-A +A

Habitatrichtlijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Alternatieve naam: 
richtlijn biologische diversiteit
Afkondiging: 
zon, 21/05/1995
Tekst van de wetgeving: 
Natuurlijke habitats (Natura 2000)
Een van de doelstellingen van de Europese Unie (EU) is de biologische diversiteit te waarborgen door de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora op het Europese grondgebied van de lidstaten in stand te houden. Daartoe wordt een ecologisch netwerk van speciale beschermingszones “Natura 2000” opgericht. Andere activiteiten op het gebied van controle en toezicht, de herintroductie van inheemse soorten, de introductie van niet-inheemse soorten en onderzoek en opleiding, moeten zorgen voor de samenhang van dit netwerk.
BESLUIT
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna [Zie wijzigingsbesluit(en)].
SAMENVATTING
De continue achteruitgang van de natuurlijke habitats en de bedreiging voor het voortbestaan van bepaalde wilde soorten zijn een centrale zorg in het milieubeleid van de Europese Unie (EU). Deze richtlijn, de “Habitatrichtlijn” genoemd, heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit in de lidstaten, meer bepaald door een gemeenschappelijk kader te scheppen voor de instandhouding van de habitats, planten en dieren die van communautair belang zijn.
De Habitatrichtlijn strekt tot instelling van het “Natura 2000”-netwerk, het grootste ecologische netwerk ter wereld. Het bestaat uit speciale beschermingszones die uit hoofde van deze richtlijn door de lidstaten worden aangewezen. Het omvat tevens de speciale beschermingszones die uit hoofde van Richtlijn 2009/147/EG (de “vogelrichtlijn”) zijn ingesteld.
In bijlage I en bijlage II van de richtlijn wordt aangegeven voor welke types natuurlijke habitats en welke soorten er met het oog op hun instandhouding speciale beschermingszones moeten worden aangewezen. Bepaalde daarvan zijn gedefinieerd als types habitats of soorten die “prioritair” zijn (die het gevaar lopen te verdwijnen). In bijlage IV worden de dier- en plantensoorten genoemd die een bijzonder strikte bescherming behoeven.
De aanwijzing van de speciale beschermingszones verloopt in drie fasen. Elke lidstaat stelt een lijst samen van gebieden waar de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten in kwestie voorkomen. Op basis van die nationale lijsten en in overleg met de lidstaten stelt de Commissie een lijst op van de gebieden van communautair belang voor elk van de negen biogeografische regio’s van de EU (alpiene gebied, Atlantische zone, Zwarte Zeegebied, boreale regio, continentale regio, Macaronesië, Middellandse-Zeegebied, Pannonische regio en steppengebied). Binnen een termijn van maximum zes jaar na de aanwijzing van een gebied als gebied van communautair belang wijst de betrokken lidstaat bedoeld gebied aan als speciale beschermingszone.
Wanneer de Commissie van oordeel is dat een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort op een nationale lijst ontbreekt, wordt een procedure voor bilateraal overleg tussen de desbetreffende lidstaat en de Commissie geopend. Indien dit overleg niet tot een bevredigende oplossing leidt, kan de Commissie de Raad voorstellen bedoeld gebied als gebied van communautair belang aan te wijzen.
In de speciale beschermingszones nemen de lidstaten alle nodige maatregelen om de instandhouding van de habitats te waarborgen en om hun achteruitgang en een aanzienlijke verstoring van de soorten te voorkomen. Overeenkomstig de richtlijn kan de Gemeenschap dergelijke beschermingsmaatregelen eventueel cofinancieren.
Voorts moeten de lidstaten:
  • een adequaat beheer bevorderen van de landschapselementen die essentieel zijn voor de migratie, de geografische verdeling en de genetische uitwisseling van wilde soorten;
  • een systeem instellen van strikte bescherming van bepaalde bedreigde dier- en plantensoorten (bijlage IV) en nagaan of herintroductie van bepaalde soorten op hun grondgebied wenselijk is;
  • het gebruik van niet-selectieve middelen voor het verzamelen, vangen of doden van bepaalde planten- en diersoorten verbieden (bijlage V).
Om de zes jaar stellen de lidstaten een verslag op over de in het kader van deze richtlijn genomen maatregelen. Op basis van deze verslagen stelt de Commissie een samenvattend verslag op.
De bijlagen van deze richtlijn zijn gewijzigd om rekening te houden met de biodiversiteit van de landen die in 2004 en 2007 tot de EU zijn toegetreden. De uitbreiding heeft nieuwe uitdagingen voor de biodiversiteit met zich meegebracht en heeft tot nieuwe elementen geleid, waaronder drie nieuwe biogeografische regio’s (het Zwarte Zeegebied, de Pannonische regio en het steppengebied).
