-A +A

Wet betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Afkondiging: 
din, 30/07/2013
Gecoördineerde actuele versie van de wet: 

Grondwettelijk Hof arrest 50/2015, 30 april 2015 juridat

Het Grondwettelijk Hof,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 maart 2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 7 maart 2014, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4, 5, 6, 9 en 10 van de wet van 30 juli 2013 betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 september 2013, tweede editie) door de vennootschap naar Zwitsers recht « eBay International AG » en de vennootschap naar Nederlands recht « 2dehands.nl BV », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Glas en Mr. P. Van Dyck, advocaten bij de balie te Brussel.
(...)

II. In rechte
(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. De wet van 30 juli 2013 betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen strekt ertoe de toegankelijkheid van culturele en sportieve evenementen te waarborgen.

B.1.2. Om het vooropgestelde doel te bereiken, heeft de wetgever de doorverkoop van toegangsbewijzen aan banden gelegd. Onder doorverkoop wordt verstaan « elke verkoop en elk aanbod tot verkoop van een toegangsbewijs, die niet uitgaan van de oorspronkelijke verkoper » (artikel 2, 4°).

Een toegangsbewijs in de zin van de wet is een « document, bericht of code, ongeacht de vorm of drager ervan, dat het bewijs vormt van het verkrijgen bij de producent, de organisator, de eigenaar van de exploitatierechten of enige andere geaccrediteerde verkoper, van het recht om een cultureel, sportief of commercieel evenement of live voorstelling bij te wonen » (artikel 2, 1°).

De oorspronkelijke verkoop is de « eerste opdemarktbrenging, tegen betaling, van toegangsbewijzen door een van de in 1° bedoelde personen » (artikel 2, 2°).

De definitieve prijs is de door de consument totaal te betalen prijs, waaronder is begrepen : de belasting over de toegevoegde waarde, alle overige taksen en de kosten van alle diensten die door de consument verplicht moeten worden bijbetaald (artikel 2, 6°).

B.1.3. De bestreden artikelen bepalen :

« Art. 4. § 1. De oorspronkelijke verkoper maakt bij het voorstellen van de transactie steeds de definitieve prijs van het toegangsbewijs bekend, ongeacht de vorm ervan.

De prijs wordt op het toegangsbewijs vermeld op een ondubbelzinnige manier en in een duidelijk leesbaar lettertype.

§ 2. Facultatieve of variabele prijstoeslagen en kosten worden op duidelijke, transparante en ondubbelzinnige wijze meegedeeld en worden door de koper bij het koopproces op een ' opt-in '-basis aanvaard.

§ 3. Specifieke zakelijke praktijken, zoals met name bevoorrechte toegangsbewijzen of nog, promotionele toegangsbewijzen, alsook de eventuele kosteloosheid ervan, moeten op een ondubbelzinnige wijze en in een duidelijk leesbaar lettertype op het toegangsbewijs worden vermeld.

Art. 5. § 1. De regelmatige doorverkoop is verboden.
De voorstelling met het oog op regelmatige doorverkoop en de verstrekking van middelen die worden aangewend voor een regelmatige doorverkoop, zijn verboden.

§ 2. De occasionele doorverkoop tegen een prijs die hoger is dan de prijs bepaald in artikel 4, § 1, is verboden.
De voorstelling met het oog op occasionele doorverkoop en de verstrekking van middelen die worden aangewend voor een occasionele doorverkoop, zijn eveneens verboden indien het gaat om een doorverkoop tegen een prijs die hoger is dan de prijs bepaald in artikel 4, § 1.

§ 3. De doorverkoop voor de start van de oorspronkelijke verkoop is verboden.
De voorstelling met het oog op doorverkoop en de verstrekking van middelen die worden aangewend voor een doorverkoop, zijn eveneens verboden voor de start van de oorspronkelijke verkoop.

§ 4. De verkoop van een bevoorrecht toegangsbewijs, alsook van een promotioneel toegangsbewijs, waarvoor er geen oorspronkelijke verkoop is geweest, is verboden.

