-A +A

Ministeriële circulaire inzake het Europees aanhoudingsbevel.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Alternatieve naam: 
circulaire Europees aanhoudingsbevel
Afkondiging: 
zon, 15/03/1874
Publicatie: 
din, 17/03/1874
Tekst van de wetgeving: 

Artikel M. 1. Inleiding
Deze circulaire vervangt de ministeriële circulaire inzake het Europees aanhoudingsbevel van 23 december 2003 die wordt opgeheven.

1.1. Nationale wetgeving
In de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel (hierna de wet genoemd) wordt het kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna het kaderbesluit genoemd) omgezet.
Deze wet vervangt de uitleveringswet van 15 maart 1874 en de volgende uitleveringsverdragen die van toepassing zijn op de betrekkingen tussen de lid-Staten van de Europese Unie inzake de aanhouding en de overlevering van personen (Zie afdeling 2 voor de overgangsbepalingen) :
- het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957, het Aanvullend Protocol erbij van 15 oktober 1975, het tweede Aanvullend Protocol erbij van 17 maart 1978 en het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme van 27 januari 1977 voor zover het betrekking heeft op uitlevering;
- het akkoord van 26 mei 1989 tussen de twaalf Lidstaten van de Europese Gemeenschappen betreffende de vereenvoudiging en de modernisering van de wijze van toezending van uitleveringsverzoeken;
- de overeenkomst van 10 maart 1995 aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de Lidstaten van de Europese Unie;
- de overeenkomst van 27 september 1996 betreffende uitlevering tussen de Lidstaten van de Europese Unie;
- titel III, hoofdstuk 4, van de overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen;
- Bepalingen inzake uitlevering van het Benelux-Verdrag van 27 juni 1962 aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken.
Voor wat de betrekkingen betreft met de Staten die geen lid zijn van de Europese Unie wordt verwezen naar de algemene circulaire inzake uitlevering van 19/04/2005.

1.2. Grondbeginselen
De aanhouding en de overlevering vinden plaats op grond van een Europees aanhoudingsbevel.
De rechterlijke autoriteit die bevoegd is om een aanhoudingsbevel uit te vaardigen (de uitvaardigende rechterlijke autoriteit) richt zich rechtstreeks tot de bevoegde rechterlijke autoriteit van de betrokken lidstaat (uitvoerende rechterlijke autoriteit) om de tenuitvoerlegging ervan te vragen. Het is niet langer de uitvoerende macht die beslist uit te leveren, maar de uitvoerende rechterlijke autoriteit die beslist een persoon over te leveren ter uitvoering van een aanhoudingsbevel.

1.2. Eerste toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning
Het Europees aanhoudingsbevel vormt de eerste concrete toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen, waarvan de Europese Raad tijdens de top van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 heeft beslist dat het de hoeksteen moet zijn van de uitbreiding van de gerechtelijke samenwerking tussen de lid-Staten van de Europese Unie.
Het beginsel van de wederzijdse erkenning vloeit voort uit de idee van een gemeenschappelijke gerechtelijke ruimte voor het grondgebied van de lid-Staten van de Unie, waarin een vrij verkeer van beslissingen zou bestaan. Concreet kan zulks als volgt worden omschreven : zodra een rechterlijke autoriteit die bevoegd is krachtens het recht van de lidstaat waaronder zij ressorteert, conform het recht van deze Staat een beslissing heeft genomen, heeft die beslissing volkomen en rechtstreekse uitwerking op het volledige grondgebied van de Unie en verlenen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de beslissing ten uitvoer kan worden gelegd, hun medewerking aan de tenuitvoerlegging van die beslissing alsof het een beslissing betreft die is genomen door een bevoegde autoriteit van die Staat.

De toepassing ervan op rechterlijke beslissingen die een aanhoudingsbevel opleveren, betekent een grondige wijziging van het stelsel inzake uitlevering. Ten eerste zijn enkel de rechterlijke autoriteiten en niet langer de Staten bij het nieuwe mechanisme betrokken en ressorteert de beslissing tot overlevering onder die rechterlijke autoriteit en niet langer onder de uitvoerende macht. Aan de andere kant wordt de procedure beperkt : de twee fasen van de uitlevering - aanhouding en overlevering - met twee opeenvolgende procedures, worden vervangen door een enkele fase, waarbij de rechterlijke beslissing voldoende is zowel voor de aanhouding als voor de overlevering van de persoon.
Deze vereenvoudiging van de controle gaat gepaard met enige versoepeling van de voorwaarden inzake overlevering en met een korte procedure.

1.4. Toepassingsgebied
Het Europees aanhoudingsbevel is van toepassing op de aanhouding en overlevering van personen gezocht met het oog op de instelling van strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of veiligheidsmaatregel tussen de lid-Staten van de Europese Unie.

1.5. Bijzondere rol van de Federale Overheidsdienst Justitie en van het Federaal Parket
Aan de FOD Justitie (artikel 43) en aan het Federaal Parket is een ondersteunende rol toebedeeld.

1. Met de FOD Justitie en met het Federaal Parket kan in hun hoedanigheid van aanspreekpunt van het Europees Justitieel Netwerk contact worden opgenomen om te bepalen aan welke buitenlandse bevoegde autoriteit het aanhoudingsbevel moet worden gericht en, in het algemeen, om het vereiste contact op te nemen in het kader van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.

2. De bevoegde rechterlijke autoriteiten geven onverwijld kennis aan de FOD Justitie van enige moeilijkheid met betrekking tot de toepassing van de wet, hetzij naar aanleiding van de tenuitvoerlegging in België van een buitenlands Europees aanhoudingsbevel, hetzij naar aanleiding van de tenuitvoerlegging door een andere lidstaat van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit. De Federale Overheidsdienst Justitie neemt het gepaste contact teneinde voor de problemen die zich voordoen een oplossing uit te werken.
De in elk parket aangewezen referentiemagistraat voor de internationale rechtshulp in strafzaken vormt in elk parket het eerste contact inzake het Europees aanhoudingsbevel.

1.6. Informatieplicht

De bevoegde rechterlijke autoriteiten geven kennis aan de Federale Overheidsdienst Justitie van elke procedure houdende tenuitvoerlegging of uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel in België.
Informatie over de uitvaardigingsprocedure
- Van elk Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit wordt een kopie bezorgd aan de Federale Overheidsdienst Justitie.
- De rechterlijke autoriteiten brengen de Federale Overheidsdienst Justitie op de hoogte van de overlevering of de eventuele weigering, door middel van een modelbrief (zie bijlage 6).
Informatie over de tenuitvoerleggingsprocedure
- Van elk buitenlands Europees aanhoudingsbevel dat het onderwerp is van een procedure tot tenuitvoerlegging in België wordt een kopie aan de Federale Overheidsdienst Justitie bezorgd.
- Aan het einde van de tenuitvoerleggingsprocedure, wordt de Federale Overheidsdienst Justitie over het resultaat geïnformeerd, door middel van een model-brief (zie bijlage 7).

Bovendien wordt de aandacht gevestigd op de noodzaak om alle gevallen waarin het Europees aanhoudingsbevel wordt toegepast stelselmatig en uniform in het REA-TPI-computersysteem van het openbaar ministerie te registreren (In dit verband zal een specifieke van richtlijn uitgewerkt en deze zal binnenkort aan alle parketten worden verspreid).
De Federale Overheidsdienst Justitie zal op grond van de aldus overgezonden gegevens statistieken opmaken teneinde zich een algemeen beeld te kunnen vormen van de toepassing van de wet.

Elke rechterlijke beslissing waarin uitspraak wordt gedaan over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel en wordt beslist over een bijzondere rechtsvraag wordt eveneens aan de Federale Overheidsdienst Justitie bezorgd. Deze centralisatie kan ertoe bijdragen dat een rechtspraak wordt bijgehouden inzake de toepassing van de weigeringsgronden met betrekking tot het Europees aanhoudingsbevel.

De referentiemagistraat voor de internationale rechtshulp in strafzaken ziet in het bijzonder toe op de naleving van die verplichtingen in zijn parket.

Deze gegevens moeten worden meegedeeld aan :
Federale Overheidsdienst Justitie
Directoraat-generaal Wetgeving en Fundamentele Rechten en Vrijheden
Centrale autoriteit wederzijdse rechtshulp in strafzaken
Waterloolaan 115
B - 1000 Brussel
Tel. : 02-542 67 59 begin_of_the_skype_highlighting 02-542 67 59 end_of_the_skype_highlighting (NL)
02-542 67 50 begin_of_the_skype_highlighting 02-542 67 50 end_of_the_skype_highlighting (FR)
Fax : 02-542 67 67
E-mail : mae-eab@just.fgov.be (bij voorkeur)

1.7. Website
De website van het Europees justitieel netwerk werd aangevuld en zal worden bijgewerkt teneinde de toepassing van het Europees aanhoudingsbevel te vergemakkelijken. Daarop zijn diverse gegevens vermeld, bijvoorbeeld een kopie in het engels van de omzettingswetten goedgekeurd in de andere lid-Staten, alsook praktische fiches inzake de procedure tot tenuitvoerlegging in elke Staat.

Het formulier van het Europees aanhoudingsbevel is beschikbaar in de diverse officiële talen van de Europese Unie, teneinde het vertaalwerk in de taal van de uitvoerende Staat te vergemakkelijken.

Op termijn zal de Europese Justitiële Atlas een nieuwe rubriek bevatten die de mogelijkheid biedt de bevoegde rechterlijke autoriteit te bepalen op grond van de lokalisering van de gezochte persoon.

Tik in : http ://www.atlas.mj.pt (rubriek " European arrest warrant ", een link verwijst naar de website van het secretariaat-generaal van de raad).

Om de website te raadplegen is een paswoord vereist. Voor meer informatie, zie circulaire nr. COL 3/2002 van het College van Procureurs-generaal bij de hoven van beroep, aangevuld door circulaire nr. COL 12/2004.

2. Toepassing van de wet in de tijd

1. Met ingang van 1 januari 2004 is de wet in het kader van de betrekkingen tussen België en de lid-Staten van de Europese Unie in beginsel van toepassing op de aanhouding en de overlevering van een persoon (1); zij geldt bijgevolg ook voor de betrekkingen van België met de nieuwe lid-Staten vanaf de datum van hun toetreding (met andere woorden in beginsel vanaf 1 mei 2004 ook voor de 10 nieuwe lid-Staten van de Europese Unie (2)).
( (1) De lid-Staten van de Europese Unie op 1 januari 2004 zijn : Duitsland, Oostenrijk, Denemarken, Spanje, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal, het Verenigd Koninkrijk, en Zweden. )
( (2) Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Tsjechië, Slovenië, Slowakije. )
Aangezien niet alle lid-Staten het Europees aanhoudingsbevel konden toepassen op 1 januari 2004 (of op 1 mei 2004), vloeien daaruit verschillende data voort van toetreding van de staten tot het nieuwe stelsel. Om de diverse stelsels te kennen die in de tijd van toepassing zijn, raadpleeg de overzichtstabel die als bijlage 5 gaat.

