De bij wet toegelaten inbreuken op de fundamentele rechten en vrijheden mogen niet verder gaan dan hetgeen nodig is voor het bereiken van het in § 1 omschreven doel van het SUO.
§ 5. Behoudens de wettelijke uitzonderingen is het SUO geheim.
Eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het SUO is tot geheimhouding verplicht. Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de in artikel 458 van het Strafwetboek bepaalde straffen.
Onverminderd de uitoefening van het recht van verdediging in andere strafprocedures door de veroordeelde of derden, beslist de SUO-magistraat over het verlenen van inzage van het dossier of het verkrijgen van een afschrift ervan, als de veroordeelde of een belanghebbende derde hierom verzoekt. Deze beslissing is niet vatbaar voor enig rechtsmiddel.
Onverminderd de toepassing van artikel 16bis van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties, kan de SUO-magistraat tijdens het SUO aan een burgerlijke partij inzage van het dossier verlenen om haar te informeren over de vermogensbestanddelen waarop de uitvoerbare veroordeling tot betaling van een schadevergoeding kan worden uitgevoerd. De SUO-magistraat kan de inzage van het dossier of het nemen van een afschrift ervan beperken tot het deel van het dossier waarvoor de burgerlijke partij een belang kan doen gelden.
§ 6. De SUO-magistraat deelt, indien nodig, alle in het raam van het SUO verzamelde relevante inlichtingen over het vermogen van de veroordeelde mee aan de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën of deelt aan die ambtenaar mee dat deze inlichtingen ter beschikking zijn voor inzage en het nemen van een afschrift, met als doel het vergemakkelijken van de invordering van de door de veroordeelde verschuldigde verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten.
De politieambtenaren die niet zijn gevorderd door de SUO-magistraat delen onmiddellijk en op eigen initiatief aan deze magistraat de voor het SUO nuttige inlichtingen mee die ze hebben verzameld in het raam van een opsporingsonderzoek, gerechtelijk onderzoek of een ander SUO.
De politieambtenaren die in het raam van het SUO inlichtingen hebben verzameld die van belang kunnen zijn voor een lopend opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek of een ander SUO, brengen deze inlichtingen onmiddellijk ter kennis van het bevoegde openbaar ministerie of de bevoegde onderzoeksrechter. Wanneer zij in de loop van het SUO feiten ontdekken die een wanbedrijf of misdaad kunnen uitmaken, stellen zij het bevoegde openbaar ministerie hiervan onmiddellijk in kennis.
De leden van het openbaar ministerie kunnen de inlichtingen die op regelmatige wijze zijn verzameld in het raam van het SUO aanwenden wanneer zij hun ambt uitoefenen in andere strafrechtelijke en burgerrechtelijke procedures.
§ 7. De geldsommen die de SUO-magistraat en het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring, hierna het "COIV" genoemd, ontvangen of beheren in het raam van het SUO worden zodra mogelijk gestort naar de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring, de geldboete en de gerechtskosten.
§ 8. Onverminderd de toepassing van artikel 16bis van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties, doet het SUO geen afbreuk aan de uitoefening van het recht van de burgerlijke partij of derden te goeder trouw om overeenkomstig boek III, titel XVIII, artikelen 7 en 8, van het Burgerlijk Wetboek hun schuldvorderingen ten uitvoer te leggen op het vermogen van de veroordeelde.
Bij samenloop van een burgerlijk uitvoerend beslag en een beslag gelegd in het raam van het SUO met betrekking tot dezelfde vermogensbestanddelen worden de in § 1 bedoelde veroordelingen verder ten uitvoer gelegd door de federale overheidsdienst Financiën via de uitoefening van de rechten die de wet toekent aan de schuldeisers in het raam van de evenredige verdeling of rangregeling.
Indien de veroordeelde of de in § 3 bedoelde derde het voorwerp is van een collectieve insolventieprocedure, worden de in § 1 bedoelde veroordelingen verder ten uitvoer gelegd door de federale overheidsdienst Financiën via de uitoefening van de rechten die de wet toekent aan de schuldeisers in het raam van de collectieve insolventieprocedure.
Een collectieve insolventieprocedure in de zin van deze paragraaf is het faillissement, de gerechtelijke reorganisatie, de collectieve schuldenregeling of elke andere Belgische of buitenlandse rechterlijke, administratieve of vrijwillige collectieve procedure die de realisatie van de activa en de verdeling van de opbrengst van die realisatie onder, naar gelang van het geval, de schuldeisers, de aandeelhouders, de vennoten of de leden inhoudt.
De kwijtschelding of vermindering van de straffen in het raam van een collectieve insolventieprocedure of burgerlijke beslagprocedure kan enkel worden toegestaan met toepassing van de artikelen 110 en 111 van de Grondwet.
De samenloop met een burgerlijk uitvoerend beslag of een lopende collectieve insolventieprocedure vormt geen beletsel voor het verzamelen van inlichtingen over het vermogen van de veroordeelde door het openbaar ministerie in het raam van het SUO en de mededeling ervan aan de federale overheidsdienst Financiën.".

Art. 5. In hetzelfde hoofdstuk Ibis, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende "Organen van het onderzoek".

Art. 6. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 5, wordt een artikel 464/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/2. § 1. Het SUO wordt gevoerd door en onder het gezag en de leiding van de SUO-magistraat die bevoegd is voor de uitvoering van de in kracht van gewijsde gegane veroordeling. Deze magistraat draagt hiervoor de verantwoordelijkheid.
§ 2. De SUO-magistraat kan over het hele grondgebied van het Rijk alle uitvoeringshandelingen verrichten of laten verrichten die tot zijn bevoegdheid behoren.
§ 3. Het lid van het openbaar ministerie bij een hof van beroep dat het SUO voert, is bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. Hij oefent het ambt van officier van gerechtelijke politie uit onder het toezicht van de procureur-generaal.
§ 4. De SUO-magistraat kan de politiediensten bedoeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politie-ambt vorderen om, met uitzondering van de door de wet voorziene beperkingen, alle voor het SUO noodzakelijke uitvoeringshandelingen uit te voeren.
De vorderingen worden gericht aan de bevoegde politieoverheid en uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 8 tot 8/3 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
De gevorderde politiediensten bezorgen het verslag over de opdrachten die ze hebben uitgevoerd en de inlichtingen die ze naar aanleiding ervan hebben ingewonnen aan de vorderende magistraat.".

Art. 7. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 464/3 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/3. § 1. De SUO-magistraat kan in de zaken die hij aanwijst, de directeur van het COIV belasten met het voeren van een SUO in zijn naam, dan wel hem verzoeken hem bijstand te verlenen tijdens het SUO dat hij zelf voert.
De directeur van het COIV kan de SUO-magistraat ambtshalve voorstellen om het COIV een SUO te laten voeren. Hij kan deze magistraat ook ambtshalve voorstellen bijstand te verlenen bij het SUO dat hij voert.
§ 2. Het SUO waarmee het COIV wordt gelast kan enkel gevoerd worden door een magistraat van het COIV, die hiervoor de verantwoordelijkheid draagt.
§ 3. Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 464/2, § 1, berust de leiding van het SUO bij de magistraat van het COIV aan wie dit onderzoek is toevertrouwd. Hij voert zijn opdracht uit onder het gezag en de leiding van de directeur van het COIV.
Indien het COIV bijstand verleent in het raam van het SUO gevoerd door de SUO-magistraat, doet hij dit in nauw overleg met deze magistraat.
§ 4. Bij de uitoefening van de in § 2 bedoelde opdracht beschikt de magistraat van het COIV die het SUO voert over dezelfde bevoegdheden als de SUO-magistraat.
Hij kan over het hele grondgebied van het Rijk alle uitvoeringshandelingen verrichten die tot zijn bevoegdheid behoren.
Hij is bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. In die hoedanigheid staat hij onder het toezicht van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel.
Hij kan een in de artikelen 15 en 15bis van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties bedoeld solvabiliteitsonderzoek uitvoeren of laten uitvoeren. Dit solvabiliteitsonderzoek strekt zich ook uit tot de tenuitvoerlegging van veroordelingen tot een strafrechtelijke geldboete of de gerechtskosten.
§ 5. De magistraat van het COIV die het SUO voert mag zich laten bijstaan door het personeel van het COIV en door de in artikel 19 van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties bedoelde ambtenaren die ter beschikking worden gesteld van het COIV.
Hij kan overeenkomstig artikel 464/2, § 4, een politiedienst vorderen om uitvoeringshandelingen te laten uitvoeren.".

Art. 8. In hetzelfde hoofdstuk Ibis wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende "Opening van het onderzoek".

Art. 9. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 8, wordt een artikel 464/4 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/4. § 1. Het bevoegde openbaar ministerie kan een SUO instellen of het COIV hiermee gelasten bij gebrek aan volledige betaling van de opgelegde bijzondere verbeurdverklaring, de geldboetes of de gerechtskosten binnen de door het openbaar ministerie of de federale overheidsdienst Financiën bepaalde termijn en mits het bedrag van de betalingsverplichting belangrijk is. De Koning bepaalt, op voorstel van de minister bevoegd voor Justitie en bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in functie van de hoogte van het in te vorderen bedrag van de veroordeling of de ernst van het strafbaar feit dat ten grondslag ligt aan de veroordeling, wat onder een belangrijk bedrag van de betalingsverplichting wordt verstaan.
Tegen de beslissing van het bevoegde openbaar ministerie om een SUO te openen of op te dragen aan het COIV kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.
§ 2. Indien uit de inlichtingen waarover het openbaar ministerie of de federale overheidsdienst Financiën beschikt blijkt dat de veroordeelde zijn betalingsverplichting heeft verzuimd of, zoals blijkt uit ernstige en concrete elementen, zal verzuimen moet hij niet meer vooraf worden uitgenodigd om de bijzondere verbeurdverklaringen, de geldboetes of de gerechtskosten te voldoen.".

Art. 10. In hetzelfde hoofdstuk Ibis wordt een afdeling 4 ingevoegd, luidende : "Bevoegdheden van de uitvoeringsorganen".

Art. 11. In afdeling 4, ingevoegd bij artikel 10, wordt een onderafdeling 1 ingevoegd, luidende "Gewone uitvoeringshandelingen".

Art. 12. In onderafdeling 1, ingevoegd bij artikel 11, wordt een artikel 464/5 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/5. § 1. De SUO-magistraat kan als uitvoeringshandeling elke onderzoeksdaad, die toegelaten is in het raam van het in artikel 28bis bedoelde opsporingsonderzoek,verrichten of laten verrichten door de gevorderde politiedienst, mits deze handeling kan bijdragen tot het bereiken van het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel.
Bij de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid is het nemen van een vrijheidsberovende maatregel in de zin van de artikelen 1 en 2 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis verboden.
§ 2. De SUO-magistraat kan een in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt bedoelde politiedienst vorderen om een vermogensonderzoek uit te voeren.
De gevorderde politiedienst verzamelt inlichtingen over de bezittingen en de inkomsten van de veroordeelde en de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde.
Behoudens andersluidende beslissing van de SUO-magistraat kan de politiedienst die het vermogensonderzoek uitvoert noch de in de artikelen 464/7 en 464/12 tot 464/14 bedoelde gewone uitvoeringshandelingen noch de in onderafdeling 2 omschreven specifieke uitvoeringshandelingen, aanwenden.".