De voorstelling met het oog op doorverkoop en de verstrekking van middelen die worden aangewend voor een doorverkoop, zijn eveneens verboden voor de verkoop van een bevoorrecht toegangsbewijs, alsook van een promotioneel toegangsbewijs, waarvoor er geen oorspronkelijke verkoop is geweest.

Art. 6. Niettegenstaande enig strijdig beding en onverminderd de toepassing van artikel 1116 van het Burgerlijk Wetboek wordt elk prijsverschil bij de betaling van een doorverkoop die het bedrag overschrijdt als bepaald in artikel 4, § 1, beschouwd als onverschuldigde betaling en is de koper gerechtigd het teveel betaalde terug te vorderen van de betrokken doorverkoper, ongeacht of een eerdere doorverkoper reeds een overtreding van artikel 5, § 2, heeft begaan.
[...]

Art. 9. De overtredingen van de artikelen 4 en 5 zijn onderworpen aan sancties als bedoeld in artikel 124 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming.

Art. 10. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk 7 en van artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken bedoeld in deze wet ».

De wet is op 1 oktober 2013 in werking getreden (artikel 16).

De sanctie bedoeld in het inmiddels opgeheven artikel 124 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, is een strafrechtelijke geldboete van 250 tot 10.000 euro.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.2.1. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen.

B.2.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.2.3. De verzoekende partijen zijn beheerders van elektronische platformen die zich toeleggen op de Belgische markt. Zij beheren respectievelijk de website eBay.be en 2dehands.be.

Aangezien de bestreden bepalingen de doorverkoop van toegangsbewijzen beperken, is het in elk geval aannemelijk dat zij een rechtstreekse en ongunstige weerslag kunnen hebben op de activiteiten van de verzoekende partijen. Die vaststelling volstaat opdat zij van het vereiste belang bij de vernietiging van de bestreden bepalingen doen blijken.

B.2.4. In zoverre de Ministerraad ook het belang van de verzoekende partijen bij sommige middelen betwist, volstaat het erop te wijzen dat, wanneer de verzoekende partijen een belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, zij daarbovenop niet moeten doen blijken van een belang bij elk van de middelen.

Weliswaar doet de Ministerraad gelden dat het recht van de Europese Unie, waaruit sommige middelen gedeeltelijk zijn afgeleid, niet van toepassing is op de eerste verzoekende partij, die een vennootschap naar Zwitsers recht is, maar aangezien de tweede verzoekende partij, die een vennootschap naar Nederlands recht is, zich wel op dat recht kan beroepen, doet de voormelde niet-toepasselijkheid geen afbreuk aan de ontvankelijkheid van de middelen.

B.3.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 4, 5, 6, 9 en 10 van de bestreden wet.

B.3.2. De Ministerraad leidt uit de inhoud van het verzoekschrift af dat de werkelijke omvang van het beroep tot vernietiging beperkter is.

B.3.3. Het Hof bepaalt de omvang van het beroep aan de hand van de inhoud van het verzoekschrift. Het beperkt zijn onderzoek tot de bepalingen waartegen middelen worden aangevoerd. Wanneer uit het nadere onderzoek van de middelen zou blijken dat enkel bepaalde onderdelen van die bepalingen worden bekritiseerd, wordt het onderzoek in voorkomend geval tot die onderdelen beperkt.

Ten aanzien van het eerste middel

B.4. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van de richtlijn 2000/31/EG van 8 juni 2000 inzake elektronische handel, doordat de bestreden bepalingen ertoe zouden kunnen leiden dat de verzoekende partijen aansprakelijk worden gesteld indien zij geen toezicht uitoefenen op het gebruik van hun platformen. Een dergelijke actieve toezichtverplichting is volgens de verzoekende partijen in strijd met de voormelde richtlijn.

B.5. Artikel 14 van de richtlijn inzake elektronische handel bepaalt :

« 1. De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in de opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, de dienstverlener niet aansprakelijk is voor de op verzoek van de afnemer van de dienst opgeslagen informatie, op voorwaarde dat :

a) de dienstverlener niet daadwerkelijk kennis heeft van de onwettige activiteit of informatie en, wanneer het een schadevergoedingsvordering betreft, geen kennis heeft van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de activiteiten of informatie duidelijk blijkt, of

b) de dienstverlener, zodra hij van het bovenbedoelde daadwerkelijk kennis heeft of besef krijgt, prompt handelt om de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.