2. De wet is tevens van toepassing ingeval een persoon is aangehouden vóór 1 januari 2004 (of voor 1 mei 2004 voor de betrekkingen met de nieuwe lid-Staten) op grond van de uitleveringsregels en ingeval geen ander verzoek om uitlevering is ingediend voor 1 januari 2004 (of 1 mei 2004 voor de betrekkingen met de nieuwe lid-Staten). In dat geval is evenwel voorzien in bijzondere regels met betrekking tot de omschreven termijnen.
Ingeval een verzoek om uitlevering evenwel is geformuleerd vóór 1 januari 2004 (of 1 mei 2004), blijft de overlevering evenwel onderworpen aan de regels inzake uitlevering.
Dit stelsel is naar analogie van toepassing in het kader van de betrekkingen met de staten die de omzetting te laat hebben doorgevoerd, op grond van de datum van toetreding van de betrokken staat tot het nieuwe stelsel.

3. In afwijking van het beginsel gesteld in punt 1.1, blijven de uitleveringswet van 15 maart 1874 en de uitleveringsverdragen, bij wijze van overgangsmaatregel, evenwel van toepassing voor de Europese aanhoudingsbevelen uitgevaardigd en uitgevoerd door België wegens feiten gepleegd :
a) vóór 1 november 1993 ingeval de personen in Frankrijk zijn aangehouden;
b) vóór 7 augustus 2002 ingeval de personen in Oostenrijk of Italië zijn aangehouden.

3. Voorwaarden betreffende de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een andere lidstaat
In deze afdeling worden de regels bepaald die gelden ingeval de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd in een lidstaat van de Europese Unie wordt gevraagd aan de Belgische rechterlijke autoriteiten.
De rechterlijke autoriteit die uitspraak moet doen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft geen discretionaire bevoegdheid om deze tenuitvoerlegging toe te staan of te weigeren : de overlevering is inderdaad verplicht, onder voorbehoud van een aantal weigeringsgronden die in de wet limitatief zijn opgesomd. De gronden tot weigering van overlevering van een persoon kunnen van verplichte of facultatieve aard zijn.

3.1. Grondvoorwaarden

3.1.1. Strafdrempel
In artikel 3 worden de strafdrempels bepaald vanaf welke een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd. De feiten die krachtens de wet van de uitvaardigende lidstaat worden gestraft met een vrijheidsbenemende straf of veiligheidsmaatregel van ten minste 12 maanden of, wanneer de veroordeling tot een straf reeds heeft plaatsgevonden of een veiligheidsmaatregel is genomen, voor zover zij ten minste 4 maanden bedraagt, kunnen aanleiding geven tot uitlevering.

In tegenstelling tot de vroegere instrumenten inzake uitlevering is niet langer vereist dat deze feiten overeenkomstig het recht van de uitvoerende Staat met dezelfde strafdrempel strafbaar zijn. Zulks betekent evenwel niet dat het feit in de uitvoerende Staat niet strafbaar moet zijn, maar moet worden begrepen in het licht van de hiernavolgende bepalingen met betrekking tot de controle op de dubbele strafbaarstelling. Zie afdeling 3.1.2.

Een Europees aanhoudingsbevel kan op geldige wijze worden uitgevaardigd ten aanzien van een gezochte persoon op grond van verschillende strafbare feiten. In dat geval kan het Europees aanhoudingsbevel gedeeltelijk ten uitvoer worden gelegd.

3.1.2. Vereiste van de dubbele strafbaarstelling (art. 5)
Artikel 5 houdt verband met de regel van de dubbele strafbaarstelling.
In artikel 5, § 1, wordt het beginsel inzake de dubbele strafbaarstelling gehuldigd : de dubbele strafbaarstelling wordt behouden, wat betekent dat de tenuitvoerlegging wordt geweigerd ingeval het feit waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, krachtens het Belgische recht niet strafbaar is.

3.1.3. Uitzondering op de vereiste van de dubbele strafbaarstelling (art. 5)
Paragraaf 2 van artikel 5 bevat een uitzondering op het beginsel van het behoud van de dubbele strafbaarstelling : die uitzondering is van toepassing op een lijst van 32 strafbare feiten. Aldus wordt voor 32 strafbare feiten die in een lijst zijn opgesomd, de dubbele strafbaarstelling niet nagegaan, voor zover zij in de uitvaardigende Staat strafbaar zijn met een maximale gevangenisstraf van minimaal drie jaar.
De reden daarvoor is dat de in deze lijst opgenomen feiten van prioritair belang zijn in het kader van de harmonisatie op het vlak van de Europese Unie (vastgelegd in het Verdrag van Amsterdam, de conclusies van de Europese Raad te Tampere of de bijlage bij de Europol-overeenkomst) of betrekking hebben op fundamentele schendingen van het strafrecht van alle lid-Staten, waarbij er weinig kans is dat het probleem van de dubbele strafbaarstelling zich voordoet, temeer daar zij bovendien strafbaar moeten zijn met een gevangenisstraf van een bepaalde duur in de staat waarin het aanhoudingsbevel is uitgevaardigd. Er moet worden opgemerkt dat derhalve in de tekst geen gewag wordt gemaakt van de opheffing van de dubbele strafbaarstelling, maar van het gegeven dat de dubbele strafbaarstelling van het feit niet wordt nagegaan.

De in de lijst opgenomen strafbare feiten worden niet strafrechtelijk omschreven, maar worden generisch beschouwd en hebben betrekking op een aantal takken van de criminaliteit. Punt 12 " milieucriminaliteit " bijvoorbeeld, betekent niet dat de feiten als een misdaad moeten worden beschouwd in de zin van het Belgische strafrecht.
De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet op generisch vlak derhalve nagaan of het feit waarop het aanhoudingsbevel betrekking heeft, in de lijst voorkomt. Zij gaat over tot dit onderzoek op grond van de toelichting bij de feiten die moet worden opgenomen.

Zodra de uitvoerende rechterlijke autoriteit vaststelt dat het feit op de lijst voorkomt, is zij gehouden tot de inachtneming van de omschrijving van de desbetreffende strafbare feiten in het recht van de uitvaardigende Staat, te weten van de constitutieve bestanddelen zoals die zijn omschreven in die wetgeving, en gaat zij de dubbele strafbaarstelling van het feit niet na.

Paragraaf 4 van artikel 5 is een uitzondering op de uitzondering : abortus of euthanasie worden van de lijst geschrapt, hoewel voornoemde feiten in het recht van de uitvaardigende Staat als opzettelijke doodslag zouden worden omschreven en opzettelijke doodslag deel uitmaakt van de lijst van 32 strafbare feiten. Het is dan ook de Belgische uitvoerende rechterlijke autoriteit die moet oordelen over de overlevering in het licht van de vereiste van de dubbele strafbaarstelling. De overlevering kan geenszins plaatsvinden ingeval die feiten krachtens de Belgische wet zijn toegestaan.

Bovendien kan overeenkomstig artikel 5, § 3, van dit ontwerp, het beginsel van de dubbele strafbaarstelling niet worden toegepast inzake taksen en belastingen, en evenmin in douane- en wisselzaken.

3.2. Weigeringsgronden

3.2.1. Verplichte weigeringsgronden

3.2.1.1. Leeftijd van de betrokkene (artikel 4.3)

De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd ingeval de persoon gelet op zijn leeftijd op het moment van de feiten niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. De leeftijd vereist voor de strafrechtelijke meerderjarigheid wordt beoordeeld op grond van het Belgische recht.
België kan de overlevering van een minderjarige die meer dan 16 jaar oud is evenwel niet weigeren omdat de vervolging en de veroordeling van een dergelijke minderjarige in het buitenland niet strijdig is met de Belgische openbare orde. Zie afdeling 4.1.1.

3.2.1.2. Amnestie (artikel 4.1)

De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd ingeval in België een amnestiewet geldt voor het strafbare feit waarop het aanhoudingsbevel betrekking heeft. De in België uitgesproken amnestie vormt evenwel slechts een obstakel voor de overlevering indien naast de uitvaardigende Staat ook de Belgische rechtbanken bevoegd zijn om het strafbare feit te vervolgen.

3.2.1.3. Ne bis in idem (artikel 4.2)

De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd ingeval uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat in een andere lidstaat ten aanzien van de gezochte persoon wegens dezelfde feiten een definitief vonnis is uitgesproken, op voorwaarde dat in geval van veroordeling, de straf is ondergaan, thans ten uitvoer wordt gelegd of niet meer ten uitvoer kan worden gelegd krachtens de wetgeving van de veroordelende lidstaat.

Dit geval betreft de toepassing van de regel " ne bis in idem ". In tegenstelling tot hetgeen is bepaald in de toepasselijke instrumenten inzake uitlevering, is deze voorwaarde hier echter relatief in die zin dat geen ambtshalve onderzoek door de uitvoerende rechterlijke autoriteit is vereist, hetgeen het mechanisme zou vertragen : indien de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, dit beginsel aanvoert en hij aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de gegevens verstrekt die zijn vereist om te oordelen of het in dit concrete geval van toepassing is, moet deze autoriteit dienovereenkomstig handelen. Dit relatieve karakter, niet op inhoudelijk maar wel op procedureel vlak, is verklaarbaar door de dynamiek van de wederzijdse erkenning, op grond waarvan de inhoudelijke controle voornamelijk in de uitvaardigende Staat wordt verricht.

Krachtens artikel 4.2, moet de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel tevens verplicht worden geweigerd ingeval wegens " dezelfde feiten een andere definitieve beslissing is genomen die de latere instelling van vervolging belet ".

Het kan bijvoorbeeld gaan om een dading of een alternatieve administratieve regeling. Dit geval strekt ertoe rekening te houden met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 februari 2003 in de zaak H. Gözütok en K. Brügge (Jur, 2003, I-345) :

" het beginsel ne bis in idem (...) is tevens van toepassing op de procedures houdende verval van de strafvordering (...) door middel waarvan het openbaar ministerie van een lidstaat, zonder het optreden van een gerecht, een einde maakt aan de strafrechtspleging ingesteld in die Staat, nadat de beklaagde bepaalde verplichtingen heeft nageleefd en inzonderheid een door het openbaar ministerie vastgestelde geldsom heeft betaald ".