Art. 13. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/6 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/6. § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, kan getuigen, zonder eedaflegging, de veroordeelde of de in art. 464/1, § 3, bedoelde derde verhoren over de vermogensrechtelijke verrichtingen die zijn uitgevoerd door de veroordeelde en de derde, alsook over de samenstelling en de vindplaats van hun vermogen.
Het verhoor begint met de mededeling dat de te verhoren persoon wordt ondervraagd in de hoedanigheid van veroordeelde, van derde in de zin van artikel 464/1, § 3, of als getuige.
§ 2. De getuige beantwoordt elke vraag, tenzij hij zich kan beroepen op een geheimhoudingsplicht die bij wet is ingesteld of hij zichzelf zou beschuldigen van een misdrijf.
De veroordeelde of de derde kan ofwel een verklaring afleggen, ofwel antwoorden op de hem gestelde vragen, ofwel zwijgen.
§ 3. Indien de te verhoren persoon zich in een andere taal dan die van het onderzoek wenst uit te drukken, wordt ofwel een beroep gedaan op een beëdigd tolk, ofwel worden zijn verklaringen opgetekend in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zelf zijn verklaring op te tekenen. Indien het verhoor met behulp van een tolk wordt afgenomen, worden diens identiteit en hoedanigheid vermeld.
§ 4. Van het verhoor van de veroordeelde, de derde of de getuige wordt een proces-verbaal opgemaakt.
De verhoorde kan op zijn vraag en kosteloos een afschrift van de tekst van zijn verhoor ontvangen.".

Art. 14. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/7 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/7. De SUO-magistraat kan een technisch adviseur aanwijzen die, zonder eedaflegging, een advies geeft over de vermogenssituatie van de veroordeelde of de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde of over welbepaalde vermogensrechtelijke verrichtingen die zijn uitgevoerd door de veroordeelde en deze derde.".

Art. 15. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/8 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/8. § 1. De SUO-magistraat, of de gevorderde politiedienst kan met de schriftelijke en voorafgaande toestemming van de persoon die het werkelijke genot ervan heeft, te allen tijde een niet voor het publiek toegankelijke plaats betreden om de in de artikelen 464/29, § 2 en 464/30, § 1, bedoelde goederen en informatiedragers op te sporen en in beslag te nemen.
§ 2. Onverminderd artikel 464/22 kan de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, na de voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechtmatige gebruiker, te allen tijde een zoeking uitvoeren in een privaat informaticasysteem dat zich bevindt op een niet voor het publiek toegankelijke plaats.
Hij kan, behoudens verzet van de rechtmatige gebruiker, de zoeking uitbreiden tot een informaticasysteem of een deel daarvan dat zich op een andere plaats bevindt dan daar waar de zoeking wordt uitgevoerd, als :
1° deze uitbreiding noodzakelijk is om de in artikel 464/29, § 2, 2°, bedoelde inlichtingen te verzamelen, en
2° andere maatregelen om deze inlichtingen te vergaren disproportioneel zouden zijn, of er een risico bestaat dat zonder deze uitbreiding deze inlichtingen verloren gaan.
De uitbreiding van de zoeking in een informaticasysteem mag zich niet verder uitstrekken dan tot de informatica-systemen of de delen daarvan waartoe de personen die gerechtigd zijn het onderzochte informaticasysteem te gebruiken, in het bijzonder toegang hebben.
Als de door de uitbreiding van de zoeking overeenkomstig het tweede en derde lid in een informaticasysteem aangetroffen gegevens nuttig zijn voor het doel van het SUO, worden ze in beslag genomen.".

Art. 16. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/9 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/9. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan een voor het publiek toegankelijke plaats betreden, gedurende de tijd dat het voor het publiek is toegelaten, om de in de artikelen 464/29, § 2, en 464/30, § 1, bedoelde goederen en informatiedragers op te sporen en in beslag te nemen.".

Art. 17. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/10 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/10. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan een vaartuig, voertuig of enig ander vervoermiddel doorzoeken, zowel in het verkeer als geparkeerd op de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen, indien er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan dat er in het vaartuig, voertuig of vervoermiddel in de artikelen 464/29, § 2, en 464/30, § 1, bedoelde goederen of informatiedragers aanwezig zijn die vatbaar zijn voor inbeslagneming.".

Art. 18. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/11 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/11. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, kan de veroordeelde of een derde in de zin van artikel 464/1, § 3, fouilleren door het betasten van hun lichaam en de kleding die ze dragen, evenals hun bagage controleren, indien er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan dat zij in de artikelen 464/29, § 2 en 464/30, § 1, bedoelde goederen of informatiedragers bij zich dragen die vatbaar zijn voor inbeslagneming.".

Art. 19. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/12 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/12. § 1. Bij de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten nadat de veroordeelde schuldig is verklaard aan een misdrijf waarop een correctionele hoofdgevangenisstraf staat van een jaar of een zwaardere straf, kan de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing van de in artikel 2 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme bedoelde ondernemingen en personen, de mededeling van de volgende inlichtingen vorderen :
1° de lijst van bankrekeningen, bankkluizen of de in artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten bedoelde financiële instrumenten waarvan de veroordeelde of de derde bedoeld in artikel 464/1, § 3, titularis, gevolmachtigde of de uiteindelijk gerechtigde is en, in voorkomend geval, alle nadere gegevens hieromtrent;
2° de transacties die in een bepaalde periode zijn uitgevoerd op een of meer van deze bankrekeningen of financiële instrumenten, met inbegrip van de bijzonderheden betreffende de rekening van herkomst of bestemming;
3° de gegevens met betrekking tot de titularissen of gevolmachtigden, die tijdens een bepaalde periode toegang hebben of hadden tot deze bankkluizen.
De SUO-magistraat bepaalt in zijn beslissing de vorm waarin de in het eerste lid vermelde gegevens hem worden meegedeeld.
§ 2. Indien het noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van de veroordeling, kan de SUO-magistraat bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing bovendien vorderen dat :
1° gedurende een vernieuwbare periode van maximum twee maanden de transacties met betrekking tot een of meer van deze bankrekeningen, bankkluizen of financiële instrumenten van de veroordeelde of de derde onder toezicht worden geplaatst;
2° de aangezochte persoon of onderneming de tegoeden en verbintenissen die verbonden zijn aan deze bankrekeningen, bankkluizen of financiële instrumenten, niet meer uit handen mag geven voor een termijn die hij bepaalt, maar die niet langer kan zijn dan de termijn die loopt van het ogenblik waarop hij of zij kennis neemt van zijn vordering, die per telefax of bij aangetekende zending is toegezonden tot vijf werkdagen na de kennisgeving van de bedoelde gegevens aan de SUO-magistraat.
De maatregel neemt van rechtswege een einde bij het verstrijken van de door de SUO-magistraat vastgestelde termijn of in geval van volledige betaling van de verschuldigde verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten.
§ 3. De in § 1 bedoelde aangezochte persoon of onderneming verleent onverwijld zijn of haar medewerking aan de uitvoering van de in §§ 1 en 2 bedoelde maatregelen.
De persoon of onderneming die zijn medewerking weigert aan de in §§ 1 en 2 bedoelde vorderingen van de SUO-magistraat wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro of met één van die straffen alleen.
De persoon of onderneming of elke derde die goederen bewaart of beheert die het voorwerp uitmaken van een in § 2 bedoelde maatregel en deze met bedrieglijk opzet wegmaakt, wordt gestraft met de in artikel 507 van het Strafwetboek bepaalde straffen. De poging wordt gestraft met dezelfde straffen.
§ 4. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de in §§ 1 en 2 bedoelde maatregelen of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.".

Art. 20. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/13 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/13. § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing, van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van de verstrekker van een elektronische communicatiedienst de mededeling van de volgende inlichtingen vorderen :
1° de identificatie van een abonnee of een gewoonlijke gebruiker van een elektronische communicatiedienst of van het gebruikte elektronische communicatiemiddel;
2° de identificatie van de elektronische communicatiediensten waarop een bepaalde persoon geabonneerd is of die door een bepaalde persoon gewoonlijk worden gebruikt.
§ 2. Iedere operator van een elektronisch communicatienetwerk en iedere verstrekker van een elektronische communicatiedienst verstrekt alle beschikbare inlichtingen binnen de termijn en op de wijze die bepaald worden bij het ter uitvoering van artikel 46bis, § 2, eerste en tweede lid, genomen koninklijk besluit.
Weigering om de gegevens mee te delen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.
§ 3. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.".

Art. 21. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/14 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/14. § 1. De SUO-magistraat kan bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing een politiedienst machtigen om een observatie uit te voeren.
§ 2. Observatie is mogelijk als :
1° de overige gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken, en
2° de uitvoeringshandeling uitsluitend wordt aangewend ter tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, nadat de veroordeelde schuldig is verklaard aan een misdrijf waarop een correctionele hoofdgevangenisstraf staat van een jaar of een zwaardere straf;
§ 3. De machtiging tot observatie is schriftelijk en bevat de volgende vermeldingen :
1° de gegevens van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waaruit blijkt dat de veroordeelde gehouden is tot betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, nadat hij schuldig is verklaard aan een misdrijf waarop een correctionele hoofdgevangenisstraf staat van een jaar of een zwaardere straf;
2° de redenen waarom de overige gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken;
3° de naam of, indien die niet bekend is, een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de in § 1 geobserveerde persoon of personen, alsmede van de zaken, plaatsen of gebeurtenissen;
4° de wijze waarop de observatie zal worden uitgevoerd;
5° de periode tijdens welke de observatie kan worden uitgevoerd en die niet langer mag zijn dan drie maanden te rekenen van de datum van de machtiging.
§ 4. In spoedeisende gevallen kan de machtiging tot observatie mondeling worden verstrekt. De machtiging moet zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de in § 3 bepaalde vorm.
§ 5. De SUO-magistraat kan steeds op gemotiveerde wijze zijn machtiging tot observatie wijzigen, aanvullen of verlengen. Hij kan te allen tijde zijn machtiging intrekken. Hij gaat bij elke wijziging, aanvulling of verlenging van zijn machtiging na of de in § 2 bedoelde voorwaarden nog zijn vervuld en handelt daarbij overeenkomstig § 3, 1°, 2°, 3° en 5°.
§ 6. De politieambtenaar die de operationele leiding heeft over de uitvoering van de observatie brengt de SUO-magistraat volledig en waarheidsgetrouw schriftelijk verslag uit over de uitvoering van de observaties. Hij zendt die verslagen, die vertrouwelijk zijn, rechtstreeks aan deze magistraat.
§ 7. De in § 6 bedoelde politieambtenaar stelt proces-verbaal op van de uitvoering van de observatie, doch vermeldt hierin geen elementen die de afscherming van de gebruikte politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant en van de politieambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de observatie in het gedrang kunnen brengen. Deze elementen worden enkel opgenomen in het in § 6 bedoelde schriftelijk verslag.
In een proces-verbaal wordt verwezen naar de machtiging tot observatie en worden de in § 3, 1°, 2°, 3° en 5° bedoelde vermeldingen, opgenomen. De magistraat bevestigt bij schriftelijke beslissing het bestaan van de door hem verleende machtiging tot observatie.
De opgestelde processen-verbaal en de in het tweede lid bedoelde beslissing worden uiterlijk bij het beëindigen van de observatie bij het dossier van het SUO gevoegd.
§ 8. De SUO-magistraat bewaart een afzonderlijk en vertrouwelijk dossier dat de volgende stukken bevat :
1° de machtiging tot observatie en de beslissingen tot wijziging, aanvulling of verlenging;
2° de toelating tot het plegen van misdrijven overeenkomstig artikel 464/15;
3° de vertrouwelijke verslagen die zijn opgesteld door de politieambtenaar die de operationele leiding heeft over de uitvoering van de observatie.
De SUO-magistraat en het bevoegde openbaar ministerie hebben als enige toegang tot dit afzonderlijk en vertrouwelijk dossier, onverminderd het in artikel 464/18 bedoelde inzagerecht van de kamer van inbeschuldigingstelling. De inhoud van dit dossier valt onder het beroepsgeheim.".