Het Natura 2000-netwerk beslaat thans ongeveer 18 % van het grondgebied van de EU.
Referenties
Besluit
Datum van inwerkingtreding
Uiterste datum voor omzetting in de lidstaten
Publicatieblad
Richtlijn 92/43/EEG
10.6.1992
10.6.1992
PB L 206 van 22.7.1992
Wijzigingsbesluit(en)
Datum van inwerkingtreding
Uiterste datum voor omzetting in de lidstaten
Publicatieblad
Richtlijn 97/62/EG
29.11.1997
31.12.1997
PB L 305 van 8.11.1997
Verordening (EG) nr. 1882/2003
20.11.2003
-
PB L 284 van 31.10.2003
Richtlijn 2006/105/EG
1.1.2007
1.1.2007
PB L 363 van 20.12.2006
De opeenvolgende wijzigingen en rectificaties van Richtlijn 92/43/EEG zijn in de basistekst opgenomen. Deze geconsolideerde versie heeft slechts informatieve waarde.
GERELATEERDE BESLUITEN
Toepassing van de wetgeving
Verslag van de Commissie van 13 juli 2009 over de staat van instandhouding van habitattypes en soorten, als vereist krachtens artikel 17 van de Habitatrichtlijn [COM(2009) 358 definitief – Niet bekendgemaakt in het Publicatieblad]. In dit verslag wordt de tenuitvoerlegging van de Habitatrichtlijn in de periode 2001-2006 in 25 lidstaten beoordeeld. Het verslag schetst de algemene toestand van de biodiversiteit in de EU. Het vormt tevens een referentie voor de beoordeling van de toekomstige ontwikkeling van de meest kwetsbare soorten en habitats.
Uit de resultaten blijkt dat voor heel wat habitats en soorten die binnen de werkingssfeer van de Habitatrichtlijn vallen, geen gunstige staat van instandhouding is bereikt. De algemene toestand van bepaalde habitats (met name graslanden, wetlands en kustgebieden) is middelmatig. Bij bepaalde soorten zijn er tekenen van herstel waarneembaar (bijvoorbeeld de wolf, de Euraziatische lynx, de bever en de otter). Toch moeten nog bijkomende inspanningen worden geleverd om tot gezonde en duurzaam levensvatbare populaties te komen.
Het Natura 2000-netwerk dient te worden vervolledigd en voor bepaalde locaties zijn herstelmaatregelen noodzakelijk. Zowel het netwerk als de beschermde gebieden dienen doeltreffend te worden beheerd en in voldoende mate te worden gefinancierd.
Tot slot trekken vele lidstaten onvoldoende middelen uit voor monitoring van de staat van instandhouding van de soorten en habitats op hun grondgebied. Zonder betrouwbare gegevens is het onmogelijk het effect van de instandhoudingsmaatregelen in te schatten.
Biogeografische regio’s
Krachtens de Habitatrichtlijn moet de Commissie, in overeenstemming met de betrokken lidstaten, een lijst opstellen van gebieden van Europees belang voor elk van de negen biogeografische regio’s.
Lijst van gebieden van de alpiene regio Besluit 2011/62/EU [Publicatieblad L 33 van 8.2.2011].
Lijst van gebieden van de Atlantische regio Besluit 2011/63/EU [Publicatieblad L 33 van 8.2.2011].
Lijst van gebieden van de regio van de Zwarte Zee Besluit 2009/92/EG [Publicatieblad L 43 van 13.2.2009].
Lijst van gebieden van de boreale regio Besluit 2011/84/EU [Publicatieblad L 40 van 12.2.2011].
Lijst van gebieden van de continentale regio Besluit 2011/64/EU [Publicatieblad L 33 van 8.2.2011].
Lijst van gebieden van de Macaronesische regio Besluit 2009/1001/EG [Publicatieblad L 344 van 23.12.2009].
Lijst van gebieden van de mediterrane regio Besluit 2011/85/EU [Publicatieblad L 40 van 12.2.2011].
Lijst van gebieden van de Pannonische regio Besluit 2011/86/EU [Publicatieblad L 40 van 12.2.2011].
Lijst van gebieden van de regio steppengebied Besluit 2008/966/EG [Publicatieblad L 344 van 20.12.2008].
Financiering van Natura 2000
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Financiering van Natura 2000 [COM(2004) 431 – Niet bekendgemaakt in het Publicatieblad]. Nu het Natura 2000-netwerk is opgericht, wordt het beheer van de aangewezen beschermde gebieden de prioritaire opdracht voor de bescherming van de biodiversiteit in de EU. Daartoe zijn voldoende financiële middelen vereist om te waarborgen dat het Natura 2000-netwerk de vastgestelde doelstellingen behaalt en waarbij de middelen worden aangepast aan de specifieke plaatselijke behoeften. De Commissie is van mening dat het netwerk grote voordelen kan meebrengen, zowel van economische aard (ontwikkeling van "diensten" die het ecosysteem biedt, de levering van voedsel en houtproducten, activiteiten die in het gebied worden verricht of er verband mee houden, zoals toerisme, enz.) als van sociale aard (diversificatie van de werkgelegenheid, versterking van de stabiliteit van het sociale weefsel, verbetering van de levensomstandigheden, behoud van het erfgoed, enz.). Tegen eind 2011 zal een nieuwe mededeling worden goedgekeurd over de financiering van het Natura 2000-netwerk.
 

