-A +A

Antiracismewet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Alternatieve naam: 
wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, waarvan de bepalingen integraal werden vervangen bij art. 3 van de wet van 10 mei 2007
Afkondiging: 
maa, 30/07/2007
Publicatie: 
zat, 08/08/1981
Gecoördineerde actuele versie van de wet: 

aanverwante wetten:

 

– de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie (de Algemene Antidiscriminatiewet);

– de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen vrouwen en mannen (de Genderwet).

Commentaar op deze wettten:
 

De Antiracismewet, de Algemene Antidiscriminatiewet en de Genderwet vormen het drieluik van de hervorming van de federale wetgeving ter bestrijding van discriminatie. Die hervorming strekt er in de eerste plaats toe de richtlijnen van de Europese Gemeenschap inzake de strijd tegen discriminatie op een meer adequate wijze dan voorheen om te zetten in de bevoegdheidsdomeinen van de federale overheid. De verzoekende partijen betwisten de noodzaak van die hervorming, maar het staat niet aan het Hof uitspraak te doen over de opportuniteit van het optreden van de wetgever.

De drie wetten hebben hetzelfde toepassingsgebied. Met uitzondering van de aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de gemeenschappen of de gewesten vallen, gelden zij zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, in de volgende domeinen: (1) de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn; (2) de sociale bescherming, met inbegrip van de sociale zekerheid en de gezondheidszorg; (3) de sociale voordelen; (4) de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid; (5) de arbeidsbetrekkingen; (6) de vermelding in een officieel stuk of in een proces-verbaal; (7) het lidmaatschap van of de betrokkenheid bij een werkgevers- of werknemersorganisatie of enige organisatie waarvan de leden een bepaald beroep uitoefenen, waaronder de voordelen die deze organisaties bieden; en (8) de toegang tot en de deelname aan, alsook elke andere uitoefening van een economische, sociale, culturele of politieke activiteit toegankelijk voor het publiek (art. 5, § 1, van de Antiracismewet, art. 5, § 1, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 6, § 1, van de Genderwet).

De Antiracismewet beoogt de omzetting van de richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 «houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming» (art. 1 van de Antiracismewet). Zij voert tevens de verplichtingen uit opgelegd aan België door het Internationaal Verdrag van 21 december 1965 «inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie» (art. 2 van de Antiracismewet).

Die wet heeft tot doel een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van nationaliteit, een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming in de in B.2.1 vermelde domeinen (art. 3 van de Antiracismewet).

De Algemene Antidiscriminatiewet beoogt de omzetting van de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 «tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep» (art. 2 van de Algemene Antidiscriminatiewet).

Die wet heeft tot doel een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van leeftijd, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, geloof of levensbeschouwing, politieke overtuiging, taal, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, een fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst in de in B.2.1 vermelde domeinen (art. 3 van de Algemene Antidiscriminatiewet).

De Genderwet beoogt de omzetting van zeven verschillende EG-richtlijnen die alle de gelijke behandeling van mannen en vrouwen tot doel hebben (art. 2 van de Genderwet).

Die wet heeft tot doel een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht in de in B.2.1 vermelde domeinen (art. 3 van de Genderwet). Voor de toepassing van de wet worden een onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling of moederschap alsook een onderscheid op grond van geslachtsverandering gelijkgesteld met een direct onderscheid op grond van geslacht (art. 4 van de Genderwet).

De drie wetten beogen het verbod van discriminatie te laten doorwerken in de private rechtsverhoudingen, teneinde de gelijkwaardigheid van eenieder te doen eerbiedigen en de gelijke kansen te bevorderen. Zij voeren in verschillende domeinen van het maatschappelijke leven een principieel verbod van discriminatie in, zowel direct als indirect, gebaseerd op één of meer van de in de besproken wetten vermelde gronden, en voorzien in een aantal maatregelen die het moeten mogelijk maken dat verbod afdwingbaar te maken. Daarnaast stellen zij ook een aantal handelingen strafbaar.

Met deze wetten wil de wetgever zich tevens gedragen naar het arrest nr. 157/2004 van 6 oktober 2004, waarin het Hof een aantal bepalingen van de wet van 25 februari 2003 «ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding» geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd.

De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten zich overigens ertegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de besproken maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de  maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

De regelgevende functie onderscheidt de overheid weliswaar van de burger, maar dat kenmerk is niet bepalend voor de onderwerping aan het discriminatieverbod. Het ontbreken van regelgevende bevoegdheid kan een persoon niet ontslaan van de verplichting om niet op discriminerende wijze afbreuk te doen aan rechten van anderen. Hetzelfde geldt voor het ontbreken van de andere aangevoerde overheidskenmerken, namelijk de verplichting om het algemeen belang na te streven, de uitoefening van een openbare dienst of het beschikken over het geweldmonopolie en de belastingbevoegdheid. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is immers geen louter beginsel van behoorlijke wetgeving en behoorlijk bestuur. Het is een van de grondslagen van een democratische rechtsstaat.

Het bepalende criterium voor de onderwerping aan het verbod van discriminatie is derhalve niet het regelgevende optreden, maar de machtspositie, in feite of in rechte, die een persoon in het rechtsverkeer inneemt en die hem in de gelegenheid stelt om op discriminerende wijze afbreuk te doen aan rechten van anderen.

Het komt de wetgever toe de verplichting om het discriminatieverbod na te leven nader uit te werken.

De overheid en private personen bevinden zich ten aanzien van de verplichting om het discriminatieverbod na te leven niet in wezenlijk verschillende situaties.

Uit de ontstentenis in de besproken wetten van een uitdrukkelijke bepaling dat zij geen afbreuk doen «aan de bescherming en de uitoefening van de in de Grondwet en in de internationale mensenrechtenconventies opgenomen fundamentele rechten en vrijheden», zoals in de wet van 25 februari 2003 was opgenomen, kan niet worden afgeleid dat deze wetten ongrondwettig zijn.

De vraag of door deze wetten burgers strenger worden behandeld dan overheden, omdat een burger die het discriminatieverbod vervat in deze wetten overtreedt, zich zou blootstellen aan ernstige burgerrechtelijke sancties en straffen, terwijl een overheid die het grondwettelijke discriminatieverbod schendt in haar regelgevend optreden, niet – of minstens niet in dezelfde mate – zou kunnen worden aangesproken, werd door het grondwettelijk hof bij arrest van 12 februari 2009, ontkennend beantwoord.

In het vierde lid van art. 5 Sw. heeft de wetgever een aantal publiekrechtelijke rechtspersonen uitgesloten van het toepassingsgebied van dat artikel, dat betrekking heeft op de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, meer bepaald de federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat publiekrechtelijke rechtspersonen in principe strafrechtelijk verantwoordelijk zijn, en dat de uitzondering op die regel in het algemeen alleen betrekking heeft op die publiekrechtelijke rechtspersonen «die een rechtstreeks, democratisch verkozen orgaan hebben» (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/1, p. 3).

In zijn arrest nr. 31/2007 van 21 februari 2007 was het grondwettelijk Hof van oordeel dat het verschil in behandeling van rechtspersonen naargelang zij al dan niet een democratisch verkozen orgaan hebben, op een pertinent criterium berust. De publiekrechtelijke rechtspersonen opgesomd in art. 5, vierde lid, Sw. vertonen het bijzondere kenmerk dat zij hoofdzakelijk zijn belast met een essentiële politieke opdracht in een representatieve democratie, dat zij beschikken over democratisch verkozen vergaderingen en dat zij organen hebben die aan een politieke controle zijn onderworpen. De wetgever kon redelijkerwijze vrezen dat, indien hij die rechtspersonen strafrechtelijk verantwoordelijk zou maken, een collectieve strafrechtelijke verantwoordelijkheid zou worden uitgebreid tot situaties waarin ze meer nadelen dan voordelen vertoont, door onder meer klachten uit te lokken waarvan het werkelijke doel zou zijn via strafrechtelijke weg politieke strijd te voeren.

Zonder dat het Hof reeds over de al dan niet strafrechtelijke aard van de door de besproken wetten voorgeschreven sancties in geval van niet-naleving van het verbod van discriminatie op een van de vermelde gronden uitspraak dient te doen, werd voormeld bezwaar door het Hof als niet gegrond verklaard in zoverre het een verschil in blootstelling van burgers en overheid aan strafsancties aanvoert.

 

B.11.6. Wanneer een overheid het grondwettelijke beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie heeft geschonden, kan die schending worden afgekeurd door het aanwenden van rechtsmiddelen voor het Grondwettelijk Hof en voor de Raad van State, en kan die schending eventueel het voorwerp uitmaken van een vordering tot schadevergoeding. Zulke sancties zijn weliswaar niet identiek aan de specifieke beschermingsmaatregelen waarin de besproken wetten voorzien, maar dat verschil in – zelfs burgerrechtelijke – sancties is niet onevenredig.

Krachtens art. 10, tweede lid, van de Grondwet zijn «de Belgen» gelijk voor de wet. Art. 11, eerste zin, van de Grondwet bepaalt dat het genot van de rechten en vrijheden «aan de Belgen toegekend», zonder discriminatie moet worden verzekerd.

Die bepalingen kunnen echter niet worden los gezien van art. 191 van de Grondwet, naar luid waarvan iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, de bescherming verleend aan personen en aan goederen geniet, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen.

Op grond van die bepaling kan een verschil in behandeling dat een vreemdeling benadeelt, alleen bij een wetskrachtige norm worden ingevoerd. Die bepaling heeft niet tot doel de wetgever ertoe te machtigen, wanneer hij een dergelijk verschil in het leven roept, zich eraan te onttrekken de in de Grondwet verankerde fundamentele beginselen in acht te nemen. Uit art. 191 van de Grondwet vloeit dus geenszins voort dat de wetgever, wanneer hij een verschil in behandeling ten nadele van vreemdelingen invoert, niet erover moet waken dat dit verschil niet discriminerend is, ongeacht de aard van de in het geding zijnde beginselen.

De voormelde wetten verbieden discriminatie op grond van «nationaliteit, een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming» (Antiracismewet), op grond van «leeftijd, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, geloof of levensbeschouwing, politieke overtuiging, taal, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, een fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst» (Algemene Antidiscriminatiewet) en op grond van «geslacht» (Genderwet).

De keuze voor een «gesloten lijst» van discriminatiegronden werd in de parlementaire voorbereiding van de Algemene Antidiscriminatiewet als volgt verantwoord: «De wet van 25 februari 2003 (art. 2, § 1) had oorspronkelijk geopteerd voor een gesloten lijst, die taal en politieke overtuigingen uitsloot. Het Arbitragehof, dat op zijn beurt van oordeel was dat een dergelijke uitsluiting in strijd was met art. 10 en 11 van de Grondwet, vernietigde de lijst. Het resultaat is een situatie waarbij, met uitzondering van wat overblijft van het oorspronkelijke strafrechtelijke deel, de wet van 25 februari 2003 op dit moment functioneert op basis van een totaal open lijst van verboden discriminatiegronden: bij gebrek aan een lijst breidt ze haar toepassingsgebied uit tot elke vorm van onderscheid in behandeling, ongeacht het gebruikte criterium. Deze situatie is in verschillende opzichten onbevredigend. Eerst en vooral omdat de wet geen uitdrukkelijke verwijzing meer bevat naar de verboden discriminatiegronden uit de Europese richtlijnen (ras, etnische afkomst, geloof of levensbeschouwing, geslacht, handicap, seksuele geaardheid). In de ingebrekestelling die ze tot België heeft gericht betreffende richtlijn 43/2000, was de Commissie van oordeel dat deze situatie de vereisten van transparantie en rechtszekerheid die door bovenvermelde richtlijnen worden opgelegd, miskende. Elke toekomstige wet ter zake zal dus op zijn minst een uitdrukkelijke verwijzing naar deze Europese criteria moeten bevatten. Vervolgens kwam het voor dat een «open voorbeeldlijst» zou leiden tot een onaanvaardbare rechtsonzekerheid. Er kan weliswaar worden aangevoerd dat de internationale instrumenten voor de bescherming van de rechten van de mens dit systeem van een open voorbeeldlijst aannemen (zie art. 14 van de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens en art. 26 van het Internationaal Pact inzake Burgerlijke en Politieke Rechten). De doelstelling van deze instrumenten is echter verschillend. Ze werden in de eerste plaats opgesteld om de «verticale» relaties tussen privépersonen en de overheid te regelen. De «antidiscriminatiewet» heeft daarentegen tot doel ook van toepassing te zijn op de «horizontale» relaties tussen privépersonen. Op dit niveau is een hogere graad van rechtszekerheid nodig, want het gelijkheidsvereiste zal noodzakelijkerwijze tot gevolg hebben dat bepaalde concurrerende fundamentele rechten worden beperkt, naar het voorbeeld van de vrijheid van vereniging, de vrijheid van handel en industrie... De beperking die wordt doorgevoerd in deze rechten, moet weliswaar zowel voorspelbaar als mogelijk zijn in de toepassingen ervan. Een dergelijk vereiste van rechtszekerheid is daarentegen niet nodig in de verticale relaties, omdat de overheid geen «concurrerende fundamentele rechten» geniet (een publiekrechtelijke rechtspersoon geniet immers geen rechten die worden gewaarborgd door het recht van de mensenrechten). Het gesloten karakter van de lijst van verboden discriminatiecriteria is ook aanbevelenswaardig om alzo te vermijden dat de wet als grondslag zou kunnen dienen voor een eindeloos aantal rechtsvorderingen, zelfs om futiliteiten. Ook al zouden deze a posteriori ongegrond worden verklaard, het bestaan ervan zelf stelt een probleem: het gevaar af te dwalen naar een overdreven juridisering van de sociale relaties, en in het bijzonder van de arbeidsverhoudingen; het gevaar dat het instrument van de stakingsvordering zijn doeltreffendheid verliest wegens de gerechtelijke achterstand bij de voorzitters van de rechtbanken. Tot slot kwam het voor dat een open voorbeeldlijst van discriminatiegronden de noodzakelijke coördinatie tussen het dispositief van de «anti-discriminatiewet» en de rest van de federale wetgeving nog delicater of zelfs volstrekt onmogelijk zou maken» (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2722/001, p. 14-16).

Zelfs wanneer het gaat om verhoudingen tussen privépersonen, zou de wetgever niet kunnen afwijken van het algemene discriminatieverbod dat uitdrukkelijk is gewaarborgd bij de in B.14.2 vermelde grondwets- en verdragsbepalingen. Het aannemen van een gesloten lijst zou dus in geen geval kunnen worden geïnterpreteerd in die zin dat discriminaties op gronden die niet in die lijst voorkomen, worden toegestaan.

Wanneer de wetgever, om zich te conformeren aan de verplichtingen van Europese richtlijnen, in een specifieke procedure voorziet die afwijkt van de gewone regels van het gerechtelijk recht, door een stakingsvordering in te voeren, de bewijslast om te keren en instellingen en organisaties te machtigen om in rechte te treden onder voorwaarden die afwijken van de ontvankelijkheidsregels die door de rechtspraak zijn uitgewerkt op grond van art. 17 en 18 Ger.W., vermag hij niettemin, meer bepaald om de in B.14.3 vermelde redenen, die afwijkende procedure voor te behouden voor de discriminaties die door de voormelde richtlijnen worden beoogd, en daaraan discriminaties toe te voegen waarvoor hij dezelfde bescherming noodzakelijk acht. Het behoort immers tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om de discriminaties op gronden die hij het meest verwerpelijk acht nadrukkelijk te bestrijden.

Aangezien de discriminatie een constitutief bestanddeel is van de misdrijven die worden bestraft door art. 21 tot 23 van de Algemene Antidiscriminatiewet, moest de wetgever overigens de in die bepalingen beoogde discriminatiegronden definiëren, op straffe van schending van het wettigheidsbeginsel in strafzaken, zoals het Hof heeft vastgesteld in B.21, tweede alinea, van zijn arrest nr. 157/2004 van 6 oktober 2004.

Het feit dat een discriminatiegrond niet in de lijst is opgenomen, heeft weliswaar tot gevolg dat de specifieke bescherming die de besproken wetten bieden niet van toepassing is, maar betekent niet dat de slachtoffers van een discriminatie op een dergelijke grond van elke rechtsbescherming zijn uitgesloten. Elke ongelijke behandeling in de verhoudingen tussen burgers waarvoor geen verantwoording kan worden gegeven, maakt immers een discriminatie uit en derhalve een foutief gedrag, dat tot een burgerrechtelijke sanctie, namelijk een schadevergoeding, aanleiding kan geven. Bovendien kan de rechter een discriminerend contractueel beding op grond van art. 6, 1131 en 1133 B.W. nietig verklaren omdat het indruist tegen de openbare orde. Die sancties zijn weliswaar niet identiek aan de specifieke beschermingsmaatregelen waarin de besproken wetten voorzien, maar dat verschil in aard van de sancties is niet onevenredig en volstaat derhalve niet om tot een discriminatie te besluiten.

Het toepassingsgebied van de voormelde wetten omvat met name de arbeidsbetrekkingen (art. 5, § 1, 5o, van de Antiracismewet en van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 6, § 1, 5o, van de Genderwet), waarmee zijn bedoeld de betrekkingen die onder meer de werkgelegenheid, de voorwaarden voor toegang tot arbeid, de arbeidsvoorwaarden en de ontslagregelingen omvatten en dit zowel in de openbare als in de private sector, zowel voor arbeid in loondienst, onbetaalde arbeid, arbeid in het raam van stageovereenkomsten, leerovereenkomsten, beroepsinlevingsovereenkomsten en startbaanovereenkomsten, als arbeid als zelfstandige, voor alle niveaus van de beroepshiërarchie en voor alle activiteitstakken, ongeacht de statutaire of contractuele regeling van de persoon die arbeid verricht, met uitzondering echter van de arbeidsverhoudingen die worden aangegaan met de in art. 9 en 87 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bedoelde organen en instellingen en met uitzondering van de in art. 127, § 1, eerste lid, 2o, van de Grondwet bedoelde arbeidsverhoudingen in het onderwijs (art. 4, 1o, van de Antiracismewet, art. 4, 1o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 5, 1o, van de Genderwet).

Wat onder de voorwaarden voor toegang tot arbeid, de arbeidsvoorwaarden en de ontslagregelingen moet worden begrepen, wordt nader bepaald in art. 5, § 2, van de Antiracismewet, art. 5, § 2, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 6, § 2, van de Genderwet.

Onder de voorwaarden voor toegang tot arbeid worden onder meer begrepen de werkaanbiedingen of de advertenties voor betrekkingen en promotiekansen, ongeacht de wijze waarop zij worden bekendgemaakt of verspreid, de bepaling en de toepassing van de selectiecriteria en de selectiekanalen die worden gehanteerd in het wervingsproces, de bepaling en de toepassing van de aanstellingscriteria die worden gehanteerd bij de aanwerving of de benoeming, de bepaling en de toepassing van de criteria die worden gehanteerd bij promotie en de toetreding als vennoot in vennootschappen of maatschappen van zelfstandige beroepen (art. 5, § 2, 1o, van de Antiracismewet, art. 5, § 2, 1o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 6, § 2, 1o, van de Genderwet).