Art. 22. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/15 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/15. § 1. Onverminderd het in § 2 bepaalde is het de politieambtenaren, belast met de uitvoering van een observatie, verboden in het kader van hun opdracht strafbare feiten te plegen.
§ 2. Blijven vrij van straf de politieambtenaren die, in het kader van hun opdracht en met het oog op het welslagen ervan, strikt noodzakelijke misdrijven plegen, met het uitdrukkelijk akkoord van de SUO-magistraat.
De magistraat die het akkoord verleent, met inachtneming van de bepalingen die betrekking hebben op het SUO, blijft vrij van straf.
De politieambtenaren melden schriftelijk en vóór de uitvoering van de observatie aan de SUO-magistraat de in het eerste lid bedoelde misdrijven die zij voornemens zijn te plegen.
Indien deze voorafgaande kennisgeving niet kon gebeuren, stellen de politieambtenaren de SUO-magistraat onverwijld in kennis van de misdrijven die zij hebben gepleegd en bevestigen dit nadien schriftelijk.".

Art. 23. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/16 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/16. § 1. De SUO-magistraat of het bevoegde openbaar ministerie kan via de informantenwerking alle nuttige inlichtingen verzamelen over het vermogen waarop de veroordeling tot betaling van een verbeurdverklaring, een geldboete of de gerechtskosten kan worden uitgevoerd.
De informantenwerking in de zin van dit artikel is het onderhouden van regelmatige contacten door een politieambtenaar, "contactambtenaar" genoemd, met een persoon, "informant" genoemd, van wie vermoed wordt dat hij nauwe banden heeft met een of meer personen, die schuldig zijn verklaard aan een misdrijf en die als gevolg hiervan zijn veroordeeld tot de betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten of de gerechtskosten, of met een in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde die de politieambtenaar, al dan niet gevraagd, inlichtingen en gegevens verstrekt over de vermogensbestanddelen waarop deze veroordelingen kunnen worden uitgevoerd.
§ 2. De lokale informantenbeheerder deelt zodra mogelijk en spontaan alle voor het SUO nuttige inlichtingen in een vertrouwelijk verslag rechtstreeks mee aan de SUO-magistraat.
De SUO-magistraat bewaart de meegedeelde inlichtingen in een afzonderlijk en vertrouwelijk dossier. De SUO-magistraat en het bevoegde openbaar ministerie hebben als enige toegang tot dit afzonderlijk en vertrouwelijk dossier, onverminderd het in artikel 464/18 bedoelde inzagerecht van de kamer van inbeschuldigingstelling. De inhoud van dit dossier valt onder het beroepsgeheim.
De SUO-magistraat beslist of, in functie van het belang van de aangebrachte informatie en met inachtneming van de veiligheid van de informant, hiervan proces-verbaal wordt opgesteld.
§ 3. De organisatie van de informantenwerking ingesteld bij artikel 47decies, § 2 tot 6, tweede lid, is van toepassing op de in § 1 bedoelde informantenwerking.".

Art. 24. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/17 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/17. De SUO-magistraat staat in voor de permanente controle over de uitvoering van observaties en de aangewende informantenwerking door de politiediensten in het raam van dit onderzoek.".

Art. 25. In dezelfde afdeling 4 wordt een onderafdeling 2 ingevoegd, luidende "Specifieke uitvoeringshandelingen".

Art. 26. In onderafdeling 2, ingevoegd bij artikel 25, wordt een artikel 464/19 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/19. De SUO-magistraat kan, bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing als uitvoeringshandeling, de onderzoekshandelingen waarvoor in het kader van een gerechtelijk onderzoek uitsluitend de onderzoeksrechter bevoegd is, verrichten of laten verrichten door de gevorderde politiedienst, als ze noodzakelijk zijn voor het bereiken van het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO.
De uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid is evenwel beperkt tot de in deze onderafdeling omschreven uitvoerings-handelingen.".

Art. 27. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 464/22 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/22. De SUO-magistraat kan, bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing, een huiszoeking verrichten of door de gevorderde politiedienst laten verrichten in een niet voor het publiek toegankelijke plaats, om de in de artikelen 464/29, § 2, en 464/30, § 1, bedoelde goederen en informatiedragers op te sporen en in beslag te nemen.
Geen huiszoeking mag worden verricht vóór vijf uur `s morgens en na negen uur `s avonds.".

Art. 28. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 464/23 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/23. De SUO-magistraat kan de zoeking in een informaticasysteem of een deel daarvan, die hij uitvoert of door de gevorderde politiedienst laat uitvoeren, uitbreiden tot een informaticasysteem of een deel daarvan dat zich op een andere plaats bevindt dan daar waar de zoeking plaatsvindt als :
1° deze uitbreiding noodzakelijk is om de in artikel 464/29, § 2, bedoelde inlichtingen, te verzamelen, en
2° indien andere maatregelen om deze inlichtingen te vergaren disproportioneel zouden zijn of indien er een risico bestaat dat zonder deze uitbreiding deze inlichtingen verloren gaan.".

Art. 29. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 464/24 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/24. § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan personen van wie hij vermoedt dat ze een bijzondere kennis hebben van het informaticasysteem dat het voorwerp uitmaakt van de zoeking of van diensten om gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, te beveiligen of te versleutelen, bevelen om in een verstaanbare vorm inlichtingen te verstrekken over de werking ervan en over de wijze om toegang te verkrijgen tot de gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen.
§ 2. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan iedere geschikte persoon bevelen om zelf het informa-ticasysteem te bedienen of de ter zake dienende gegevens, die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, naar gelang van het geval, te zoeken, toegankelijk te maken, te kopiëren, ontoegankelijk te maken of te verwijderen, in de door hem gevorderde vorm. Deze personen zijn verplicht hieraan gevolg te geven, voorzover dit in hun mogelijkheden ligt.
§ 3. Hij die weigert de in § 1 en 2 gevorderde medewerking te verlenen of de zoeking in het informaticasysteem hindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot één jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met één van die straffen alleen.
§ 4. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.".

Art. 30. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 464/25 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/25. § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan een operator van een elektronisch communicatienetwerk of de verstrekker van een elektronische communicatiedienst vorderen om :
1° de oproepgegevens te doen opsporen van elektronische communicatiemiddelen waaruit of waarnaar oproepen worden of werden gedaan;
2° de oorsprong of de bestemming van elektronische communicaties te laten lokaliseren.
In de in het eerste lid bedoelde gevallen worden voor ieder elektronisch communicatiemiddel waarvoor de oproep-gegevens worden opgespoord of waarvan de oorsprong of de bestemming van de elektronische communicaties wordt gelokaliseerd, de dag, het uur, de duur en, indien nodig, de plaats van de oproep vastgesteld en opgenomen in een proces-verbaal.
De SUO-magistraat vermeldt in zijn beslissing de duur van de maatregel, die, wat de toekomstige elektronische communicatiegegevens betreft, niet langer kan zijn dan twee maanden te rekenen vanaf het bevelschrift, behoudens een hernieuwing.
§ 2. Iedere operator van een elektronische communicatiedienst en iedere verstrekker van een elektronische communicatiedienst delen de gevorderde inlichtingen mee binnen de termijn en volgens de bij het ter uitvoering van artikel 88bis, § 2, eerste en derde lid, genomen koninklijk besluit bepaalde nadere regels.
Iedere persoon die zijn technische medewerking weigert aan de in dit artikel bedoelde vorderingen wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.
§ 3. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.".

Art. 31. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 464/26 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/26. § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan privécommunicatie of privéelektronische communicatie, tijdens de overbrenging ervan, afluisteren, er kennis van nemen en opnemen.
Teneinde het mogelijk te maken privécommunicatie of -elektronische communicatie direct af te luisteren, er kennis van te nemen of op te nemen met technische hulpmiddelen, kan de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, te allen tijde, ook buiten medeweten of zonder de toestemming van hetzij de bewoner, hetzij de eigenaar of zijn rechthebbenden, in een woning of in een private plaats binnendringen.
§ 2. De in § 1 bedoelde bewakingsmaatregel kan worden bevolen als :
1° hij uitsluitend aangewend wordt ter tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot de betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, die is uitgesproken nadat de veroordeelde schuldig is verklaard aan een in artikel 90ter, § 2 tot 4, bedoeld misdrijf;
2° de gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken.
§ 3. De in § 1 bedoelde bewakingsmaatregel kan alleen worden bevolen ten aanzien van de veroordeelde, ten aanzien van de communicatie- of telecommunicatiemiddelen die geregeld worden gebruikt door deze veroordeelde, of ten aanzien van de plaatsen waar deze vermoed wordt te vertoeven. De maatregel kan eveneens worden bevolen ten aanzien van de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde dan wel ten aanzien van de personen die vermoed worden regelmatig in contact te staan met de veroordeelde of de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde.
De maatregel kan alleen betrekking hebben op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden, de woonplaats of de communicatie- of telecommunicatiemiddelen van een advocaat of een arts, indien deze zelf een veroordeelde of een derde is in de zin van artikel 464/1, § 3, of indien er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan waaruit blijkt dat de woning of beroepslokalen van de arts of de advocaat worden aangewend om de in de artikelen 464/29, § 2, en 464/30, § 1, bedoelde goederen of informatiedragers te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten.
De maatregel mag niet ten uitvoer worden gelegd zonder dat, naar gelang van het geval, de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte werd gebracht. Dezelfde personen zullen door de magistraat die het onderzoek voert in kennis worden gesteld van hetgeen volgens hem als communicatie of telecommunicatie onder het beroepsgeheim valt en niet zal worden opgetekend in het in § 7 bedoelde proces-verbaal.
§ 4. De met redenen omklede beslissing van de SUO-magistraat houdende verzoek tot machtiging gericht aan de strafuitvoeringsrechter vermeldt :
1° de identiteit van de veroordeelde en, in voorkomend geval, van de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde;
2° de gegevens van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waaruit blijkt dat het SUO betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot de betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, nadat de veroordeelde schuldig verklaard is aan een in artikel 90ter, § 2 tot 4, bedoeld misdrijf of van een in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde;
3° het verschuldigde saldo van de veroordeling tot de betaling van de verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten;
4° de redenen waarom de gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden, of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken;
5° de identiteit van de persoon, het communicatie- of elektronisch communicatiemiddelmiddel of de plaats die het voorwerp is van de bewakingsmaatregel;
6° de voorgestelde periode tijdens welke de bewaking kan worden uitgeoefend, die niet langer mag zijn dan één maand te rekenen vanaf de ondertekening van de machtiging die werd verleend krachtens artikel 464/20.
§ 5. De SUO-magistraat kan met de machtiging van de strafuitvoeringsrechter, de duur van de bewakingsmaatregel een of meer malen verlengen met een termijn die telkens niet langer mag zijn dan één maand, met een maximum van zes maanden, onverminderd zijn beslissing om aan de maatregel een einde te maken, zodra de omstandigheden die deze gerechtvaardigd hebben, verdwenen zijn.
Na het verstrijken van de maximumduur kan de uitvoering van de bewakingsmaatregel worden hernieuwd met de machtiging van de strafuitvoeringsrechter, voor zover er nieuwe omstandigheden voorhanden zijn en dit telkens voor één maand met een maximum van zes maanden.
§ 6. De SUO-magistraat of de politieambtenaar die belast is met de operationele leiding van de uitvoering van de bewakingsmaatregel, neemt de bij artikel 90quater, § 2 en 4, voorziene maatregelen als ze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die maatregel. De bij artikel 90quater, § 2, tweede en derde lid, en § 4, derde en vierde lid, bepaalde strafsancties zijn van toepassing op de personen die de verplichtingen tot medewerking en geheimhouding schenden.
§ 7. De politiedienst die belast is met de uitvoering van de bewakingsmaatregel staat in voor :
1° de selectie en transcriptie van de delen van de opnamen die voor het SUO relevant geachte inlichtingen betreffende de vermogenssituatie van de veroordeelde en de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde bevatten, onder het toezicht van de SUO-magistraat;
2° het vertalen of het laten vertalen van de relevante inlichtingen naar de taal waarin het SUO wordt gevoerd, na toelating van de SUO-magistraat;
3° de neerlegging van de opnamen, samen met de uitgevoerde transcripties, vertalingen en de gemaakte notities, onder verzegelde omslag, op het secretariaat van het openbaar ministerie dat het SUO voert;
4° het vernietigen of het laten vernietigen van de opnamen, selecties van transcripties en vertalingen, na toelating van de SUO-magistraat;
De gevorderde politiedienst stelt een proces-verbaal op waarin hij verslag uitbrengt over de uitvoering van de bewakingsmaatregel en de opdrachten bedoeld in het eerste lid, dat aan de SUO-magistraat wordt toegezonden.
De communicatie of elektronische communicatie die onder het beroepsgeheim of journalistiek bronnengeheim valt, wordt niet opgetekend in het proces-verbaal dat wordt opgesteld naar aanleiding van de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde opdracht.
De gevorderde politiedienst neemt alle noodzakelijke maatregelen om de integriteit en de vertrouwelijkheid te waarborgen van de opgenomen, overgeschreven en vertaalde communicatie of elektronische communicatie tot de neerlegging ervan op het secretariaat overeenkomstig het ter uitvoering van artikel 90septies, vijfde lid, genomen koninklijk besluit.
§ 8. Het secretariaat van het openbaar ministerie dat het SUO voert, staat in voor de bewaring van de overeenkomstige § 7, eerste lid, 3°, neergelegde voorwerpen en akten.
De SUO-magistraat neemt, overeenkomstig het ter uitvoering van artikel 90septies, vijfde lid, genomen koninklijk besluit, alle noodzakelijke maatregelen om tijdens de bewaring op het secretariaat de integriteit en de vertrouwelijkheid te waarborgen van de neergelegde opnamen, transcripties en vertalingen.
De SUO-magistraat oordeelt overeenkomstig artikel 464/1, § 5, over de inzage van de voorwerpen en akten die zijn neergelegd door de veroordeelde, de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde of elke andere belanghebbende.
De SUO-magistraat beveelt de vernietiging van de neergelegde voorwerpen en akten die niet bestemd zijn voor de exploitatie in het raam van het SUO of die niet bruikbaar zijn voor de doeleinden bedoeld in artikel 464/1, § 6, uiterlijk bij de afsluiting van het SUO.".