Raad van State

7e Kamer – 25 februari 2016, RW 2016-2017, 418

samenvatting

De uitvoerende overheid waaraan de wet- of de decreetgever een termijn heeft opgelegd waarbinnen een maatregel moet worden genomen, dient zich principieel ook aan deze termijn te houden, bij gebreke waaraan elk wetgevend werk zin- en inhoudsloos zijn.

Weze evenwel opgemerkt dat door het het niet naleven van de opgelegde termijn om een gebied aan te wijzen als speciale beschermingszone de overheid niet steeds de bevoegdheid verliest om de betrokken maatregel alsnog te nemen.

Het Vlaams Gewest is en blijft te dezen immers verplicht, op grond van art. 23.2 van de richtlijn nr. 43/92 van 21 mei 1992 van de Raad “inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna”, om de nodige bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden teneinde binnen twee jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de verplichtingen ervan te voldoen.

Men kan dan ook bezwaarlijk beweren dat het Vlaams Gewest, gelet op deze gemeenschapsrechtelijke verplichting, de bevoegdheid zou hebben verloren om de in het geding zijnde maatregelen te nemen.

tekst arrest

R.B. e.a. t/ Vlaams Gewest

Arrest nr. 233.921

Uittreksel uit het verslag van eerste auditeur P. Provoost

Voor de duidelijkheid moet worden opgemerkt dat de partijen bijwijlen de omzetting van een richtlijn, d.i. het in werking doen treden van de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om aan de richtlijn te voldoen (art. 23, eerste lid van de Habitatrichtlijn. Algemeen: art. 288 en 291 VWEU), lijken te verwarren met de uitvoering van de aldus tot stand gekomen internrechtelijke regelgeving.

Art. 4, vierde lid van de Habitatrichtlijn legt verplichtingen op aan de lidstaten, maar kent hen geen bevoegdheden toe. De maatregelen die moeten worden genomen om te voldoen aan deze verplichtingen – zowel de omzetting als de latere concrete uitvoering van de interne regelgeving – horen tot de eigen bevoegdheid van de lidstaten, die deze intern op autonome wijze organiseren.

Hoewel de verzoekende partijen de bevoegdheidstoewijzing aan de Vlaamse regering, om speciale beschermingszones aan te wijzen en de instandhoudingsdoelstellingen ervan vast te stellen, ten onrechte in art. 4, vierde lid van de Habitatrichtlijn situeren, bestaat er geen onduidelijkheid over dat ze de onbevoegdheid van de verwerende partij opwerpen. Bovendien is de bevoegdheid van de bestuurlijke overheid een zaak van openbare orde en moet de onbevoegdheid ambtshalve door de Raad van State worden opgeworpen.