Onder de bepalingen en de praktijken met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en beloning worden onder meer begrepen de regelingen vervat in arbeidsovereenkomsten, de overeenkomsten van zelfstandigen, de bestuursrechtelijke statutaire regelingen, de stage- en leerovereenkomsten, de collectieve arbeidsovereenkomsten, de collectieve regelingen voor zelfstandigen, de arbeidsreglementen alsook de eenzijdige werkgeversbeslissingen en de eenzijdige beslissingen opgelegd aan een zelfstandige, de toekenning en de bepaling van het loon, het ereloon of de bezoldiging, de toekenning en de bepaling van alle huidige of toekomstige voordelen in geld of in natura, mits zij door de werkgever aan de werknemer of door de opdrachtgever aan de zelfstandige uit hoofde van hun betrekking worden betaald, ongeacht of dit ingevolge een overeenkomst, ingevolge wettelijke bepalingen dan wel vrijwillig gebeurt, de arbeidsduur en de arbeidsduurregeling, de regelingen inzake feestdagen en zondagsrust, inzake nachtarbeid en inzake arbeid van jeugdige werknemers, de regelingen met betrekking tot de ondernemingsraden, de comités voor preventie en bescherming op het werk, de vakbondsafgevaardigden en de raden en comités van dezelfde aard die in de openbare sector bestaan, de bevordering van de arbeids- en loonsverbetering van de werknemers, de beroepen en functieclassificatie, het betaald educatief verlof en het vormingsverlof, de regelingen inzake tijdskrediet en inzake jaarlijkse vakantie en het vakantiegeld en de regelingen met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun arbeid (art. 5, § 2, 2o, van de Antiracismewet, art. 5, § 2, 2o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 6, § 2, 2o, van de Genderwet).

Onder de bepalingen en de praktijken inzake de beëindiging van de arbeidsbetrekking worden onder meer begrepen de ontslagbeslissing, de bepaling en de toepassing van de voorwaarden en modaliteiten van het ontslag, de bepaling en de toepassing van criteria bij ontslagselectie, de toekenning en de bepaling van vergoedingen naar aanleiding van de beëindiging van de professionele relatie en de maatregelen die worden genomen naar aanleiding van de beëindiging van de professionele relatie (art. 5, § 2, 3o, van de Antiracismewet, art. 5, § 2, 3o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 6, § 2, 3o, van de Genderwet).

Uit de omschrijving van de «arbeidsbetrekkingen» vloeit voort, dat de werkgevers en de personen die een vennootschap of maatschap van zelfstandige beroepen vormen, onder het toepassingsgebied van de besproken wetten vallen en niet de werknemers noch de personen die tot een vennootschap of maatschap van zelfstandige beroepen wensen toe te treden, maar dat verschil in behandeling wordt verantwoord door de machtspositie, in feite of in rechte, die de eerstgenoemde categorieën van personen op de arbeidsmarkt innemen en die hen, meer dan de laatstgenoemde categorieën, in de gelegenheid stelt om te discrimineren.

De wetgever vermocht derhalve de verplichting om het beginsel van het discriminatieverbod na te leven nader uit te werken. Hij vermocht daarbij ervan uit te gaan dat de markt discriminatie niet met voldoende succes zal bestrijden.

Gelet op de doelstelling van de besproken wetten, kan de nadere uitwerking van die verplichting niet worden geacht op onevenredige wijze afbreuk te doen aan de vrijheid van de overeenkomsten die het voorwerp uitmaakt van art. 1134 B.W. en waarvan het genot – zoals het Hof in zijn arrest nr. 65/2007 van 26 april 2007 heeft geoordeeld – zonder discriminatie moet worden verzekerd.

De beperkingen die worden opgelegd aan de vrije keuze van de personen met wie men zich wenst te verenigen, doen evenmin op onevenredige wijze afbreuk aan de vrijheid van vereniging.

Het toepassingsgebied van de besproken wetten omvat eveneens de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn (art. 5, § 1, 1o, van de Antiracismewet, art. 5, § 1, 1o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 6, § 1, 1o, van de Genderwet).

Daaruit vloeit voort, dat de aanbieders van goederen en diensten onder het toepassingsgebied van de besproken wetten vallen en niet de afnemers van goederen en diensten, maar dat verschil in behandeling wordt verantwoord door de machtspositie, in feite of in rechte, die de eerstgenoemde categorie van personen op de markt van goederen en diensten inneemt en die haar, meer dan de laatstgenoemde categorie, in de gelegenheid stelt om te discrimineren.

De wetgever vermocht derhalve de verplichting om het beginsel van het discriminatieverbod na te leven nader uit te werken.

Het toepassingsgebied van de besproken wetten omvat eveneens de gezondheidszorg (art. 5, § 1, 2o, van de Antiracismewet, art. 5, § 1, 2o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 6, § 1, 2o, van de Genderwet).

Daaruit vloeit voort, dat enkel de verstrekkers van gezondheidszorg onder het toepassingsgebied van de besproken wetten vallen en niet de genieters ervan, maar dat verschil in behandeling wordt verantwoord door de machtspositie, in feite of in rechte, die de eerstgenoemde categorie van personen in de gezondheidszorg inneemt en die haar, meer dan de laatstgenoemde categorie, in de gelegenheid stelt om de discrimineren.

De wetgever vermocht derhalve de verplichting om het beginsel van het discriminatieverbod na te leven nader uit te werken.

Het toepassingsgebied van de besproken wetten omvat eveneens de toegang tot en de deelname aan, alsook elke andere uitoefening van een economische, sociale, culturele of politieke activiteit toegankelijk voor het publiek (art. 5, § 1, 8o, van de Antiracismewet, art. 5, § 1, 8o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 6, § 1, 8o, van de Genderwet).

Daaruit vloeit voort, dat de personen die activiteiten van economische, sociale, culturele of politieke aard organiseren onder het toepassingsgebied van de besproken wetten vallen en niet de deelnemers aan die activiteiten, maar dat verschil in behandeling wordt verantwoord door de machtspositie, in feite of in rechte, die de eerstgenoemde categorie van personen op dit gebied inneemt en die haar, meer dan de laatstgenoemde categorie, in de gelegenheid stelt om te discrimineren.

De wetgever vermocht derhalve de verplichting om het beginsel van het discriminatieverbod na te leven nader uit te werken.

In zoverre die verplichting de vrijheid van vereniging zou beperken, kan die beperking, gelet op de doelstelling van de besproken wetten, niet buitensporig worden geacht.

de maatregelen van positieve actie

Een direct of indirect onderscheid dat berust op een van de discriminatiegronden geeft nooit aanleiding tot de vaststelling van discriminatie wanneer dat onderscheid een maatregel van positieve actie inhoudt (art. 10, § 1, van de Antiracismewet, art. 10, § 1, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 16, § 1, van de Genderwet).

Maatregelen van positieve actie zijn specifieke maatregelen om de nadelen die verband houden met een van de vermelde discriminatiegronden te voorkomen of te compenseren, met het oog op het waarborgen van een volledige gelijkheid in de praktijk (art. 4, 11o, van de Antiracismewet, art. 4, 11o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 5, 11o, van de Genderwet).

Een maatregel van positieve actie kan slechts worden genomen wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: (1) er moet een kennelijke ongelijkheid zijn; (2) het verdwijnen van die ongelijkheid moet als een te bevorderen doelstelling worden aangewezen; (3) de maatregel van positieve actie moet van tijdelijke aard zijn en van die aard dat hij verdwijnt zodra de beoogde doelstelling is bereikt; (4) de maatregel van positieve actie mag de rechten van derden niet onnodig beperken (art. 10, § 2, van de Antiracismewet, art. 10, § 2, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 16, § 2, van de Genderwet).

In het verleden heeft het Grondwettelijk Hof aanvaard dat de wetgever maatregelen van positieve actie neemt indien zij juist ertoe strekken een bestaande ongelijkheid te verhelpen. Toch mogen dergelijke «corrigerende ongelijkheden», om verenigbaar te zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, slechts in die gevallen worden toegepast waarin een kennelijke ongelijkheid blijkt, moet het verdwijnen van die ongelijkheid als een te bevorderen doelstelling worden aangewezen, moeten de maatregelen van tijdelijke aard zijn en verdwijnen wanneer het door de wetgever beoogde doel eenmaal is bereikt en mogen zij niet onnodig andermans rechten beperken (arrest nr. 9/94 van 27 januari 1994, B.6.2; arrest nr. 42/97 van 14 juli 1997, B.20; arrest nr. 157/2004 van 6 oktober 2004, B.79).

De wetgever heeft de rechtspraak van het grondwettelijk Hof inzake corrigerende ongelijkheden uitdrukkelijk in de wettekst willen opnemen. De voorwaarden die in de besproken bepalingen worden vermeld, stemmen overeen met de voorwaarden die het Hof in zijn voormelde arresten aan maatregelen van positieve actie heeft verbonden.

De wettelijke bepalingen machtigen de Koning om de situaties waarin en de voorwaarden waaronder een maatregel van positieve actie kan worden genomen, te bepalen (art. 10, § 3, van de Antiracismewet, art. 10, § 3, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 16, § 3, van de Genderwet). Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat zonder een dergelijk kader private personen zich niet kunnen beroepen op de algemene rechtvaardigingsgrond voor maatregelen van positieve actie (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/001, 51- 2721/001, 51-2722/001, p. 52).

Bij het vaststellen van de situaties waarin en de voorwaarden waaronder een maatregel van positieve actie kan worden genomen, dient de Koning de in B.22.2 vermelde voorwaarden in acht te nemen, alsmede de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Hij dient die situaties en die voorwaarden bovendien op een zodanige wijze te bepalen dat eenieder die zich op die rechtvaardigingsgrond wenst te beroepen, eveneens die voorwaarden naleeft.

Wanneer de bevoegde rechter een maatregel van positieve actie van een burger beoordeelt, dient hij derhalve na te gaan of in essentie aan dezelfde voorwaarden is voldaan als wanneer de bevoegde rechter een maatregel van positieve actie van de overheid beoordeelt. Die gelijke behandeling houdt geen discriminatie in.

De overheid en de burgers die aan het verbod van discriminatie zijn onderworpen, bevinden zich immers niet in wezenlijk verschillende situaties in zoverre zij, in feite of in rechte, een machtspositie in het rechtsverkeer innemen die hen in de gelegenheid stelt om te discrimineren.

Nu het de wetgever toekomt de verplichting om het discriminatieverbod na te leven nader uit te werken, kan het hem niet worden verweten om in een kader voor maatregelen van positieve actie te voorzien en de criteria voor de uitvoering daarvan af te stemmen op de criteria die ook de overheid dient na te leven.

Art. 10, derde lid, van de Grondwet bepaalt dat de gelijkheid van mannen en vrouwen is gewaarborgd. Krachtens art. 11bis, eerste lid, van de Grondwet waarborgen de wet, het decreet of de in art. 134 van de Grondwet bedoelde regel voor mannen en vrouwen de gelijke uitoefening van hun rechten en vrijheden.

Die bepalingen nopen de wetgevers tot bijzondere voorzichtigheid wanneer zij een verschil in behandeling invoeren of toestaan op grond van het geslacht.

Door maatregelen van positieve actie aan de voormelde criteria te onderwerpen, heeft de wetgever een bijzonder nauwlettend toezicht op die maatregelen mogelijk gemaakt dat de rechter in staat stelt om in elk concreet geval na te gaan of aan het fundamentele beginsel van de gelijkheid van de geslachten afbreuk wordt gedaan.

De artikelen 12 van de Antiracismewet, art. 14 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 19 van de Genderwet verbieden elke discriminatie in de aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van de wetten vallen, waarbij onder discriminatie wordt verstaan: directe discriminatie, indirecte discriminatie, opdracht tot discrimineren en intimidatie. In de Genderwet wordt daaraan toegevoegd: seksuele intimidatie. In de Algemene Antidiscriminatiewet wordt daaraan toegevoegd: een weigering om redelijke aanpassingen te treffen ten voordele van een persoon met een handicap (art. 12 van de Antiracismewet, art. 14 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 19 van de Genderwet).

Deze bepalingen maken deel uit van hoofdstuk I («Discriminatieverbod») van titel III van respectievelijk de Antiracismewet, de Algemene Antidiscriminatiewet en de Genderwet. Hoofdstuk II («Rechtsbescherming») van die titel bevat telkens de maatregelen die van toepassing zijn wanneer het in de besproken artikelen neergelegde discriminatieverbod niet wordt nageleefd.

Wanneer de niet-naleving van een bepaling aanleiding kan geven tot strafrechtelijke vervolging, vereist het wettigheidsbeginsel dat die bepaling is geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Nagegaan dient evenwel te worden of de maatregelen bepaald in art. 13 tot 18 van de Antiracismewet, in art. 15 tot 20 van de Algemene Antidiscriminatiewet en in art. 20 tot 25 van de Genderwet, die van toepassing zijn wanneer het in de besproken bepalingen neergelegde discriminatieverbod niet wordt nageleefd, straffen zijn in de zin van art. 14 van de Grondwet.

De wetgever heeft die maatregelen als burgerrechtelijk opgevat. Dat blijkt uit de structuur van de besproken wetten, die telkens een onderscheid maken tussen, enerzijds, de in titel III, hoofdstuk II, bepaalde maatregelen en, anderzijds, de in titel IV («Strafrechtelijke bepalingen») neergelegde sancties. Ook in de parlementaire voorbereiding wordt de eerste categorie van maatregelen als burgerrechtelijk bestempeld (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2722/001, p. 25 en 55, en DOC 51-2720/009, p. 20).

Het bovenstaande neemt niet weg dat dient te worden nagegaan of die maatregelen geen repressief en preventief karakter hebben. Te dien aanzien dient een onderscheid te worden gemaakt tussen, enerzijds, de nietigheid van bepalingen die strijdig zijn met de wet of van bedingen die bepalen dat één of meer partijen bij voorbaat afzien van de door de wet gewaarborgde rechten (art. 13 van de Antiracismewet, art. 15 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 20 van de Genderwet), het verbod nadelige maatregelen te nemen (art. 14 en 15 van de Antiracismewet, art. 16 en 17 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 21 en 22 van de Genderwet), de betaling van een dwangsom (art. 17 van de Antiracismewet, art. 19 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 24 van de Genderwet) en het bevel tot staking (art. 18 van de Antiracismewet, art. 20 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 25 van de Genderwet) en, anderzijds, het recht een schadevergoeding te vorderen (art. 16 van de Antiracismewet, art. 18 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 23 van de Genderwet).

De eerste categorie van maatregelen is geenszins repressief. Zij beogen, enerzijds, een einde te maken aan de verboden discriminatie en, anderzijds, de gevolgen ervan ongedaan te maken.

Wat het recht een schadevergoeding te vorderen betreft, dient een onderscheid te worden gemaakt tussen, enerzijds, de vergoeding die gelijk is aan de werkelijk door het slachtoffer geleden schade en, anderzijds, een in de besproken wetten forfaitair bepaald bedrag. Art. 16 van de Antiracismewet, art. 18 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 23 van de Genderwet bepalen dienaangaande:

Ǥ 1. Ingeval van discriminatie kan het slachtoffer een schadevergoeding vorderen overeenkomstig het contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht.

In de hierna bedoelde gevallen moet de persoon die het discriminatieverbod heeft geschonden aan het slachtoffer een vergoeding betalen die naar keuze van het slachtoffer, gelijk is hetzij aan een forfaitair bedrag zoals uiteengezet in § 2, hetzij aan de werkelijk door het slachtoffer geleden schade. In laatstgenoemd geval moet het slachtoffer de omvang van de geleden schade bewijzen.

§ 2. De in § 1 bedoelde forfaitaire schadevergoeding wordt als volgt bepaald:

1o met uitzondering van het hierna bedoelde geval, wordt de forfaitaire vergoeding van de morele schade geleden ten gevolge van een feit van discriminatie, bepaald op 650 euro; dat bedrag wordt verhoogd tot 1300 euro indien de dader niet kan aantonen dat de betwiste ongunstige of nadelige behandeling ook op niet-discriminerende gronden getroffen zou zijn of omwille van andere omstandigheden, zoals de bijzondere ernst van de geleden morele schade;

2o indien het slachtoffer morele en materiële schadevergoeding vordert wegens discriminatie in het kader van de arbeidsbetrekkingen of van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, is de forfaitaire schadevergoeding voor materiële en morele schade gelijk aan de bruto beloning voor zes maanden, tenzij de werkgever aantoont dat de betwiste ongunstige of nadelige behandeling ook op niet-discriminerende gronden getroffen zou zijn; in dat laatste geval wordt de forfaitaire schadevergoeding voor materiële en morele schade beperkt tot drie maanden bruto beloning; wanneer de materiële schade die voortvloeit uit een discriminatie in het kader van de arbeidsbetrekkingen of van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid echter hersteld kan worden via de toepassing van de nietigheidssanctie voorzien in artikel (13 van de Antiracismewet) (15 van de Algemene Antidiscriminatiewet) (20 van de Genderwet), wordt de forfaitaire schadevergoeding bepaald volgens de bepalingen van punt 1o».

De overeenkomstig het gemene recht bepaalde schadevergoeding beoogt enkel de door het slachtoffer van een verboden discriminatie geleden schade te vergoeden. Ze heeft dan ook geen repressief karakter.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat ook de forfaitaire vergoeding beoogt de door het slachtoffer van discriminatie geleden schade te vergoeden (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2722/ 001, p. 28). Behoudens in geval van discriminatie in het raam van de arbeidsbetrekkingen of van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, heeft die forfaitaire vergoeding uitsluitend betrekking op de schadeloosstelling voor morele schade, niet voor materiële schade (ibid.). In de parlementaire voorbereiding werd opgemerkt dat «de evaluatie van de morele schade in toepassing van het gemene aansprakelijkheidsrecht altijd voor een deel arbitrair is en de rechtbanken voor dit punt vaak verwijzen naar de officieuze tarieven opgesteld door de doctrine op basis van precedenten in de rechtspraak. Door in de wet zelf een bepaald bedrag voor morele schadeloosstelling op te nemen, beperkt men zich omzeggens tot de «vervanging van de willekeur van de rechter door de willekeur van de wetgever»» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2722/001, p. 27).

Het forfaitaire karakter van de schadevergoeding beoogt tevens de stakingsrechter die een discriminatie vaststelt, in staat te stellen onmiddellijk een schadeloosstelling toe te kennen. Onder de wet van 25 februari 2003 was dat niet mogelijk «omdat het aangaan van debatten over de beoordeling van de schade niet verenigbaar is met de snelheid van de procedure «zoals in kort geding»» (ibid., p. 26).