3.2.1.4. Verjaring (artikel 4.4)

De tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel wordt geweigerd ingeval de strafvordering of de straf volgens de Belgische wetgeving is verj

aard en de Belgische gerechten volgens de Belgische strafwet bevoegd zijn om kennis te nemen van de feiten.
Deze bepaling is niet van toepassing in de gevallen waarin de Belgische gerechten geen kennis zouden kunnen nemen van het feit op grond van criteria van territoriale en extraterritoriale rechtsmacht die voorkomen in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering.

3.2.1.5. Afbreuk van de fundamentele rechten (artikel 4.5)
Het politiek delict vormt niet langer een weigeringsgrond voor de overlevering, zulks in tegenstelling tot uitlevering. De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel wordt daarentegen geweigerd ingeval ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat zij afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Bedoeld artikel 6 verwijst naar de naleving van de fundamentele rechten zoals gewaarborgd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede naar de grondwettelijke tradities die in alle lid-Staten gelden.

De Belgische rechterlijke autoriteit die uitspraak moet doen over de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel is niet belast met de politieke beoordeling van de toestand in de andere lid-Staten. De controle wordt strikt beperkt tot de beoordeling van concrete omstandigheden betreffende het geval dat aanleiding geeft tot het Europees aanhoudingsbevel (Zie Cass. 26 mei 2004, http://www.cass.be ).

De Belgische rechterlijke autoriteit is evenmin belast met een stelselmatig onderzoek van de graad van bescherming van de fundamentele rechten in de uitvaardigende Staat. Zulks zou strijdig zijn met het beginsel van de wederzijdse erkenning dat krachtens de wet wordt toegepast. Er bestaat een vermoeden van inachtneming van de rechten van de mens ten gunste van de uitvaardigende Staat.

De weigeringsgrond wegens afbreuk aan de fundamentele rechten zal worden aangewend ingeval de persoon bedoeld in het aanhoudingsbevel gewag maakt van ernstige redenen op grond waarvan kan worden aangenomen (op grond van concrete elementen) dat zijn overlevering aan de uitvaardigende Staat zijn fundamentele rechten in gevaar zou brengen, inzonderheid de rechten bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Ingeval de betrokkene deze situatie niet uit eigen beweging aanvoert, wordt de weigeringsgrond door de Belgische rechterlijke autoriteit enkel aangewend ingeval elementen waarvan zij kennis heeft wijzen op een kennelijk gevaar voor de rechten van dat individu.

Het gegeven dat de betrokkene beroep heeft ingesteld bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en een maatregel is opgelegd op grond van artikel 39 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof zijn bijvoorbeeld omstandigheden die naar behoren in aanmerking kunnen worden genomen door de uitvoerende rechterlijke autoriteit.

Deze weigeringsgrond omvat tevens de humanitaire clausule of de non-discriminatieclausule. Deze traditionele clausule in het uitleveringsrecht biedt de Staten de mogelijkheid om de uitlevering te weigeren ingeval redenen bestaan om aan te nemen dat het verzoek is gedaan op grond van overwegingen zoals geslacht, ras, godsdienst, etnische herkomst, nationaliteit, taal, politieke overtuiging of seksuele geaardheid, of dat de situatie zou kunnen verslechteren om een van deze redenen.

Het parket moet nagaan of geen asielaanvraag is ingediend en wordt behandeld. Een dergelijke aanvraag zou tevens een beoordelingselement voor de grond van weigering die verband houdt met de fundamentele rechten, kunnen vormen.

3.2.2. Facultatieve weigeringsgronden en waarborgen
De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel kan eveneens worden geweigerd in de volgende omstandigheden waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit moet oordelen.

3.2.2.1. Nationaliteit of verblijfplaats in België
De wet voorziet niet langer in een algemene reden tot weigering op grond van nationaliteit, maar daarmee wordt evenwel nog steeds rekening gehouden. De bepalingen betreffende de nationaliteit worden uitgebreid tot de personen die op het Belgische grondgebeid verblijven (verblijfplaats of woonplaats).
Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf (artikel 6.4)
Ingeval het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of van een veiligheidsmaatregel, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren, indien de gezochte persoon Belg of ingezetene is van België. De beslissing van de uitvoerende rechterlijke autoriteit leidt ertoe dat de tenuitvoerlegging van de straf geschiedt door de Belgische autoriteiten.

Nu de wet van 26 mei 2005 tot wijziging van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging is aangenomen (Belgisch Staatsblad 10 juni 2005), kan deze weigeringsgrond in het Belgische recht worden toegepast. Krachtens het nieuwe artikel 18 § 2 van de wet van 23 mei 1990, kan België voortaan overgaan tot de uitvoering van de buitenlandse veroordeling op zijn grondgebied.

Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op vervolging (artikel 8)
In geval van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op vervolging, kan tevens rekening worden gehouden met de nationaliteit of met de verblijfplaats van de persoon.

De Belgische uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de overlevering van de persoon afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de persoon naar België wordt teruggezonden teneinde aldaar de straf of de veiligheidsmaatregel te ondergaan die tegen hem in de uitvaardigende Staat zal zijn uitgesproken ingevolge de overlevering.
Aangezien de waarborg wordt beschouwd als een aanvullende bescherming toegekend aan de persoon wegens zijn nationaliteit of verblijfplaats, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit beslissen op verzoek van de betrokken, hoewel krachtens de wet niet is uitgesloten dat zij op eigen initiatief erover kan beslissen.

Dat verzoek om officiële waarborg van terugkeer naar België van de betrokken persoon na zijn veroordeling past in het kader van de bijkomende gegevens die kunnen worden gevraagd aan de uitvaardigende staat (artikel 15).
Ingeval die voorwaarde wordt aangevoerd, moet zulks worden vermeld in de beslissing van de uitvoerende autoriteit.

Het is nuttig dat erin nader wordt bepaald dat de latere overbrenging van de persoon moet geschieden overeenkomstig de toepasselijke instrumenten inzake overbrenging in het kader van de betrekkingen met het betrokken land.
Gelet op de bijzondere verantwoordelijkheid van de uitvoerende macht in het kader van de latere overbrenging moet de beslissing van de Belgische uitvoerende autoriteit het onderwerp zijn van een speciale kennisgeving aan de Federale Overheidsdienst Justitie.

Voor de toepassing van deze bepaling moet onder meer worden verwezen naar de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van de gevonniste personen, naar het Verdrag van de Raad van Europa van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen, opgemaakt te Straatsburg, en naar de Overeenkomst van 25 mei 1987 betreffende de toepassing tussen de lid-Staten van de Europese Gemeenschappen van dat Verdrag, opgemaakt te Brussel en goedgekeurd bij de wet van 19 juni 1990, waarin onder meer vereist wordt dat de betrokken persoon zijn instemming verleent.

Voor de andere hypothese, zie afdeling 4.3.1.

3.2.2.2. Vervolging wegens dezelfde feiten in België (artikel 6.1)

De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel kan worden geweigerd ingeval de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, in België wordt vervolgd wegens hetzelfde feit als dat waaraan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt.

In die situatie moet de betrokken uitvoerende rechterlijke autoriteit, rekening houdend met alle relevante omstandigheden, oordelen of het beter is dat de vervolging in België wordt ingesteld dan wel in de andere lidstaat. Het kan ter zake wenselijk zijn de federale procureur te raadplegen, die op zijn beurt het advies van Eurojust kan vragen.
Wat de overzending van de gegevens tussen Belgische parketten betreft, moet de directie van de operationele politiesamenwerking van de federale politie (DSO) de informatie automatisch meedelen aan de betrokken parketten, zodra een signalering wordt ontvangen met het oog op de overlevering van een persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel.

3.2.2.3. Beslissing geen vervolging in te stellen of een einde te maken aan de vervolging in België (artikel 6.2)
De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel kan worden geweigerd ingeval de rechterlijke autoriteiten van de uitvoerende Staat beslist hebben om geen vervolging in te stellen wegens het feit waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, dan wel een einde te maken aan die vervolging.

3.2.2.4. Definitief vonnis van een Staat die geen lid is van de Europese Unie (artikel 6.3)
De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel kan worden geweigerd ingeval de persoon reeds is veroordeeld wegens dezelfde feiten in een Staat die geen lid is van de Europese Unie. Deze voorwaarde onderstelt geen ambtshalve onderzoek door de uitvoerende rechterlijke autoriteit. Indien de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, dit beginsel aanvoert en hij aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de gegevens verstrekt die zijn vereist om te oordelen of het in dit concrete geval van toepassing is, moet deze autoriteit dienovereenkomstig handelen.

Het facultatieve karakter van deze weigeringsgrond kan worden verklaard aan de hand van het gegeven dat deze bepaling betrekking heeft op de beslissingen gewezen door de gerechten van een Staat die geen lid is van de Europese Unie. De beoordelingsbevoegdheid is dan ook in dit geval volkomen verantwoord met betrekking tot de voorwaarden waaronder de rechterlijke beslissing door de buitenlandse rechter is gewezen.

3.2.2.5. Plaats waar het strafbaar feit is gepleegd - Territorialiteitsbeginsel (artikel 6.5)
De tenuitvoerlegging kan in twee gevallen worden geweigerd op grond van de territorialiteit :
- ingeval het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft op strafbare feiten die overeenkomstig het recht van de uitvoerende Staat geheel of gedeeltelijk zijn gepleegd op zijn grondgebied of op een plaats die met dat grondgebied wordt gelijkgesteld;
- ingeval het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft op strafbare feiten die zijn gepleegd buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat en het recht van de uitvoerende lidstaat niet voorziet in vervolging wegens dezelfde feiten gepleegd buiten het grondgebied.
In het kader van deze bepalingen wordt het territorialiteitsbeginsel toegepast dat uitermate belangrijk is in het kader van de dubbele strafbaarstelling. Deze dubbele territorialiteitsclausule is van toepassing op alle strafbare feiten, zowel die waarvoor de controle op de dubbele strafbaarstelling nog steeds geldt, als die waarvoor die controle wordt opgeheven. Ingeval het Europees aanhoudingsbevel immers betrekking heeft op een feit vermeld in de lijst en niet strafbaar is overeenkomstig het recht van de uitvoerende Staat, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de overlevering weigeren, behalve wegens feiten gepleegd op het grondgebied van de uitvaardigende Staat. In alle andere gevallen kunnen voornoemde redenen inzake niet-tenuitvoerlegging worden toegepast.