Art. 36bis, § 9 van het [natuurbehouddecreet] wijst de bevoegdheid om de door de Europese Commissie van communautair belang verklaarde gebieden aan te wijzen als speciale beschermingszone toe aan de Vlaamse regering. Het decreet bevat geen uitdrukkelijke toewijzing van de bevoegdheid om de instandhoudingsdoelstellingen vast te stellen. Wel kan de Vlaamse regering, aldus art. 36ter, § 1, “nadere regels vaststellen met betrekking tot de nodige instandhoudingmaatregelen en de ecologische vereisten, evenals een procedure voor vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen”. Ervan uitgaande dat art. 4, vierde lid van de Habitatrichtlijn vereist dat tegelijk met de aanwijzing als speciale beschermingszone ook de prioriteiten met betrekking tot de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden vastgesteld, bepaalt art. 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 3 april 2009 betreffende de aanwijzing van speciale beschermingszones en de vaststelling van instandhoudingsdoelstellingen:

“Ingeval van het Europees te beschermen gebied in kwestie aangewezen moet worden op grond van art. 36bis, § 9 van het decreet, dan wordt het voorontwerp van instandhoudingsdoelstellingen, vermeld in art. 9, § 1, geïntegreerd in een voorontwerp van aanwijzigingsbesluit, voor het aan de Vlaamse Regering wordt voorgelegd.

“Een aanwijzigingsbesluit bevat de volgende elementen:

[...];

“8o de instandhoudingsdoelstellingen voor het desbetreffende Europees te beschermen gebied”.

Zoals gezegd, werd het gebied dat het voorwerp uitmaakt van het eerste bestreden besluit aan de Europese Commissie voorgesteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 [...]. Het werd door de Commissie van communautair belang verklaard bij beschikking van 7 december 2002 [...]. Overeenkomstig de toen geldende tekst van art. 36bis, § 9 van het Decreet Natuurbehoud moest het vervolgens binnen drie maanden door de Vlaamse Regering worden aangewezen als speciale beschermingszone [...], wat niet is gebeurd. Met inwerkingtreding op 14 februari 2009 werd art. 36bis, § 9 van het Decreet Natuurbehoud gewijzigd, en luidt sindsdien: “Nadat de Commissie een op grond van § 8 voorgelegd gebied van communautair belang heeft verklaard, wijst de Vlaamse Regering dit gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen de zes jaar, bij besluit aan als speciale beschermingszone. [...]” [...]. Het eerste bestreden besluit werd genomen op 23 april 2014.

De Vlaamse regering heeft het gebied, nadat het door de Europese Commissie bij beschikking van 7 december 2002 van communautair belang was verklaard, niet binnen de destijds voorgeschreven termijn van drie maanden aangewezen als speciale beschermingszone. Bij de inwerkingtreding op 14 februari 2009 van het gewijzigde art. 36bis, § 9 van het decreet Natuurbehoud, was ook de daarin bepaalde termijn van zes jaar reeds verstreken. De duidelijke tekst van het gewijzigde art. 36bis, § 9 kan niet zo worden gelezen als dat er een nieuwe termijn van zes jaar zou beginnen lopen. De Vlaamse regering kon op 23 april 2014, meer dan [elf] jaar nadat de Commissie het van communautair belang had verklaard, niet langer beschikken over een door de decreetgever toegewezen bevoegdheid om het gebied aan te wijzen als speciale beschermingszone.

Het lijdt weliswaar geen twijfel dat het verstrijken van de termijn die wordt opgelegd door art. 4, vierde lid van de Habitatrichtlijn niet inhoudt dat de van communautair belang verklaarde gebieden door de lidstaten niet langer zouden moeten of kunnen worden aangewezen als speciale beschermingszone. De Raad van State kan er evenwel niet aan voorbijgaan dat die aanwijzing enkel kan worden gedaan door een daartoe overeenkomstig het nationaal recht bevoegde overheid.