De wetgever vermag redelijkerwijs aan te nemen dat het gemene recht van de contractuele en de buitencontractuele aansprakelijkheid bepaalde slachtoffers, te dezen de slachtoffers van discriminatie op een van de in de besproken wetten vermelde gronden, niet voldoende waarborgen biedt dat de door hen geleden schade effectief zal worden vergoed. Dat probleem blijkt zich inzonderheid voor te doen wat de morele schade betreft, waarvan het bedrag door de rechter vaak moeilijk nauwkeurig kan worden bepaald (ibid., p. 20-21). Door in een forfaitaire vergoeding te voorzien, wordt aan dat probleem tegemoetgekomen.

Bij het bepalen van de hoogte van de forfaitaire vergoeding van morele schade (650 of 1 300 euro) werd rekening gehouden met het feit dat een uniforme regel een grote variëteit van gevallen zou dienen te beogen (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/ 009, p. 58-59).

Ten slotte kan de forfaitaire schadevergoeding enkel worden toegekend aan de persoon die zelf het slachtoffer is van een in de besproken wetten beoogde discriminatie en niet aan de bevoegde instellingen en organisaties die namens hem in rechte kunnen optreden (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2722/001, p. 28).

Uit het bovenstaande blijkt dat de forfaitaire schadevergoeding geen repressief karakter heeft. Omdat de niet-naleving van het in de besproken artikelen bepaalde discriminatieverbod geen aanleiding kan geven tot een straf, zijn het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel en het beginsel «nullum crimen sine culpa» te dezen niet van toepassing.

«Directe discriminatie» wordt gedefinieerd als een «direct onderscheid» op grond van een «beschermd criterium» dat niet kan worden gerechtvaardigd op grond van de bepalingen van titel II van de besproken wetten (art. 4, 7o, van de Antiracismewet, art. 4, 7o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 5, 6o, van de Genderwet). Een «direct onderscheid» is een situatie die zich voordoet wanneer iemand ongunstiger dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de «beschermde criteria» (art. 4, 6o, van de Antiracismewet, art. 4, 6o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 5, 5o, van de Genderwet).

De «beschermde criteria» zijn nationaliteit, een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming (art. 4, 4o, van de Antiracismewet), leeftijd, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, geloof of levensbeschouwing, politieke overtuiging, taal, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, een fysieke of genetische eigenschap, sociale afkomst (art. 4, 4o, van de Algemene Antidiscriminatiewet) en geslacht, met inbegrip van zwangerschap, bevalling, moederschap en geslachtsverandering (art. 3 en 4 van de Genderwet).

«Indirecte discriminatie» wordt gedefinieerd als een «indirect onderscheid» op grond van een «beschermd criterium» dat niet kan worden gerechtvaardigd op grond van de bepalingen van titel II van de besproken wetten (art. 4, 9o, van de Antiracismewet, art. 4, 9o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 5, 8o, van de Genderwet). Een «indirect onderscheid» is een situatie die zich voordoet wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen gekenmerkt door een bepaald «beschermd criterium» bijzonder kan benadelen in vergelijking met andere personen (art. 4, 8o, van de Antiracismewet, art. 4, 8o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 5, 7o, van de Genderwet).

«Opdracht tot discrimineren» is elke handelwijze die erin bestaat wie ook opdracht te geven een persoon, een groep, een gemeenschap of een van hun leden te discrimineren op grond van een van de «beschermde criteria» (art. 4, 12o, van de Antiracismewet, art. 4, 13o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 5, 12o, van de Genderwet).

«Intimidatie» is ongewenst gedrag dat met een van de «beschermde criteria» verband houdt en tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd (art. 4, 10o, van de Antiracismewet, art. 4, 10o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 5, 9o, van de Genderwet). Van «seksuele intimidatie» is sprake wanneer zich enige vorm van ongewenst verbaal, non- verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie voordoet met als doel of gevolg dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd (art. 5, 10o, van de Genderwet).

Elke overtreding van een dergelijk discriminatieverbod moet weliswaar als een fout worden beschouwd maar, de bepalingen voeren op zich geen aansprakelijkheidsregeling in, maar enkel een verbod om te discrimineren.

art. 13 van de Antiracismewet, art. 15 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 20 van de Genderwet, verklaren de met deze wetten strijdige contractuele bepalingen nietig. ER kan hierbij niet gesteld worden dat die artikelen de schuldeisers ten opzichte van de schuldenaars (eerste onderdeel) zouden discrimineren en aldus afbreuk zouden plegen aan het eigendomsrecht  en de vrijheid van vereniging.

De bepalingen die in strijd zijn met deze wetten alsook de bedingen die bepalen dat een of meer contracterende partijen bij voorbaat afzien van de rechten die door de besproken wetten worden gewaarborgd, zijn nietig (art. 13 van de Antiracismewet, art. 15 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 20 van de Genderwet).

De vrijheid van de overeenkomsten moet zonder discriminatie worden verzekerd. Die contractvrijheid is de sfeer waarbinnen het recht de burgers toelaat om naar eigen believen overeenkomsten aan te gaan, maar die sfeer is niet onbegrensd. Hij wordt beperkt niet alleen door tal van wettelijke bepalingen, maar ook door de contractvrijheid van anderen, door de rechten van anderen en door het verbod van discriminatie.

Het is juist dat de wettelijke bepalingen in werkelijkheid vooral de schuldenaars beschermen en dat de nietigverklaring van contractuele bepalingen derhalve in hoofdzaak de schuldeisers treft, maar dat verschil in behandeling wordt verantwoord door de machtspositie, in feite of in rechte, die de laatstgenoemde categorie van personen in het rechtsverkeer inneemt en die haar, meer dan de andere categorie, in de gelegenheid stelt om te discrimineren.

De wetgever vermocht derhalve de verplichting om het beginsel van het discriminatieverbod na te leven nader uit te werken.

Evenmin als de contractvrijheid zijn het recht op de eerbiediging van de eigendom en het recht op de vrijheid van vereniging absoluut.

Het slachtoffer van een discriminatie kan een schadevergoeding vorderen van de persoon die het discriminatieverbod heeft geschonden. Het slachtoffer heeft de keuze tussen een forfaitaire vergoeding, die door de besproken wetten wordt bepaald, en een vergoeding van de werkelijk geleden schade, waarvan het de omvang dient te bewijzen (art. 16, § 1, van de Antiracismewet, art. 18, § 1, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 23, § 1, van de Genderwet).

Het slachtoffer van een dergelijke discriminatie kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of, naar gelang van de aard van de daad, de voorzitter van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel bovendien verzoeken de staking te bevelen van een zelfs onder het strafrecht vallende daad waardoor de bepalingen van de besproken wetten worden overtreden (art. 18, § 1, van de Antiracismewet, art. 20, § 1, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 25, § 1, van de Genderwet).

Door de mogelijkheid om voor een wettelijk bepaalde forfaitaire schadevergoeding te kiezen en om een bevel tot staking te vorderen, worden de slachtoffers van een discriminatie in de zin van de besproken wetten gunstiger behandeld dan de slachtoffers van andere discriminaties en de slachtoffers van misdrijven.

De discriminatie is in de regel geen misdrijf maar een onrechtmatige daad. Ook in de gevallen waarin de slachtoffers van een discriminatie met de slachtoffers van een misdrijf kunnen worden vergeleken, meer bepaald wanneer art. 23, 24 of 25 van de Antiracismewet, art. 23 van de Algemene Antidiscriminatiewet of art. 28 van de Genderwet worden toegepast, vindt de in het eerste onderdeel van het zevende middel bekritiseerde voorkeurbehandeling een objectieve en redelijke verantwoording in de bijzondere bewijsproblemen die de slachtoffers van discriminatie ondervinden, niet alleen wat het vaststellen van de discriminatie zelf betreft, maar ook ten aanzien van de schade, alsook in de bijzondere problemen om een vastgestelde discriminatie te doen ophouden. De vaststelling van de ernst van die problemen en de bekommernis daaraan tegemoet te komen, behoren tot de beleidsvrijheid van de wetgever.

Dezelfde redenen verantwoorden de keuze van de wetgever, meer bepaald het verschil in behandeling van, enerzijds, de personen aansprakelijk voor discriminatie in de zin van de besproken wetten, die tot een forfaitaire schadevergoeding kunnen worden veroordeeld, en, anderzijds, de personen aansprakelijk voor een andere onrechtmatige daad, die slechts tot vergoeding van de werkelijk geleden schade kunnen worden veroordeeld.

Wanneer een klacht wordt ingediend door of ten voordele van een persoon wegens een schending van een van de besproken wetten, mogen degenen tegen wie de klacht is ingediend, geen nadelige maatregel nemen ten aanzien van de betrokkene, behalve om redenen die vreemd zijn aan de klacht. Op het vlak van de arbeidsbetrekkingen worden onder meer als nadelige maatregelen beschouwd: de beëindiging van de arbeidsbetrekking, de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden en nadelige maatregelen genomen na de beëindiging van de arbeidsbetrekking (art. 14, § 1, en 15, §§ 1 en 2, van de Antiracismewet, art. 16, § 1, en 17, §§ 1 en 2, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 21, § 1, en 22, §§ 1 en 2, van de Genderwet).

Door het verbod om nadelige maatregelen te nemen, kan niet wordn afgeleid dat de personen worden gediscrimineerd die het voorwerp zijn van een ongegronde klacht. Deze redenering miskent  de eigen aard van de voorlopige maatregel, die precies ertoe strekt, in afwachting van de uitspraak van de rechter over de gegrondheid van de klacht, de feitelijke en juridische context van een geschil te bevriezen. Het discriminerend bevinden van het verbod om nadelige maatregelen te nemen ten aanzien van personen tegen wie een ongegronde klacht is ingediend, zou de rechter ertoe nopen eerst de gegrondheid van de klacht te onderzoeken alvorens het verbod te kunnen opleggen, wat de maatregel zijn bewarend karakter zou ontnemen.

De overtreding van het verbo resulteert niet in strafsancties, zodat het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel te dezen niet kan zijn geschonden.

De forfaitaire vergoeding van de morele schade geleden ten gevolge van een feit van discriminatie wordt bepaald op 650 euro. Dat bedrag wordt verhoogd tot 1 300 euro indien de dader niet kan aantonen dat de betwiste ongunstige of nadelige behandeling ook op niet-discriminerende gronden zou zijn genomen of wegens andere omstandigheden, zoals de bijzondere ernst van de geleden morele schade (art. 16, § 2, 1o, van de Antiracismewet, art. 18, § 2, 1o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 23, § 2, 1o, van de Genderwet).

Indien het slachtoffer morele en materiële schadevergoeding vordert wegens discriminatie in het raam van de arbeidsbetrekkingen of van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, is de forfaitaire schadevergoeding voor materiële en morele schade gelijk aan de brutobeloning voor zes maanden, tenzij de werkgever aantoont dat de betwiste ongunstige of nadelige behandeling ook op niet-discriminerende gronden zou zijn getroffen. In dat geval wordt de forfaitaire schadevergoeding voor materiële en morele schade beperkt tot drie maanden brutobeloning. Wanneer de materiële schade die voortvloeit uit een discriminatie in het raam van de arbeidsbetrekkingen of van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid echter kan worden hersteld door de toepassing van de hiervoor besproken nietigheidssanctie, wordt de forfaitaire schadevergoeding vastgesteld volgens de bepalingen van het 1o (art. 16, § 2, 2o, van de Antiracismewet, art. 18, § 2, 2o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 23, § 2, 2o, van de Genderwet).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever heeft geopteerd voor een stelsel van forfaitaire schadevergoeding omdat, in het gemeenrechtelijke stelsel van de burgerlijke aansprakelijkheid, «het vooruitzicht van een bevredigende schadevergoeding (...) zowel zwak is als vaag», omdat de laatstgenoemde schadevergoeding «een lange procedureslag» vereist, omdat de rechtbanken de neiging hebben om slechts «een symbolische euro» toe te kennen en omdat de «forfaitarisering» een dubbel voordeel zou hebben in die zin dat zij het zou mogelijk maken «de debatten in te korten» en het slachtoffer «uitzicht te bieden op een daadwerkelijke vergoeding in plaats van de symbolische euro» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2722/001, p. 26 en 27).

Die bepaling kan in geen geval worden geïnterpreteerd in die zin dat zij het mogelijk maakt een persoon die geen feit van discriminatie heeft gepleegd, te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, noch in die zin dat zij die schadevergoeding toekent aan een persoon die niet het slachtoffer zou zijn van die discriminatie.

Tijdens de parlementaire voorbereiding werd immers het volgende gepreciseerd: «Vooraleer er sprake is van de toekenning van een forfaitaire schadevergoeding, moet eerst worden vastgesteld dat er gediscrimineerd is. Dit onderstelt dat er een verboden onderscheid werd gemaakt op grond van beschermde criteria. Er kan nooit schadevergoeding worden toegekend als er geen discriminatie is geweest» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/009, p. 119).

De wetgever kon oordelen, zonder de in het middel aangevoerde bepalingen te schenden, dat het enkele feit zich schuldig te maken aan discriminatie in de omstandigheden die in de besproken wetten zijn beschreven, voor het slachtoffer van die discriminatie morele schade teweegbracht die moet worden vergoed.

Het is weliswaar mogelijk dat de dader kan aantonen dat hij «de betwiste ongunstige of nadelige behandeling» ook op niet-discriminerende gronden zou hebben getroffen. Die verantwoording a posteriori verhindert niet dat de dader zich schuldig heeft gemaakt aan discriminatie waarvoor hij het slachtoffer moet vergoeden. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever te beslissen dat, in dat geval, de forfaitaire schadevergoeding met de helft moet worden verminderd. Die oplossing is gebaseerd op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen volgens welke de omstandigheid dat de gediscrimineerde persoon ook op andere niet-discriminerende gronden zou zijn onderworpen aan het verschil in behandeling, niets afdoet aan het bestaan van de discriminatie, noch aan het feit dat deze aanleiding geeft tot schade, en bijgevolg tot een vergoeding (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/009, p. 59).

Opdat een forfaitaire schadevergoeding kan worden opgelegd, moet in ieder geval een discriminatie in de zin van deze wetten zijn vastgesteld. Zoals eerder is vermeld, vermocht de wetgever bij het bepalen van de forfaitaire schadevergoeding een onderscheid te maken naargelang de dader al dan niet kan aantonen dat de betwiste ongunstige of nadelige behandeling zich ook op niet- discriminerende gronden zou hebben voorgedaan, of wegens andere omstandigheden, zoals de bijzondere ernst van de geleden morele schade.

Voor het overige zijn de forfaitaire schadevergoedingen geen strafsancties, zodat het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel en het vermoeden van onschuld te dezen niet kunnen zijn geschonden, en houden zij evenmin een onevenredige beperking van het eigendomsrecht in.

De niet-naleving van een bevel tot staking wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met een geldboete van 50 euro tot 1 000 euro of met een van die straffen alleen (art. 26 van de Antiracismewet, art. 24 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 29 van de Genderwet).

De voormelde straffen worden niet opgelegd wegens de discriminatie die werd begaan, maar wegens de niet-naleving van een bevel tot staking van die discriminatie. Het niet naleven van een bevel tot staking kan door de rechter op objectieve wijze worden vastgesteld. De wetgever heeft aldus in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaald welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, degene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag kan zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsvrijheid wordt gelaten.

Degene die, in een van de in art. 444 Sw. bedoelde omstandigheden, aanzet tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon wegens een van de «beschermde criteria» of tot discriminatie, segregatie, haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan wegens een van de «beschermde criteria», wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met een geldboete van 50 euro tot 1 000 euro of met een van die straffen alleen (art. 20 van de Antiracismewet, art. 22 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 27 van de Genderwet).

De verwijzing naar art. 444 Sw. geeft aan dat dit aanzetten alleen strafbaar is indien het gebeurt in een van de volgende omstandigheden:

«– Hetzij in openbare bijeenkomsten of plaatsen;

– Hetzij in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken;

– Hetzij om het even welke plaats, in tegenwoordigheid van de beledigde en voor getuigen;

– Hetzij door geschriften, al dan niet gedrukt, door prenten of zinnebeelden, die aangeplakt, verspreid of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld worden;

– Hetzij ten slotte door geschriften, die niet openbaar gemaakt, maar aan verscheidene personen toegestuurd of meegedeeld worden».

Degene die, in een van de in art. 444 Sw. bedoelde omstandigheden, een persoon kwaadwillig een bepaald feit ten laste legt, dat zijn eer kan krenken of hem aan de openbare verachting kan blootstellen en waarvan het wettelijke bewijs niet wordt geleverd, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met een geldboete van 26 euro tot 200 euro.

De vaststelling van de ernst van een misdrijf en van de zwaarwichtigheid waarmee dat misdrijf kan worden bestraft, behoort in beginsel tot de beleidsvrijheid van de wetgever. Wat de strafmaat betreft, moet een beoordeling van het Hof grondwettelijk beperkt blijven tot die gevallen waarin de keuze van de wetgever dermate onsamenhangend is dat ze leidt tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling tussen vergelijkbare misdrijven, wat te dezen niet het geval is.

Voor de toepassing van de besproken strafrechtelijke bepalingen, vervat in titel IV van de vermelde wetten, wordt onder discriminatie verstaan: «elke vorm van opzettelijke directe discriminatie, opzettelijke indirecte discriminatie, opdracht tot discrimineren en intimidatie op grond van de beschermde criteria». In de Genderwet wordt daaraan de seksuele intimidatie toegevoegd. In de Algemene Antidiscriminatiewet wordt daaraan de weigering tot het maken van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap toegevoegd (art. 19 van de Antiracismewet, art. 21 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 26 van de Genderwet).

De wettelijke definities van directe discriminatie, indirecte discriminatie, opdracht tot discrimineren en intimidatie zijn hoger reeds vermeld. De definitie van «redelijke aanpassingen» luidt: «passende maatregelen die in een concrete situatie en naargelang de behoefte worden getroffen om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang te hebben tot, deel te nemen aan en vooruit te komen in de aangelegenheden waarop de Algemene Antidiscriminatiewet van toepassing is, tenzij deze maatregelen een onevenredige belasting vormen voor de persoon die deze maatregelen moet treffen. Wanneer die belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen in het raam van het gevoerde overheidsbeleid inzake personen met een handicap, mag zij niet als onevenredig worden beschouwd» (art. 4, 12o, van de Algemene Antidiscriminatiewet).

Vraag stelt zich in hoeverre de begrippen «opzettelijke directe discriminatie», «opzettelijke indirecte discriminatie», «opdracht tot discrimineren», «intimidatie op grond van de beschermde criteria» en «de weigering tot het maken van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap» voldoende duidelijk zijn.

Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten.

Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat er evenwel niet aan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen.

Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet, is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen.

Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het wettigheidsbeginsel in strafzaken zouden schenden.

(i) Wat het begrip «opzettelijke directe discriminatie» betreft

«directe discriminatie» in de besproken wetten wordt gedefinieerd als een «direct onderscheid» op grond van een «beschermd criterium» dat niet kan worden gerechtvaardigd op grond van de bepalingen van titel II van de besproken wetten (art. 4, 7o, van de Antiracismewet en van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 5, 6o, van de Genderwet). Een «direct onderscheid» is een situatie die zich voordoet wanneer iemand ongunstiger dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de «beschermde criteria» (art. 4, 6o, van de Antiracismewet, art. 4, 6o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 5, 5o, van de Genderwet).

Die definities zijn ontleend aan de relevante Europese richtlijnen (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51- 2722/001, p. 14 en 22). Zo is er volgens art. 2, tweede lid, van de richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, die de Algemene Antidiscriminatiewet beoogt om te zetten, directe discriminatie «wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden».

De rechtvaardigingsgronden in titel II, waarnaar wordt verwezen in de voormelde definitie van het begrip «directe discriminatie» en die een direct onderscheid op grond van een van de door de besproken wetten «beschermde criteria» rechtvaardigen, worden uiteengezet in art. 7 en 8 van de Antiracismewet, art. 7, 8, 12 en 13 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 8 tot 14 van de Genderwet. De algemene rechtvaardigingsgronden, bepaald in art. 10 en 11 van de Antiracismewet en van de Algemene Antidiscriminatiewet en in art. 16 tot 18 van de Genderwet, gelden ten aanzien van zowel een direct als een indirect onderscheid op grond van een van de «beschermde criteria».

Omdat er sprake is van directe discriminatie wanneer een direct onderscheid op grond van een «beschermd criterium» niet is gerechtvaardigd op grond van bepalingen van titel II van de besproken wetten, maken de in die titel vermelde rechtvaardigingsgronden derhalve een essentieel bestanddeel uit van het begrip directe discriminatie.

De wetgever heeft bij het bepalen van de rechtvaardigingsgronden voor een direct onderscheid gekozen voor een «gemengd systeem». In bepaalde gevallen, met name wanneer de Europese richtlijnen dit vereisen, geldt een «gesloten systeem van rechtvaardiging», wat betekent dat een verschil in behandeling enkel kan worden gerechtvaardigd op grond van beperkte, specifieke en vooraf bepaalde rechtvaardigingsgronden. In de andere gevallen geldt een «open systeem van rechtvaardiging», wat betekent dat een verschil in behandeling het voorwerp kan uitmaken van een objectieve en redelijke rechtvaardiging die niet verder wordt verduidelijkt en die wordt overgelaten aan het uiteindelijke oordeel van de rechter.

De algemene en open rechtvaardigingsgrond voor direct onderscheid op grond van de «beschermde criteria» houdt in dat elk direct onderscheid op grond van een van de «beschermde criteria» een directe discriminatie vormt, tenzij dat directe onderscheid objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn (o.m. art. 7, § 2, van de Antiracismewet, art. 7 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 14 van de Genderwet).

Uit de omschrijving van het begrip «direct onderscheid», waarnaar de definitie van het begrip «directe discriminatie» verwijst, en inzonderheid uit het woord «ongunstiger», blijkt allereerst dat enkel sprake kan zijn van directe discriminatie indien de personen die tot de gediscrimineerde categorie behoren, worden benadeeld.

Uit de parlementaire voorbereiding van de Algemene Antidiscriminatiewet blijkt vervolgens dat de wetgever met de omschrijving van de rechtvaardigingsgrond (het directe onderscheid wordt objectief gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel zijn passend en noodzakelijk) zich heeft willen aansluiten bij de omschrijving van het begrip discriminatie volgens de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, het Grondwettelijk Hof, het Hof van Cassatie en de Raad van State. Een lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers stelde «een verschil in formulering vast tussen dit wetsontwerp enerzijds en de wet van 25 februari 2003 anderzijds» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/009, p. 110). Dat lid formuleerde hieromtrent de volgende vraag: «Deze laatste (de wet van 25 februari 2003) bepaalt dat een verschil in behandeling geen verboden voorgeschreven discriminatie is, wanneer ze objectief en redelijkerwijs gerechtvaardigd kan worden. De nieuwe wet bepaalt daarentegen dat een onderscheid objectief moet worden gerechtvaardigd door een legitiem doel en dat de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk moeten zijn. Moet men hieruit besluiten dat het in de toekomst moeilijker zal zijn onderscheiden te rechtvaardigen? Voegt met name de term «noodzakelijk» een bijkomende voorwaarde toe in vergelijking met hetgeen de wet van 2003 vereist?» (ibid.).

Uit de toevoeging van het woord «opzettelijk» in art. 19 van de Antiracismewet, art. 21 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 26 van de Genderwet, luidens welke onder «discriminatie» onder meer «elke vorm van opzettelijke directe discriminatie» dient te worden begrepen, blijkt ten slotte dat het om een opzettelijk misdrijf gaat. Zelfs wanneer de rechter zou oordelen dat een direct onderscheid op grond van een «beschermd criterium» niet objectief en redelijk is te verantwoorden, dan nog zou er slechts sprake kunnen zijn van opzettelijke directe discriminatie wanneer wordt aangetoond dat de beklaagde wetens en willens heeft gehandeld. Derhalve volstaat het feit dat hij niet in staat is een objectieve en redelijke verantwoording te geven voor het door hem gemaakte onderscheid niet. Aangetoond dient allereerst te worden dat de beklaagde door dat onderscheid opzettelijk iemand ongunstig heeft willen behandelen op basis van een van de «beschermde criteria», in de wetenschap dat hiervoor geen redelijke verantwoording bestaat.

Omdat de wetgever de criteria overneemt die eenduidig zijn ontwikkeld door zowel nationale als internationale rechtscolleges voor de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, en een opzet vereist opdat er sprake kan zijn van «opzettelijke directe discriminatie», zijn de gebruikte criteria voldoende nauwkeurig, duidelijk en voorspelbaar en dus verenigbaar met het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel.

Een gesloten systeem voor direct onderscheid op grond van de «beschermde criteria» houdt in dat een verschil in behandeling enkel kan worden gerechtvaardigd op grond van beperkte, specifieke en vooraf bepaalde rechtvaardigingsgronden. Het betreft het «wezenlijke en bepalende beroepsvereiste», de «maatregel van positieve actie» en het «door of krachtens de wet opgelegde onderscheid».

Het begrip «wezenlijke en bepalende beroepsvereiste» wordt nader omschreven in art. 8, § 2, van de Antiracismewet, art. 8, § 2, van de Algemene Antidiscriminatiewet en in art. 13, § 2, van de Genderwet. Van een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste kan slechts sprake zijn wanneer een bepaald kenmerk, dat verband houdt met een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, leeftijd, seksuele geaardheid, geloof of levensbeschouwing, een handicap of het geslacht, vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin die worden uitgevoerd, wezenlijk en bepalend is en het vereiste berust op een legitieme doelstelling en evenredig is ten aanzien van die nagestreefde doelstelling.

Volgens de parlementaire voorbereiding kan «een kenmerk dat verband houdt met een beschermd criterium (...) als een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste worden beschouwd (1) vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten en (2) vanwege de context waarin de betrokken specifieke beroepsactiviteiten worden uitgevoerd» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2722/001, p. 48). Bovendien vermeldt die parlementaire voorbereiding het volgende: «De regel van de wezenlijke en bepalende beroepsvereisten dient als uitzonderingsregel zorgvuldig te worden gehanteerd en mag alleen gebruikt worden voor die beroepsvereisten die strikt noodzakelijk zijn om de activiteiten in kwestie uit te oefenen. Het voorontwerp vereist – in lijn met de Europese richtlijnen – dat het moet gaan om specifieke beroepsactiviteiten. Dit betekent dat de noodzaak tot het stellen van het vereiste steeds afhankelijk dient te zijn van de concrete activiteiten die door een (aan te werven) werknemer zullen worden verricht. Als het gevraagde criterium voor een bepaalde categorie van werknemers in sommige gevallen noodzakelijk is en in sommige gevallen niet, kan het criterium niet per definitie opgelegd worden aan de volledige categorie van werknemers» (ibid., p. 48-49).

Hieruit blijkt dat de wetgever met het begrip «wezenlijke en bepalende beroepsvereiste» bedoelt dat dient te worden nagegaan of een onderscheid op een van de voormelde gronden, gelet op de aard van de beroepsactiviteit en de context, noodzakelijk is voor de arbeidsbetrekkingen, de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid of het lidmaatschap van een professionele organisatie.

Ook het feit dat het beroepsvereiste dient te berusten op een legitieme doelstelling en evenredig dient te zijn ten aanzien van die doelstelling, wordt in de parlementaire voorbereiding nader omschreven:

«Als legitieme doelstelling voor het uitvaardigen van regels inzake wezenlijke en bepalende beroepsvereisten werden in het verleden onder meer reeds aanvaard: de bescherming van het privéleven; het respect voor de gevoelens van de patiënt; de openbare veiligheid; de verzekering van de gevechtskracht in het leger. Meer in het algemeen kunnen legitieme doelstellingen worden gevonden in de bescherming van grondrechten, in de culturele sfeer (bijvoorbeeld het vrijwaren van de artistieke vrijheid of vrijwaren van authenticiteit) of in de commerciële sfeer (bijvoorbeeld het vrijwaren van reclame gericht op bepaalde doelgroepen) en in de veiligheid (veiligheid in de onderneming; veiligheid van derden; de openbare veiligheid). De legitieme doelstelling kan uiteraard geen verband houden met discriminatoire motieven. Zo kan niet als legitieme doelstelling worden aanvaard: de bereidheid om tegemoet te komen aan een discriminatoire voorkeur van het cliënteel of van andere werknemers. In een tweede fase dient gecontroleerd te worden of het wezenlijke en bepalende beroepsvereiste evenredig is aan de legitieme doelstelling. In lijn met het Europese recht houdt deze evenredigheidstoets een controle in op het passend en noodzakelijk karakter van het beroepsvereiste ten aanzien van de nagestreefde doelstelling (arrest-Johnston, 222/84, 15 mei 1986, rechtsoverweging 38)» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2722/001, p. 49).

In zoverre de rechter dient na te gaan of een beroepsvereiste op een legitieme doelstelling berust en evenredig is ten aanzien van de nagestreefde doelstelling, verschilt die toetsing niet van de algemene rechtvaardigingsgrond, vermeld in B.45.1, volgens welke een direct onderscheid een discriminatie vormt, tenzij het wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen passend en noodzakelijk zijn voor dat doel.

Zoals hoger werd opgemerkt, blijkt uit de toevoeging van het woord «opzettelijk» in de besproken bepaling, luidens welke onder «discriminatie» onder meer «elke vorm van opzettelijke directe discriminatie» dient te worden begrepen, ten slotte dat het om een opzettelijk misdrijf gaat. Het loutere feit dat de rechter zou oordelen dat een bepaald kenmerk geen wezenlijk of bepalend beroepsvereiste zou vormen, volstaat derhalve niet opdat er sprake kan zijn van een opzettelijke directe discriminatie. Daartoe dient allereerst te worden bewezen dat de beklaagde, op het ogenblik dat hij het betwiste verschil in behandeling heeft aangenomen, wist dat het niet om een wezenlijk of bepalend beroepsvereiste ging.

Uit wat voorafgaat blijkt dat de aangewende criteria voldoende nauwkeurig, duidelijk en voorspelbaar zijn en dat art. 8 van de Antiracismewet en van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 13 van de Genderwet derhalve verenigbaar zijn met het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel.

In zoverre de voormelde wetten op bepaalde vlakken in een afwijking vvorziendoor te bepalen dat een direct onderscheid op grond van leeftijd of geslacht geen discriminatie vormt wanneer het objectief en redelijk wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn (art. 12, § 1, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 9 en 10 van de Genderwet), nemen zij de algemene rechtvaardigingsgrond over die eerder is vermeld . Om deze redenen, zijn die criteria voldoende nauwkeurig, duidelijk en voorspelbaar en dus verenigbaar met het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel.

De in art. 12, § 2, van de Algemene Antidiscriminatiewet vermelde gevallen waarin een direct onderscheid op grond van de leeftijd op het vlak van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid geen discriminatie vormt, «mits dat niet leidt tot discriminatie op grond van geslacht», zijn eveneens voldoende nauwkeurig, duidelijk en voorspelbaar.

Volgens art. 13 van de Algemene Antidiscriminatiewet, ten slotte, vormt voor publieke of particuliere organisaties, waarvan de grondslag op geloof of levensbeschouwing is gebaseerd, een direct onderscheid op grond van geloof of levensbeschouwing voor wat betreft de beroepsactiviteiten van die organisatie geen discriminatie, indien het geloof of de levensbeschouwing vanwege de aard van de activiteiten of de context waarin zij worden uitgeoefend, een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd beroepsvereiste vormt gezien de grondslag van de organisatie.

Ofschoon het begrip «een wezenlijke, legitieme en gerechtvaardigde beroepsvereiste» in dat artikel niet nader wordt bepaald, dient het te worden gelezen in het licht van art. 7 en 8 van de Algemene Antidiscriminatiewet. In de parlementaire voorbereiding verklaarde de Minister omtrent art. 13: «Het voert een bijzondere regel in inzake wezenlijke en bepalende beroepsvereisten voor identiteitsgebonden organisaties. Op grond van deze regel kunnen organisaties waarvan de grondslag gebaseerd is op geloof of overtuiging ook eisen stellen op dat vlak ten aanzien van personeelsleden» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/009, p. 112).

Dit houdt in dat voor wat betreft de arbeidsbetrekkingen, de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid en het lidmaatschap van professionele organisaties, voor publieke en particuliere organisaties waarvan de grondslag op geloof of levensbeschouwing is gebaseerd, een onderscheid op grond van geloof of levensbeschouwing als gerechtvaardigd dient te worden beschouwd wanneer het noodzakelijk is, gelet op de context, zijnde het identiteitsgebonden karakter van de organisatie, en op de aard van de beroepsactiviteit. Voor het overige is een onderscheid op grond van geloof of levensbeschouwing door dergelijke organisaties geen discriminatie wanneer het als objectief en redelijk verantwoord kan worden beschouwd, waarbij rekening dient te worden gehouden met de grondslag van de organisatie.

Onder voorbehoud van die interpretatie, zijn die criteria voldoende nauwkeurig, duidelijk en voorspelbaar en dus verenigbaar met het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel.

Overeenkomstig art. 10, § 1, van de Antiracismewet, art. 10, § 1, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 16, § 1, van de Genderwet geeft een direct of indirect onderscheid op grond van een van de «beschermde criteria» nooit aanleiding tot de vaststelling van enige vorm van discriminatie wanneer dat directe of indirecte onderscheid een maatregel van positieve actie inhoudt.

In de Genderwet wordt daaraan toegevoegd dat de bepalingen betreffende de zwangerschap en het moederschap niet kunnen worden beschouwd als een discriminatie, maar dat zij een voorwaarde voor de verwezenlijking van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen zijn (art. 17).

Die bepalingen voorzien aldus in een algemene rechtvaardigingsgrond, krachtens welke een onderscheid op grond van een «beschermd criterium» geen discriminatie uitmaakt.

Zoals hoger is uiteengezet, kan een maatregel van positieve actie slechts worden uitgevoerd wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: (1) er moet een kennelijke ongelijkheid zijn; (2) het verdwijnen van die ongelijkheid moet als een te bevorderen doelstelling worden aangewezen; (3) de maatregel van positieve actie moet van tijdelijke aard zijn en van die aard dat hij verdwijnt zodra de beoogde doelstelling is bereikt en (4) de maatregel van positieve actie mag de rechten van derden niet onnodig beperken (art. 10, § 2, van de Antiracismewet, art. 10, § 2, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 16, § 2, van de Genderwet).

Overeenkomstig art. 10, § 3, van de Antiracismewet, art. 10, § 3, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 16, § 3, van de Genderwet dient de Koning de situaties waarin en de voorwaarden waaronder een maatregel van positieve actie kan worden genomen, te bepalen. Dat optreden van de Koning werd als volgt verantwoord: «Eén van de voorwaarden inzake rechtmatigheid waaraan het Arbitragehof positieve actie onderwerpt, is het feitelijke bestaan van een duidelijke ongelijkheid ten nadele van de «doelgroep» van positieve actie. Per definitie is een privé-actor die alleen handelt, niet in staat op macroscopisch vlak te oordelen of deze voorwaarde vervuld is. Daarom is de regering van oordeel dat in elk van de drie wetten de toepassing van positieve actie onderworpen moet zijn aan een voorafgaande toestemming en reglementaire omkadering van de Koning» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2722/001, p. 23).

Uit wat voorafgaat blijkt dat een persoon die zich ter rechtvaardiging van een direct of indirect onderscheid op de in B.48.1 vermelde algemene rechtvaardigingsgrond wil beroepen, weet aan welke voorwaarden hij moet voldoen. Of er al dan niet sprake is van een kennelijke ongelijkheid, zal immers genoegzaam blijken uit het koninklijk besluit dat de situaties bepaalt waarin een maatregel van positieve actie kan worden genomen. Hetzelfde geldt wat de termijn betreft gedurende welke die maatregel kan worden genomen. In zoverre dient te worden nagegaan of de maatregel van positieve actie een legitiem doel (het verdwijnen van een kennelijke ongelijkheid) heeft en andermans rechten niet onnodig beperkt, verschilt die toetsing in wezen niet van de in hoger vermelde rechtvaardigingsgrond.

Overeenkomstig art. 11, § 1, van de Antiracismewet, art. 11, § 1, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 18, § 1, van de Genderwet geeft een direct of indirect onderscheid op grond van een van de «beschermde criteria» nooit aanleiding tot de vaststelling van een discriminatie verboden door die wetten, wanneer dat onderscheid wordt opgelegd door of krachtens een wet.

Die uitzondering werd als volgt verantwoord: «Dit artikel verhindert conflicten tussen deze wet en andere overheidsmaatregelen die onderscheid op grond van de beschermde criteria opleggen. Krachtens dit artikel begaat een persoon geen door de wet verboden discriminatie, wanneer deze persoon handelt in overeenstemming met de regelgeving die onderscheid op grond van de beschermde criteria organiseert. Deze bepaling waarborgt de rechtszekerheid. Zij verhindert dat een burger een keuze dient te maken tussen de normen die hij dient na te leven (deze Antidiscriminatiewet of de wet die onderscheid organiseert)» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2722/001, p. 52).