3.2.2.6. Verstekvonnis (artikel 7)
Indien de betrokken persoon niet persoonlijk is gedagvaard of op een andere wijze in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de terechtzitting waarop het verstekvonnis is gewezen, kan de overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit waarborgen biedt die als toereikend worden beschouwd om de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, ervan te verzekeren dat hij in de uitvaardigende Staat om een nieuwe vonnisprocedure kan vragen en in zijn aanwezigheid worden berecht. Deze omschrijving stemt overeen met de omschrijving van verstek gegeven in resolutie 75 (11) van de Raad van Europa.
In artikel 7, tweede lid, van de wet is nader omschreven wat moet worden verstaan onder " als toereikend beschouwde waarborgen ", teneinde te voorkomen dat de Belgische rechterlijke autoriteiten die zich over de verzoeken moeten uitspreken, een verschillende aanpak hanteren, namelijk het gegeven dat in het recht van de uitvaardigende Staat een bepaling bestaat die voorziet in de mogelijkheid tot hoger beroep en in de voorwaarden voor het instellen ervan, waaruit blijkt dat de persoon daadwerkelijk beroep kan instellen.

3.3. Vormvoorwaarde

3.3.1. Formulier (artikel 2, § 4)
Om geldig te zijn moet een Europees aanhoudingsbevel een aantal van de in artikel 2, § 4, van de wet opgesomde gegevens bevatten. De daarin bepaalde vermeldingen zijn noodzakelijk opdat de uitvoerende rechterlijke autoriteit controle kan verrichten en zich op grond daarvan kan uitspreken over de beslissing tot overlevering van de persoon.
Die gegevens moeten worden vermeld op het formulier dat in alle lid-Staten wordt aangewend en is goedgekeurd door de Raad van de Europese Unie. Dit formulier gaat als bijlage bij deze circulaire.

3.3.2. Talen (artikel 2, §§ 5 en 6)
Om ontvankelijk te zijn, moet een Europees aanhoudingsbevel zijn opgesteld in een van de drie officiële talen van België : Nederlands, Frans of Duits.
In voorkomend geval wordt het Europees aanhoudingsbevel ontvangen in een van de drie officiële talen van België vertaald in de taal van de rechtspleging, zulks overeenkomstig de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

3.3.2.1. Bijzonder geval : onjuist, onvolledig of onduidelijk formulier
Krachtens de wet is het gegeven dat het Europees aanhoudingsbevel kennelijk onjuist, onvolledig of onduidelijk is, geen grond tot weigering.
In dat geval is het aan de onderzoeksrechter om aan de uitvaardigende lidstaat met spoed de nodige bijkomende gegevens te vragen (artikel 15).

4. Voorwaarden voor de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel door een Belgische rechterlijke autoriteit

4.1. Grondvoorwaarden

4.1.1. Voorwaarden voor de uitvaardiging van een aanhoudingsbevel op nationaal vlak
Een Europees aanhoudingsbevel moet zijn gegrond op het bestaan van een uitvoerbaar vonnis, van een bevel tot aanhouding bij verstek of van enige andere uitvoerbare rechterlijke beslissing met dezelfde rechtskracht (artikel 2, § 4, 3°). Een bevel tot medebrenging kan geen grondslag vormen voor een Europees aanhoudingsbevel.
Om geldig te zijn moet een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit de grond- en vormvereisten vervullen bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de wet.
In geval van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op vervolging bevat het Belgische dossier van het gerechtelijk onderzoek noodzakelijkerwijs het Europees aanhoudingsbevel en een bevel tot aanhouding bij verstek (ook internationaal aanhoudingsbevel genoemd) dat de grond- en vormvereisten moet vervullen bedoeld in de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis. Dit laatste aanhoudingsbevel wordt betekend aan de betrokken persoon zodra hij op het Belgische grondgebied aankomt.
België kan de overlevering vragen van een minderjarige die meer dan 16 jaar oud is ingeval de jeugdrechter de zaak uit handen geeft ten voordele van een gemeenrechtelijke rechtbank die een straf of een veiligheidsmaatregel kan uitspreken (artikel 38 van de wet van 8 april 1965).

4.1.2. Strafdrempels (artikel 3)
In artikel 3 worden de strafdrempels bepaald vanaf welke een aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd. Dat betekent dat ten aanzien van een persoon geen Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd wegens feiten waarvoor krachtens de Belgische wet een vrijheidsbenemende straf of veiligheidsmaatregel van minder dan 12 maanden geldt of, wanneer de veroordeling reeds heeft plaatsgevonden of de veiligheidsmaatregel reeds is opgelegd, wegens straffen of veiligheidsmaatregelen met een duur van minder dan 4 maanden.

Ingeval de persoon wordt gezocht met het oog op vervolging moet het Europees aanhoudingsbevel eveneens de voorwaarden naleven bedoeld in de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en inzonderheid artikel 16 waarin voor de op te leggen straf een drempel van een jaar is vastgelegd. Aangezien een bevel tot aanhouding bij verstek noodzakelijk is met het oog op een Europees aanhoudingsbevel, moeten de voorwaarden samen worden gevoegd. Een jaar is bijgevolg vereist voor het opmaken van een Europees aanhoudingsbevel.

4.1.3. Vereiste van de dubbel strafbaarstelling
De uitvaardigende rechterlijke autoriteit moet op het tijdstip waarop zij een Europees aanhoudingsbevel verleent bepalen of de feiten wegens welke de persoon wordt vervolgd of is veroordeeld, deel uitmaken van de lijst van de 32 strafbare feiten.

Opmerking : Met betrekking tot punt 30° van de lijst moet worden onderstreept dat niet alle strafbare feiten bedoeld in titel Ibis van het Strafwetboek inzake de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafgerechtshof ressorteren. In dat geval kan een Europees aanhoudingsbevel worden uitgevaardigd, maar moet de voorwaarde van de dubbele strafbaarstelling niettemin worden vervuld.

4.2. Vormvoorwaarden

4.2.1. Formulier (artikel 2, § 4)
Voor het formulier, zie afdeling 3.3.1, van deze circulaire.
Het origineel van het Europees aanhoudingsbevel wordt in drie exemplaren uitgevaardigd. Het eerste exemplaar wordt bewaard door de uitvaardigende autoriteit, het tweede wordt in bewaring toegezonden aan het SIRENE-bureau en overgezonden door de politiediensten (ingeval het bevel via het Schengeninformatiesysteem wordt overgezonden) en het derde moet aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit worden toegezonden. Ter herinnering : een kopie wordt ter informatie aan de Federale Overheidsdienst Justitie toegezonden.

Het Europees aanhoudingsbevel als dusdanig moet aan de uitvoerende autoriteit worden toegezonden, zonder dat de nationale beslissing die eraan ten grondslag ligt erbij moet worden gevoegd.

Per persoon moet een enkel Europees aanhoudingsbevel worden uitgevaardigd en ten aanzien van een zelfde persoon mag een enkel Europees aanhoudingsbevel worden uitgevaardigd wegens verschillende strafbare feiten. Het volgende criterium moet in aanmerking worden genomen : een enkel Europees aanhoudingsbevel per dossier of aanhangigmaking. Ingeval verschillende strafbare feiten in aanmerking zijn genomen ten laste van de verdachte, is een systeem van nummering van de strafbare feiten raadzaam.

Indien in voorkomend geval blijkt dat de betrokken persoon wordt vervolgd of veroordeeld in andere dossiers in hetzelfde of een ander gerechtelijk arrondissement, moeten twee of meer Europese aanhoudingsbevelen worden opgemaakt en gelijktijdig verstuurd.

Het is van belang zo volledig mogelijk te zijn bij de vermelding van de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen, teneinde met het specialiteitsbeginsel rekening te houden.
Ingeval een rubriek van het formulier niet relevant is voor het betrokken geval, moet zulks duidelijk worden aangegeven met de vermelding " is niet van toepassing ".

De persoon gezocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of van een veiligheidsmaatregel, welke bij verstek is uitgesproken, kan in België verzet doen tegen de beslissing en in zijn aanwezigheid worden berecht. De uitvaardigende rechterlijke autoriteit is verplicht het bestaan van deze waarborg te vermelden in het Europees aanhoudingsbevel (kader d) van het formulier - artikel 32 van de wet).

4.2.2. Talen (artikel 2, §§ 5 en 6)
Opdat het Europees aanhoudingsbevel ontvankelijk zou zijn, moet het aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit worden overgezonden, samen met een vertaling in een taal die door de uitvoerende Staat wordt aanvaard.
Het uitvaardigende parket is belast met de vertaling van het Europees aanhoudingsbevel in de taal of in een van de talen die de uitvoerende Staat aanvaardt.

Het is van belang na te gaan of in de vertaling van het Europees aanhoudingsbevel de vakken van de lijst met strafbare feiten bedoeld in artikel 5, § 2, van de wet zijn aangekruist overeenkomstig het oorspronkelijke Europees aanhoudingsbevel.

Om het taalstelsel te kennen dat geldt in elke lidstaat, raadpleeg de overzichtstabel in bijlage 5.

4.3. Waarborgen

4.3.1. Stelsel betreffende de onderdanen en ingezetenen
De buitenlandse uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel door een Belgische autoriteit toestaan op voorwaarde dat de betrokken persoon na veroordeling in België opnieuw wordt overgebracht naar de uitvoerende staat teneinde er zijn straf te ondergaan.
Zodra een dergelijk verzoek aan België wordt gedaan, richt het parket zich tot de Federale Overheidsdienst Justitie om de officiële waarborg te verkrijgen dat de betrokken persoon na zijn veroordeling in België daadwerkelijk aan de buitenlandse staat wordt overgeleverd teneinde er zijn straf te ondergaan.
Die latere overlevering stemt overeen met een overbrenging, zijnde een procedure waarvoor de beslissing enkel toekomt aan de regeringsautoriteit, overeenkomstig voornoemde wet van 13 mei 1990.
Gelet op het gegeven dat de beslissing hoe dan ook moet worden genomen, is de Federale Overheidsdienst Justitie gemachtigd om het parket te machtigen de betrokken buitenlandse autoriteit kennis te geven van die waarborg inzake terugkeer.

4.3.2. Verstekvonnis
De buitenlandse uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel door een Belgische autoriteit toestaan op voorwaarde dat de bij verstek veroordeeld betrokken persoon een nieuwe vonnisprocedure kan vragen en in zijn aanwezigheid worden berecht. Met het oog hierop kan de uitvoerende autoriteit een waarborg vereisen.

Het wordt aan de rechterlijke autoriteiten aanbevolen om bijzonder precies te zijn bij de formulering van deze waarborg die zal bestaan in het geven van de bepaling van het Belgische recht die voorziet in de mogelijkheid tot hoger beroep en in de voorwaarden voor het instellen ervan, waaruit blijkt dat de persoon daadwerkelijk beroep kan instellen.