2. Lid 1 is niet van toepassing wanneer de afnemer van de dienst op gezag of onder toezicht van de dienstverlener handelt.

3. Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor een rechtbank of een administratieve autoriteit om in overeenstemming met het rechtsstelsel van de lidstaat te eisen dat de dienstverlener een inbreuk beëindigt of voorkomt. Het doet evenmin afbreuk aan de mogelijkheid voor lidstaten om procedures vast te stellen om informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken ».

B.6.1. Het bestreden artikel 5 verbiedt niet enkel de voorstelling met het oog op doorverkoop, maar ook de verstrekking van middelen, met name elektronische platformen, die worden aangewend met het oog op doorverkoop.

Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt evenwel dat de beheerders van elektronische platformen slechts voor een inbreuk op de wet aansprakelijk zijn indien zij daadwerkelijk kennis hebben van de onwettige activiteit en dus « expliciet hiervan op de hoogte zijn » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-0656/005, p. 4).

Zonder dat het nodig is te onderzoeken of de verzoekende partijen een dienst verstrekken in de zin van artikel 14 van de richtlijn inzake elektronische handel, hetgeen de Ministerraad betwist, vloeit uit de voormelde verduidelijking voort dat de bestreden bepaling op een richtlijnconforme wijze dient te worden geïnterpreteerd en dat zij derhalve niet de draagwijdte heeft die de verzoekende partijen eraan toeschrijven. Het bestreden artikel 5 verplicht de beheerders van elektronische platformen ertoe, zodra zij kennis hebben van onwettige doorverkoopaanbiedingen, prompt te handelen om die aanbiedingen te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.

B.6.2. In zoverre de verzoekende partijen de schending van artikel 19 van de Grondwet aanvoeren, kan uit de uiteenzetting van het middel niet worden afgeleid op welke wijze de bestreden bepalingen de vrijheid van meningsuiting zouden schenden.

B.6.3. Het eerste middel is niet gegrond.

Ten aanzien van het tweede middel

B.7. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht en met artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), doordat de bestreden bepalingen voor doorverkopers en beheerders van elektronische platformen een obstakel zouden vormen voor het uitoefenen van hun activiteiten in België en aldus de voormelde marktdeelnemers die zich toeleggen op de Belgische markt zouden discrimineren ten opzichte van de marktdeelnemers die niet in België actief zijn.

B.8.1. Artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht bepaalt :

« Iedereen is vrij om enige economische activiteit naar keuze uit te oefenen ».

B.8.2. Het Hof is niet bevoegd om wettelijke bepalingen te toetsen aan andere wettelijke bepalingen die geen bevoegdheidverdelende regels zijn.

B.8.3. De wet van 28 februari 2013 die het voormelde artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht heeft ingevoerd, heeft het zogenaamde decreet d'Allarde van 2-17 maart 1791 opgeheven. Dat decreet, dat de vrijheid van handel en nijverheid waarborgde, heeft het Hof meermaals in zijn toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betrokken.

B.8.4. De vrijheid van ondernemen, bedoeld in artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht, moet worden uitgeoefend « met inachtneming van de in België van kracht zijnde internationale verdragen, van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid zoals vastgesteld door of krachtens de internationale verdragen en de wet » (artikel II.4 van hetzelfde Wetboek).

De vrijheid van ondernemen dient derhalve in samenhang te worden gelezen met de toepasselijke bepalingen van het Europese Unierecht, alsook met artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waaraan het Hof, als bevoegdheidverdelende regel, rechtstreeks vermag te toetsen.

Ten slotte wordt de vrijheid van ondernemen eveneens gewaarborgd door artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

B.8.5. Het Hof is derhalve bevoegd om de bestreden bepalingen te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van ondernemen.

B.9. Bij het bepalen van zijn beleid in sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Bij het beperken van de vrijheid van ondernemen dient de wetgever evenwel rekening te houden met de toepasselijke bepalingen van het Unierecht.