De hoger vermelde  bepalingen doen geen uitspraak over de verenigbaarheid van een direct of indirect onderscheid dat door of krachtens een wet wordt opgelegd, met de Grondwet, het recht van de Europese Unie en het in België geldende internationale recht (art. 11, § 2, van de Antiracismewet, art. 11, § 2, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 18, § 2, van de Genderwet). Zo vermag het slachtoffer van een vermeende discriminatie het Hof te vragen de wet die het onderscheid oplegt te toetsen aan het grondwettelijke beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2722/001, p. 52).

Zolang evenwel de wet die het onderscheid oplegt van kracht is, biedt zulks een voldoende rechtvaardiging voor dat onderscheid.

De vermelde rechtvaardigingsgrond is voldoende nauwkeurig, duidelijk en voorspelbaar en dus verenigbaar met het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel.

Aldus dient te worden besloten dat de rechtvaardigingsgronden in titel II, waarnaar wordt verwezen in de definitie van het begrip «opzettelijke directe discriminatie» en die een essentieel bestanddeel uitmaken van dat begrip, voldoende nauwkeurig, duidelijk en voorspelbaar zijn. Bijgevolg schendt het begrip «opzettelijke directe discriminatie» het wettigheidsbeginsel in strafzaken niet.

(ii) Wat het begrip «opzettelijke indirecte discriminatie» betreft

Zoals hoger is vermeld, wordt «indirecte discriminatie» in de besproken wetten gedefinieerd als een «indirect onderscheid» op grond van een «beschermd criterium» dat niet kan worden gerechtvaardigd op grond van de bepalingen van titel II van de besproken wetten (art. 4, 9o, van de Antiracismewet, art. 4, 9o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 5, 8o, van de Genderwet). Een «indirect onderscheid» is een situatie die zich voordoet wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen gekenmerkt door een bepaald «beschermd criterium» bijzonder kan benadelen in vergelijking met andere personen (art. 4, 8o, van de Antiracismewet, art. 4, 8o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 5, 7o, van de Genderwet).

BDe rechtvaardigingsgronden in titel II, waarnaar wordt verwezen in de voormelde definitie van het begrip «indirecte discriminatie» en die een indirect onderscheid op grond van een van de door die wet «beschermde criteria» rechtvaardigen, zijn vermeld in art. 9 van de Antiracismewet, art. 9 van de Algemene Antidiscriminatiewet en in art. 15 van de Genderwet. De algemene rechtvaardigingsgronden, bepaald in art. 10 en 11 van de Antiracismewet, art. 10 en 11 van de Algemene Antidiscriminatiewet en in art. 16 tot 18 van de Genderwet, gelden zowel ten aanzien van een direct als van een indirect onderscheid op grond van een van de «beschermde criteria».

In zoverre er sprake is van indirecte discriminatie wanneer een indirect onderscheid op grond van een «beschermd criterium» niet gerechtvaardigd is op grond van de bepalingen van titel II van de besproken wetten, maken de in die titel vermelde rechtvaardigingsgronden derhalve een essentieel bestanddeel uit van het begrip indirecte discriminatie.

Elk indirect onderscheid op een van de in de besproken wetten vermelde discriminatiegronden vormt een indirecte discriminatie, tenzij de «ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze die aan de grondslag ligt van het indirecte onderscheid objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn» (art. 9 van de Antiracismewet, art. 9 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 15 van de Genderwet) of tenzij, in het geval van indirect onderscheid op grond van een handicap, wordt aangetoond dat geen redelijke aanpassingen kunnen worden getroffen (art. 9 van de Algemene Antidiscriminatiewet).

Uit de parlementaire voorbereiding van de besproken wetten blijkt dat de strafbaarstelling van opzettelijke indirecte discriminatie beoogt te vermijden dat een ogenschijnlijk neutraal criterium wordt gehanteerd teneinde het verbod op directe discriminatie te omzeilen (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51- 2722/001, p. 41 en 62).

De wetgever beoogde tevens tegemoet te komen aan het arrest nr. 157/2004 van 6 oktober 2004, waarin het Hof het volgende oordeelde:

«Volgens art. 2, § 2, van de wet is «er (...) sprake van indirecte discriminatie wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze als zodanig een schadelijke weerslag heeft op personen op wie een van de in § 1 genoemde discriminatiegronden van toepassing is, tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief en redelijkerwijze wordt gerechtvaardigd».

Ook al voegt de verwijzing naar het feit dat die bepaling, maatstaf of handelwijze «objectief en redelijkerwijze wordt gerechtvaardigd» niets toe aan de definitie van het begrip «discriminatie», toch is het moeilijk denkbaar op welke manier opzettelijk zou kunnen worden aangezet tot een «ogenschijnlijk neutrale handelwijze», of tot een daad waarvan de discriminerende aard alleen tot uiting komt door de «schadelijke weerslag» ervan. Zo‘n definitie bevat een vaag element dat niet verhindert dat een burgerrechtelijke maatregel kan worden genomen tegen indirecte discriminatie, maar dat niet verenigbaar is met het vereiste van voorzienbaarheid dat inherent is aan de strafwet.

De strafbaarstelling die bij art. 6, § 1, eerste streepje, is gecreëerd, voldoet bijgevolg enkel aan het wettigheidsbeginsel in strafzaken indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij alleen betrekking heeft op het opzettelijk aanzetten tot directe discriminatie».

Om dat bezwaar te verhelpen, spreekt de voormelde definitie van het begrip «indirect onderscheid», waarnaar de definitie van het begrip «indirecte discriminatie» verwijst, van een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze die personen gekenmerkt door een bepaald «beschermd criterium», in vergelijking met andere personen bijzonder kan benadelen. In de parlementaire voorbereiding wordt hieromtrent het volgende overwogen: «Met deze Europese definitie (die is overgenomen in de drie voorgestelde wetten) die indirecte discriminatie meet aan een resultaat dat zich daadwerkelijk voordoet of waarvan men denkt dat het zich waarschijnlijk zal voordoen in functie van de gewone ervaring, wordt het perfect denkbaar dat een indirecte discriminatie «anticipeerbaar» is en dus «opzettelijk» wordt begaan door de dader» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2722/ 001, p. 30).

In antwoord op de vraag hoe indirecte discriminatie opzettelijk kan zijn, antwoordde de Minister, met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, het volgende: «Om de ter bespreking voorliggende wetsontwerpen op dat punt volkomen af te stemmen op de vereisten van het communautaire recht, definiëren zij indirecte discriminatie als «de situatie waarin een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelswijze personen met een bepaald beschermd criterium in vergelijking met andere personen bijzonder kan benadelen», en wel op voorwaarde dat een soortgelijke praktijk niet mag stoelen op één van de bij elk van de drie wetsontwerpen bepaalde rechtvaardigingsgronden. Die definitie verwoordt dus het begrip «indirecte discriminatie» met verwijzing naar een feit dat zich daadwerkelijk heeft voorgedaan en dat achteraf wordt vastgesteld, dan wel met verwijzing naar een feit waarvan redelijkerwijs a priori mag worden aangenomen dat het zich zou kunnen voordoen, op grond van de gemeenschappelijke ervaring. Uit dat laatste oogpunt is het dus volkomen denkbaar dat indirecte discriminatie «anticipeerbaar» kan zijn, en derhalve met opzet kan worden begaan door de persoon die ze toepast. Zulks geldt tevens voor het aanzetten tot een soortgelijke vorm van discriminatie» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/009, p. 45-46).

Uit het bovenstaande blijkt dat er enkel sprake kan zijn van «opzettelijke indirecte discriminatie» wanneer allereerst een andere grond van onderscheid wordt gehanteerd dan nationaliteit, een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, leeftijd, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, geloof of levensbeschouwing, politieke overtuiging, taal, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, een fysieke of genetische eigenschap, sociale afkomst of geslacht, maar die personen gekenmerkt door een van de in de besproken wetten vermelde gronden bijzonder kan benadelen. Vervolgens dient die grond te worden gehanteerd teneinde een onderscheid op een van de in de besproken wetten vermelde gronden te maken zonder dat hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Ten slotte dient het opzettelijk karakter te worden aangetoond (Parl. St. Kamer, 2006- 2007, DOC 51-2720/009, p. 114).

Het volstaat derhalve niet dat een bepaling, maatstaf of handelwijze een categorie van personen (gekenmerkt door een verboden discriminatiegrond) bijzonder kan benadelen. Er dient ook te worden aangetoond dat de auteur van die bepaling, maatstaf of handelwijze op het ogenblik dat hij ze heeft gesteld of aangenomen, wist dat die categorie van personen hierdoor zou worden benadeeld zonder dat hiervoor een redelijke verantwoording bestond en dat hij dat nadeel ook heeft gewild. Met toepassing van de algemene strafrechtelijke beginselen is het aan de vervolgende partij om hiervan het bewijs te leveren, waarbij elke twijfel in het voordeel is van de beklaagde.

Onder voorbehoud van die interpretatie is de voorrmelde rechtvaardigingsgrond voldoende nauwkeurig, duidelijk en voorspelbaar en dus verenigbaar met het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel.

Omdat een indirect onderscheid op basis van een van de in de besproken wetten vermelde discriminatiegronden eveneens kan worden gerechtvaardigd op grond van de algemene rechtvaardigingsgronden, bepaald in art. 10 en 11 van de Antiracismewet en van de Algemene Antidiscriminatiewet en in art. 16 tot 18 van de Genderwet, zijn die rechtvaardigingsgronden om de voormelde redenen verenigbaar met het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel.

De rechtvaardigingsgronden in titel II, waarnaar wordt verwezen in de definitie van het begrip «opzettelijke indirecte discriminatie» en die een essentieel bestanddeel uitmaken van dat begrip, zijn voldoende nauwkeurig, duidelijk en voorspelbaar. Bijgevolg schendt het begrip «opzettelijke indirecte discriminatie» het wettigheidsbeginsel in strafzaken niet.

(iii) Wat het begrip «opdracht tot discrimineren» betreft

Zoals hoger vermeld, wordt «opdracht tot discrimineren» in de besproken wetten gedefinieerd als elke handelwijze die erin bestaat wie ook opdracht te geven een persoon, een groep, een gemeenschap of een van hun leden te discrimineren op grond van een van de «beschermde criteria» (art. 4, 12o, van de Antiracismewet, art. 4, 13o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 5, 12o, van de Genderwet).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het verbod om een opdracht te geven tot discriminatie beoogt «te verhinderen dat men door het gebruik van tussenpersonen tracht te ontsnappen aan het verbod op discriminatie» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/009, p. 42). De Minister gaf het volgende voorbeeld: «Het kan gebeuren dat een kandidaat- huurder wordt afgewezen door een immobiliënmakelaar op grond van discriminatoire criteria voor de huur van een onroerend goed waarvoor de makelaar optreedt als bemiddelaar; de immobiliënmakelaar ontkomt dan niet aan zijn aansprakelijkheid zoals die wordt bepaald door de wetsontwerpen, door aan te geven dat hij handelde in uitdrukkelijke opdracht van de eigenaar. (...) Wanneer de immobiliënmakelaar echter aantoont dat hij effectief handelde in uitdrukkelijke opdracht van de eigenaar, zal ook de eigenaar kunnen worden aangesproken door de kandidaat- huurder wegens een autonome schending van de wet, namelijk van het verbod tot opdracht tot discrimineren» (ibid., p. 42-43).

Uit het bovenstaande blijkt dat, bij de persoon die opdracht geeft tot discrimineren, opzet is vereist. Hij dient namelijk te weten dat het onderscheid dat een andere persoon in zijn opdracht maakt, niet objectief en redelijk is verantwoord. De bewijslast van dat opzettelijke element rust op de eiser (ibid., p. 47).

Het begrip «opdracht tot discrimineren» is voldoende nauwkeurig, duidelijk en voorspelbaar en dus verenigbaar met het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel.

(iv) Wat het begrip «intimidatie» betreft

Zoals hoger vermeld, wordt «intimidatie» in de besproken wetten gedefinieerd als «ongewenst gedrag» dat met een van de «beschermde criteria» verband houdt en tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd (art. 4, 10o, van de Antiracismewet, art. 4, 10o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 5, 7o, van de Genderwet).

Uit die definitie blijkt dat ongewenst gedrag strafbaar is voor zover aan drie voorwaarden is voldaan: (1) het dient verband te houden met één van de «beschermde criteria»; (2) het dient tot doel of gevolg te hebben dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en (3) het dient een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving te creëren.

In de parlementaire voorbereiding van de besproken wet wordt aangegeven dat onder meer de definitie van «intimidatie» (in het Frans: harcèlement) is ontleend aan het Gemeenschapsrecht (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/001, p. 14 en 22; DOC 51-2720/009, p. 14 en 18; Senaat, 2006-2007, nr. 3-2362/3, p. 9 en 12). Dezelfde termen komen immers voor in art. 2, derde lid, van de richtlijn 2000/ 43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming en in art. 2, derde lid, van de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 20 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. Art. 2, derde lid, van de voormelde richtlijn 2000/43/EG bepaalt: «Intimidatie (in het Frans: harcèlement; in het Engels: harassment) wordt als discriminatie in de zin van het eerste lid beschouwd, als er sprake is van ongewenst gedrag dat met ras of etnische afstamming verband houdt en tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd. Het begrip intimidatie kan in dit verband worden gedefinieerd in overeenstemming met de nationale wetgeving en praktijken van de lidstaten».

In zijn gewone betekenis verwijst het begrip «intimidatie» in de zin van «belaging» naar het onrechtmatige gedrag, namelijk door vernederingen en bedreigingen, dat een persoon arglistig en herhaaldelijk aanneemt ten aanzien van een andere persoon, om die te destabiliseren.

Het begrip aantasting van de persoonlijke waardigheid of van de menselijke waardigheid is een begrip dat reeds is aangewend zowel door de Grondwetgever (art. 23 van de Grondwet) en de wetgever (art. 136quater, 433quinquies en 433decies Sw.; art. 1675/3, derde lid, 1675/10, § 4, eerste lid, 1675/12, § 2, eerste lid, en 1675/13, § 6, Ger. W.; art. 2 van de wet van 2 juni 1998 houdende oprichting van een Informatie- en Adviescentrum inzake de schadelijke sektarische organisaties en van een Administratieve coördinatiecel inzake de strijd tegen schadelijke sektarische organisaties; art. 5 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden; art. 3 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen) als door de rechtspraak (zie: Cass. 23 maart 2004, Arr. Cass. 2004, nr. 165, en 8 november 2005, Arr. Cass. 2005, nr. 576).

Doordat art. 4, 10o, van de besproken wet bepaalt dat «intimidatie» in de zin van «belaging» een gedrag is dat de erin aangegeven elementen tot doel of gevolg heeft, geeft het ten slotte niet aan dat dat gedrag zou kunnen worden bestraft indien het als gevolg heeft dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving zou worden gecreëerd, zelfs indien zulks niet de bedoeling was. Het is immers moeilijk denkbaar dat een dergelijk gedrag door de dader niet wetens en willens kan zijn aangenomen.

Onder voorbehoud van die interpretatie is het begrip «intimidatie» in de zin van «belaging» voldoende nauwkeurig, duidelijk en voorspelbaar en is het bijgevolg verenigbaar met het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel.

(v) Wat het begrip «de weigering tot het maken van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap» betreft

B.54.1. Zoals hoger vermeld, zijn «redelijke aanpassingen» passende maatregelen die in een concrete situatie en naar gelang van de behoefte worden genomen om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang te hebben tot, deel te nemen aan en vooruit te komen in de aangelegenheden waarop de Algemene Antidiscriminatiewet van toepassing is, tenzij die maatregelen een onevenredige belasting vormen voor de persoon die de maatregelen moet nemen. Wanneer die belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen in het raam van het gevoerde overheidsbeleid inzake personen met een handicap, mag zij niet als onevenredig worden beschouwd (art. 4, 12o, van de Algemene Antidiscriminatiewet).

Derhalve dient te worden nagegaan of een aanpassing voor de persoon die de maatregel dient te nemen, al dan niet onevenredig is ten aanzien van het doel, dat erin bestaat een persoon met een handicap in staat te stellen toegang te hebben tot, deel te nemen aan en vooruit te komen in de aangelegenheden waarop die wet van toepassing is.

In zoverre de rechter dient na te gaan of de belasting die een aanpassing vormt voor de persoon die de maatregel moet nemen, waarbij hij alle elementen die die persoon aanvoert, in acht dient te nemen, verschilt de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel niet wezenlijk van de evenredigheidstoetsing door de rechter wanneer hij de in art. 7 van de Algemene Antidiscriminatiewet neergelegde rechtvaardigingsgrond dient toe te passen.

Bij die evenredigheidstoetsing zal de rechter rekening dienen te houden met bestaande maatregelen in het raam van het gevoerde overheidsbeleid inzake personen met een handicap. De omschrijving van het begrip «redelijke aanpassingen» preciseert immers dat maatregelen die worden gecompenseerd door bestaande maatregelen in het raam van het gevoerde overheidsbeleid inzake personen met een handicap, niet als onevenredig kunnen worden beschouwd. Er kan evenwel enkel sprake zijn van compensatie wanneer de door de overheid genomen maatregel opweegt tegen de belasting voor de persoon die de maatregelen moet nemen om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang te hebben tot, deel te nemen aan en vooruit te komen in een aangelegenheid waarop de wet van toepassing is. Bovendien vermogen maatregelen die een louter incitatief karakter hebben, niet alsnog bindend te worden.

Ten slotte blijkt uit de parlementaire voorbereiding (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2722/ 001, p. 62), alsmede uit het woord «weigering», dat een opzet is vereist opdat er sprake kan zijn van een weigering tot het maken van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap. Hieruit vloeit voort dat de loutere vaststelling door de strafrechter dat de maatregel geen onevenredige belasting vormt voor de persoon die hem moet nemen niet volstaat. Er moet tevens worden aangetoond dat de beklaagde, op het ogenblik dat hij heeft geweigerd die maatregel te nemen, wist dat die maatregel geen onredelijke belasting zou uitmaken.

Een veroordeling is dus slechts mogelijk onder de drievoudige voorwaarde dat de vervolgende partij aantoont dat de beklaagde de redelijke aanpassingen niet wilde doen, dat die aanpassingen in concreto niet onevenredig zijn en dat de beklaagde zich ervan bewust was dat hij die aanpassingen moest doen.

Uit wat voorafgaat blijkt dat, onder die voorwaarden, het begrip «de weigering tot het maken van redelijke aanpassingen voor een persoon met een handicap» voldoende nauwkeurig, duidelijk en voorspelbaar is en dat het bijgevolg verenigbaar is met het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel.

Voor het overige zetten de verzoekende partijen niet uiteen in welk opzicht de wettelijke omschrijving van «indirecte discriminatie» (vijfde onderdeel van het achtste middel) en van «intimidatie» (zevende onderdeel van het achtste middel) de vrijheid van meningsuiting op onevenredige wijze zou beperken.