Art. 32. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 464/27 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/27. § 1. De SUO-magistraat die het onderzoek voert kan een politiedienst machtigen om een observatie uit te voeren ten aanzien van een woning of in een door deze woning omsloten eigen aanhorigheid in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek.
§ 2. De grond- en vormvoorwaarden en de uitvoeringswijze die worden bepaald bij artikel 464/14 en de in artikel 464/15 bedoelde verschoningsgrond zijn van toepassing op de in § 1 bedoelde observatie.
De magistraat vermeldt in zijn machtiging tot observatie het adres of een zo nauwkeurig mogelijke plaatsbepaling van de in § 1 bedoelde woning waarop de observatie betrekking heeft.".

Art. 33. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 464/28 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/28. Indien er tijdens het SUO ernstige aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde of de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde als rechtspersoon zijn vermogen wil onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten op dit vermogen, kan de SUO-magistraat de volgende maat-regelen gelasten, indien bijzondere omstandigheden dat vergen :
1° de schorsing van de procedure van ontbinding of vereffening van de rechtspersoon;
2° het verbod van specifieke vermogensrechtelijke transacties die tot het onvermogen van de rechtspersoon kunnen leiden;
3° de storting van een borgsom op de rekening van het COIV tot een door hem bepaald bedrag, als waarborg voor de inachtneming van de maatregelen die hij gelast.
Indien de in het eerste lid bedoelde maatregelen betrekking hebben op onroerende goederen, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 464/33.
De rechtspersoon kan om de opheffing van de genomen maatregel verzoeken overeenkomstig artikel 464/36.".

Art. 34. In dezelfde afdeling 4 wordt een onderafdeling 3 ingevoegd, luidende "Inbeslagneming ten behoeve van de straf-uitvoering".

Art. 35. In onderafdeling 3, ingevoegd bij artikel 34, wordt een artikel 464/29 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/29. § 1. De SUO-magistraat kan, bij een schriftelijke en gemotiveerde beslissing, alle inbeslagnemingen verrichten, of laten verrichten door de gevorderde politiedienst, die kunnen bijdragen tot het bereiken van het doel van het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO.
Iedere politieambtenaar mag ambtshalve overgaan tot de inbeslagneming van de roerende goederen en documenten bedoeld in § 2 die kunnen bijdragen tot het bereiken van het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO.
§ 2. Zijn vatbaar voor inbeslagneming :
1° alle goederen, zowel roerende als onroerende, lichamelijke als onlichamelijke, in het vermogen van de veroordeelde, waarop de uitvoerbare veroordeling tot betaling van een verbeurdverklaring, geldboete en de gerechtskosten kan worden uitgevoerd;
2° alle informatiedragers, in origineel of in kopie, die zich bevinden bij de veroordeelde of derden en inlichtingen bevatten over de vermogensrechtelijke verrichtingen die zijn uitgevoerd door de veroordeelde en over de samenstelling en de vindplaats van zijn vermogen.
§ 3. Goederen die ingevolge de artikelen 1408 tot 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek of ingevolge bijzondere wetten niet vatbaar zijn voor beslag, mogen in geen geval in beslag worden genomen.
De informatiedragers die inlichtingen bevatten die gedekt zijn door een beroepsgeheim zijn niet vatbaar voor beslag.".

Art. 36. In dezelfde onderafdeling 3 wordt een artikel 464/30 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/30. § 1. De SUO-magistraat kan beslag leggen op de in artikel 464/29, § 2, 1°, bedoelde goederen die niet toebehoren aan de veroordeelde, onder de volgende voorwaarden :
1° er zijn voldoende ernstige en concrete aanwijzingen dat de veroordeelde het goed heeft overgedragen, zelfs voor het in kracht van gewijsde gaan van de veroordeling, aan de derde met het kennelijke doel de invordering van de verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten te verhinderen, of aanzienlijk te bemoeilijken;
2° de derde wist of moest redelijkerwijs weten dat het goed hem rechtstreeks of onrechtstreeks was overgedragen door de veroordeelde met het oogmerk om het te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een uitvoerbare of mogelijke veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten.
In zijn beslissing vermeldt de magistraat de ernstige en concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat de veroordeelde het goed wil onttrekken aan de invordering van de verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten alsook de inlichtingen waaruit de wetenschap van de derde blijkt of kan worden afgeleid en die de inbeslagneming rechtvaardigen. Deze gegevens worden opgenomen in het proces-verbaal dat wordt opgemaakt naar aanleiding van de inbeslagneming.
§ 2. Goederen die ingevolge de artikelen 1408 tot 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek of ingevolge bijzondere wetten niet vatbaar zijn voor beslag, mogen in geen geval in beslag worden genomen.".

Art. 37. In dezelfde onderafdeling 3 wordt een artikel 464/31 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/31. § 1. Ingeval wordt overgegaan tot inbeslagneming krachtens de artikelen 464/29, 464/30 en 464/32 maakt de beslagleggende SUO-magistraat of politiedienst een proces-verbaal op waarin de in beslag genomen zaken worden vermeld.
§ 2. Het proces-verbaal wordt ter ondertekening aan de beslagene aangeboden, die er kosteloos een afschrift van kan ontvangen. Indien de beslagene weigert het proces-verbaal te ondertekenen en/of het afschrift daarvan in ontvangst te nemen of niet bereikt kan worden, maakt de SUO-magistraat of politieambtenaar daarvan melding op het origineel en wordt de kennisgeving geacht te zijn gedaan op de dag waarop de verbalisant de weigering vaststelt. Indien het afschrift niet onmiddellijk wordt overhandigd, wordt het binnen achtenveertig uur verstuurd.
Het afschrift van het proces-verbaal bevat :
1° de waarschuwing dat de beslagene, de goederen die het voorwerp zijn van het beslag niet meer uit handen mag geven, op straffe van toepassing van artikel 507 van het Strafwetboek;
2° de referenties eigen aan de zaak;
3° de tekst van het artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek.".

Art. 38. In dezelfde onderafdeling 3 wordt een artikel 464/32 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/32. Wanneer de in 464/29, § 2, 2°, bedoelde inlichtingen zijn opgeslagen in een informaticasysteem, maar de inbeslagneming van de drager ervan niet wenselijk is, worden deze gegevens, evenals de gegevens die noodzakelijk zijn om deze te kunnen verstaan, gekopieerd op dragers die toebehoren aan de overheid. In geval van dringendheid of om technische redenen kan gebruik gemaakt worden van dragers die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn het informaticasysteem te gebruiken.".