5. Procedure in geval van tenuitvoerlegging in België van een Europees aanhoudingsbevel

5.1. Normale procedure voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in België
Een schema over de procedure in geval van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel door België gaat als bijlage bij deze circulaire (zie bijlage 3).

5.1.1. Aanhouding van de persoon

5.1.1.1. De signalering in het SIS wordt gelijkgesteld met een Europees aanhoudingsbevel (artikel 9).
In tegenstelling tot het vroegere uitleveringsstelsel heeft de signalering in het Schengeninformatiesysteem niet langer de loutere waarde van een voorlopig verzoek om aanhouding (artikel 64 van de Schengenovereenkomst), maar de waarde van een Europees aanhoudingsbevel.

Bij wijze van overgang en in afwachting dat het Schengeninformatiesysteem alle gegevens die voor het Europees aanhoudingsbevel zijn vereist kan overzenden (te weten in afwachting van de installatie van het voor 2007 geplande SIS II), moet de signalering worden gevolgd door de overzending van het origineel van het Europees aanhoudingsbevel of van een eensluidend afschrift, samen met een vertaling in het Nederlands, Frans of Duits.

De wet voorziet niet in een ontvangsttermijn van het origineel of van een afschrift van het Europees aanhoudingsbevel. Het Europees aanhoudingsbevel moet evenwel beschikbaar zijn in de taal van de rechtspleging op het tijdstip dat de persoon toegang moet hebben tot zijn dossier vooraleer voor de raadkamer te verschijnen, dus 24 uur voor de zitting.

De uitvaardigende autoriteit moet hierop worden gewezen, alsook in kennis worden gesteld van de uiterste datum voor de mededeling van het Europees aanhoudingsbevel. Bij voorkeur wordt voorzien in een termijn van 10 dagen te rekenen vanaf de aanhouding van de persoon, zoals vermeld in de overzichtstabel die als bijlage 5 gaat. Die mededeling kan onmiddellijk worden gedaan via het SIRENE-bureau nadat de persoon is tegengehouden (concreet via de toezending van een SIRENE-formulier : G).

Ingevolge de aanhouding van een persoon deelt het SIRENE-bureau aan de bevoegde Belgische rechterlijke autoriteit onmiddellijk het bestaan en de inhoud mee van het Europees aanhoudingsbevel dat ten aanzien van de persoon is uitgevaardigd. Die mededeling wordt in de vorm van formulier A gedaan (het gaat om het formulier dat wordt gebruikt voor de signaleringen en gegrond is op artikel 95 van de overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord), aangevuld met een formulier M dat alle nuttige aanvullende gegevens bevat. Er moet worden opgemerkt dat die formulieren gewoonlijk in het Engels zijn opgesteld. Aan het SIRENE-bureau kan evenwel om een officieuze vertaling worden verzocht.

Ter herinnering : die gegevens zijn vereist opdat de onderzoeksrechter de persoon binnen 24 uur na zijn aanhouding in kennis kan stellen van het bestaan en de inhoud van het Europees aanhoudingsbevel dat ten aanzien van hem is uitgevaardigd (artikel 11).

5.1.1.2. Het Europees aanhoudingsbevel of de signalering in het Schengeninformatiesysteem vormt de rechtsgrondslag voor de aanhouding van de betrokken persoon.
Het openbaar ministerie heeft geen beoordelingsbevoegdheid inzake de opportuniteit van de aanhouding.
Het moet alle nodige maatregelen nemen om de gezochte persoon te lokaliseren en om hem te laten aanhouden op grond van de Schengensignalering.

De onderzoeksrechter zal worden verzocht het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen door middel van het standaardformulier dat als bijlage 2 gaat :
- voor de aanhouding van de gezochte persoon. Bij voorbeeld, ingeval het europees aanhoudingsbevel wordt vergezeld van een internationaal rechtshulpverzoek dat doelt op een bijzondere onderzoeksmaatregel (huiszoeking, telefonie);
- of op het tijdstip van de aanhouding van de gezochte persoon.

5.1.1.3. De internationale signalering (Interpol)
De diensten van Interpol blijven belangrijk in een eerste fase wanneer het gaat om Europese aanhoudingsbevelen die door de nieuwe lid-Staten worden overgezonden. De 10 nieuwe lid-Staten zullen immers slechts deelnemen aan het SIS vanaf de invoering van SIS II, die voor 2007 is gepland.
Een internationale signalering (Interpol) vormt een toereikende grondslag voor de voorlopige aanhouding van de persoon. In dat geval moeten de politiediensten dringend verzoeken om de toezending van het Europees aanhoudingsbevel, van een kopie ervan of van een Schengensignalering teneinde de persoon binnen 24 uur voor de onderzoeksrechter te brengen. De uitvoerende autoriteit beschikt over een aanvullende termijn van 10 dagen om de vertaling ervan over te zenden.

5.1.2. Beslissing van de onderzoeksrechter
Binnen 24 uur na de daadwerkelijke vrijheidsbeneming van de betrokken persoon, brengt de onderzoeksrechter hem op de hoogte van :
1. het bestaan en de inhoud van het Europees aanhoudingsbevel.
In werkelijkheid zal hij meestal enkel beschikken over de Schengensignalering, die in de taal van de rechtspleging zal zijn vertaald. Dat document volstaat om aan de wettelijke voorschriften te voldoen;
2. de mogelijkheid in te stemmen met zijn overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit.
Het openbaar ministerie zal oordelen of het noodzakelijk is de betrokken persoon samen met zijn advocaat binnen zeer korte termijn op te roepen om voor hem te verschijnen ingeval het van oordeel is dat die persoon niet op toereikende wijze op de hoogte is gebracht over de mogelijkheden om in te stemmen en de gevolgen ervan.
Ingeval de betrokken persoon voor de onderzoeksrechter duidelijk heeft ingestemd met zijn overlevering zal de procedure omschreven in onderstaand punt 5.3.2. worden toegepast.
3. het recht een advocaat en een tolk te kiezen volgens de toepasselijke regels van het Belgische recht
Na dit eerste verhoor wijst de onderzoeksrechter een met redenen omklede beschikking die betrekking heeft op :
- de vrijheidsbeneming (zie verder);
- het bestaan van een kennelijke weigeringsgrond (zie verder).

5.1.2.1. Verzoek om bijkomende gegevens (artikel 15)
Ingeval de onderzoeksrechter van oordeel is dat hij niet beschikt over de gegevens die zijn vereist om een advies te verlenen over de beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, kan hij vragen dat de uitvaardigende autoriteit ze meedeelt. Indien nodig kan hij daarvoor een beroep doen op de diensten van het Belgische aanspreekpunt van het Europees justitieel netwerk.

De mededeling moet worden verricht binnen een termijn die korter is dan die waarbinnen de raadkamer moet beslissen (te weten 15 dagen te rekenen van de daadwerkelijke vrijheidsbeneming van de persoon). De onderzoeksrechter kan een uiterste datum voor de ontvangst ervan vaststellen, waarbij hij ermee rekening houdt dat de bijkomende gegevens uiterlijk 24 uur voor de zitting bij het dossier van de rechtspleging moeten worden gevoegd.

5.1.3. Beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel

5.1.3.1. Specialiteitsbeginsel (artikel 16, § 4)
Overeenkomstig de artikelen 27 en 28 van het kaderbesluit wordt het specialiteitsbeginsel toegepast op de beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.

Dat beginsel moet ten behoeve van de uitvaardigende autoriteit duidelijk worden vermeld in de beslissing van de raadkamer. De volgende formule zou een normale clausule moeten zijn in iedere beslissing tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, zulks zonder de instemming van de betrokken persoon :

" De persoon op wie deze beslissing van toepassing is, mag niet worden vervolgd, berecht of van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander voor de overlevering begaan strafbaar feit dan dat welk de reden voor de overlevering is geweest, zulks overeenkomstig de bepalingen van het recht van de uitvaardigende Staat genomen overeenkomstig de artikelen 27 en 28 van het kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lid-Staten ".

5.1.3.2. Gevolgen van de overschrijding door de onderzoeksgerechten van de termijn waarover zij beschikken om te beslissen (artikelen 16, § 5, en 17, § 4, tweede lid)
Artikel 16, § 5, heeft betrekking op de gevolgen ingeval de raadkamer de termijn waarover zij beschikt om te beslissen (15 dagen), heeft overschreden.

Ingeval de raadkamer deze termijn niet naleeft, beveelt de onderzoeksrechter de invrijheidstelling van de betrokken persoon. Het openbaar ministerie beschikt dan over een termijn van 24 uur om beroep in te stellen tegen de beschikking van de onderzoeksrechter tot invrijheidstelling. Die beslissing heeft tot gevolg dat de kamer van inbeschuldigingstelling zich moet uitspreken over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.

Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling de termijn waarbinnen zij moet beslissen (15 dagen), heeft overschreden, wordt de persoon eveneens in vrijheid gesteld, waarbij geen beroep vanwege het openbaar ministerie mogelijk is.

De rechterlijke autoriteiten worden gewezen op artikel 19 van de wet, waarin is bepaald dat wanneer de volledige termijn van de procedure 60 dagen (3) overschrijdt, het openbaar ministerie de betrokken persoon en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis moet stellen met opgave van de redenen van de vertraging. In een dergelijk geval kan de termijn met dertig dagen worden verlengd.
( (3) Een dergelijke overschrijding van de termijn van 60 dagen kan zich voordoen in het specifieke geval waarbij tegen de beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel tweemaal beroep is ingesteld bij het Hof van Cassatie, met verwijzing. )
Ingeval de verlengde termijn van 90 dagen wordt overschreden, stelt het openbaar ministerie daarvan onmiddellijk de federale procureur in kennis, die op zijn beurt Eurojust en de Federale Overheidsdienst Justitie in kennis stelt, met opgave van de redenen van de vertraging.

5.1.3.3. Begin van de proceduretermijnen ingeval de betrokken persoon reeds in België is gedetineerd
Zodra een Europees aanhoudingsbevel in een correcte en behoorlijke vorm wordt ontvangen, moet de procureur des Konings het ten uitvoer leggen zonder het einde van de Belgische procedure af te wachten.
De enige termijn waarmee rekening moet worden gehouden is die van de beslissing van de raadkamer betreffende de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel. Die termijn van 15 dagen gaat in te rekenen vanaf de kennisgeving van het Europees aanhoudingsbevel aan de betrokkene.