(vi) Wat de overlappingen tussen bepaalde discriminatiegronden en de vaagheid van de verboden handelingen in het algemeen betreft

Uit wat voorafgaat blijkt dat de verboden handelingen voldoende duidelijk zijn geformuleerd en dat de besproken wetten enkel vormen van opzettelijke discriminatie strafbaar stellen, met andere woorden het wetens en willens discrimineren op voldoende precieze gronden.

(vii) Wat de begrippen «een zogenaamd ras», «rassenhaat» en «rassuperioriteit» betreft

Reeds vóór de wijziging ervan bij de wet van 10 mei 2007 maakte de Antiracismewet gebruik van het begrip «een zogenaamd ras», op grond van de volgende motivering: «Daar het gebruik van het woord ras in de feiten de indruk kan wekken dat de wetgever het bestaan van verschillende rassen bevestigt, terwijl dit concept wetenschappelijk onbestaande is, opteren wij ervoor de term «ras» vergezeld te laten gaan van het adjectief «zogenaamd», dit om erop te duiden dat dit onderscheid enkel bestaat in de geest van de racist en dus niet met de werkelijkheid overeenstemt» (Parl. St. Senaat, 2000-2001, nr. 2-12/6, p. 3).

De wetgever heeft het adjectief «zogenaamd» derhalve toegevoegd om zijn afkeuring uit te drukken ten aanzien van een begrip dat in het taalgebruik is ingeburgerd, maar waarvan de wetenschappelijke grondslag wordt betwist. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, is het in de visie van de wetgever niet de discriminatiegrond «een zogenaamd ras» die niet bestaat, maar wel de discriminatiegrond «ras».

Aangezien het begrip «een zogenaamd ras» sedert 2003 deel uitmaakt van de Antiracismewet, is het ten slotte reeds door de rechtspraak in de gangbare betekenis geïnterpreteerd.

In die context is het begrip «een zogenaamd ras» voldoende nauwkeurig, duidelijk en voorspelbaar, zodat de desbetreffende strafbaarstellingen op grond van dat begrip, evenals op grond van de ervan afgeleide begrippen «rassenhaat» en «rassuperioriteit», verenigbaar zijn met het strafrechtelijke wettigheidsbeginsel.

Art. 19 van de Grondwet bepaalt:

«De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd».

Art. 10 van het E.V.R.M. bepaalt:

«1. Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. Dit artikel belet niet dat Staten radio-omroep-, bioscoop- of televisie- ondernemingen kunnen onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van ‘s lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen».

De in die artikelen gewaarborgde vrijheid van meningsuiting is een van de pijlers van een democratische samenleving. Zij geldt niet alleen voor de «informatie» of de «ideeën» die gunstig worden onthaald of die als onschuldig of onverschillig worden beschouwd, maar ook voor die welke de Staat of een of andere groep van de bevolking «schokken, verontrusten of kwetsen». Zo willen het pluralisme, de verdraagzaamheid en de geest van openheid, zonder welke er geen democratische samenleving kan bestaan (E.H.R.M. 7 december 1976, Handyside t/ Verenigd Koninkrijk, § 49; 23 september 1998, Lehideux en Isorni t/ Frankrijk, § 55; en 28 september 1999, Öztürk t/ Turkije, § 64).

Niettemin brengt de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, zoals blijkt uit de bewoordingen van art. 10.2 van het E.V.R.M., bepaalde plichten en verantwoordelijkheden mee (E.H.R.M. 4 december 2003, Gündüz t/ Turkije, § 37), onder meer de principiële plicht bepaalde grenzen «die meer bepaald de bescherming van de goede naam en de rechten van anderen nastreven» niet te overschrijden (E.H.R.M. 24 februari 1997, De Haes en Gijsels t/ België, § 37; 21 januari 1999, Fressoz en Roire t/ Frankrijk, § 45; 15 juli 2003, Ernst e.a. t/ België, § 92). De vrijheid van meningsuiting kan, krachtens art. 10.2 van het E.V.R.M., onder bepaalde voorwaarden worden onderworpen aan formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, met het oog op, onder meer, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.

Art. 19 van de Grondwet verbiedt dat de vrijheid van meningsuiting aan preventieve beperkingen wordt onderworpen, maar niet dat misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheid worden gepleegd, worden bestraft.

Uit de rechtspraak van het Europees Hof en van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens blijkt bovendien dat haatdragende uitlatingen, in bepaalde omstandigheden en onder bepaalde voorwaarden, geen bescherming genieten op grond van art. 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (E.H.R.M. 10 oktober 2000, Ibrahim Aksoy t/ Turkije, § 63; 24 juni 2003, Roger Garaudy t/ Frankrijk; 4 december 2003, Gündüz t/ Turkije, § 41; ECRM, 11 oktober 1979, nrs. 8348/78 en 8406/78, Glimmerveen en Hagenbeek t/ Nederland, D.R. 18, p. 187).

In het arrest Gündüz t/ Turkije van 4 december 2003, oordeelde het Europees Hof bijvoorbeeld: «Er bestaat overigens geen twijfel over dat concrete uitlatingen die een haatdiscours vormen, zoals het Hof heeft vastgesteld in de zaak Jersild t/ Denemarken (arrest van 23 september 1994, reeks A., nr. 298, p. 25, § 35), en die voor individuen of groepen beledigend kunnen zijn, niet de bescherming van art. 10 van het Verdrag genieten» (§ 41) (eigen vertaling).

In de ontvankelijkheidsbeslissing Roger Garaudy t/ Frankrijk van 24 juni 2003 oordeelde het Europees Hof dat «het ontkennen of minimaliseren van de Holocaust» te beschouwen is als «een van de scherpste vormen van raciale laster en van het aanzetten tot haat jegens de joden» (p. 29). Volgens het Europees Hof «brengen de ontkenning of de herziening van dergelijke historische feiten de waarden in het gedrang die ten grondslag liggen aan de strijd tegen racisme en antisemitisme en kunnen zij de openbare orde ernstig verstoren. Doordat zij andermans rechten schenden, zijn dergelijke handelingen niet verenigbaar met de democratie en de rechten van de mens, en de auteurs ervan streven zonder enige twijfel doelstellingen na die bij art. 17 van het Verdrag zijn verboden» (ibid.).

In een andere ontvankelijkheidsbeslissing luidde het oordeel van het Europees Hof als volgt: «Te dezen bevatte de poster in kwestie een foto van de brandende Twin Towers, de woorden «Islam out of Britain – Protect the British People» en een symbool van een halvemaan en ster in een verbodsteken. Het Hof neemt kennis van en is het eens met de beoordeling van de nationale rechtscolleges dat de woorden en afbeeldingen op de poster neerkwamen op een openbare uiting van scherpe kritiek op alle moslims in het Verenigd Koninkrijk. Een dergelijke algemene, felle uitval naar een religieuze groep, waarbij de groep in zijn geheel met een ernstige terreurdaad in verband wordt gebracht, is onverenigbaar met de in het Verdrag verkondigde en gewaarborgde waarden, met name verdraagzaamheid, sociale vrede en niet-discriminatie. Het uitstallen van de poster door de verzoeker in zijn raam was een handeling in de zin van art. 17 die bijgevolg niet de bescherming van art. 10 of 14 genoot» (E.H.R.M. 16 november 2004, Norwood t/ Verenigd Koninkrijk) (eigen vertaling).

In nog een andere ontvankelijkheidsbeslissing besliste het Europees Hof: «Te dezen schreef en publiceerde de verzoeker een reeks artikelen waarin de joden als de oorzaak van het kwaad in Rusland werden afgeschilderd. Hij beschuldigde een volledige etnische groep ervan een samenzwering te beramen tegen het Russische volk en schreef de joodse leiders de fascistische ideologie toe. Zowel in zijn publicaties als in zijn mondelinge opmerkingen tijdens de terechtzitting ontzegde hij de joden consequent het recht op nationale waardigheid door te beweren dat zij geen natie vormden. Het Hof twijfelt niet aan de uitgesproken antisemitische teneur van de standpunten van de verzoeker en is het eens met de beoordeling van de nationale rechtscolleges dat hij via zijn publicaties haat poogde op te wekken jegens het joodse volk. Een dergelijke algemene en felle uitval naar één etnische groep is in strijd met de onderliggende waarden van het Verdrag, met name verdraagzaamheid, sociale vrede en niet-discriminatie. Bijgevolg is het Hof van oordeel dat de verzoeker, krachtens art. 17 van het Verdrag, de bij art. 10 van het Verdrag geboden bescherming niet kan genieten» (E.H.R.M. 20 februari 2007, Ivanov t/ Rusland) (eigen vertaling).

Het in die beslissingen vermelde art. 17 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt: «Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon het recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten welke ten doel heeft de rechten of vrijheden welke in dit Verdrag zijn vermeld te vernietigen of deze rechten en vrijheden meer te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien».

Uit het bovenstaande volgt, enerzijds, dat bepaalde uitlatingen niet onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting vallen, en, anderzijds, dat beperkingen van de vrijheid van meningsuiting met het oog op de bescherming van de rechten van anderen, onder bepaalde voorwaarden aanvaardbaar zijn. Wat dit laatste betreft, moet eveneens rekening worden gehouden met het uit art. 19 van de Grondwet voortvloeiende verbod van preventieve beperkingen.

Volgens art. 3 van elk van de voormelde wetten, hebben die wetten tot doel een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van nationaliteit, een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming (Antiracismewet), leeftijd, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, geloof of levensbeschouwing, politieke overtuiging, taal, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, een fysieke of genetische eigenschap, sociale afkomst (Algemene Antidiscriminatiewet) en geslacht (Genderwet).

Verschillende internationale verdragen bevatten bepalingen die beogen discriminaties op dergelijke gronden te bestrijden.

Art. 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt: «Het genot van de rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, is verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status».

Art. 20.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt: «Het propageren van op nationaliteit, ras of godsdienst gebaseerde haatgevoelens die aanzetten tot discriminatie, vijandigheid of geweld, is bij de wet verboden».

Art. 26 van dat Verdrag bepaalt: «Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status».

Krachtens art. 13, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap kan de Raad passende maatregelen nemen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden.

Uit de parlementaire voorbereiding van de besproken wetten (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/009, p. 39) blijkt dat, hoewel het niet door België is geratificeerd, rekening is gehouden met het Twaalfde Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarvan art. 1 bepaalt: «Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status».

Hoewel het vooralsnog niet juridisch bindend is, werd eveneens rekening gehouden met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarvan art. 21 bepaalt:

«1. Elke discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, is verboden.

2. Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen ervan, is iedere discriminatie op grond van nationaliteit verboden».

B.64.3. Wat meer bepaald de Antiracismewet betreft, dient in het bijzonder rekening te worden gehouden met het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, goedgekeurd bij de wet van 9 juli 1975.

Art. 4 van dat Verdrag bepaalt:

«De Staten die partij zijn bij dit Verdrag veroordelen alle propaganda en alle organisaties die berusten op denkbeelden of theorieën die uitgaan van de superioriteit van een bepaald ras of een groep personen van een bepaalde huidskleur of etnische afstamming, of die trachten rassenhaat en rassendiscriminatie in enige vorm te rechtvaardigen of te bevorderen, en nemen de verplichting op zich onverwijld positieve maatregelen te nemen die erop zijn gericht aan elke vorm van aanzetting tot of aan elke uiting van een zodanige discriminatie een einde te maken en met het oog daarop, met inachtneming van de beginselen vervat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en van de rechten die uitdrukkelijk worden genoemd in artikel 5 van dit Verdrag, onder andere:

a) Strafbaar bij de wet te verklaren het verspreiden, op welke wijze ook, van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, aanzetting tot rassendiscriminatie, zomede alle daden van geweld of aanzetting daartoe, die zijn gericht tegen een ras of een groep personen van een andere huidskleur of etnische afstamming, alsook het verlenen van steun aan tegen bepaalde rassen gerichte activiteiten, waaronder begrepen de financiering daarvan;

b) Organisaties, alsook georganiseerde en alle andere propaganda-activiteiten die rassendiscriminatie in de hand werken en daartoe aanzetten, onwettig te verklaren en te verbieden, en deelneming aan zodanige organisaties of activiteiten als strafbaar bij de wet aan te merken;

c) Niet toe te staan dat overheidsorganen of overheidsinstellingen, hetzij op nationaal, hetzij op plaatselijk niveau, rassendiscriminatie bevorderen of daartoe aanzetten».

B.65. De uit de hoger aangehaalde internationale normen voortvloeiende noodzaak om discriminaties te bestrijden en de uit het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie voortvloeiende noodzaak om de hierboven vermelde handelingen strafbaar te stellen, brengen mee dat de besproken bepalingen kunnen worden beschouwd als maatregelen die in een democratische samenleving nodig zijn in de zin van art. 10.2 van het E.V.R.M., in het belang van de goede naam en de rechten van anderen.

De besproken bepalingen zijn bovendien strafrechtelijke bepalingen en beogen op zich dus niet de vrijheid van meningsuiting te onderwerpen aan preventieve beperkingen.

In zoverre er te dezen kan worden gesproken van «inmengingen» in de vrijheid van meningsuiting, zijn die inmengingen bovendien vastgelegd bij wet. Dat neemt niet weg dat moet worden nagegaan of die inmengingen niet onevenredig zijn met het doel dat ermee wordt nagestreefd en of de desbetreffende wettelijke bepalingen voorzienbaar en toegankelijk zijn.

Krachtens art. 20 van de Antiracismewet, art. 22 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 27 van de Genderwet wordt degene die in een van de in art. 444 Sw. bedoelde omstandigheden, uiteengezet in B.42.1, aanzet tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon op een van de gronden vermeld in de besproken wetten of tot discriminatie, segregatie, haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan op een van die gronden, gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met een geldboete van 50 tot 1 000 euro of met een van die straffen alleen.

De term «aanzetten tot» geeft op zichzelf aan dat de strafbaar gestelde handelingen verder gaan dan louter informatie, ideeën of kritiek. De gebruikelijke betekenis van het werkwoord «aanzetten tot» is «aansporen om iets te doen», «opzetten, aanstoken». Er kan slechts sprake zijn van aanzetten tot discriminatie, indien de uitlatingen die gedaan zijn in de omstandigheden beschreven in art. 444 Sw., aanmoedigen of aansporen tot een verschil in behandeling dat niet kan worden verantwoord door de in de besproken wetten vervatte rechtvaardigingsgronden. Dat aanzetten zal in dat geval alleen kunnen worden verklaard door de wil aan te sporen tot haat of geweld, zodat de termen «haat», «geweld» en «discriminatie» die in de besproken bepalingen worden gebruikt, de verschillende gradaties van eenzelfde gedrag aangeven. Omdat «segregatie» kan worden beschouwd als een discriminatie, geldt hetzelfde voor die term.

De woorden «haat» en «geweld» zijn zodanig ingeburgerd dat iedereen redelijkerwijze weet welke uitlatingen en geschriften, prenten of zinnebeelden die hij verspreidt, binnen het toepassingsgebied van de strafwet vallen. Op basis van die woorden kan een onderscheid worden gemaakt tussen de uiting van een mening, die vrij blijft – ook al is zij scherp, kritisch of polemisch –, en het aanzetten tot discriminatie, segregatie, haat of geweld dat alleen strafbaar is wanneer wordt aangetoond dat er sprake is van een voornemen om aan te zetten tot discriminerend, haatdragend of gewelddadig gedrag.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt ten slotte dat het om een opzettelijk misdrijf gaat: «Overeenkomstig het arrest van het Arbitragehof (Arbitragehof nr. 157/2004, 6 oktober 2004, B.51) is voor de toepassing van deze bepaling een «bijzonder opzet» vereist. In lijn met het arrest van het Arbitragehof dient er met andere woorden sprake te zijn van een bijzondere wil om aan te zetten tot discriminatie, haat of geweld» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/ 001, p. 61).

Bijgevolg dient ervan te worden uitgegaan dat er sprake moet zijn van bijzonder opzet. Wegens de draagwijdte die moet worden gegeven aan de termen aanzetten, discriminatie, segregatie, haat en geweld, mag het niet gaan om een misdrijf waarvan het bestaan zou worden aangenomen vanaf het ogenblik dat de materiële elementen ervan aanwezig zijn. Integendeel, om te kunnen spreken van een misdrijf, dient het specifieke morele element dat vervat is in de termen zelf die in de wet worden gehanteerd, te zijn aangetoond.

Door het vereiste dat er sprake moet zijn van een bijzondere wil aan te zetten tot discriminatie, segregatie, haat of geweld, wordt uitgesloten dat, indien geen sprake is van zo‘n aanzetten, het verspreiden van pamfletten strafbaar zou kunnen worden gesteld; hetzelfde moet gelden voor grappen, spottende uitlatingen, meningen en elke uiting die, bij gebrek aan het vereiste bijzondere opzet, behoort tot de vrijheid van meningsuiting.

De strafbaarstelling doet niet op onevenredige wijze afbreuk aan de vrijheid van meningsuiting. De vaststelling dat de verantwoording voor de inmenging in die vrijheid niet in de parlementaire voorbereiding zou zijn terug te vinden, sluit niet uit dat die inmenging kan worden beschouwd als een maatregel die in een democratische samenleving nodig is in de zin van art. 10.2 van het E.V.R.M.

Om dezelfde redenen doet de strafbaarstelling evenmin afbreuk aan de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, gewaarborgd door art. 9 van het E.V.R.M.

Voor het overige doet de besproken bepaling niet op onevenredige wijze afbreuk aan de vrijheid van vereniging, de vrijheid van petitie en de vrijheid zich cultureel en maatschappelijk te ontplooien.

Art. 25 van de Grondwet bepaalt:

«De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd; geen borgstelling kan worden geëist van de schrijvers, uitgevers of drukkers.

Wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft, kan de uitgever, de drukker of de verspreider niet worden vervolgd».

Met het tweede lid van die bepaling wilde de Grondwetgever van 1831 breken met de vroegere regeling waarbij collectieve beroepen werden toegestaan en waarin tegelijkertijd de aansprakelijkheid van de schrijver, de uitgever, de drukker en de verspreider in het geding werd gebracht. Met de regeling van de getrapte aansprakelijkheid heeft de Grondwetgever een mechanisme ingevoerd van opeenvolgende en afzonderlijke aansprakelijkheid teneinde te vermijden dat de schrijver druk ondergaat die de uitgever, de drukker of de verspreider op hem zouden dreigen uit te oefenen, indien zij zouden kunnen worden vervolgd, zelfs wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft. Het gaat dus om een essentieel element van de grondwettelijke bescherming van de persvrijheid.

Die bepaling verleent, zoals het Hof van Cassatie heeft vastgesteld, aan de uitgevers, drukkers en verspreiders het voorrecht om zich aan elke, zowel strafrechtelijke als burgerrechtelijke aansprakelijkheid te kunnen onttrekken wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft, en beperkt aldus de mogelijke toepassing van art. 1382 B.W. (Cass. 31 mei 1996, Arr. Cass. 1996, nr. 202).