Artikel 56 van het VWEU bepaalt :

« In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing verklaren ten gunste van de onderdanen van een derde staat die diensten verrichten en binnen de Unie zijn gevestigd ».

B.10. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie verlangt artikel 56 van het VWEU niet alleen de afschaffing van elke discriminatie van de in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter op grond van diens nationaliteit of de omstandigheid dat hij in een andere lidstaat is gevestigd dan die van de dienstverrichting, maar tevens de opheffing van elke beperking - ook indien deze zonder onderscheid geldt voor binnenlandse dienstverrichters en dienstverrichters uit andere lidstaten - die de werkzaamheden van de dienstverrichter die in een andere lidstaat is gevestigd en aldaar rechtmatig soortgelijke diensten verricht, verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt (HvJ, 19 december 2012, C-577/10, Commissie t. België, punt 38).

B.11. De beperkingen op de doorverkoop van toegangsbewijzen en op de verstrekking van middelen om die doorverkoop mogelijk te maken, ingevoerd door de bestreden bepalingen, gelden zonder onderscheid naar nationaliteit. Zij vormen dus geen rechtstreekse belemmering voor het aanbieden van diensten op de Belgische markt.

De bestreden bepalingen onderwerpen evenwel de doorverkoop van toegangsbewijzen tot bepaalde evenementen en de verstrekking van middelen om die doorverkoop mogelijk te maken aan strikte voorwaarden, die het voor in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichters moeilijker maken om op het Belgische grondgebied diensten te verrichten. Zij vormen bijgevolg een belemmering van het vrij verrichten van diensten.

Aan die vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door het betoog van de Ministerraad dat de gevolgen van die regeling in feite verwaarloosbaar zijn doordat zij slechts één specifiek product betreft waarvan zij de doorverkoop slechts in bepaalde mate aan banden legt. Dienaangaande behoeft enkel eraan te worden herinnerd dat het Unierecht zelfs een geringe of minder belangrijke beperking van een fundamentele vrijheid in beginsel verbiedt (HvJ, 3 december 2014, C-315/13, De Clercq e.a., punt 61).

B.12.1. Indien er sprake is van een beperking van het vrij verrichten van diensten, dient het Hof allereerst te onderzoeken of die kan worden gerechtvaardigd op grond van dwingende redenen van algemeen belang.

B.12.2. Volgens de indieners van het wetsvoorstel dat tot de bestreden wet heeft geleid, moeten culturele en sportieve evenementen « voor het grootst mogelijk aantal consumenten toegankelijk zijn. Het grote publiek moet toegang krijgen tot deze evenementen aan marktconforme voorwaarden. Anders gezegd, zij moeten de kans krijgen om aan normale prijzen van deze diensten gebruik te maken » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0656/001, p. 3).

Het wetsvoorstel « is een gevolg van de kunstmatige ticketschaarste, die voor bepaalde evenementen wordt geschapen » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-0656/005, p. 6). De indieners van het voorstel schetsen de wijze waarop die schaarste tot stand komt :

« De secundaire verkoop van toegangsbewijzen tegen uitzonderlijk hoge prijzen, en in het bijzonder de secundaire handel via het internet, zorgen ervoor dat een nieuwe vorm van schaarste ontstaat. Dergelijke secundaire handelaars kopen via stromannen massaal toegangsbewijzen op bij de officiële verkopers en verkopen deze vrijwel onmiddellijk (en in sommige gevallen reeds voor het ogenblik waarop zij de toegangsbewijzen zelf verwerven) via een secundair circuit aan een prijs die vaak 6 tot 7 maal de prijs uitmaakt van de oorspronkelijke prijs » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0656/001, p. 3).

De bestreden bepalingen vloeien derhalve voort uit de vaststelling dat de secundaire markt voor concerttickets gemanipuleerd wordt en bijgevolg niet werkt :

« Zo bijvoorbeeld worden op sommige websites tickets aangeboden voor de voetbalwedstrijd tussen België en Servië tegen een prijs van 1 000 euro. Dit is onacceptabel : van belang is de toegankelijkheid garanderen, niet de speculatie » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-0656/005, pp. 3-4).

B.12.3. De bestreden bepalingen strekken in essentie ertoe de uitwassen van de vrije marktwerking op de zogenaamde secundaire markt tegen te gaan.