Art. 39. In dezelfde onderafdeling 3 wordt een artikel 464/33 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/33. § 1. De SUO-magistraat kan de onroerende goederen die een zaak in de zin van artikel 464/29, § 2, 1°, vormen, in beslag laten nemen.
§ 2. Het beslag wordt op vordering van de SUO-magistraat gelegd bij proces-verbaal dat door deze magistraat of de gevorderde politiedienst aan de eigenaar wordt betekend. In voorkomende geval wordt het proces-verbaal van inbeslagneming betekend aan de blote eigenaar, de vruchtgebruiker, de erfpachter, de opstalhouder en, in voorkomende geval, de huurder.
Het proces-verbaal van inbeslagneming bevat op straffe van nietigheid :
1° een afschrift van de vordering van de SUO-magistraat;
2° de identiteit van de beslagene, met vermelding van zijn naam, voornaam, woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats en de geboortedatum- en plaats, indien het een natuurlijk persoon betreft, of van zijn benaming, rechtsvorm, ondernemingsnummer en zetel, indien het een rechtspersoon betreft;
3° een omschrijving van het onroerend goed waarop beslag wordt gelegd op de wijze die is voorgeschreven door artikel 141 van de Hypotheekwet van 16 december 1851;
4° een uittreksel uit de kadastrale legger, dat minder dan drie maanden oud is;
5° de tekst van dit artikel en van artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek;
§ 3. Binnen vierentwintig uur na de handeling van het beslag biedt de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst het proces-verbaal van inbeslagneming ter overschrijving aan op het hypotheekkantoor van de plaats waar de goederen gelegen zijn.
De overschrijving wordt door de hypotheekbewaarder, op straffe van schadevergoeding, gedaan uiterlijk binnen acht dagen na de afgifte van het voormelde proces-verbaal van inbeslagneming. Als dagtekening van de overschrijving geldt evenwel de dag van afgifte van het proces-verbaal.
Als de hypotheekbewaarder de overschrijving van het proces-verbaal van inbeslagneming niet kan verrichten op het ogenblik dat zij wordt gevorderd, dan vermeldt hij op de originele processen-verbaal die bij hem worden achtergelaten de dag en het uur waarop zij hem werden overhandigd.
§ 4. Het beslag doet geen afbreuk aan de uitoefening van het recht van de eigenaar of elke andere gerechtigde persoon om het in beslag genomen onroerend goed verder te gebruiken als een goede huisvader.
§ 5 De burgerlijke vruchten die het onroerend goed tijdens de duur van het beslag opbrengt, zijn in het beslag be-grepen, behoudens andersluidende beslissing van de SUO-magistraat.
De SUO-magistraat kan het COIV verzoeken om in te staan voor de inning van de vruchten van een onroerend goed. Indien het beslag uitgaat van een magistraat van het COIV, kan hij ambtshalve beslissen deze vruchten te innen. Onverminderd de toepassing van artikel 464/36 staat er geen rechtsmiddel open tegen de beslissing van de SUO-magistraat.
Het COIV brengt de in het tweede lid bedoelde beslissing tweede lid ter kennis van de schuldenaar en schuldeiser van deze inkomsten bij een aangetekend schrijven of door de overhandiging van een proces-verbaal. De kennisgeving bevat de tekst van dit artikel en van artikel 507, eerste lid, van Strafwetboek.
Vanaf de ontvangst van de kennisgeving worden alle burgerlijke vruchten die tijdens het beslag vervallen, van rechtswege begrepen in het voorwerp van het beslag.
De schuldenaar en de schuldeiser mogen de geldsommen die begrepen zijn in het voorwerp van het beslag niet meer op een andere wijze uit handen geven dan die welke in het zesde lid wordt bedoeld, op straffe van toepassing van artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek.
De schuldenaar van de inkomsten kan enkel bevrijdend betalen in handen van het COIV. Betalingen in handen van de schuldeiser die zijn verricht na de regelmatige kennisgeving van de in het tweede lid bedoelde beslissing, kunnen niet worden tegengeworpen aan de Staat.
§ 6. Het bewarend beslag op onroerend goed geldt gedurende drie jaar met ingang van de dagtekening van de overschrijving, behoudens vernieuwing overeenkomstig § 7. Bij het verstrijken van deze termijn verliest het beslag van rechtswege zijn uitwerking en wordt er geen melding meer van gemaakt in hypothecaire getuigschriften.
De in het eerste lid bedoelde termijn wordt geschorst gedurende de procedure voor de vervreemding van het onroerend goed, vanaf de ontvangst van de toelating tot vervreemding door het COIV of vanaf de datum van de beslissing tot vervreemding door de magistraat van het COIV die het SUO voert, tot de dag waarop het goed is verkocht.
Op verzoek van de directeur van het COIV wordt de definitieve beslissing tot vervreemding van het onroerend goed door de hypotheekbewaarder op beknopte wijze vermeld op de kant van het overgeschreven beslagexploot.
§ 7. De SUO-magistraat kan vóór het verstrijken van de geldigheidsduur de vernieuwing van het gelegde beslag bevelen.
De beslissing van de magistraat wordt door hemzelf of door de gevorderde politiedienst door middel van een proces-verbaal ter kennis gebracht van de in § 2, eerste lid, bedoelde personen. Het proces-verbaal van kennisgeving bevat de in § 2, tweede lid, opgesomde vermeldingen.
De vernieuwing heeft plaats op overlegging aan de hypotheekbewaarder van een proces-verbaal dat is ondertekend door de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, met nauwkeurige opgave van de te vernieuwen overschrijving, samen met een afschrift van de vordering van de magistraat.
De vernieuwing geldt voor drie jaar. De nieuwe termijn gaat in op de dag waarop de overschrijving wordt vernieuwd.
§ 8. In geval van opheffing van het beslag wordt een afschrift van de beslissing van de SUO-magistraat of, in voorkomend geval, van de rechterlijke beslissing die de opheffing beveelt, ter kennis gebracht van de in § 2, eerste lid, bedoelde personen en van de bevoegde hypotheekbewaarder door middel van de toezending van de beslissing bij aangetekende zending of door overhandiging ervan die vastgesteld wordt bij proces-verbaal.
De hypotheekbewaarder verricht op grond hiervan de doorhaling van de overschrijving van het proces-verbaal van inbeslagneming. Na de doorhaling wordt er van het beslag geen melding meer gemaakt in hypothecaire getuigschriften.".

Art. 40. In dezelfde onderafdeling 3 wordt een artikel 464/34 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/34. § 1. De SUO-magistraat kan beslag leggen op de geldsommen die de derde-beslagene moet betalen aan of op zaken die de derde-beslagene moet afgeven aan de veroordeelde of de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde ten laste van wie het beslag wordt gelegd.
Zijn van rechtswege in het voorwerp van het beslag begrepen :
1° de intresten die na het beslag aan de titularis van de schuldvordering verschuldigd zijn;
2° alle na het beslag vervallen termijnen van een schuldvordering betreffende periodieke inkomsten.
§ 2. Het beslag op een schuldvordering, met uitzondering van het beslag op rechten aan order of aan toonder, gebeurt door de schriftelijke kennisgeving van de beslissing tot inbeslagneming aan de beslagene en de derde-beslagene.
De SUO-magistraat of de politieambtenaar brengt de beslissing ter kennis door middel van :
1° de toezending van de beslissing per telefax of bij een aangetekende zending, of
2° de afgifte van een kosteloos afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming dat is opgesteld door de politieambtenaar.
De kennisgeving bevat de referenties eigen aan de zaak, alsmede de tekst van dit artikel en van artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek. In de kennisgeving gericht aan de derde-beslagene wordt bovendien de tekst van artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek vermeld.
§ 3. Vanaf de ontvangst van de kennisgeving mag de derde-beslagene de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag niet meer uit handen geven, op straffe van toepassing van artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek.
De SUO-magistraat kan de derde-beslagene bevelen de geldsommen die het voorwerp zijn van het beslag over te dragen aan het COIV.
§ 4. De derde-beslagene heeft recht op de vergoeding van de kosten van de verklaring. De Koning bepaalt het maximumbedrag van deze vergoeding.".

Art. 41. In dezelfde onderafdeling 3 wordt een artikel 464/35 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/35. § 1. De in beslag genomen roerende goederen worden neergelegd op de griffie van de rechtbank of het hof waarbij de SUO-magistraat zijn ambt uitoefent.
De griffie staat in voor de bewaring van de in beslag genomen goederen en schrijft ze in in het daartoe bestemde register.
§ 2. In afwijking van § 1 kan de SUO-magistraat de bewaring in natura van het in beslag genomen roerend goed beëindigen en het teruggeven aan de beslagene tegen betaling van een geldsom, waarvan hij het bedrag bepaalt.
Als de beslagene hiermee instemt, treedt de betaalde geldsom van rechtswege in de plaats van het teruggegeven in beslag genomen goed.
§ 3. In afwijking van § 1 worden de in beslag genomen geldsommen gestort op de rekening die het COIV geopend heeft bij een financiële instelling.
Zodra zijn rekening is gecrediteerd, staat het COIV in voor de bewaring van de aan hem toevertrouwde geldsommen.
§ 4. In afwijking van § 1 kan de SUO-magistraat het COIV verzoeken in te staan voor het beheer van effecten of van geldsommen die zijn in beslag genomen bij een financiële instelling, alsmede van de andere vermogensbestanddelen die een bijzonder beheer vereisen.
Als een magistraat van het COIV het SUO voert kan hij ambtshalve beslissen in beslag genomen effecten, geldsommen of vermogensbestanddelen in beheer te nemen.
Het COIV kan de in beslag genomen effecten en vermogensbestanddelen toevertrouwen aan een door hem aangestelde lasthebber of beheerder.
De SUO-magistraat maakt de door het COIV beheerde effecten en andere vermogensbestanddelen te gelde overeenkomstig artikel 464/37.".

Art. 42. In dezelfde onderafdeling 3 wordt een artikel 464/37 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/37. § 1. De SUO-magistraat kan het COIV machtigen om in beslag genomen goederen te vervreemden met het oog op de aanzuivering van de verschuldigde verbeurdverklaarde geldsommen, geldboeten en gerechtskosten.
Als een magistraat van het COIV het SUO voert, kan hij ambtshalve de vervreemding bevelen met hetzelfde doel.
§ 2. Het COIV stelt in overleg met de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten een lasthebber aan die instaat voor de verkoop van de in beslag genomen goederen en de verdeling van de opbrengst.
De in beslag genomen goederen mogen niet verkocht worden aan een lagere prijs dan de waarde die in onderling overleg is bepaald door het COIV en zijn lasthebber.
De procedure voor de verkoop van de goederen verloopt overeenkomstig de bepalingen die toepasselijk zijn op de vervreemding van vermogensbestanddelen in het raam van het opsporingsonderzoek.
§ 3. Wanneer de beslissing tot vervreemding een onroerend goed betreft, dan gaan door de toewijzing de rechten van de ingeschreven schuldeisers van de veroordeelde over op de prijs, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 16bis van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties.
§ 4. De aangestelde lasthebber staat in voor de evenredige verdeling of de rangregeling overeenkomstig de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek.".

Art. 43. In hetzelfde hoofdstuk Ibis, wordt een afdeling 5 ingevoegd, luidende "Kosten van het onderzoek".

Art. 44. In afdeling 5, ingevoegd bij artikel 43, wordt een artikel 464/39 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/39. De kosten van het SUO omvatten alle kosten die veroorzaakt worden door de toepassing van de gewone en specifieke uitvoeringshandelingen, uitgezonderd de personeels- en werkingskosten die verbonden zijn aan het optreden van de betrokken magistraten, politieambtenaren en ambtenaren van de federale overheidsdienst Financiën.
De kosten zijn ten laste van de veroordeelde tegen wie de tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring of de invordering van de geldboete of de gerechtskosten wordt gevorderd. De kosten die het gevolg zijn van onregelmatige uitvoeringshandelingen en de kosten die kennelijk niet te wijten zijn aan de persoonlijke gedraging van de veroordeelde zijn ten laste van de Staat.
Indien een vergoeding moet worden betaald voor de in het eerste lid bedoelde uitvoeringshandelingen, gelden de tarieven die bepaald zijn bij de regelgeving betreffende de gerechtskosten in strafzaken.".

Art. 45. In hetzelfde hoofdstuk Ibis wordt een afdeling 6 ingevoegd, luidende "Afsluiting van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek".

Art. 46. In afdeling 6, ingevoegd bij artikel 45, wordt een artikel 464/41 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/41. § 1. Er wordt een einde gemaakt aan het SUO indien :
1° de veroordeelde aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
2° de veroordeling teniet is gegaan.
§ 2. Indien de SUO-magistraat oordeelt dat het onderzoek moet worden afgesloten, brengt hij zijn beslissing ter kennis van de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, en van de directeur van het COIV.
§ 3. Uiterlijk één maand nadat het SUO is afgesloten, verzoekt de magistraat die het heeft gevoerd het secretariaat van het bevoegde openbaar ministerie of het COIV, naar gelang van het geval, iedere persoon ten aanzien van wie een in artikel 464/26 bedoelde maatregel is genomen, schriftelijk in kennis te stellen van de aard van die maatregel en van de dagen waarop deze is uitgevoerd.".

HOOFDSTUK 3. - Verruimd beslag bij equivalent

Art. 47. Artikel 35ter van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 19 december 2002, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 35ter. § 1. Ingeval er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan dat de verdachte een vermogensvoordeel in de zin van de artikelen 42, 3°, of 43quater, § 2, van het Strafwetboek heeft verkregen, en de zaken die dit vermogensvoordeel vertegenwoordigen als zodanig niet of niet meer in het vermogen van de verdachte dat zich in België bevindt kunnen aangetroffen worden of zich hebben vermengd met wettige goederen, kan het openbaar ministerie beslag leggen op andere zaken die zich in het vermogen van de verdachte bevinden ten belope van het bedrag van de vermoedelijke opbrengst van het misdrijf. In zijn beslissing motiveert het openbaar ministerie de raming van dit bedrag en geeft het aan welke de ernstige en concrete aanwijzingen zijn die de inbeslagneming rechtvaardigen. Deze gegevens worden opgenomen in het proces-verbaal dat wordt opgemaakt naar aanleiding van de inbeslagneming.
§ 2. Goederen die ingevolge de artikelen 1408 tot 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek of ingevolge bijzondere wetten niet vatbaar zijn voor beslag, mogen in geen geval in beslag worden genomen.
§ 3. In geval van beslag op een onroerend goed of een schuldvordering wordt gehandeld overeenkomstig de vormvoorschriften die worden bepaald bij de artikelen 35bis en 37.
§ 4. Het openbaar ministerie kan beslag leggen op andere goederen dan de vermogensvoordelen die toebehoren aan derden, onder de volgende voorwaarden :
1° er zijn voldoende ernstige en concrete aanwijzingen dat de verdachte het goed heeft overgedragen aan de derde of hem de financiële mogelijkheid heeft gegeven om het te verwerven met het kennelijke doel de tenuitvoerlegging van de eventuele bijzondere verbeurdverklaring met betrekking tot een geldsom te verhinderen of in ernstige mate te bemoeilijken;
2° de derde wist of moest redelijkerwijs weten dat het goed hem rechtstreeks of onrechtstreeks was overgedragen door de verdachte, dan wel dat hij het met de financiële hulp van de verdachte had kunnen verwerven, om het te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de eventuele bijzondere verbeurdverklaring met betrekking tot een geldsom.
In zijn beslissing vermeldt het openbaar ministerie de ernstige en concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat de verdachte het goed wil onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een eventuele bijzondere verbeurdverklaring en de inlichtingen waaruit de wetenschap van de derde blijkt of kan worden afgeleid, die de inbeslagneming rechtvaardigen. Deze gegevens worden opgenomen in het proces-verbaal dat wordt opgemaakt naar aanleiding van de inbeslagneming.".