Uit geen enkel gegeven blijkt dat de wetgever middels de voormelde wetten aan die grondwettelijke waarborg afbreuk heeft willen doen.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever met de besproken wetsbepalingen wou tegemoetkomen aan de uit het art. 4 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie voortvloeiende verplichting om het verspreiden, op welke wijze ook, van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat strafbaar te stellen (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/001, p. 61).

Uit die verdragsbepaling volgt dat de verdragspartijen zich ertoe hebben verbonden om onder meer de volgende handelingen strafbaar te stellen in hun wetgeving: (1) het verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat; (2) het aanzetten tot rassendiscriminatie; (3) alle daden van geweld of aanzetting daartoe, die zijn gericht tegen een ras of een groep personen van een andere huidskleur of etnische afstamming; (4) het verlenen van steun aan tegen bepaalde rassen gerichte activiteiten, waaronder begrepen de financiering ervan en (5) de deelneming aan organisaties of propaganda-activiteiten die rassendiscriminatie in de hand werken en daartoe aanzetten.

Bij de beoordeling van het besproken artikel dient evenwel ook rekening te worden gehouden met de volgende «toelichtende verklaring» bij het voormelde art. 4, die België heeft afgelegd bij de neerlegging van de bekrachtigingsoorkonde: «Teneinde te voldoen aan de voorschriften van art. 4 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie zal België ervoor zorgen dat zijn wetgeving in overeenstemming wordt gebracht met de verbintenissen die het aangaat door Partij te worden bij het bedoelde Verdrag. Het Koninkrijk België wil evenwel de nadruk leggen op het belang dat het hecht aan het feit dat art. 4 van het Verdrag bepaalt dat de in de alinea‘s a, b en c bedoelde maatregelen zullen worden genomen met inachtneming van de beginselen vervat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en van de rechten die uitdrukkelijk worden genoemd in art. 5 van dat Verdrag. Bijgevolg is het Koninkrijk België van oordeel dat de bij art. 4 opgelegde verplichtingen dienen samen te gaan met het recht op vrijheid van mening en meningsuiting, alsmede met het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging. Deze rechten worden afgekondigd in art. 19 en 20 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en opnieuw bevestigd in art. 19 en 21 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Ze worden insgelijks vermeld in de punten viii en ix van alinea d, van art. 5 van het bedoelde Verdrag. Daarenboven wil het Koninkrijk België de nadruk leggen op het belang dat het eveneens hecht aan de eerbiediging van de rechten vermeld in het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, met name in art. 10 en 11 respectievelijk met betrekking tot de vrijheid van mening en van meningsuiting en de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging».

Die «toelichtende verklaring» houdt in dat de Belgische Staat zich gebonden acht door de verplichtingen die voortvloeien uit art. 4 van het Verdrag, maar enkel in zoverre die verplichtingen worden geïnterpreteerd in die zin dat ze verenigbaar zijn met, onder meer, de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd bij art. 19 van de Grondwet en de vrijheid van drukpers gewaarborgd bij art. 25 van de Grondwet.

Doordat het de verspreiding van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, strafbaar stelt in de omstandigheden genoemd in art. 444 Sw., vormt art. 21 van de Antiracismewet een inmenging in de vrijheid van meningsuiting, gewaarborgd bij art. 19 van de Grondwet en bij art. 10 van het E.V.R.M.

Omdat de vrijheid van meningsuiting een van de pijlers is van een democratische samenleving, dienen de uitzonderingen op de vrijheid van meningsuiting op strikte wijze te worden geïnterpreteerd. Er moet worden aangetoond dat de beperkingen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving, aan een dwingende maatschappelijke behoefte beantwoorden en evenredig zijn aan de wettige doelstellingen die daarmee worden nagestreefd.

De noodzaak in een democratische samenleving om de verspreiding van denkbeelden gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat tegen te gaan door ze te bestraffen, is door de wetgever erkend met de besproken bepaling.

Ook de internationale gemeenschap deelt die zorg. Dit blijkt niet alleen uit het reeds aangehaalde art. 4 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, dat voor de verdragspartijen de verplichting inhoudt om elke uiting van racisme strafbaar te stellen, in het bijzonder onder meer het verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, maar ook uit de verschillende internationale instrumenten die de zienswijze bevestigen dat het van het allergrootste belang is rassendiscriminatie in al haar vormen en uitingen te bestrijden, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens nog recentelijk bevestigde (E.H.R.M. 10 juli 2008, Soulas e.a. t/ Frankrijk, § 42).

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft overigens in verschillende arresten geoordeeld dat raciale discriminatie bijzonder verwerpelijk is en een speciale waakzaamheid en een strenge reactie van de overheid vereist. Daarom is het, volgens dat Hof, noodzakelijk dat de overheden «alle middelen aanwenden waarover zij beschikken om racisme en racistisch geweld te bestrijden, waardoor ze de democratische maatschappijvisie versterken waarin verscheidenheid niet wordt ervaren als een bedreiging, maar veeleer als een rijkdom» (eigen vertaling) (E.H.R.M. (Grote Kamer) 6 juli 2005, Natchova e.a. t/ Bulgarije, § 145; 13 december 2005, Timichev t/ Rusland, § 56; (Grote Kamer) 13 november 2007, D.H. e.a. t/ Tsjechische Republiek, § 176; 5 juni 2008, Sampanis e.a. t/ Griekenland, § 69).

De beperking van de vrijheid van meningsuiting dient bovendien te beantwoorden aan een dwingende maatschappelijke behoefte en moet evenredig zijn aan de wettige doelstellingen die daarmee worden nagestreefd.

Uit de hoger vermelde rechtspraak van het Europees Hof en van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens kan worden afgeleid dat het doelbewust verspreiden, met het oog op het aantasten van de waardigheid van personen, van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, geen bescherming geniet op grond van art. 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Tijdens de parlementaire voorbereiding van de besproken bepaling werd onderstreept dat die bepaling dient te worden geïnterpreteerd en toegepast overeenkomstig art. 10 van het E.V.R.M. (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/009, p. 40), zoals ook de afdeling wetgeving van de Raad van State had geadviseerd (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51- 2720/001, p. 105-106).

In de parlementaire voorbereiding werd het volgende benadrukt: «Bovendien moet de nadruk worden gelegd op het moreel aspect van de strafbaarstelling waarvan de materiële elementen aldus worden omschreven. Zoals de Minister reeds heeft aangegeven, gaat het om een bijzonder opzet. Het verweten gedrag zal alleen strafrechtelijk strafbaar zijn als de aanklager bewijst dat de verspreiding van de betrokken ideeën tot doel heeft de haat ten aanzien van een groep van mensen aan te wakkeren en de totstandkoming van een voor hen discriminerend of op segregatie gericht beleid te rechtvaardigen. Dit vereiste zal de strafrechter de mogelijkheid bieden het onderscheid te maken tussen eensdeels het objectief wetenschappelijk onderzoek en anderdeels het «pseudowetenschappelijk» discours over de rassuperioriteit, waarvan het precies de doelstelling is de haat ten aanzien van een groep van mensen aan te wakkeren en de totstandkoming van een voor hen discriminerend of op segregatie gericht beleid te rechtvaardigen» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/009, p. 63; zie ook Senaat, 2006-2007, nr. 3- 2362/3, p. 32).

Uit die toelichting blijkt dat de wetgever het in de besproken bepaling vervatte misdrijf heeft opgevat als een misdrijf dat een bijzonder opzet vereist: er is slechts sprake van een misdrijf als bewezen is dat «de verspreiding van de betrokken ideeën tot doel heeft de haat ten aanzien van een groep van mensen aan te wakkeren en de totstandkoming van een voor hen discriminerend of op segregatie gericht beleid te rechtvaardigen».

Uit de gebruikte term «verspreiden» volgt dat er slechts sprake is van dat misdrijf wanneer aan de desbetreffende denkbeelden algemene bekendheid werd gegeven. De gangbare betekenis van die term is immers «alom bekendmaken». Aangezien de besproken bepaling het «verspreiden» niet koppelt aan het gebruik van een bepaald medium, is de wijze waarop aan de desbetreffende denkbeelden algemene bekendheid werd gegeven, niet bepalend om uit te maken of er al dan niet sprake is van het misdrijf. Wel bepalend is dat het «verspreiden» dient te gebeuren in een van de in art. 444 Sw. bedoelde omstandigheden.

Uit de omstandigheid dat voor het misdrijf een bijzonder opzet is vereist, volgt dat het bestaan van dat misdrijf niet kan worden aangenomen vanaf het ogenblik dat enkel de materiële elementen ervan aanwezig zijn. Opdat sprake kan zijn van een misdrijf, dient een specifiek moreel element te worden aangetoond. Dat specifieke morele element, dat is vervat in de woorden «verspreiden», «rassenhaat» en «rassuperioriteit», betreft meer bepaald de wil om denkbeelden te verspreiden met het oog op het aanwakkeren van haat ten aanzien van een groep van mensen of met het oog op de totstandkoming van een voor hen discriminerend of op segregatie gericht beleid.

De uitingen moeten derhalve een minachtende of haatdragende strekking hebben, wat uitingen van wetenschap en kunst buiten het verbod plaatst, en zij moeten de fundamentele minderwaardigheid van een groep uitdrukken.

art. 25 van de Grondwet, bepaalt:

«De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd; geen borgstelling kan worden geëist van de schrijvers, uitgevers of drukkers.

Wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft, kan de uitgever, de drukker of de verspreider niet worden vervolgd».

De behandelde wetgeving voert geen censuur in, omdat de strafbaarstelling vereist dat aan de denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, materieel verspreiding is gegeven.

In zoverre de verspreiding van de strafbare denkbeelden als zodanig geschiedt door middel van de drukpers, maakt de besproken bepaling geen onderscheid naar gelang van de hoedanigheid in de zin van art. 25 van de Grondwet, van de betrokkene, als schrijver, uitgever, drukker of «materiële» verspreider van die denkbeelden. De wetgever kan echter niet worden geacht art. 25 van de Grondwet te hebben geschonden.

Tijdens de parlementaire voorbereiding van de besproken bepaling verklaarde de Minister immers het volgende: «Voorts moet de aandacht worden gevestigd op het woord «verspreiden». Het is afkomstig van de Conventie van 1965, teneinde zo nauw mogelijk aan te sluiten bij de door die tekst opgelegde verplichtingen. In de authentieke Engelse versie van dat verdrag wordt de term «dissemination» gebruikt. Daaronder moet niet worden verstaan de daad van degene die er zich, door een louter materiële handeling, toe beperkt andermans ideeën die berusten op rassuperioriteit of rassenhaat bij een ruimer publiek te verspreiden, maar wel de daad die erin bestaat in de in art. 444 Sw. bedoelde omstandigheden dergelijke ideeën uit te brengen, te uiten of voor te staan als intellectueel auteur. Degene die er zich door louter materiële handelingen toe beperkt door een ander geformuleerde ideeën die berusten op rassuperioriteit of rassenhaat te verspreiden of er meer ruchtbaarheid aan te geven, kan eventueel zelf strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld als medeplichtige, maar dan binnen de strikte perken van het in art. 25, tweede lid, van de Grondwet bedoelde beginsel van de getrapte aansprakelijkheid» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/009, p. 62-63; zie ook Senaat, 2006-2007, nr. 3-2362/3, p. 32).

De behandelde wetgevende bepalingen moeten dus in die zin worden geïnterpreteerd dat zij strafvervolging enkel toestaan mits de getrapte aansprakelijkheid, zoals die is bepaald in art. 25, tweede lid, van de Grondwet, in acht wordt genomen.

B.76.3. Onder voorbehoud van die interpretatie, is het vierde onderdeel van het tiende middel niet gegrond.

Door de bestraffing van de verspreiding van denkbeelden te beperken tot de denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, die een ernstige bedreiging vormen voor de democratische samenleving, heeft de wetgever een maatregel genomen die redelijk is verantwoord.

Krachtens art. 22 van de Antiracismewet wordt degene die behoort tot een groep of een vereniging die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie wegens nationaliteit, een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming verkondigt in de in art. 444 Sw. bedoelde omstandigheden, zoals hoger uiteengezet dan wel aan een dergelijke groep of vereniging zijn medewerking verleent, gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met een geldboete van 50 tot 1 000 euro of met een van die straffen alleen.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever met de besproken bepaling de bedoeling had het vroegere art. 3 van de Antiracismewet van 30 juli 1981 over te nemen (Parl. St. Kamer, 2006- 2007, DOC 51-2720/001, p. 61). Uit die voorbereiding blijkt eveneens dat hij aan de in de besproken bepaling gehanteerde termen, behoudens uitdrukkelijk anders geregeld, dezelfde draagwijdte heeft willen verlenen als de in het vroegere art. 3 van de Antiracismewet voorkomende termen, zoals geïnterpreteerd door de rechtspraak (Parl. St. Senaat, 2006-2007, nr. 2-2362/3, p. 33).

Met betrekking tot de term «verkondigen» vermeldt de parlementaire voorbereiding: «Een lid vraagt of het woord «verkondigen» gebruikt in art. 22 dezelfde betekenis heeft als de woorden «aanzetten tot» gebruikt in art. 20. De Minister bevestigt dit. Het verschillend woordgebruik is toe te schrijven aan het feit dat het wetsontwerp grosso modo de terminologie van de Conventie van 1965 en letterlijk die van art. 3 van de wet van 1981 overneemt» (Parl. St. Senaat, 2006-2007, nr. 2-2362/3, p. 33).

De wetgever heeft derhalve aan de term «verkondigen» dezelfde draagwijdte willen verlenen als aan de in art. 20 van de Antiracismewet gehanteerde term «aanzetten tot».

Uit de parlementaire voorbereiding van de Antiracismewet, zoals die van kracht was vóór de wijziging ervan bij de wet van 10 mei 2007, blijkt dat de in het vroegere art. 3 gehanteerde term «verkondigen» eveneens diende te worden opgevat als «aanzetten tot». Tijdens die voorbereiding verklaarde de Minister immers: «Art. 3 moet worden gezien in samenhang met art. 1 en 2, waarvan het een verlengstuk vormt. Art. 1 beteugelt immers het aanzetten tot discriminatie, rassenscheiding, haat of geweld wegens ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming, terwijl art. 2 de daden bestraft die op grond van die criteria discriminerend zijn. Het is noodzakelijk eveneens de deelneming te ontmoedigen aan verenigingen die de in art. 1 en 2 beteugelde daden bedrijven en propageren. Dankzij dit procédé zullen die verenigingen geleidelijk worden uitgeroeid en zullen zij, bij gebrek aan leden, ophouden te bestaan» (Parl. St. Kamer, B.Z. 1979, nr. 214/9, p. 27).

Enkele parlementsleden merkten op dat het woord «verkondigen» op een inzet wijst die verder reikt dan de eenvoudige uiting van een mening: «Dat woord moet worden verstaan in de context van art. 1 en van het gehele ontwerp. De verenigingen die bedoeld worden, zijn die welke «openlijk en herhaaldelijk» haat, geweld en rassendiscriminatie voorstaan. Het zijn verenigingen die racistische propaganda voeren. Volgens die leden heeft «verkondigen» dus dezelfde betekenis als «aanzetten», «bevorderen»» (Parl. St. Senaat, 1980-1981, nr. 594/2, p. 20).

Die interpretatie werd bovendien bevestigd in de rechtspraak.

Uit het bovenstaande volgt dat de in de desbetreffende strafbaarstelling gehanteerde term «verkondigen» steeds de betekenis heeft gehad van «aanzetten tot», «aansporen om iets te doen», «opzetten, aanstoken» en dat de groep of vereniging waartoe een persoon behoort of waaraan hij zijn medewerking verleent, derhalve zelf strafbaar moet zijn wegens het aanzetten tot discriminatie of segregatie wegens een van de in de besproken wetten vermelde gronden, opdat die persoon op grond van de besproken bepaling strafbaar kan worden gesteld.

Het behoort in beginsel tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om vast te stellen welk gedrag een strafrechtelijke sanctie verdient, zij het dat de door hem gemaakte keuzes op dat vlak redelijkerwijze moeten worden verantwoord. Die beoordelingsbevoegdheid van de wetgever is evenwel aan beperkingen onderworpen wanneer de Belgische Staat zich internationaalrechtelijk ertoe heeft verbonden een bepaald gedrag strafbaar te stellen.

Krachtens art. 4, b), van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie nemen de verdragspartijen de verplichting op zich «organisaties, alsook georganiseerde en alle andere propaganda-activiteiten die rassendiscriminatie in de hand werken en daartoe aanzetten, onwettig te verklaren en te verbieden, en deelneming aan zodanige organisaties of activiteiten als strafbaar bij de wet aan te merken».

Met de besprojen wettelijke bepalingen komt de Belgische wetgever tegemoet aan die internationaalrechtelijke verplichting, die het door de verzoekende partijen bekritiseerde verschil in behandeling redelijkerwijze kan verantwoorden.

B.80.4. Het eerste onderdeel van het elfde middel is niet gegrond.

Aangezien is vereist dat de groep of vereniging zich schuldig maakt aan het misdrijf van aanzetten tot discriminatie of segregatie opdat iemand die behoort tot die groep of er zijn medewerking aan verleent, strafbaar kan zijn op grond van de besproken wettelijke bepalingen, kan het behoren tot of medewerking verlenen aan een discriminerende overheid niet worden gestraft in zoverre die overheid niet strafrechtelijk kan worden vervolgd.

In zoverre een schending van het gelijkheidsbeginsel wordt aangevoerd doordat het strafbaar is te behoren tot of medewerking te verlenen aan discriminerende groepen of verenigingen, terwijl het niet strafbaar is te behoren tot of medewerking te verlenen aan discriminerende bedrijven, kan uit geen enkel element worden afgeleid dat de wetgever bedrijven niet als een groep of vereniging in de zin van de besproken bepaling zou hebben beschouwd, zodat het verschil in behandeling niet bestaat.

In de parlementaire voorbereiding van de Antiracismewet, zoals die van kracht was vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 mei 2007, werd over de in het vroegere art. 3 gehanteerde termen «kennelijk en herhaaldelijk» het volgende gezegd: «De Minister wijst er ook op dat de groep of vereniging rassendiscriminatie of rassenscheiding kennelijk en herhaaldelijk moet propageren of bedrijven. Aldus wordt uitgesloten dat wegens het kennelijk en herhaaldelijk karakter van de daden personen te goeder trouw misleid worden of de houding van de groep en de vereniging niet kennen of dat zij ertoe blijven behoren, niettegenstaande de houding van de groep of vereniging. De wil om tot die groepen of verenigingen te behoren, kan dus niet langer in twijfel worden getrokken. Het subamendement stelt voortaan elke medewerking met zulk een groep of vereniging ook strafbaar» (Parl. St. Senaat, B.Z. 1979, nr. 214/9, p. 36).