Die secundaire markt ontstaat wanneer de prijs die de oorspronkelijke verkoper voor het toegangsbewijs aanrekent beduidend lager ligt dan de prijs die door de vrije marktwerking, met andere woorden door het zuivere spel van vraag en aanbod, wordt bepaald. Hoe groter het verschil is tussen beide prijzen, hoe meer aantrekkingskracht de secundaire markt zal uitoefenen en hoe groter de winst zal zijn die de doorverkoper van het toegangsbewijs zal kunnen opstrijken.

De vrije marktwerking levert in de regel geen probleem op wanneer de oorspronkelijke verkoper de vraag verkeerd heeft ingeschat. Dat is echter doorgaans niet het geval voor de culturele en sportieve evenementen die in de bestreden bepalingen zijn bedoeld. In de meeste gevallen heeft de verkoper van het toegangsbewijs vrijwillig een lagere prijs bepaald dan de geschatte marktprijs, met als doel de aankoop ervan voor een zo ruim mogelijk aantal consumenten toegankelijk te maken.

In dergelijke omstandigheden, wanneer de oorspronkelijke verkoper door de democratisering van de verkoopprijs van toegangsbewijzen zelf de vrije marktwerking corrigeert, behoort het tot de opdracht van de overheid om ervoor te zorgen dat de ethische bekommernis van de oorspronkelijke verkoper niet door een zuiver economische afweging terzijde wordt geschoven op de zogenaamde secundaire markt.

B.12.4. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat de bescherming van de consumenten een dwingende reden van algemeen belang is, die een beperking van het vrij verrichten van diensten kan verantwoorden (zie o.a. HvJ, 12 september 2013, C-475/11, Konstantinides, punt 51).

In dit opzicht bepaalt artikel 169, lid 1, van het VWEU ook dat de Unie de belangen van de consumenten bevordert en een hoog niveau van consumentenbescherming waarborgt. Evenzo bepaalt artikel 38 van het Handvest dat in het beleid van de Unie zorg wordt gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming.

B.12.5. De bestreden bepalingen streven derhalve een dwingende doelstelling van algemeen belang na.

B.13.1. Wanneer vaststaat dat een dwingende reden van algemeen belang de beperking van het vrij verkeer van diensten kan verantwoorden, dient het Hof vervolgens na te gaan of de bestreden bepalingen geschikt zijn om de verwezenlijking van dat doel te waarborgen en of zij niet verder gaan dan noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken.

B.13.2. Wat de pertinentie van de maatregel betreft, verwijzen de verzoekende partijen naar wetenschappelijke studies waaruit zou blijken dat de bestreden bepalingen de nagestreefde doelstelling van een ruimere toegankelijkheid van culturele en sportieve evenementen niet zouden kunnen bereiken. De verzoekende partijen maken evenwel niet aannemelijk dat die studies betrouwbaarder zijn dan het wetenschappelijk onderzoek waarop de wetgever heeft gesteund en dat tot de tegenovergestelde conclusie leidt.

De bestreden bepalingen zijn bijgevolg geschikt om het gestelde doel te bereiken.

B.13.3. Wat de evenredigheid van de maatregel betreft, moet worden vastgesteld dat de bestreden bepalingen weliswaar in een principieel verbod voorzien om toegangsbewijzen door te verkopen, maar tegelijk een uitzondering op dat verbod bepalen.

Artikel 5 van de bestreden wet maakt een onderscheid tussen de regelmatige doorverkoop, die zonder meer verboden is, en de occasionele doorverkoop, die slechts verboden is in zoverre het toegangsbewijs wordt aangeboden tegen een prijs die hoger is dan de oorspronkelijke prijs. De wetgever heeft immers rekening willen houden met « de consument die wegens onvoorziene omstandigheden een gebeurtenis niet kan bijwonen, want hij mag zijn ticket doorverkopen » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-0656/005, p. 6).

De verzoekende partijen mogen tevens de middelen verstrekken om de voormelde occasionele doorverkoop mogelijk te maken.