Arrest

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 25 juli 2014, strekt tot de nietigverklaring van achttien besluiten van de Vlaamse regering van 23 april 2014, meer bepaald:

“1. het besluit tot aanwijzing van de speciale beschermingszone “BE2100040 Bovenloop van de Grote Nete met Zammels Broek, langdonken en Goor” en tot definitieve vaststelling van de bijgehorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

2. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone “BE2100015 Kalmthoutse Heide” en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone “BE2100323 Kalmthoutse Heide” van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

3. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone “BE2100016 Klein en Groot Schietveld” en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone “BE2101437 de Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld” van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

4. het besluit tot aanwijzing van de speciale beschermingszone “BE2100017 Bos- en heidegebieden ten oosten van Antwerpen” en tot definitieve vaststelling van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

5. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone “BE2100024 Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout” en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone “BE21015382 Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout” van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

6. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone “BE2100026 Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden, moerassen en heiden” en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszones “BE2100424 De Zegge” en “BE2101639 De Ronde Put” van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

7. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone “BE2200028 De Maten” en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone “BE2200626 De Maten” van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

8. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone “BE2200029 Vallei- en brongebied van de Zwarte Beek, Bolisserbeek en Dommel met heide- en vengebieden” en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone “BE2218311 Militair domein en de valei van de Zwarte Beek” van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

9. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone “BE2200030 Mangelbeek en heide- en vengebieden tussen Houthalen en Gruitrode” en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone “BE2220313 Houthalen-Helchteren, Meeuwen-Gruitrode en Peer” van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

10. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone “BE2200031 Valleien van de Laambeek, Zonderikbeek, Slangebeek en Roosterbeek met vijvergebieden en heiden” en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone “BE2219312 Het Vijvercomplex van Midden-Limburg” en “BE2200525 Bokrijk en omgeving” van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

11. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone “BE2200032 Hageven met Dommelvallei, Beverbeekse heide, Warmbeek en Wateringen”; “BE2200033 Abeek met aangrenzende moerasgebieden”; “BE2200034 Itterbeek met Brand, Jagersborg en Schootsheide en Bergerven” en tot definitieve vaststelling voor die zones en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone “BE2221314 Hamonterheide, Hageven, Buitenheide, Stamprooierbroek en Mariahof” van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

12. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone “BE2200035 Mechelse heide en vallei van de Ziepbeek” en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone “BE2200727 Mechelse heide en Vallei van de Ziepbeek” van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

13. het besluit tot aanwijzing van de speciale beschermingszone “BE2200042 Overgang Kempen-Haspengouw” en tot definitieve vaststelling van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

14. het besluit tot aanwijzing van de speciale beschermingszone “BE2300005 Bossen en heiden van zandig Vlaanderen: oostelijk deel” en tot definitieve vaststelling van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

15. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone “BE2300006 Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent” en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszones “BE2301235 Durme en Middenloop van de Schelde”, “BE2301336 Schorren en polders van de Beneden-Schelde” en het onderdeel Blokkersdijk van de speciale beschermingszone “BE2300222 De Kuifeend en Blokkersdijk” van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

16. het besluit tot aanwijzing van de speciale beschermingszone “BE2400012 Valleien van de Winge en de Motte met valleihellingen” en tot definitieve vaststelling van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

17. het besluit tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone “BE2400014 Demervallei” en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone “BE222316 De Demervallei” en van de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;

18. het besluit tot aanwijzing van de speciale beschermingszone “BE2500004 Bossen, heiden en valleigebieden van zandig Vlaanderen: westelijk deel” en tot definitieve vaststelling van de bijhorende instandhoudingdoelstellingen en prioriteiten”.

...

III. Gegevens van de zaak

Juridisch kader

3.1. Het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002 tot vaststelling van de gebieden die in uitvoering van art. 4, eerste lid van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna [hierna: “Habitatrichtlijn”] aan de Europese Commissie zijn voorgesteld als speciale beschermingszones, betreft onder meer het gebied “BE2100040 Bovenloop van de Grote Nete met Zammels Broek, Langdonken en Goor”, thans het voorwerp van het eerste bestreden besluit, alsook de gebieden die het voorwerp zijn van de zeventien andere bestreden besluiten.

3.2. Op 10 september 2002, tien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het decreet van 19 juli 2002, treedt art. 36bis van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: “natuurbehoudde[c]reet”), dat bij art. 25 van dat decreet werd ingevoerd, in werking. Art. 36bis, § 12 bepaalt dat de gebieden bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002 worden geacht definitief te zijn vastgesteld in de zin van art. 36bis, § 6.