De termijn voor het voorgeleiden voor de onderzoeksrechter binnen 24 uur na de aanhouding is niet van belang, aangezien de onderzoeksrechter de betrokkene (die reeds gedetineerd is in het kader van een procedure in België) kan oproepen teneinde het buitenlands Europees aanhoudingsbevel te bevestigen wanneer hij zulks wenst (maar voor de behandeling door de raadkamer). Bij dat eerste verhoor moet de onderzoeksrechter uitspraak doen over eventuele kennelijke gronden om de overlevering te weigeren (weigeringsgronden) en om de vrijheidsbeneming te bevestigen. In een dergelijk geval zal de persoon dus gedetineerd blijven op grond van verschillende bevelen.

In geval van een positieve beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel kan het openbaar ministerie gebruik maken van de krachtens de wet geboden mogelijkheid van uitgestelde of tijdelijke overlevering (artikel 24).

5.1.3.4. Schorsing van de termijnen - Verzoeken tot uitstel
De termijnen worden geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op verzoek van de betrokken persoon of van zijn raadsman (artikel 19, § 3). Uitstel waarom het openbaar ministerie heeft verzocht schorst de termijnen niet.

5.1.3.5. Mededeling van de beslissing aan de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende Staat
Het openbaar ministerie is de gesprekspartner van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit.
Het openbaar ministerie betekent de definitieve beslissing omtrent de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel onmiddellijk aan de betrokken persoon en aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit (artikel 21). De mededeling van de beslissing aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit is niet onderworpen aan enige bijzondere formaliteit, voor zover de uitvaardigende autoriteit een schriftelijk bewijs ervan kan houden.
In de wet is niet nader bepaald op welke wijze het openbaar ministerie met de uitvaardigende autoriteit communiceert. Die nadere bepaling is opzettelijk weggelaten met het oog op de eventuele evolutie in de communicatietechnologieën. De mededeling kan rechtstreeks of via het SIRENE-bureau worden gedaan. Er worden thans andere communicatiemiddelen uitgewerkt (in de toekomst zal een beveiligd telecommunicatiesysteem de aanspreekpunten van het Europees justitieel netwerk met elkaar verbinden).

Ingeval de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel negatief is, wordt het SIRENE-bureau ervan op de hoogte gebracht en plaatst het een geldigheidsindicator op de eventuele signalering van de betrokken persoon.

5.1.4. Overlevering (artikel 22)
Ingeval de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel positief is, komt het openbaar ministerie met de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende Staat onverwijld een datum overeen voor de overlevering van de persoon op wie het voornoemd bevel betrekking heeft. De betrokken persoon wordt eveneens onmiddellijk daarvan in kennis gesteld.
Bij de overlevering van de persoon in de uitvoerende Staat zijn de bestaande regels inzake de verplaatsing van politieambtenaren van toepassing.

5.1.4.1. Geval van overmacht (artikel 22, § 2)
Ingeval de betrokken persoon ingevolge overmacht niet kan worden overgeleverd binnen de gestelde termijn, treedt het openbaar ministerie onmiddellijk in contact met de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende Staat teneinde een nieuwe datum voor de overlevering vast te stellen. Die nieuwe datum moet worden vastgesteld uiterlijk 10 dagen na het verstrijken van de eerste termijn van 10 dagen na de definitieve beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel (ten laatste 20 dagen na de definitieve beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel). Er moet worden opgemerkt dat de wet ter zake strikter is dan het kaderbesluit waarin deze laatste voorwaarde niet is opgenomen. De betrokken persoon wordt van de nieuwe datum in kennis gesteld.
In elk geval moet de overlevering uiterlijk 10 dagen na de overeengekomen datum voor de overlevering plaatsvinden. Indien geen nieuwe datum is overeengekomen of de overlevering niet binnen de laatste termijn is uitgevoerd, wordt de persoon opnieuw in vrijheid gesteld ingeval hij zich nog steeds in hechtenis bevindt.

5.1.4.2. Tijdelijke opschorting van de overlevering wegens ernstige humanitaire redenen (artikel 23)
Aangezien het gaat om een wijze voor de tenuitvoerlegging van een definitieve beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, moet het openbaar ministerie het bestaan vaststellen van de ernstige humanitaire reden alsook van de verdwijning ervan.

Zodra deze redenen niet meer bestaan, is er geen reden meer tot opschorting en moet de persoon worden overgeleverd. Het openbaar ministerie stelt de verdwijning van de ernstige humanitaire redenen vast. De uitvaardigende rechterlijke autoriteit wordt op de hoogte gehouden van deze ontwikkelingen en een nieuwe datum voor de overlevering wordt in onderling overleg vastgesteld. Die nieuwe datum wordt vastgesteld uiterlijk binnen 10 dagen nadat het openbaar ministerie de uitvaardigende autoriteit daarvan in kennis heeft gesteld. De betrokken persoon wordt daarvan in kennis gesteld.

5.1.4.3. Uitgestelde overlevering (artikel 24)
Ingeval de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel van toepassing is, in België wordt vervolgd of hij reeds is veroordeeld en indien de feiten die hem ten laste worden gelegd verschillen van die bedoeld in het Europees aanhoudingsbevel, voorziet de wet in de mogelijkheid van een uitgestelde of tijdelijke overlevering (zie afdeling 5.1.4.4).
De uitgestelde overlevering kan bijvoorbeeld worden toegepast wanneer de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, in het verleden door een gerecht van de uitvoerende lidstaat is veroordeeld wegens andere strafbare feiten dan die welke hem in het genoemde bevel ten laste worden gelegd en deze straf nooit ten uitvoer is gelegd. De uitvoerende lidstaat zou derhalve ernaar kunnen streven deze persoon niet onmiddellijk aan de uitvaardigende lidstaat over te leveren en hem eerst zijn gevangenisstraf waartoe hij eerder is veroordeeld, te laten uitzitten. In dit geval vindt de overlevering plaats zodra de persoon zijn straf heeft ondergaan, zulks overeenkomstig het recht van toepassing op de tenuitvoerlegging van straffen in België.
Ingeval ten aanzien van de betrokken persoon nog een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek loopt in België wegens feiten die verschillen van die waarvoor het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, kan de overlevering eveneens worden uitgesteld tot de eventuele beslissing tot buitenvervolgingstelling of tot na de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf die hem eventueel wordt opgelegd.
Het behoort tot de bevoegdheid van het openbaar ministerie te beslissen of voorrang moet worden verleend aan het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek dat in België loopt dan wel aan het verzoek tot overlevering dat is gegrond op het Europees aanhoudingsbevel.

5.1.4.4. Tijdelijke overlevering (artikel 24)
De uitgestelde overlevering kan daarentegen worden vervangen door een tijdelijke overlevering. De wijze waarop en de voorwaarden daaromtrent moeten in onderling overleg tussen de betrokken autoriteiten worden bepaald. Deze laatste procedure kan bijvoorbeeld worden gevolgd ingeval zij noodzakelijk is om het verlies van bewijsstukken in de uitvaardigende Staat te voorkomen of om de gelijktijdige berechting van de betrokken persoon en van de medeverdachten mogelijk te maken, of nog ingeval de feiten waarvoor de persoon in de uitvaardigende staat wordt vervolgd, op korte termijn kunnen verjaren.

5.1.5. Overdracht van voorwerpen (artikel 26)
De voorwerpen die kunnen dienen als overtuigingsstuk of die zijn verkregen door het strafbare feit, worden aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit bezorgd, hetzij op haar verzoek, hetzij op eigen initiatief door de raadkamer. De aandacht van de rechterlijke autoriteiten wordt gevestigd op deze mogelijkheid waarover de uitvaardigende rechterlijke autoriteit beschikt om de voorwerpen te bezorgen, hetgeen de mogelijkheid biedt geen gebruik te moeten maken van een met het Europees aanhoudingsbevel parallelle ambtelijke opdracht (zie kader g) van het formulier).
Naar analogie van artikel 11 van de uitleveringswet van 15 maart 1874 kan de raadkamer eventueel de teruggave van de stukken en voorwerpen bevelen. Zij beslist ook over terugvorderingen van derde bezitters of van andere rechthebbenden.
De tenuitvoerlegging van de inbeslagneming gebeurt overeenkomstig het Belgische recht.

5.2. Procedure in geval van een kennelijke weigeringsgrond (artikel 14)
Een schema over de procedure in geval van een kennelijke weigeringsgrond voor de overlevering gaat als bijlage bij deze circulaire (bijlage 4).
Ingeval de onderzoeksrechter naar aanleiding van het eerste verhoor bedoeld in artikel 11 het bestaan vaststelt van een kennelijke weigeringsgrond, moet hij onverwijld een met redenen omklede beslissing tot niet-tenuitvoerlegging nemen.
Deze procedure bij hoogdringendheid beoogt een onwerkzame hechtenis van de betrokken persoon zo veel mogelijk te voorkomen. Dientengevolge worden de kennelijke weigeringsgronden enkel beschouwd in het kader van de toepassing van een weigeringsgrond waarvoor geen contradictoir debat inzake de opportuniteit noodzakelijk is.
In elk geval moet de onderzoeksrechter bij wie een Europees aanhoudingsbevel aanhangig is gemaakt uitspraak erover doen of de persoon al dan niet in hechtenis wordt gehouden en ingeval een kennelijke weigeringsgrond wordt vastgesteld, moet de persoon in vrijheid worden gesteld. De onderzoeksrechter kan hem verzoeken ter beschikking te blijven van de Belgische rechterlijke of politiële autoriteiten.
Ingeval de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel negatief is, wordt het SIRENE-bureau ervan op de hoogte gebracht en plaatst het een geldigheidsindicator op de eventuele signalering van de betrokken persoon.

5.3. Procedure in geval van toestemming van de persoon (artikel 13)
De wet voorziet in een vereenvoudigde procedure ingeval de persoon instemt met zijn overlevering.

5.3.1. Gevolgen van de instemming

Door de instemming ziet de persoon af van de mogelijkheid een beroep te doen op het specialiteitsbeginsel.
De instemming wordt beschouwd als een recht van de gezochte persoon en kan in ieder stadium van de procedure worden gegeven of ingetrokken tot op het tijdstip van de daadwerkelijke overlevering. Om die reden wordt de periode tussen de datum van de instemming en de datum van de intrekking ervan niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van de termijnen (in die zin, zie de beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen, gewezen op 12 oktober 2004).

5.3.2. Optekening van instemming
Om geldig te zijn moet de instemming worden opgetekend door de procureur des Konings. Ingevolge de instemming van de betrokken persoon beslist de procureur des Konings over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel. Dit strekt ertoe te voorkomen dat ingeval ten aanzien van de persoon verschillende Europese aanhoudingsbevelen zijn uitgevaardigd, hij kan kiezen voor de volgens hem meest gunstige en zodoende zich kan onttrekken aan de controle van de raadkamer krachtens artikel 29 van de wet.
Deze procedure is niet van toepassing ingeval de onderzoeksrechter een kennelijke weigeringsgrond vaststelt (artikel 14 van de wet).