HOOFDSTUK 4. - Verjaring van de verbeurdverklaring

Art. 48. Artikel 94 van het Strafwetboek, gewijzigd bij de wet van 9 april 1930, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 94. De geldboeten verjaren door verloop van de in de vorige artikelen vastgestelde termijnen, naargelang zij zijn uitgesproken wegens misdaden, wanbedrijven of overtredingen.
De bijzondere verbeurdverklaringen verjaren door verloop van de in de vorige artikelen vastgesteld termijnen, naargelang zij zijn uitgesproken wegens overtredingen of misdaden.
De bijzondere verbeurdverklaringen die uitgesproken zijn wegens wanbedrijven verjaren door verloop van tien jaren, te rekenen vanaf de in artikel 92 vastgestelde tijdstippen.".

Art. 49. Artikel 97 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 9 april 1930, wordt hersteld als volgt :
"Art. 97. § 1. De verjaring van de verbeurdverklaring wordt geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van deze straf verhindert.
§ 2. De verjaring wordt in elk geval geschorst in de volgende gevallen :
1° zolang de veroordeelde het voorwerp uitmaakt van een wettelijke collectieve insolventieprocedure;
2° tijdens de behandeling van het door de veroordeelde of derden overeenkomstig de artikelen 110 en 111 van de Grondwet ingediende genadeverzoek betreffende de opgelopen verbeurdverklaring;
3° tijdens de looptijd van een aanzuiveringsregeling die de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën, die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring, de geldboete of de gerechtskosten heeft toegestaan aan de veroordeelde.".

Art. 50. Artikel 98 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 9 april 1930, wordt hersteld als volgt :
"Art. 98. § 1. De verjaring van de verbeurdverklaring wordt gestuit door elke daad van tenuitvoerlegging uitgaande van de wettelijk bevoegde organen.
§ 2. De verjaring wordt in elk geval gestuit in de volgende gevallen :
1° elke gedeeltelijke betaling die door of voor de veroordeelde is gedaan aan de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring en die niet kadert in een door de ontvanger toegestane aanzuiveringsregeling;
2° elk betalingsverzoek of elke ingebrekestelling gericht aan de veroordeelde, bij een aangetekende zending of ge-rechtsdeurwaardersexploot, uitgaande van de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring;
3° elk beslag gelegd door of op verzoek van de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring,
4° de beslissing van de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring een onderzoek te voeren naar de solvabiliteit van de veroordeelde;
5° de beslissing van het openbaar ministerie om een in artikel 464/1 van het Wetboek van strafvordering bedoeld strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek te openen;
6° alle uitvoeringshandelingen die verricht worden in het raam van het in artikel 464/1 van het Wetboek van strafvordering bedoelde strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek.".

HOOFDSTUK 5. - Verbeurdverklaring bij opschorting van de uitspraak van de veroordeling en uitstel van de tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring

Art. 51. In artikel 6 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, gewijzigd bij de wet van 19 december 2002, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
"Wordt de opschorting gelast, dan wordt de verdachte, de inverdenkinggestelde of de beklaagde veroordeeld in de kosten, en zo daartoe aanleiding bestaat, tot de teruggave. Het onderzoeks- of vonnisgerecht kan of moet de verdachte, de inverdenkinggestelde of de beklaagde veroordelen tot bijzondere verbeurdverklaring overeenkomstig de op de feiten toepasselijke wetgeving.".

Art. 52. In artikel 8, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 10 februari 1994 en gewijzigd bij de wet van 17 april 2002, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
"Indien de veroordeelde nog niet veroordeeld is geweest tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden, kunnen de vonnisgerechten, wanneer zij tot een werkstraf of één of meer straffen van niet meer dan vijf jaar veroordelen, bij een met redenen omklede beslissing gelasten dat de tenuitvoerlegging, hetzij van het vonnis of het arrest, hetzij van de hoofdstraffen of vervangende straffen dan wel van een gedeelte ervan, wordt uitgesteld. De tenuitvoerlegging van de veroordeling tot een verbeurdverklaring kan echter niet worden uitgesteld. De beslissing waarbij het uitstel en, in voorkomend geval, de probatie wordt toegestaan of geweigerd, moet met redenen omkleed zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 van het Wetboek van strafvordering.".

HOOFDSTUK 6. - De ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën gespecialiseerd in de invordering van verbeurdverklaringen, het ten uitvoer leggen van de verbeurdverklaring op grond van het verruimde beslag, het optimaliseren van de opvolging van verbeurdverklaringen in het buitenland

Art. 53. In artikel 197 van het Wetboek van strafvordering, gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1967, 20 mei 1997 en 19 maart 2003, wordt het tweede lid opgeheven.

Art. 54. Artikel 197bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 maart 2003 en vervangen bij de wet van 27 december 2006, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 197bis. § 1. De vervolgingen tot invordering van verbeurdverklaarde goederen, de geldboetes en de gerechtskosten worden namens het openbaar ministerie uitgeoefend door de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën en volgens de aanwijzingen van de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring.
Deze ambtenaar verricht de handelingen en stelt de vorderingen in, die vereist zijn ter inning of ter vrijwaring van de rechten die het vonnis of het arrest aan de Schatkist toekent.
Hij kan, bij een veroordeling tot een verbeurdverklaring van een geldsom, een geldboete of de gerechtskosten, overgaan tot de tenuitvoerlegging op de in beslag genomen goederen overeenkomstig de aanwijzingen van het openbaar ministerie of de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring.
Op verzoek van het openbaar ministerie of van de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring doet de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën de rechterlijke beslissingen houdende verbeurdverklaring van onroerende goederen, die in kracht van gewijsde zijn getreden, door toedoen van de voorzitter van het bevoegde aankoopcomité overschrijven op het hypotheekkantoor van de plaats waar het goed is gelegen.
Voor het instellen van een vordering in rechte wordt overleg gepleegd met de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring.
§ 2. De vervolgingen tot invordering van verbeurdverklaarde goederen, geldboeten en gerechtskosten in het raam van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek gevoerd door de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring worden in zijn naam uitgeoefend door een ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën gespecialiseerd in de invordering van verbeurdverklaringen, die is aangewezen door de minister van Financiën.
De gespecialiseerde ambtenaar oefent alle bevoegdheden uit die de wettelijke en reglementaire bepalingen toekennen aan de in § 1 bedoelde ambtenaar. Hij kan over het hele grondgebied van het Rijk alle ambtshandelingen stellen die verband houden met de bevoegdheden welke eigen zijn aan zijn functie.
§ 3. Wanneer de veroordelingsbeslissing de bijzondere verbeurdverklaring inhoudt van zaken of sommen die zich bevinden of in te vorderen zijn buiten het Koninkrijk, maakt het openbaar ministerie een afschrift van de relevante stukken van het strafdossier over aan de minister van Justitie. Hij licht het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring daarvan in door toezending van een afschrift.
Het openbaar ministerie kan de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring verzoeken om in zijn naam alle akten op te stellen en handelingen te verrichten met het oog op de tenuitvoerlegging van de voormelde verbeurdverklaring in het buitenland. Met het oog hierop kan deze laatste de medewerking vorderen van vertalers. De kosten gemaakt voor hun prestaties worden begroot door de directeur en worden beschouwd als gerechtskosten in strafzaken.
§ 4. Er wordt een Overlegorgaan voor de coördinatie van de invordering van niet-fiscale schulden in strafzaken opgericht binnen de Federale Staat, hierna te noemen "het Overlegorgaan".
Het Overlegorgaan is samengesteld uit :
1° de administrateur van de niet-fiscale invordering van de federale overheidsdienst Financiën of de door hem aangewezen vertegenwoordiger;
2° de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring of de door hem aangewezen vertegenwoordiger;
3° de directeur van de directie Bestrijding van de economische en financiële criminaliteit van de federale politie of de door hem aangewezen vertegenwoordiger;
4° een vertegenwoordiger van de minister die bevoegd is voor Justitie;
5° een vertegenwoordiger van de minister die bevoegd is voor Financiën;
6° een vertegenwoordiger van het lid van de federale regering dat bevoegd is voor de coördinatie van de fraudebestrijding;
7° een vertegenwoordiger aangewezen door het College van procureurs-generaal;
8° een vertegenwoordiger aangewezen door de Raad van procureurs des Konings;
Het Overlegorgaan bevordert de samenwerking tussen de in het tweede lid bedoelde administratieve en gerechtelijke overheden, met inachtneming van hun specifieke bevoegdheden, met als doel een efficiënte en effectieve tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissingen in strafzaken betreffende uitvoerbare veroordelingen tot betaling van verbeurdverklaarde geldsommen, strafrechtelijke geldboeten, gerechtskosten en de in artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen bedoelde bijdragen aan het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders, in België en in het buitenland.
Het Overlegorgaan kan alle nuttige aanbevelingen formuleren met het oog op een optimale coördinatie van de tenuitvoerlegging van de in het derde lid bedoelde veroordelingen. De voorzitter van het Overlegorgaan bezorgt de aanbevelingen aan de ministers bevoegd voor Justitie en Financiën en aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal.
Het Overlegorgaan stelt zijn huishoudelijk reglement vast met gewone meerderheid van stemmen van zijn aanwezige leden. Het reglement wordt goedgekeurd door de ministers bevoegd voor Financiën en Justitie. Het Overlegorgaan verkiest, bij eenparigheid, een voorzitter onder zijn leden voor een duur van twee jaar. Het mandaat is hernieuwbaar.
Het Overlegorgaan vergadert na bijeenroeping door zijn voorzitter, die de agenda vaststelt.
Het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring verzekert het secretariaat van het Overlegorgaan.".

HOOFDSTUK 7. - Matigingsbevoegdheid van de rechter

Art. 55. Artikel 43bis van het Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 1990 en gewijzigd bij de wet van 19 december 2002, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De rechter vermindert zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid bedoelde geldwaarde om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen."