3.3. Bij beschikking 2004/813/EG van 7 december 2002 stelt de Europese Commissie de voorlopige lijst vast met gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. Dat de lijst voorlopig is, houdt in dat er nog gebieden aan moeten worden toegevoegd, maar heeft geen betrekking op het van communautair belang verklaren van de gebieden die in deze voorlopige lijst zijn vermeld. Onder meer de gebieden die thans het voorwerp vormen van de achttien bestreden besluiten staan op die lijst.

3.4. Overeenkomstig de toen geldende tekst van art. 36bis, § 9 van het natuurbehouddecreet, moesten de gebieden die door de Europese Commissie van communautair belang werden verklaard, door de Vlaamse regering binnen drie maanden worden aangewezen als speciale beschermingszone. Maar § 15, eerste lid bepaalde dat zodra een gebied dat in aanmerking komt als speciale beschermingszone definitief is vastgesteld in de zin van § 6 of § 12, het voor de toepassing van de artikelen 13, § 4, 34, 36, 36ter, §§ 3 tot 6, 47 en 48 van het decreet beschouwd wordt als speciale beschermingszone. Volgens het tweede lid van die paragraaf geldt dit ook voor enkele andere wettelijke of decretale bepalingen.

3.5. Bij art. 55 van het decreet van 12 december 2008 houdende diverse bepalingen inzake energie, leefmilieu, openbare werken, landbouw en visserij, in werking getreden op 14 februari 2009, wordt art. 36bis, § 9 van het natuurbehouddecreet gewijzigd. Voortaan moeten de gebieden die door de Europese Commissie van communautair belang worden verklaard “zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen de zes jaar” door de Vlaamse Regering worden aangewezen als speciale beschermingszone.

3.6. De Vlaamse regering neemt op 3 april 2009 het besluit betreffende de aanwijzing van speciale beschermingszones en de vaststelling van instandhoudingsdoelstellingen, dat een nadere regeling en een aantal procedurevoorschriften bevat.

3.7. Op 23 april 2014 wordt het eerste bestreden besluit genomen. Art. 2 wijst het gebied aan als speciale beschermingszone, met zeven deelgebieden (die geografisch niet aaneengesloten zijn) en een totale oppervlakte van 4.280 hectare. In art. 3 wordt verduidelijkt voor welke habitats (bijlage I bij het natuurbehouddecreet) en soorten (bijlage II bij het natuurbehouddecreet) het gebied als speciale beschermingszone wordt aangewezen. Art. 4 verwijst voor de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten naar bijlage 2 bij het besluit. Diezelfde dag worden ook het tweede tot achttiende bestreden besluit genomen.

Feiten

4.1. De verzoekers zijn eigenaars van gronden en vakantiewoningen, gelegen in de speciale beschermingszone waarop thans het eerste bestreden besluit betrekking heeft, meer bepaald een gebied genaamd “De Keiheuvel” in de gemeente Balen.

4.2. Op 10 december 2008 (datum van het ontvangstbewijs) dient eerste verzoeker een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het slopen en herbouwen van een garage/bergplaats. Het Agentschap voor Natuur en Bos verleent een ongunstig advies en op 4 maart 2009 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Balen de gevraagde vergunning. Eerste verzoeker, die geen tijdige beslissing heeft ontvangen, heeft inmiddels reeds bestuurlijk beroep aangetekend bij de deputatie van de provincie Antwerpen. Deze beslist niet tijdig over het beroep, waarop eerste verzoek beroep aantekent bij de bevoegde minister. Op 4 februari 2010 verleent de Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening de gevraagde vergunning, onder voorwaarden. De gemeente Balen dient een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State, die bij zijn arrest nr. 216.081 van 27 oktober 2011 de stedenbouwkundige vergunning van 4 februari 2010 vernietigt, omdat niet blijkt dat de vergunningverlenende overheid de haar door art. 6, § 1 van het natuurbehouddecreet opgelegde zorgplicht voldoende is nagekomen.