B.13.4. De verzoekende partijen voeren aan dat er even doeltreffende en minder ingrijpende maatregelen bestaan, zoals (1) het spreiden van de vrijgave van toegangsbewijzen over een langere tijdspanne, (2) het beperken van het aantal toegangsbewijzen dat een persoon kan kopen, (3) het beperken van het aantal toegangsbewijzen dat gereserveerd of geblokkeerd kan worden (bijvoorbeeld voor bedrijfsklanten), (4) het opleggen van de verplichting aan organisatoren van evenementen om toegangsbewijzen terug te nemen of de prijs ervan terug te betalen en (5) het verbeteren van het toezicht op officiële verkooppunten.

Niet alleen wordt het merendeel van die maatregelen reeds toegepast door de oorspronkelijke verkopers, die immers de bekommernis van de wetgever met betrekking tot de toegankelijkheid van de betrokken evenementen delen; bovendien kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat het opleggen van de alternatieve maatregelen, aangedragen door de verzoekende partijen, het vrij verkeer van diensten op minder ingrijpende wijze zou beperken. Daarentegen lijkt wel vast te staan dat die maatregelen de doeltreffendheid ontberen die eigen is aan het bestreden verbod.

B.13.5. Ten slotte was de wetgever zich ervan bewust dat de bestreden bepalingen in een bijzonder beweeglijke context ingrijpen. Hij heeft daarom de Koning opgedragen een geregeld overleg te organiseren « tussen de betrokken partijen, te weten de producenten en organisatoren van voorstellingen, de distributeurs, de zalen, de uitwisselingplatformen en de vertegenwoordigers van de consumenten, met het oog op een voortdurende evaluatie van de wet, alsook de invoering van best practices » (artikel 7, § 1).

Om de twee jaar legt de Koning aan de Kamer van volksvertegenwoordigers een evaluatieverslag over (artikel 7, § 2). Naar aanleiding van de bespreking van dat verslag in de Kamer, neemt de Koning, in voorkomend geval, passende maatregelen (artikel 8).

De indieners van het wetsvoorstel spraken zelfs de hoop uit dat de bestreden bepalingen op termijn overbodig zouden worden en dat de voormelde evaluatie tot gevolg zou kunnen hebben « de wet aan te passen dan wel op te heffen als daartoe aanleiding zou bestaan » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-0656/005, p. 4).

B.13.6. Uit hetgeen voorafgaat vloeit voort dat de bestreden bepalingen niet verder gaan dan noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken.

B.14. Het tweede middel is niet gegrond.

Ten aanzien van het derde middel

B.15. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekende partijen voeren drie verschillen in behandeling aan en één identieke behandeling, die alle in strijd zouden zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

B.16. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.17.1. De verzoekende partijen voeren in de eerste plaats aan dat de bestreden wet enkel van toepassing is op doorverkopers van toegangsbewijzen voor culturele en sportieve evenementen en niet op doorverkopers van andere culturele en sportieve zaken, zoals bijvoorbeeld een gesigneerd album.

Zoals reeds in herinnering is gebracht, beogen de bestreden bepalingen de toegankelijkheid van inzonderheid culturele en sportieve evenementen voor een zo ruim mogelijk publiek mogelijk te maken. Het behoorde niet tot de betrachting van de wetgever om de gehele culturele en sportieve sector te regelen, laat staan de doorverkoop van afgeleide en al dan niet gesigneerde producten te verbieden. De hiervoor uiteengezette ethische bekommernis van consumentenbescherming die aan de prijszetting van een groot aantal toegangsbewijzen ten grondslag ligt, speelt niet op de markt van producten waarmee de toegangsbewijzen worden vergeleken. De wet zou haar doel derhalve voorbijschieten indien zij zich niet tot de doorverkoop van toegangsbewijzen zou beperken.

B.17.2. De verzoekende partijen voeren in de tweede plaats aan dat de doorverkopers en beheerders van elektronische platformen die zich niet toeleggen op de Belgische markt niet gebonden zouden zijn door het verbod en kunnen doorgaan met het aanbieden van toegangsbewijzen tegen hogere prijzen.