Deel 2 (voor de geconsolideerde versie klik hier)

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

HOOFDSTUK 2. - Het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek (SUO)

Afdeling 1. - Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering

Art. 2. In het Wetboek van Strafvordering wordt een artikel 464/18 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/18. § 1. De kamer van inbeschuldigingstelling controleert de uitvoering van de in de artikelen 464/14 en 464/27 bedoelde observatie die gegevens heeft opgeleverd die nadien door het openbaar ministerie werden aangewend in het raam van een gerechtelijk onderzoek of een opsporingsonderzoek.
De kamer van inbeschuldigingstelling onderzoekt op het ogenblik dat de onderzoeksrechter zijn dossier aan de procureur des Konings toezendt krachtens artikel 127, § 1, eerste lid, op vordering van de procureur-generaal, de regelmatigheid van deze observatie.
De kamer van inbeschuldigingstelling onderzoekt, op vordering van de procureur-generaal, de regelmatigheid van de observatie bij het afsluiten van het opsporingsonderzoek en alvorens het openbaar ministerie tot rechtstreekse dagvaarding overgaat.
De rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling verloopt overeenkomstig het bepaalde bij artikel 235ter, §§ 2 tot 6.
§ 2. Op vraag van de strafuitvoeringsrechter die kennis neemt van een voorziening op grond van artikel 464/36, § 4, controleert de kamer van inbeschuldigingstelling de regelmatigheid van de uitvoering van de in de artikelen 464/14 en 464/27 bedoelde observaties die gegevens hebben opgeleverd die door het openbaar ministerie zijn aangewend in het raam van het SUO.
De hoven en rechtbanken die kennis nemen van burgerrechtelijke vorderingen betreffende de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen houdende veroordeling tot een bijzondere verbeurdverklaring, een geldboete en de gerechtskosten in het kader van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, kunnen, alvorens uitspraak te doen over de gegrondheid van deze rechtsvordering, de zaak verzenden naar de kamer van inbeschuldigingstelling teneinde de regelmatigheid te controleren van de in het raam van het SUO uitgevoerde observatie.
De rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling verloopt overeenkomstig het bepaalde bij artikel 235ter, §§ 2 tot 5.
De griffier deelt een afschrift van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling mee aan de gedingvoerende partijen en aan het hof of de rechtbank die bedoeld zijn in het tweede lid.".

Art. 3. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 464/20 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/20. De SUO-magistraat kan een in artikel 464/19 bedoelde uitvoeringshandeling enkel verrichten of laten verrichten na voorafgaande machtiging die wordt verleend door de strafuitvoeringsrechter.
De strafuitvoeringsrechter doet over het schriftelijke en met redenen omklede verzoek tot machtiging uitspraak uiterlijk binnen een termijn van vijf werkdagen na de ontvangst van het verzoek.
De strafuitvoeringsrechter onderzoekt uitsluitend de wettigheid, de proportionaliteit en de subsidiariteit van de gevorderde uitvoeringshandeling.
De SUO-magistraat staat in voor de tenuitvoerlegging van de toegelaten uitvoeringshandeling.".

Art. 4. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 464/21 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/21. § 1. De SUO-magistraat kan bij het Hof van Cassatie een cassatieberoep instellen tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter.
§ 2. De SUO-magistraat stelt het cassatieberoep in binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de uitspraak van het bestreden vonnis.
Het cassatieberoep wordt ingesteld door een verklaring ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
§ 3. De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank zendt het dossier van de rechtspleging onverwijld aan de griffie van het Hof van Cassatie.
De cassatiemiddelen worden aangevoerd in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie wordt neergelegd, ten laatste op de vijfde dag na het afleggen van de verklaring.
§ 4. Het Hof van Cassatie doet uitspraak binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de instelling van het cassatieberoep.
De griffie van het Hof van Cassatie geeft binnen vierentwintig uur na de uitspraak van het arrest per aangetekende zending of telefax kennis van dit arrest aan de SUO-magistraat.
§ 5. Na een cassatiearrest met verwijzing doet een andere strafuitvoeringsrechter uitspraak binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie.
§ 6. Voor het overige verloopt de rechtspleging zoals in correctionele zaken.".

Art. 5. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 464/36 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/36 . § 1. Elke persoon die benadeeld is door een inbeslagneming met betrekking tot zijn goederen kan de SUO-magistraat verzoeken deze uitvoeringshandeling op te heffen.
§ 2. Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats of zetel niet heeft. Het wordt per aangetekende zending of telefax toegezonden aan het secretariaat van het bevoegde openbaar ministerie en ingeschreven in het daartoe bestemde register.
§ 3. De SUO-magistraat doet uitspraak binnen een termijn van vijftien dagen na de inschrijving van het verzoekschrift in het register.
Hij kan het verzoek afwijzen indien hij van oordeel is dat de noodwendigheden van het onderzoek het vereisen of wanneer de veroordeling tot de betaling van een verbeurdverklaring, de geldboete en de gerechtskosten kan worden uitgevoerd op de betrokken goederen.
De met redenen omklede beslissing van de SUO-magistraat wordt per telefax of bij een aangetekende zending meegedeeld aan de verzoeker, en in voorkomend geval, aan zijn advocaat binnen een termijn van acht dagen na de beslissing.
§ 4. De verzoeker kan de zaak aanhangig maken bij de strafuitvoeringsrechter binnen vijftien dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing.
Deze termijn wordt verlengd met vijftien dagen indien één van deze personen buiten het Rijk verblijft.
De zaak wordt bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig gemaakt door een verklaring gedaan op de griffie van de gevangenis of de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en ingeschreven in een daartoe bestemd register. De griffier geeft onverwijld kennis van de verklaring aan de SUO-magistraat die het onderzoek voert.
§ 5. De SUO-magistraat zendt de stukken van het dossier met betrekking tot de inbeslagneming toe aan de griffier van de strafuitvoeringsrechtbank, die ze ter griffie neerlegt. De stukken van het in de artikelen 464/14, 464/16 en 464/27 bedoelde vertrouwelijk dossier worden niet ter beschikking gesteld van de griffier, de strafuitvoeringsrechter, de verzoeker of zijn advocaat.
De griffier stelt de verzoeker of zijn advocaat per telefax of bij een aangetekende zending, uiterlijk zeven dagen vooraf, in kennis van de plaats, de dag en het uur van de zitting. De griffier geeft onverwijld kennis van de zitting aan de SUO-magistraat.
De stukken van het dossier die betrekking hebben op de inbeslagneming worden gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de verzoeker en zijn advocaat op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. De verzoeker kan, op zijn verzoek, een afschrift van de stukken verkrijgen.
De verzoeker, zijn advocaat en het openbaar ministerie worden gehoord.
§ 6. De strafuitvoeringsrechter onderzoekt uitsluitend de wettigheid en de proportionaliteit van de inbeslagneming en doet binnen een termijn van dertig dagen na de neerlegging van de verklaring in eerste en laatste aanleg uitspraak over het verzoek tot opheffing van de inbeslagneming. Deze termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel op vraag van de verzoeker of zijn advocaat.
De strafuitvoeringsrechter kan op vraag van de verzoeker of ambtshalve de controle waarin artikel 464/18, § 2, eerste lid, voorziet laten uitvoeren indien het beslag is gesteund op gegevens die zijn verkregen op grond van een observatie die wordt bedoeld in de artikelen 464/14 en 464/27 of die de inbeslagneming van de in de artikelen 464/29, § 2, of 464/30, § 1, bedoelde goederen of informatiedragers mogelijk heeft gemaakt.
De verzoeker die in het ongelijk wordt gesteld kan worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
De griffier geeft binnen vierentwintig uur na de uitspraak per aangetekende zending of per telefax kennis van het vonnis van de strafuitvoeringsrechter aan de verzoeker of zijn advocaat alsook aan de SUO-magistraat en, in voorkomend geval, aan de directeur van het COIV.
Het vonnis van de strafuitvoeringsrechter is niet vatbaar voor verzet of cassatieberoep."

Art. 6. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 464/38 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/38. § 1. De SUO-magistraat die de vervreemding heeft toegestaan of bevolen geeft kennis of gelast de kennisgeving van zijn beslissing door middel van een aangetekende zending of per telefax verzonden aan :
1° de personen ten laste van wie en in wiens handen het beslag werd gelegd, voor zover hun adressen gekend zijn, of hun advocaten;
2° de personen die zich blijkens de gegevens van het dossier uitdrukkelijk hebben kenbaar gemaakt als zijnde geschaad door de inbeslagneming, of hun advocaten;
3° in geval van onroerend beslag, de schuldeisers die overeenkomstig de hypothecaire staat bekend zijn, of hun advocaten.
Er dient geen kennisgeving gericht te worden aan de personen die hun instemming hebben gegeven met de betrokken maatregel of die afstand hebben gedaan van hun rechten op de in beslag genomen goederen.
Evenzo dient geen kennisgeving te worden gericht aan de beslagene die overeenkomstig de artikelen 464/31, 464/33 en 464/34 op regelmatige wijze is ingelicht over de inbeslagneming en die zich niet per aangetekende zending die wordt gericht aan de SUO-magistraat heeft verzet tegen een eventuele vervreemding van het in de artikelen 464/29, § 2 en 464/30, § 1, bedoelde in beslag genomen goed uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van het afschrift van het in artikel 464/31, § 2, eerste lid, of artikel 464/33, § 2, eerste lid, bedoelde proces-verbaal of de in artikel 464/34, § 2, tweede lid, bedoelde schriftelijke kennisgeving waarin de tekst van dit artikel is opgenomen.
§ 2. De personen aan wie de kennisgeving werd gericht kunnen de zaak bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig maken binnen vijftien dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing.
Deze termijn wordt verlengd met vijftien dagen indien een van deze personen buiten het Rijk verblijft.
De zaak wordt bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig gemaakt door een verklaring gedaan op de griffie van de gevangenis of de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en ingeschreven in een daartoe bestemd register. De griffier geeft onverwijld kennis van de afgelegde verklaring aan de magistraat die het onderzoek voert.
§ 3. De SUO-magistraat zendt de stukken van het dossier met betrekking tot de inbeslagneming en de vervreemding waarop de bestreden beslissing slaat, toe aan de griffier van de strafuitvoeringsrechtbank, die ze ter griffie neerlegt.
De griffier stelt de verzoeker of zijn advocaat per telefax of bij een aangetekende zending, uiterlijk zeven dagen vooraf, in kennis van de plaats, de dag en het uur van de zitting. De griffier geeft onverwijld kennis van de zitting aan de SUO-magistraat.
De stukken van het dossier worden gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de verzoeker en zijn advocaat op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. De verzoeker kan, op zijn verzoek, een afschrift van de stukken verkrijgen.
De verzoeker, zijn advocaat en het openbaar ministerie worden gehoord.
§ 4. De strafuitvoeringsrechter doet binnen een termijn van dertig dagen na de neerlegging van de verklaring in eerste en laatste aanleg uitspraak over het verzoek tot opheffing van de vervreemdingsmaatregel. Deze termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel op vraag van de verzoeker of zijn advocaat.
De verzoeker die in het ongelijk wordt gesteld kan worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
De griffier geeft binnen vierentwintig uur na de uitspraak per aangetekende zending of per telefax kennis van het vonnis van de strafuitvoeringsrechter aan de verzoeker of zijn advocaat alsook aan de SUO-magistraat, en, in voorkomend geval, aan de directeur van het COIV.
§ 5. Tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechter staat geen cassatieberoep open voor de verzoeker en de SUO-magistraat.".

Art. 7. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 464/40 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/40. De SUO-magistraat begroot de kosten, die namens zijn ambt zijn gemaakt.
De vervolging tot invordering van deze kosten wordt namens de SUO-magistraat uitgeoefend door de bevoegde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën.
De veroordeelde kan tegen de beslissing van de SUO-magistraat om de kosten te zijnen laste te leggen, een beroep instellen bij de strafuitvoeringsrechter bij aangetekende zending binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van de bestreden beslissing.
De strafuitvoeringsrechter doet in eerste en laatste aanleg uitspraak over de vordering. De kosten die het gevolg zijn van onregelmatige uitvoeringshandelingen en de kosten die kennelijk niet te wijten zijn aan de persoonlijke gedraging van de veroordeelde, zijn ten laste van de Staat.
De Commissie voor de gerechtskosten die is opgericht bij de programmawet (II) van 27 december 2006 neemt kennis van alle beroepen die de dienstverlenende persoon instelt tegen de beslissingen van de SUO-magistraat die de kosten heeft begroot of de minister van Justitie dan wel zijn gemachtigde betreffende het bedrag van de voorgeschoten of de definitief begrote vergoeding.".