4.3. Eerste verzoeker dient later ook aanvragen in om deze nieuw verworven vakantiewoning aan te sluiten op het waterleidingsnet, respectievelijk het elektriciteitsnet. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Balen beslist op 1 en 20 september 2010 niet in te stemmen met de uitbreiding van de waterleiding en op 20 oktober 2010 niet in te stemmen met de realisatie van de uitbreiding van het elektriciteitsnet. Op 4 juli 2011 beslist de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand, met verwijzing van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van de staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen, dat toch toelating wordt gegeven om gebruik te maken van het openbaar domein van de gemeente voor uitbreiding van het waterleidings- en elektriciteitsnet. De gemeente Balen dient een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State, die bij zijn arrest nr. 227.106 van 14 april 2014 de beslissing van de minister van 4 juli 2011 vernietigt, omdat uit de bestreden beslissing, noch uit de stukken van het dossier blijkt dat de verwerende partij de haar door art. 16, § 1 van het natuurbehouddecreet opgelegde zorgplicht is nagekomen.

4.4. Na het vernietigingsarrest van 27 oktober 2011 wordt de procedure inzake de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning hernomen. Het Agentschap Natuur en Bos adviseert opnieuw ongunstig. Op 18 juni 2012 verleent de bevoegde minister opnieuw een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning. De gemeente Balen dient opnieuw een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State, die bij zijn arrest nr. 227.716 van 17 juni 2014 ook deze tweede stedenbouwkundige vergunning vernietigt, omdat de motivering van het bestreden besluit niet volstaat om te besluiten dat de vergunningverlenende overheid de haar door art. 16, § 1 van het natuurbehouddecreet opgelegde zorgplicht voldoende is nagekomen.

4.5. De dienst Milieueffectenrapportagebeheer verleent op 12 juni 2014 aan het Agentschap voor Natuur en Bos een ontheffing van project-MER-plicht voor ontbossingswerken in de nabijheid van de eigendommen van de verzoekers, met het oog op natuurherstel. Op 25 juni 2014 verleent de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos aan de agentschap voor hetzelfde project een ontheffing van het verbod op ontbossing (toepassing van art. 90bis, § 1, derde lid van het Bosdecreet). Op 16 juli 2014 dient het Agentschap voor Natuur en Bos een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in, voor het uitvoeren van landduinherstel. Op 23 december 2014 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de gevraagde stedenbouwkundige vergunning.

4.6. Bij het nemen van een nieuwe beslissing na vernietigingsarrest nr. 227.106 van 14 april 2014 wordt bij ministerieel besluit van 21 januari 2015 opnieuw toelating gegeven tot het gebruik van het openbaar domein voor de uitbreiding van het elektriciteits- en waterleidingsnet, ten behoeve van het eigendom van eerste verzoeker, onder de opschortende voorwaarde dat eerst een natuurvergunning wordt verkregen. Eerste verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend tot nietigverklaring van deze opschortende voorwaarde (rolnummer [...]).

...

V. Onderzoek van de middelen

Eerste middel

Standpunten van de partijen

...

Beoordeling

21. In de regel moet de uitvoerende overheid waaraan de wet- of de decreetgever een termijn heeft opgelegd waarbinnen een maatregel moet worden genomen, die termijn naleven; anders zou elk wetgevend werk zin- en inhoudsloos zijn.

Door het niet naleven van de opgelegde termijn – en in het huidige geval is deze ruimschoots overschreden – verliest de overheid echter niet altijd de bevoegdheid om de betrokken maatregel alsnog te nemen.

De verwerende partij is en blijft te dezen immers verplicht, op grond van art. 23.2 van de Habitatrichtlijn, om de nodige bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om binnen twee jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de verplichtingen ervan te voldoen.

Men kan dan ook bezwaarlijk beweren dat de verwerende partij, gelet op deze gemeenschapsrechtelijke verplichting, de bevoegdheid zou hebben verloren om de in het geding zijnde maatregelen te nemen.

De verzoekers zijn trouwens zelf niet echt overtuigd van de gegrondheid van dit standpunt, omdat zij in hun laatste memorie vragen de heer auditeur te gelasten met een bijkomend onderzoek van de grieven die zij “onder het eerste middel hebben opgeworpen”.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 05/11/2016 - 17:52
Laatst aangepast op: za, 05/11/2016 - 17:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.