De optekening van de instemming door het openbaar ministerie kan vervolgens plaatsvinden na het eerste verhoor van de onderzoeksrechter. Het is niet nodig te wachten op de ontvangst van het origineel (of van een eensluidend afschrift) van het Europees aanhoudingsbevel.

Het verhoor door de onderzoeksrechter is verplicht zelfs ingeval de aangehouden persoon met zijn overlevering instemt voor het verstrijken van de termijn van 24 uur na zijn aanhouding.

Artikel 11 van de wet, van toepassing krachtens artikel 13, § 3, voorziet in het optreden van de onderzoeksrechter uiterlijk binnen 24 uur na de vrijheidsbeneming; hij wordt niet vrijgesteld van optreden ingeval de duur van de vrijheidsbeneming korter is dan die termijn.

In artikel 11, § 1, 2°, is bovendien bepaald dat de onderzoeksrechter de persoon in kennis moet stellen van de mogelijkheid in te stemmen met zijn overlevering. Het optreden van de onderzoeksrechter is bijgevolg absoluut noodzakelijk teneinde hem de mogelijkheid te bieden de persoon in kennis te stellen van de gevolgen van zijn instemming en inzonderheid van het gegeven dat hij door de instemming afziet van de mogelijkheid een beroep te doen op het specialiteitsbeginsel.

5.4. Beslissingen inzake de detentie van de persoon tijdens de procedure
5.4.1. De onderzoeksrechter beslist tot detentie van de persoon binnen 24 uur na de aanhouding (artikel 11)
Hij kan bevelen de persoon in hechtenis te nemen of te houden. Hij kan eveneens bevelen dat de persoon in vrijheid wordt gesteld onder voorwaarden of mits betaling van een borgsom. In dat geval moet hij zich ervan vergewissen dat de persoon ter beschikking van het gerecht blijft.

De onderzoeksrechter kan in dit geval ook beslissen tot de niet-tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel ingeval een kennelijke weigeringsgrond bestaat (zie afdeling 5.2).

Tegen de beschikking van de onderzoeksrechter die beslist over de vrijheidsbeneming tijdens de procedure van onderzoek van het Europees aanhoudingsbevel staat geen rechtsmiddel open (artikel 11, § 7, van de wet).
5.4.2. Handhaving van de hechtenis tijdens de procedure (artikel 20)

De handhaving van de hechtenis tijdens de procedure wordt enkel onderzocht door de onderzoeksrechter en niet door de onderzoeksgerechten die enkel beslissen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.
De beslissing tot detentie wordt genomen door de onderzoeksrechter na afloop van het eerste verhoor. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. In tegenstelling tot de beschikking van de onderzoeksrechter die beslist over de afgifte van een aanhoudingsbevel op nationaal vlak, is de geldigheid van die beschikking niet beperkt tot 5 dagen maar tot de definitieve beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel (artikel 20, § 1, van de wet betreffende het Europees aanhoudingsbevel).

Dit verschil houdt verband met de vereisten die eigen zijn aan het stelsel van het Europees aanhoudingsbevel waarvan de doelstelling bestaat in de overlevering van de persoon aan een buitenlandse autoriteit. Deze verschillende behandeling wordt evenwel getemperd door de mogelijkheid die aan de onderzoeksrechter wordt geboden om zijn beslissing te herzien tot de definitieve beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel door de onderzoeksgerechten.

De onderzoeksrechter beschikt op ieder tijdstip van de procedure over de mogelijkheid de persoon onder voorwaarden of op borgtocht vrij te laten, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de betrokken persoon. De betrokken persoon wordt hierover gehoord.

De raadkamer beschikt over een subsidiaire bevoegdheid ingeval de onderzoeksrechter binnen 15 dagen volgend op het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling vanwege de betrokken persoon, zulks weigert of daaromtrent geen beslissing neemt.

In dat geval is bij gebreke van een specifieke bepaling en op grond van de algemene beginselen van de strafrechtelijke procedure beroep mogelijk voor de kamer van inbeschuldigingstelling tegen de beslissing van de raadkamer die beslist over de hechtenis, overeenkomstig artikel 20, § 3, van de wet.

5.4.3. Handhaving van de hechtenis na de definitieve beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel (artikel 20, § 4)
Artikel 20, § 4, voorziet erin dat het definitieve besluit het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen de titel van vrijheidsbeneming oplevert tot de daadwerkelijke overleving van de persoon aan de uitvaardigende Staat.
Verschillende gevallen kunnen voorkomen :
1. in het definitieve besluit van het onderzoeksgerecht is niet voorzien in voorwaardelijke invrijheidstelling of in invrijheidstelling tegen borgstelling :
Ingeval de persoon gedetineerd was op het tijdstip van de beslissing, blijft hij opgesloten tot zijn daadwerkelijke overlevering.
Ingeval de persoon door de onderzoeksrechter in vrijheid was gesteld onder voorwaarden of tegen borgstelling zal hij op grond van de beslissing van het onderzoeksgerecht opnieuw worden opgesloten tot zijn daadwerkelijke overlevering.
2. het definitieve besluit van het onderzoeksgerecht bevat zelf een voorwaardelijke invrijheidstelling of een invrijheidstelling tegen borgstelling overeenkomstig artikel 20, § 4, tweede lid, van de wet betreffende het Europees aanhoudingsbevel :
Ingeval de persoon gedetineerd was op het tijdstip van de beslissing, wordt hij in vrijheid gesteld tot zijn daadwerkelijke overlevering, op de voorwaarde dat hij ter beschikking van de Justitie blijft en gehoor geeft aan alle oproep. In dat geval wordt de persoon ten hoogste 24 uren voor zijn daadwerkelijke overlevering aan de buitenlandse autoriteiten opgeroepen. Hij zal van tevoren in kennis worden gesteld van de plaats, de datum en het uur van zijn daadwerkelijke overlevering.

5.5. Bijzondere gevallen

5.5.1. De persoon is voordien aan België uitgeleverd of overgeleverd (artikel 27)
De instemming van de Staat die voordien de uitlevering heeft toegestaan, vormt een opschortende voorwaarde voor de aanvang van de in artikel 16 tot 19 omschreven termijnen.
De betrokken persoon wordt op de hoogte gehouden van de stappen die worden ondernomen en van de opschorting van de termijnen. Het openbaar ministerie houdt tevens de uitvaardigende rechterlijke autoriteit op de hoogte van de evolutie van het dossier.
Naar analogie hiervan geldt dezelfde procedure ingeval de persoon aan de uitvoerende Staat krachtens een Europees aanhoudingsbevel is overgeleverd en wordt hij op grond van de beslissing tot tenuitvoerlegging van dat bevel beschermd door de bepalingen van het specialiteitsbeginsel.

5.5.2. Eventuele vervolging voor andere strafbare feiten (artikel 31)
Het specialiteitsbeginsel is van toepassing op de definitieve beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.
Artikel 31 betreft het geval waarin de uitvaardigende rechterlijke autoriteit na de overlevering de gezochte persoon wenst te vervolgen, te veroordelen of zijn vrijheid te benemen wegens een ander, voor de overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft. In dit geval kan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit slechts optreden met de instemming van de raadkamer.

Het verzoek tot instemming moet worden voorgelegd samen met de gegevens vermeld in artikel 2, § 4, van de wet, alsook met een vertaling in een van de officiële talen van België.
De beslissing van de raadkamer wordt gewezen onder dezelfde voorwaarden en aan de hand van een controle identiek aan die omschreven in de wet betreffende tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. De maximumtermijn voor deze procedure bedraagt 30 dagen.
Het betreft een procedure op tegenspraak. De persoon kan zich laten vertegenwoordigen door zijn raadsman ingeval hij niet persoonlijk wenst te verschijnen.

5.5.3. Samenloop

5.5.3.1. Samenloop van 2 Europese aanhoudingsbevelen (artikel 29)
Artikel 29 betreft het geval waarin ten aanzien van dezelfde persoon verschillende Europese aanhoudingsbevelen tegelijk door verschillende lid-Staten zijn uitgevaardigd. In dat geval moet de raadkamer zich uitspreken over de keuze van het bevel dat ten uitvoer moet worden gelegd. De territoriaal bevoegde procureur des Konings stelt de federale procureur onmiddellijk daarvan in kennis en maakt de zaak bij de raadkamer aanhangig.
De raadkamer doet uitspraak binnen 15 dagen op advies van de federale procureur, alsook op grond van een aantal factoren die ter informatie in het artikel zijn opgesomd (ernst van de strafbare feiten en plaats waar ze zijn gepleegd, de respectieve data van de verschillende Europese aanhoudingsbevelen, alsook het gegeven dat het bevel is uitgevaardigd met het oog op vervolging of op tenuitvoerlegging van een straf). Er kan rekening worden gehouden met andere omstandigheden, zoals de stand van zaken van de procedure, de nabijheid van het proces, enz. De voorrang die moet worden verleend aan de verschillende criteria moet naar gelang van het geval worden beoordeeld.
Het optreden van de federale procureur met betrekking tot deze bepaling wordt verantwoord door de opdrachten waarmee hij is belast, in het bijzonder het vergemakkelijken van de internationale samenwerking. Bovendien kan de federale procureur om het advies van Eurojust verzoeken teneinde de raadkamer te helpen een keuze te maken. Dat advies kan bijzonder relevant blijken aangezien Eurojust belast is met de bevordering van de coördinatie van de onderzoeken tussen de lid-Staten en zodoende hierover een volledig overzicht heeft.

Het openbaar ministerie stelt de diverse uitvaardigende rechterlijke autoriteiten onmiddellijk in kennis van de beslissing inzake de keuze van het Europees aanhoudingsbevel dat ten uitvoer zal worden gelegd.

5.5.3.2. Conflict tussen het Europees aanhoudingsbevel en een verzoek tot uitlevering (artikel 30)
Artikel 30 is gericht op het geval waarin een conflict bestaat tussen een uitleveringsverzoek van een derde staat en een Europees aanhoudingsbevel. Gelet op de verantwoordelijkheid van de uitvoerende macht inzake de uitleveringsprocedures, moet de regering beslissen.

De territoriaal bevoegde procureur des Konings stelt de federale procureur en de FOD Justitie onmiddellijk daarvan in kennis en bezorgt hen het verslag van de met de zaak belaste onderzoeksrechter.
De regering (concreet de Minister van Justitie) neemt deze beslissing op grond van het met redenen omkleed advies van de federale procureur, van de opmerkingen van de onderzoeksrechter evenals van de omstandigheden omschreven in § 1 van het vorige artikel. De regering (de FOD Justitie) beschikt daartoe over een termijn van 30 dagen.