De wetgever is uitsluitend bevoegd om de Belgische markt te regelen. De vaststelling dat de deelnemers aan een andere markt niet door een soortgelijke maatregel zijn gebonden, kan als zodanig een verantwoord geachte maatregel zijn verantwoording niet ontnemen.

B.17.3. De verzoekende partijen voeren in de derde plaats aan dat geaccrediteerde verkopers die door de organisatoren bezorgde toegangsbewijzen doorverkopen, de facto niet onder het toepassingsgebied van de bestreden wet zouden vallen.

De geaccrediteerde verkopers dienen, rekening houdend met de in B.1.2 vermelde definities, als oorspronkelijke verkopers in de zin van de bestreden wet te worden beschouwd. Aangezien het verkopers betreft van wie de betrouwbaarheid is geverifieerd door de organisator van de betrokken evenementen, kunnen zij niet met doorverkopers worden gelijkgesteld.

B.17.4. De verzoekende partijen voeren ten slotte aan dat de bestreden bepalingen strijdig zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie doordat zij op dezelfde wijze zouden worden behandeld als de doorverkopers van toegangsbewijzen.

Rekening houdend met de in B.6.1 vooropgestelde richtlijnconforme interpretatie, is het redelijk verantwoord, teneinde de doeltreffendheid van de bestreden bepalingen niet in het gedrang te brengen, dat het in het geding zijnde verbod niet enkel slaat op de eigenlijke doorverkoop van toegangsbewijzen maar ook op de verstrekking van middelen die voor die doorverkoop worden aangewend.

B.18. Het derde middel is niet gegrond.

Ten aanzien van het vierde middel

B.19. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 15 en 16 van de richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten op de interne markt (Dienstenrichtlijn), doordat de bestreden bepalingen tot gevolg zouden hebben dat doorverkopers geen toegangsbewijzen mogen verkopen tegen een prijs die hoger is dan de definitieve prijs, wat de facto zou neerkomen op het bepalen van een maximumtarief. De bestreden bepalingen zouden de doorverkopers en beheerders van elektronische platformen die zich toeleggen op de Belgische markt discrimineren ten opzichte van de marktdeelnemers die niet in België actief zijn en die derhalve niet in de uitoefening van hun doorverkoopactiviteiten worden beperkt.

B.20. De Dienstenrichtlijn bevat algemene bepalingen ter vergemakkelijking van de uitoefening van de vrijheid van vestiging van dienstverrichters en het vrije verkeer van diensten, met waarborging van een hoge kwaliteit van de diensten (artikel 1, lid 1).

De lidstaten dienen met name te onderzoeken of de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in hun rechtsstelsel afhankelijk wordt gesteld van vaste minimum- en/of maximumtarieven waaraan de dienstverrichter zich moet houden (artikel 15, lid 2, g).

B.21. Zonder dat het nodig is te onderzoeken of de verzoekende partijen een dienst verstrekken in de zin van artikel 15 van de Dienstenrichtlijn, hetgeen de Ministerraad betwist, vloeit uit het antwoord op het tweede middel voort dat de door de bestreden bepalingen gestelde voorwaarden aan de uitoefening van de betrokken dienstenactiviteit een dwingende doelstelling van algemeen belang nastreven en niet verder gaan dan noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken.

B.22. Voor het overige onderwerpen de bestreden bepalingen de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit niet aan de naleving van eisen in de zin van artikel 16 van de Dienstenrichtlijn. Die bepaling staat niet in de weg aan het bestreden verbod op de doorverkoop van toegangsbewijzen en op het verstrekken van middelen om die doorverkoop mogelijk te maken.

B.23. In zoverre de grief ten slotte het verschil in behandeling bekritiseert van twee categorieën van marktdeelnemers, valt het samen met het derde middel en is het verschil in behandeling om de in B.17.2 vermelde reden redelijk verantwoord.

B.24. Het vierde middel is niet gegrond.

Om die redenen,
het Hof
verwerpt het beroep.
Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 april 2015.

Rechtsleer:

Hugo Lamon, Wetgever mocht doorverkoop van tickets verbieden, De Juristenkrant, 309, 13 mei 2015, pagina 4

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 29/07/2017 - 17:45
Laatst aangepast op: za, 29/07/2017 - 17:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.