Afdeling 2. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 8. Artikel 91 van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 3 augustus 1992 en gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1994, 28 maart 2000, 17 mei 2006 en 21 april 2007, wordt aangevuld met twee leden luidende :
"In strafuitvoeringszaken worden de zaken betreffende de invordering van verbeurdverklaarde geldsommen, geldboeten en gerechtskosten enkel toegewezen aan de rechter in de strafuitvoeringsrechtbank die zitting houdt als alleenrechtsprekend rechter.
De strafuitvoeringsrechter die kennis neemt van de zaak heeft, bij voorkeur, de gespecialiseerde opleiding gevolgd over de tenuitvoerlegging van veroordelingen houdende verbeurdverklaring van geldsommen, van geldboeten en van gerechtskosten, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.".

Art. 9. In het hetzelfde Wetboek wordt een artikel 635bis ingevoegd, luidende :
"Art. 635bis. De strafuitvoeringsrechter die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in het rechtsgebied waarin de zetel van het strafgerecht is gevestigd dat de in kracht van gewijsde gegane veroordeling heeft uitgesproken is bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken als bedoeld in artikel 464/20 van het Wetboek van Strafvordering, alsook om uitspraak te doen in de geschillen bedoeld in de artikelen 464/36, 464/38 en 464/40 van het Wetboek van Strafvordering en in artikel 15bis, § 9, van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de tenuitvoerlegging van bepaalde vermogenssancties.
Wanneer evenwel de veroordeling in het Duits is uitgesproken is uitsluitend de strafuitvoeringsrechter te Luik bevoegd.".

Art. 10. Artikel 764, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 3 augustus 1992 en gewijzigd bij de wetten van 17 juli 1997, 1 juli 2006, 9 mei 2007, 10 mei 2007, 9 mei 2008, 31 januari 2009, 19 juni 2009 en 6 juni 2010 en bij het decreet van het Waals Gewest van 6 november 2008, wordt aangevuld met een 16°, luidende :
"16° de burgerrechtelijke vorderingen betreffende de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen houdende veroordeling tot een bijzondere verbeurdverklaring, een geldboete en de gerechtskosten in het kader van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek.".

Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties

Art. 11. Artikel 15 van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties, vervangen bij de wet van 30 december 2009 en gewijzigd bij de wet van 29 maart 2012, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 15. § 1. Onverminderd de bevoegdheden van de bevoegde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring, kan het Centraal Orgaan, teneinde de haalbaarheid van een effectieve tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring te beoordelen, de solvabiliteit van een veroordeelde persoon onderzoeken door middel van een solvabiliteitsonderzoek.
Het solvabiliteitsonderzoek wordt gevoerd door de directeur van het Centraal Orgaan. De directeur mag het in dit artikel en in artikel 15bis bedoelde onderzoek enkel delegeren aan de adjunct-directeur of aan een verbindingsmagistraat, die dit onderzoek onder zijn gezag en leiding voert.
§ 2. Het Centraal Orgaan kan alle administratieve diensten van de Federale Staat, van de gemeenschappen en de gewesten en van de lokale besturen en de overheidsbedrijven, met inbegrip van de Cel voor financiële informatieverwerking, verzoeken, binnen de termijn die het bepaalt, alle inlichtingen die het nuttig acht in het kader van dit onderzoek mee te delen over de verrichtingen uitgevoerd door de veroordeelde, diens tegoeden en over de samenstelling en de vindplaats van diens vermogen. Deze administratieve diensten, de overheidsbedrijven en de Cel zijn gehouden aan voormeld verzoek gevolg te geven.
Hetzelfde verzoek kan eveneens worden gericht aan de ondernemingen die zijn ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen. Deze ondernemingen zijn ertoe gehouden aan voormeld verzoek gevolg te geven tenzij zij zich kunnen beroepen op een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting.
§ 3. Wanneer de informatie van de in § 1 bedoelde bevoegde ambtenaar met betrekking tot de solvabiliteit van een veroordeelde persoon ontoereikend is, of indien er aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat de veroordeelde zich poogt te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing tot verbeurdverklaring, kan het Centraal Orgaan informatie over de solvabiliteit van die veroordeelde persoon inwinnen bij de in artikel 2 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme bedoelde ondernemingen en personen.
§ 4. De in §§ 2 en 3 bedoelde personen, Cel, ondernemingen of administratieve diensten die geen rechtspersoon in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek zijn, worden gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro indien zij, hoewel zij daartoe regelmatig zijn gevorderd door het Centraal Orgaan, willens en wetens en zonder wettige reden weigeren of nalaten om de verzochte inlichtingen mede te delen binnen de door het Centraal Orgaan bepaalde termijn en wijze.
§ 5. Iedere persoon die uit hoofde van zijn functie kennis krijgt van de verzoeken bedoeld in dit artikel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt bestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
§ 6. Het Centraal Orgaan kan ook de politiediensten belasten met een onderzoek naar de solvabiliteit van een veroordeelde persoon.
§ 7. Het Centraal Orgaan kan de met toepassing van dit artikel verkregen inlichtingen toezenden aan de in § 1 bedoelde bevoegde ambtenaar.".

Art. 12. Artikel 15bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 december 2009 en gewijzigd bij de wet van 29 maart 2012, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 15bis. § 1. In de bij artikel 15, § 3, bepaalde gevallen, kan het Centraal Orgaan, bij met redenen omklede beslissing, gericht aan de ondernemingen en de personen die worden bedoeld in artikel 2 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, de mededeling van de volgende inlichtingen vorderen :
1° de lijst van bankrekeningen, bankkluizen of financiële instrumenten die worden bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, waarvan de veroordeelde titularis, gevolmachtigde of de uiteindelijke gerechtigde is en, in voorkomend geval, alle nuttige gegevens hieromtrent;
2° de bankverrichtingen die in een bepaalde periode zijn uitgevoerd op een of meer van deze bankrekeningen of financiële instrumenten, met inbegrip van de bijzonderheden betreffende de rekening van herkomst of bestemming;
3° de gegevens met betrekking tot de titularissen of gevolmachtigden, die in een bepaald tijdvak toegang hebben of hadden tot deze bankkluizen.
In de bij artikel 15, § 3, bepaalde gevallen heeft het Centraal Orgaan kosteloos toegang tot het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België zoals bedoeld in artikel 322 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Op zijn verzoek deelt het centraal aanspreekpunt de beschikbare gegevens mee betreffende de nummers van de bankrekeningen en de contracten betreffende de veroordeelde.
§ 2. In zijn schriftelijke vordering bepaalt het Centraal Orgaan onder welke vorm en binnen welke termijn de in § 1 bedoelde gegevens hem dienen te worden meegedeeld.
§ 3. Indien de aan het Centraal Orgaan overeenkomstig §§ 1 en 2 meegedeelde inlichtingen het bestaan aantonen van tegoeden in hoofde van de veroordeelde, kan het Centraal Orgaan op schriftelijke wijze vorderen dat de in § 1 bedoelde ondernemingen en personen de aan deze bankrekeningen, bankkluizen of financiële instrumenten verbonden schuldvorderingen en verbintenissen niet meer uit handen geven gedurende een periode die niet langer mag duren dan vijf werkdagen en die ingaat op de dag dat het Centraal Orgaan zijn vordering verzendt bij middel van een aangetekende zending, per telefax of via elektronische post.
De maatregel neemt van rechtswege een einde bij het verstrijken van de termijn van vijf werkdagen. Onder werkdag worden alle dagen verstaan, met uitzondering van de zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen. Vóór het verstrijken van deze termijn neemt de maatregel een einde in geval van vrijwillige betaling van het krachtens de verbeurdverklaring verschuldigde saldo, of van zodra de bevoegde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën zelf de nodige bewarende maatregelen heeft getroffen.
§ 4. Het Centraal Orgaan kan opdracht geven aan de in § 1 bedoelde ondernemingen en personen de vermogensbestanddelen kosteloos ter zijne beschikking te stellen of over te maken op een door hem aangegeven rekening, dit ter voldoening van het saldo van een uitvoerbare verbeurdverklaring.
§ 5. De in § 1 bedoelde ondernemingen en personen zijn ertoe gehouden hun medewerking te verlenen aan de vorderingen en maatregelen bedoeld in §§ 1, 3 en 4 .
§ 6. De in § 1 bedoelde onderneming of persoon die, hoewel hij daartoe regelmatig is gevorderd door het Centraal Orgaan, willens en wetens, zonder wettige reden, weigert of nalaat over te gaan tot de mededeling van de gevraagde inlichtingen of de terbeschikkingstelling of overmaking binnen de termijn en op de wijze bepaald door het Centraal Orgaan, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.
§ 7. De in § 1 bedoelde ondernemingen en personen, of elke derde, die goederen bewaren of beheren, die het voorwerp uitmaken van een in §§ 3 en 4 bedoelde maatregel en deze met bedrieglijk opzet wegmaken, worden gestraft met de straffen bepaald in artikel 507 van het Strafwetboek.
§ 8. Iedere persoon die uit hoofde van zijn functie kennis krijgt van de vorderingen of maatregelen bedoeld in dit artikel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
§ 9. Voor de vergoeding van de kosten die gemaakt zijn in het raam van de in de artikelen 15 en 15bis bedoelde onderzoeken gelden de tarieven die bepaald zijn bij de wetgeving betreffende gerechtskosten in strafzaken.
De kosten zijn ten laste van de veroordeelde of de veroordeelde burgerrechtelijke aansprakelijke partij tegen wie de tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring wordt gevorderd. De veroordeelde of de veroordeelde burgerrechtelijk aansprakelijke partij staan evenwel niet in voor de nutteloze kosten veroorzaakt door toedoen van de optredende magistraat van het Centraal Orgaan en de kosten die kennelijk niet te wijten zijn aan hun persoonlijke gedraging. Die kosten blijven ten laste van de Staat.
De directeur van het Centraal Orgaan begroot de kosten die verbonden zijn aan de in de artikelen 15 en 15bis bedoelde onderzoeken.
De vervolging tot invordering van de deze kosten wordt namens de directeur van het Centraal Orgaan uitgeoefend door de bevoegde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën.
De veroordeelde kan tegen de beslissing van de directeur om de kosten te zijnen laste te leggen een beroep instellen bij de strafuitvoeringsrechter bij aangetekende zending binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen van de kennisgeving van de bestreden beslissing. De strafuitvoeringsrechter doet in eerste en laatste aanleg uitspraak over dit beroep van de veroordeelde. Tegen het vonnis staat een cassatieberoep open voor de veroordeelde overeenkomstig de procedure in burgerlijke zaken die is ingesteld bij het Gerechtelijk Wetboek.
De Commissie voor de gerechtskosten opgericht bij artikel 5 van de programmawet (II) van 27 december 2006 neemt overeenkomstig de rechtspleging die is voorgeschreven bij artikel 5 van voormelde programmawet kennis van alle beroepen die de dienstverlenende persoon instelt tegen de beslissingen betreffende het bedrag van de voorgeschoten of de definitief begrote vergoeding.".

Art. 13. In artikel 17bis, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006 en gewijzigd bij de wet van 30 december 2009, wordt de zin "Ze zijn, onder het gezag van de directeur van het Centraal Orgaan, inzonderheid belast met de in de artikelen 15 en 15bis bedoelde onderzoeken." opgeheven.

HOOFDSTUK 3. - Inwerkingtreding

Art. 14. Deze wet treedt in werking op de dag waarop de wet van 11 februari 2014 houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (I) in werking treedt.

 

 

Gecoördineerde actuele versie van de wet: 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 26/07/2017 - 17:10
Laatst aangepast op: wo, 26/07/2017 - 17:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.