De termijnen waarover de onderzoeksgerechten en het Hof van Cassatie beschikken om te beslissen worden opgeschort tot de beslissing is genomen omtrent de keuze van het verzoek om overlevering die ten uitvoer moet worden gelegd.
Ingeval voorrang wordt verleend aan het Europees aanhoudingsbevel, moet de raadkamer uitspraak doen over de tenuitvoerlegging ervan. Indien de overlevering van de persoon in dat geval uiteindelijk wordt geweigerd op grond van artikel 16 en volgende van dit ontwerp, kan de uitleveringsprocedure worden voortgezet.

5.5.3.3. Conflict tussen het Europees aanhoudingsbevel en een verzoek tot overlevering van het Internationaal Strafgerechtshof (artikel 30)
Wanneer bijgevolg een verzoek van het Internationaal Strafgerechtshof samenvalt met een Europees aanhoudingsbevel, wordt zulks geregeld overeenkomstig artikel 90 van het Statuut van het Internationaal Strafgerechtshof.
In dit verband moet worden opgemerkt dat thans een circulaire betreffende de behandeling van verzoeken tot overlevering vanwege het Internationale Strafgerechtshof wordt uitgewerkt.

6. Procedure in geval van uitvaardiging in België van een Europees aanhoudingsbevel

6.1. Bevoegde autoriteit (artikel 32)
Ofwel wordt het bevel uitgevaardigd ten aanzien van een persoon gezocht met het oog op vervolging : in dat geval is de onderzoeksrechter die belast is met de zaak, de rechterlijke autoriteit die bevoegd is voor de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel.
Ofwel wordt het bevel uitgevaardigd ten aanzien van een persoon gezocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of van een veiligheidsmaatregel : in dat geval is de procureur des Konings, de procureur-generaal of de federale procureur de rechterlijke autoriteit die bevoegd is voor de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel.
Overeenkomstig artikel 139 van het Gerechtelijk Wetboek wordt het Europees bevel tot aanhouding gegrond op een beschikking tot lijfsdwang opgemaakt door de procureur des Konings.
Bijzondere gevallen : Wat gebeurt er met het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd ter fine van vervolging van een persoon ten aanzien van wie inmiddels een verstekvonnis is tussengekomen.
In dat geval wijzigt de titel van vrijheidsbeneming. Een nieuw Europees aanhoudingsbevel moet worden uitgevaardigd op grond van het vonnis want het nationaal aanhoudingsbevel, grondslag van het oorspronkelijke Europees aanhoudingsbevel, heeft opgehouden te bestaan ingevolge de veroordeling bij verstek.
Wie mag het Europees aanhoudingsbevel uitvaardigen in geval van verwijzing met detentie door de raadkamer naar de correctionele rechtbank.
Aangezien de zaak aan de onderzoeksrechter wordt onttrokken, moet het openbaar ministerie in het kader van zijn algemene opdracht van tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissingen een Europees aanhoudingsbevel uitvaardigen, zelfs ingeval de persoon wordt gezocht met het oog op vervolging.

6.2. Overzending en/of signalering

6.2.1. Overzending via het Schengeninformatiesysteem
De signalering van de persoon via het Schengeninformatiesysteem geschiedt op grond van een Europees aanhoudingsbevel.
Ingeval de gezochte persoon in een lidstaat wordt aangehouden, moet het origineel van het Europees aanhoudingsbevel samen met een officiële vertaling binnen een tamelijk korte termijn, die schommelt naar gelang van de lidstaat, aan die staat worden overgezonden. Bij ontstentenis daarvan kan de betrokken persoon in vrijheid worden gesteld. De met het dossier belaste magistraat moet zorgen voor de vertaling.
Teneinde de termijnen te kennen die elke lidstaat eist met het oog op de ontvangst van het Europees aanhoudingsbevel en de vertaling ervan, moet u de overzichtstabel raadplegen die als bijlage 5 gaat. Die gegevens zullen worden bevestigd of nader omschreven vanaf de aanhouding van de persoon door toedoen van het SIRENE-bureau van de uitvoerende staat.
Opmerkingen :
Aangezien IJsland en Noorwegen geen lid zijn van de Europese Unie, passen zij het Europees aanhoudingsbevel niet toe. Wanneer een persoon op grond van een signalering in het Schengeninformatiesysteem op het grondgebied van een van beide landen wordt aangetroffen, zijn de bestaande regels inzake de uitlevering van toepassing. Omgekeerd wordt een signalering uitgevaardigd door een van beide landen als een verzoek tot voorlopige aanhouding in het kader van een uitleveringsprocedure behandeld (4).
( (4) Er moet worden opgemerkt dat onderhandelingen aan de gang zijn tussen de Europese Unie en IJsland en Noorwegen teneinde de uitleveringsvoorwaarden te verbeteren. )
Onder voorbehoud van bevestiging, treedt het Verenigd Koninkrijk eind 2005 toe tot het Schengen Informatie Systeem. Voor de toetreding van Ierland is nog geen datum gepland.
Gevolg dat wordt gegeven aan de vroegere signaleringen :
De vorige signaleringen blijven geldig na de inwerkingtreding van het Europees aanhoudingsbevel. Ingeval de persoon wordt aangehouden in een lidstaat van de Europese Unie, moet zo spoedig mogelijk een Europees aanhoudingsbevel worden opgemaakt.
Het lijkt niet gepast te voorzien in een procedure van stelselmatige omzetting. Elke onderzoeksrechter moet, eventueel in overleg met het bevoegde parket, de relevantie beoordelen van de omzetting van de vroegere internationale aanhoudingsbevelen in een Europees aanhoudingsbevel.

6.2.2. Andere wijzen van overzending
De verschillende kanalen vormen allemaal mogelijkheden om de overzending te versnellen. Hoofdzaak is dat naargelang de specifieke situatie eigen aan elk geval het Europees aanhoudingsbevel op de snelste en de eenvoudigste manier de uitvoerende autoriteit bereikt.

6.2.2.1. Beveiligd telecommunicatiesysteem van het Europees justitieel netwerk
Nog niet operationeel.

6.2.2.2. Diensten van Interpol
De diensten van Interpol worden evenwel slechts subsidiair vermeld. Voorrang wordt immers verleend aan het specifieke informatiesysteem van de lid-Staten van de Europese Unie.
De diensten van Interpol blijven evenwel belangrijk in een eerste fase wanneer het gaat om Europese aanhoudingsbevelen die aan de nieuwe lid-Staten moeten worden overgezonden. De 10 nieuwe lid-Staten zullen immers slechts deelnemen aan het SIS vanaf de invoering van SIS II, die voor 2007 is gepland.
De signalering van de persoon via de diensten van Interpol geschiedt op grond van een Europees aanhoudingsbevel.

6.2.2.3. Enig ander middel
Die nadere bepaling is opzettelijk weggelaten met het oog op de eventuele evolutie in de communicatietechnologieën. Er moet immers een bepaalde soepelheid worden gehanteerd bij de toepassing van het Europees aanhoudingsbevel.

6.3. Belangrijke opmerking betreffende de procedure van internationale signalering van een gezochte persoon
Zelfs ingeval uit de gegevens van het dossier blijkt dat de gezochte persoon zich buiten de Europese Unie bevindt (hoewel de exacte plaats waar hij zich bevindt onbekend is), is het voor de rechterlijke autoriteiten raadzaam een Europees aanhoudingsbevel op te maken. De dienst DSO van de federale politie voegt immers automatisch bij een Interpolsignalering een signalering overeenkomstig Schengen. Bij gebreke van een Europees aanhoudingsbevel kan de dienst DSO de procedure van de Schengensignalering niet opstarten.
Het betreft een praktische maatregel waardoor de mogelijkheid wordt geboden aanzienlijk veel tijd te winnen ingeval de gezochte persoon toch zou worden aangehouden in een land van de Europese Unie dat het Europees aanhoudingsbevel toepast.

6.4. Specialiteitsbeginsel
Een persoon die aan de Belgische autoriteiten werd overgeleverd op grond van het Europees aanhoudingsbevel is beschermd door het specialiteitsbeginsel overeenkomstig de artikelen 37 en 38 van de wet.

6.4.1. Verbod om een persoon te vervolgen, veroordelen of zijn vrijheid te benemen wegens een ander, voor de overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft (artikel 37)
Artikel 37, § 2, voorziet in 6 uitzonderingen waarop het specialiteitsbeginsel niet van toepassing is.
Ingeval, buiten die 6 gevallen, de Belgische rechterlijke autoriteit belast met het dossier de overgeleverde persoon toch wenst te vervolgen, te veroordelen of van zijn vrijheid te benemen wegens een ander, voor de overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft, moet aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit een verzoek tot toestemming worden gericht overeenkomstig dezelfde vormvereisten als een Europees aanhoudingsbevel.

6.4.2. Latere overlevering of uitlevering (artikel 38)
Ingeval ten aanzien van de overgeleverde persoon later een Europees aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd door een andere lidstaat, richt de procureur des Konings een verzoek om toestemming aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de oorspronkelijke overlevering aan de Belgische autoriteiten heeft toegekend. Dit verzoek om toestemming gaat vergezeld van het tweede Europees aanhoudingsbevel.

Ingeval ten aanzien van de overgeleverde persoon later een uitleveringsverzoek wordt ingediend, richt de Federale Overheidsdienst Justitie een verzoek om toestemming aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de betrokken persoon heeft overgeleverd
Gegeven te Brussel, op 8 augustus 2005.
Voor de Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie :
De Minister van Defensie,
A. FLAHAUT

 

BIJLAGEN.

Art. N1. Bijlage 1. - Lijst van de aanspreekpunten van het Europees Justitieel Netwerk.
(Lijst niet gepubliceerd).

Art. N2. Bijlage 2. - Europees aanhoudingsbevel.
(Zie B.S. 31-08-2005, p. 38289-38295).

Art. N3. Bijlage 3. - Schema 1.
(Schema niet gepubliceerd).

Art. N4. Bijlage 4. - Schema 2.
(Schema niet gepubliceerd).

Art. N5. Bijlage 5. - Overzichtstabel.
(Tabel niet gepubliceerd).

Art. N6. Bijlage 6. - Informatie aan de FOD Justitie - Model 1.
(Zie B.S. 31-08-2005, p. 38296).

Art. N7. Bijlage 7. - Informatie aan de FOD Justitie - Model 2.
( Zie B.S. 31-08-2005, p. 38297).

Franstalige versie

 

Gecoördineerde actuele versie van de wet: 
Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 03/04/2011 - 11:11
Laatst aangepast op: wo, 29/11/2017 - 10:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.