Uit het bovenstaande volgt dat de wetgever met de termen «kennelijk en herhaaldelijk» heeft willen bereiken dat van het in de besproken bepaling omschreven misdrijf slechts sprake kan zijn wanneer het voor de beklaagde zonder meer duidelijk is dat de bedoelde groep of vereniging zich verschillende malen schuldig heeft gemaakt aan het aanzetten tot discriminatie of segregatie op een van de in de Antiracismewet vermelde gronden.

In zijn arrest van 9 november 2004 heeft het Hof van Cassatie die interpretatie van de in het vroegere art. 3 van de Antiracismewet vervatte termen «kennelijk en herhaaldelijk» als volgt bevestigd: «Dat het aldus om ongelijke behandelingen door de vereniging of de groep moet gaan waarvan het voor de beklaagde zonder meer duidelijk is dat zij niet voor een objectieve en redelijke rechtvaardiging vatbaar zijn, hetzij wegens de aard zelf van de behandeling, hetzij op grond van de bestaande rechtspraak, en welke ongelijke behandelingen bijgevolg geen nadere legitimiteits- en proportionaliteitstoets door de rechter behoeven» (Cass. 9 november 2004, Arr. Cass. 2004, nr. 539).

Het Hof van Cassatie heeft daarbij gespecificeerd dat het niet is vereist dat de groep of de vereniging «werd of wordt vervolgd, persoonlijk schuldig geacht of veroordeeld» (ibid.).

In zoverre de bedoelde vereniging of groep herhaaldelijk aanzet tot een direct of een indirect onderscheid op grond van nationaliteit, een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming, kan van het in de besproken bepaling omschreven misdrijf bijgevolg slechts sprake zijn, wanneer het voor de beklaagde onmiddellijk duidelijk is dat dit onderscheid, hetzij wegens de aard zelf ervan, hetzij op grond van de bestaande rechtspraak, niet kan worden gerechtvaardigd overeenkomstig de bepalingen van de Antiracismewet, die overigens, voor wat directe onderscheiden betreft, voorziet in een gesloten systeem van rechtvaardiging.

In die context kan niet staande worden gehouden dat de beklaagde niet op de hoogte hoeft te zijn van de strafbare gedragingen van de groep of vereniging opdat de besproken bepaling kan worden toegepast.

Wat het morele element betreft, vermeldt de parlementaire voorbereiding: «Dit misdrijf vereist geen bijzonder opzet; algemeen opzet volstaat. Het volstaat dat de beklaagden wetens en willens behoren of hun medewerking verlenen aan een vereniging die kennelijk en herhaaldelijk een discriminatie of segregatie verkondigt in de omstandigheden genoemd in art. 444 Sw. (zie ook: Cass. 9 november 2004)» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/001, p. 61).

In het hierboven vermelde arrest van 9 november 2004 heeft het Hof van Cassatie over het vroegere art. 3 van de Antiracismewet geoordeeld dat «de rechter die moet oordelen over een strafvervolging op grond van art. 3 Racismewet, (...) moet oordelen of het bewezen is dat: 1. (...); 2. de beklaagde wetens en willens tot deze groep of deze vereniging behoort of daaraan zijn medewerking verleent» (Cass. 9 november 2004, Arr. Cass. 2004, nr. 539).

Daaruit volgt dat de besproken wettelijke bepalingen niet vereisen dat de beklaagde zelf kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt, opdat hij strafbaar zou zijn. Het volstaat dat hij wetens en willens behoort tot of zijn medewerking verleent aan de desbetreffende groep of vereniging. Zoals hoger is vermeld vereisen de besproken wettelijke bepalingen door het gebruik van de woorden «kennelijk en herhaaldelijk» echter wel dat het voor de persoon die behoort tot of zijn medewerking verleent aan de bedoelde groep of vereniging, zonder meer duidelijk is dat die groep of vereniging discriminatie of segregatie op een van de in de Antiracismewet vermelde gronden verkondigt.

In die context kan niet staande worden gehouden dat het niet is vereist dat de medewerking of het lidmaatschap is ingegeven door de drang om mee te werken aan het verkondigen van de discriminatie of segregatie, opdat de besproken bepaling kan worden toegepast.

Om dezelfde redenen als hoger aangegeven in is de term «discriminatie» eveneens voldoende nauwkeurig, duidelijk en voorspelbaar om in een strafrechtelijke bepaling te worden gehanteerd.

Art. 26 van de Grondwet bepaalt:

«De Belgen hebben het recht vreedzaam en ongewapend te vergaderen, mits zij zich gedragen naar de wetten, die het uitoefenen van dit recht kunnen regelen zonder het echter aan een voorafgaand verlof te onderwerpen.

Deze bepaling is niet van toepassing op bijeenkomsten in de open lucht, die ten volle aan de politiewetten onderworpen blijven».

Art. 27 van de Grondwet bepaalt:

«De Belgen hebben het recht van vereniging; dit recht kan niet aan enige preventieve maatregel worden onderworpen».

Art. 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt:

«1. Eenieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht om vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.

2. De uitoefening van deze rechten kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet, dat wettige beperkingen worden aangebracht in de uitoefening van deze rechten door leden van de gewapende macht, van de politie, of van het ambtelijk apparaat van de Staat».

De artikelen 26 en 27 van de Grondwet erkennen het recht van vereniging en vergadering en verbieden, behoudens voor wat de bijeenkomsten in open lucht betreft, die rechten aan enige voorafgaande maatregel te onderwerpen. Die bepalingen staan er niet aan in de weg dat de wetgever de uitoefening van die rechten regelt met betrekking tot de aangelegenheden waarin zijn optreden in een democratische samenleving nodig is in het belang van, onder meer, de bescherming van de rechten van anderen.

De parlementaire voorbereiding van de Antiracismewet van 30 juli 1981 doet ervan blijken dat de wetgever met de besproken bepaling «een doelmatiger bestrijding van de verenigingen die racistische theorieën verkondigen» mogelijk wou maken, zonder maatregelen te moeten nemen «die de politieke overheid in staat stellen die bewegingen te ontbinden en de wetgeving op de privémilities te verstrakken» (Parl. St. Kamer, B.Z. 1979, nr. 214/9, p. 26).

In zoverre deze wettelijke bepaling niet verhindert dat een vereniging kan blijven bestaan, zelfs wanneer een of meer leden of medewerkers ervan op grond van die bepaling werden veroordeeld, noch dat die vereniging kan vergaderen, onderwerpt zij de vrijheid van vereniging en de vrijheid van vergadering niet aan voorafgaande beperkingen.

De besproken maatregel dient bovendien te worden beschouwd, onder meer wegens de uit art. 4 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie voortvloeiende verplichtingen, als noodzakelijk in een democratische samenleving in het belang van de bescherming van de rechten van anderen. Omdat hij op zichzelf het voortbestaan van de desbetreffende vereniging niet verhindert, noch de mogelijkheid voor die vereniging om vergaderingen te organiseren beperkt, is de maatregel evenredig ten aanzien van de doelstelling die erin bestaat te strijden tegen organisaties die rassendiscriminatie in de hand werken.

In zoverre de besproken bepaling het recht van personen beperkt om toe te treden tot een zelf gekozen vereniging of hun medewerking te verlenen aan een vergadering van die vereniging, is die bepaling evenmin onevenredig ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling. De besproken bepaling vereist immers dat het voor de persoon die behoort tot of zijn medewerking verleent aan de bedoelde groep of vereniging, zonder meer duidelijk is dat die groep of vereniging aanzet tot discriminatie of segregatie op een van de in de besproken wetten vermelde gronden. Bovendien is vereist dat de betrokken persoon «wetens en willens» behoort tot een dergelijke groep of vereniging, dan wel zijn medewerking eraan verleent.

Krachtens art. 18 van de Grondwet is de burgerlijke dood afgeschaft en kan hij niet opnieuw worden ingevoerd. De burgerlijke dood bestaat in de ontzegging van alle burgerlijke en politieke rechten.

Krachtens art. 23 van de Grondwet heeft ieder het recht een menswaardig leven te leiden en waarborgen de wetgevers daartoe, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten onder meer het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing.

De besproken bepaling, die zich ertoe beperkt een bepaald gedrag strafbaar te stellen, ontneemt aan de op grond van die bepaling veroordeelde persoon geen enkel burgerlijk of politiek recht, laat staan al zijn burgerlijke en politieke rechten. De bepaling voorziet in een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en een geldboete van 50 euro tot 1 000 euro of een van die straffen alleen. Met het opleggen van die straffen kan de wetgever niet worden geacht afbreuk te hebben gedaan aan het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing dat hij dient te waarborgen en waarvan hij de voorwaarden voor de uitoefening dient te bepalen teneinde eenieder de mogelijkheid te bieden een menswaardig leven te leiden.

De besproken bepaling bestraft het behoren tot of medewerking verlenen aan een groep of vereniging en niet het kennelijk en herhaaldelijk verkondigen van discriminatie of segregatie op een van de in de Antiracismewet vermelde gronden. De strafbaarstelling van de besproken bepaling is niet gebaseerd op het vermoeden dat de beklaagde tot discriminatie of segregatie zou hebben aangezet (vermoeden van schuld ipv het wettelijk vermoeden van onschuld), maar op een bewijs van lidmaatschap van of medewerking aan een groep of vereniging.

Art. 5 Sw., hersteld bij de wet van 4 mei 1999, heeft een eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon ingevoerd, onderscheiden en autonoom ten opzichte van die van de natuurlijke personen die voor de rechtspersoon hebben gehandeld of dit hebben nagelaten. Voordien kon een rechtspersoon niet als zodanig strafrechtelijk worden vervolgd. Een misdrijf waarvoor een rechtspersoon verantwoordelijk zou kunnen worden geacht, werd aan welbepaalde natuurlijke personen aangerekend.

Door te bepalen dat de strafrechter, wanneer hij vaststelt dat een misdrijf niet wetens en willens is gepleegd en tegelijkertijd door een natuurlijke persoon en een rechtspersoon is gepleegd, alleen die persoon veroordeelt die de «zwaarste fout» heeft begaan, heeft de wetgever een strafuitsluitingsgrond ingevoerd voor wie van hen beiden de minst zware fout heeft begaan.

Die wettelijke bepaling kan de wetgever evenwel niet verhinderen om het lidmaatschap van of de medewerking aan bepaalde groepen of verenigingen als zodanig als een laakbare gedraging te beschouwen en als een zelfstandig misdrijf in te voeren.

Zoals hogeer is uiteengezet, moet de groep of vereniging waartoe een persoon behoort of waaraan hij zijn medewerking verleent, zelf strafbaar zijn wegens het aanzetten tot discriminatie of segregatie op een van de in de Antiracismewet vermelde gronden, opdat die persoon op grond van de besproken bepaling strafbaar kan worden gesteld.

Zoals hoger is vermeld, moet de beklaagde wetens en willens behoren tot of zijn medewerking verlenen aan een groep of vereniging die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt opdat hij op grond van de besproken bepaling strafbaar kan worden gesteld.

Art. 104 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument stelt dat e niet-naleving van een vonnis of een arrest gewezen krachtens art. 95 en 99 van die wet, als gevolg van een vordering tot staking, eveneens strafrechtelijk bestraft.

Wat het verschil in strafmaat betreft, blijkt niet dat de keuze van de wetgever leidt tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling tussen vergelijkbare misdrijven.

Wanneer een persoon die zich het slachtoffer acht van een discriminatie, het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, het Instituut voor gelijkheid van vrouwen en mannen of een van de belangenverenigingen voor het bevoegde rechtscollege feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie (directe discriminatie, indirecte discriminatie, opdracht tot discrimineren of intimidatie) op een van de in de besproken wetten vermelde gronden kunnen doen vermoeden, dient de verweerder te bewijzen dat er geen discriminatie is geweest (art. 30, § 1, van de Antiracismewet, art. 28, § 1, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 33, § 1, van de Genderwet).

Onder feiten die het bestaan van een directe discriminatie op een van de in de besproken wetten vermelde gronden kunnen doen vermoeden, worden onder meer, maar niet uitsluitend, begrepen: (1) de gegevens waaruit een bepaald patroon van ongunstige behandeling blijkt ten aanzien van personen die drager zijn van een welbepaald criterium, onder meer verschillende, los van elkaar staande bij het voormelde Centrum of Instituut of bij een van de belangenverenigingen gedane meldingen, en (2) de gegevens waaruit blijkt dat de situatie van het slachtoffer van de ongunstigere behandeling vergelijkbaar is met de situatie van de referentiepersoon (art. 30, § 2, van de Antiracismewet, art. 28, § 2, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 33, § 2, van de Genderwet).

Onder feiten die het bestaan van een indirecte discriminatie op een van de in de besproken wetten vermelde gronden kunnen doen vermoeden, worden onder meer, maar niet uitsluitend, begrepen: (1) algemene statistieken over de situatie van de groep waartoe het slachtoffer van de discriminatie behoort of feiten van algemene bekendheid; (2) het gebruik van een intrinsiek verdacht criterium van onderscheid, en (3) elementair statistisch materiaal waaruit een ongunstige behandeling blijkt (art. 30, § 3, van de Antiracismewet, art. 28, § 3, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 33, § 3, van de Genderwet).

Die bepalingen zijn het resultaat van amendementen, die als volgt werden verantwoord: «Het artikel van het wetsontwerp nam de bepaling over van de wet van 2003 betreffende de omkering van de bewijslast, vereist door de communautaire richtlijnen (richtlijn 43/2000, art. 8; richtlijn 78/2000, art. 10). De auteurs van het amendement zijn van oordeel dat het principe van de omkering van de bewijslast globaler moet worden verduidelijkt dan wat de huidige bepaling doet. De doelstelling van dit amendement bestaat er dus in art. 10 van de richtlijn 43/2000 en art. 8 van de richtlijn 78/2000 om te zetten, rekening houdend met de rechtspraak van het Hof van Justitie, om een kader vast te leggen dat de rechter in staat stelt het bestaan van een discriminatie te vermoeden, waardoor de bewijslast ten laste van de verweerder wordt gelegd» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2722/002, p. 2).

De omkering van de bewijslast is ingegeven door de vaststelling dat slachtoffers van discriminatie moeilijkheden ervaren om die discriminatie te kunnen bewijzen. In de parlementaire voorbereiding werd hieromtrent het volgende overwogen: «Discriminatiewetgeving kan zonder evenwichtige verschuiving van de bewijslast niet efficiënt functioneren» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/009, p. 73; zie ook: ibid., p. 85-86).

Tevens wenste de wetgever rekening te houden met het feit dat de dader van een laakbare handeling soms poogt te verhullen dat hij op een van de in de besproken wetten vermelde gronden een onderscheid heeft gemaakt (ibid., p. 74 en 77).

De door de wetgever ingevoerde maatregel berust op een objectief criterium, namelijk de aard van de vorderingen waarbij de omkering van de bewijslast wordt ingevoerd en is pertinent om de door hem beoogde doelstelling van efficiënte bescherming tegen discriminatie te waarborgen. Nagegaan dient evenwel te worden of de maatregel niet onevenredig is.

Te dien aanzien dient allereerst te worden vastgesteld dat er enkel sprake kan zijn van een omkering van de bewijslast nadat het slachtoffer feiten heeft bewezen die het bestaan van discriminatie doen vermoeden. Bijgevolg dient het slachtoffer aan te tonen dat de verweerder daden heeft gesteld of opdrachten heeft gegeven die prima facie discriminerend zouden kunnen zijn. De bewijslast ligt derhalve in de eerste plaats bij het slachtoffer (o.a. Parl. St. Kamer, 2006- 2007, DOC 51-2720/009, p. 72).

De aangevoerde feiten moeten voldoende sterk en pertinent zijn. Het is daarbij niet voldoende dat een persoon aantoont dat hij het voorwerp is geweest van een voor hem ongunstige behandeling. Hij dient tevens de feiten te bewijzen die erop lijken te wijzen dat die ongunstige behandeling is ingegeven door ongeoorloofde motieven. Hiertoe kan hij bijvoorbeeld aantonen dat zijn situatie vergelijkbaar is met de situatie van een referentiepersoon (art. 30, § 2, 2o, van de Antiracismewet, art. 28, § 2, 2o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 33, § 2, 2o, van de Genderwet), zijnde een persoon die niet wordt gekenmerkt door een van de in de besproken wetten vermelde gronden en die door de verweerder op een verschillende wijze wordt behandeld.

Voormelde feiten vermogen evenwel niet algemeen van aard te zijn, maar moeten specifiek aan de auteur van het onderscheid kunnen worden toegeschreven. In zoverre volgens de besproken artikelen gegevens waaruit een bepaald patroon van ongunstige behandeling blijkt ten aanzien van personen die gekenmerkt zijn door een van de in de besproken wetten vermelde gronden een vermoeden van directe discriminatie doen ontstaan (art. 30, § 2, 1o, van de Antiracismewet, art. 28, § 2, 1o, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 33, § 2, 1o, van de Genderwet), dient dat patroon bij die personen te bestaan.

Hetzelfde dient te gelden ten aanzien van feiten die het bestaan van een indirecte discriminatie op een van de in de besproken wetten vermelde gronden kunnen doen vermoeden. Het kan daarbij niet volstaan aan de hand van statistisch materiaal aan te tonen dat een ogenschijnlijk neutrale grond personen gekenmerkt door een van de in de besproken wetten vermelde gronden benadeelt. Bovendien dient tevens te worden aangetoond dat de verweerder zich hiervan bewust was. Het statistische materiaal dient overigens aan zekere kwaliteitseisen te voldoen opdat de rechter ermee rekening kan houden, zoals met name blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens: «Voorts zij eraan herinnerd dat de nationale rechter dient te beoordelen of de statistische gegevens waardoor de situatie op de arbeidsmarkt wordt gekenmerkt, geldig zijn en of zij in aanmerking kunnen worden genomen, dat wil zeggen of zij betrekking hebben op een voldoende groot aantal personen, of er niet zuiver toevallige of conjuncturele verschijnselen in tot uitdrukking komen, en of zij in het algemeen relevant kunnen worden geacht (zie arrest van 27 oktober 1993, Enderby, C-127/92, Jur. p. I-5535, punt 17)» (H.v.J. 9 februari 1999, Seymour-Smith, C-167/97, § 62). «Het Hof is van oordeel dat, wanneer de weerslag van maatregelen of van praktijken op een individu of op een groep dient te worden geëvalueerd, de statistieken die, nadat zij aan een kritisch onderzoek van het Hof zijn onderworpen, betrouwbaar en significant lijken, voldoende zijn om het door de verzoeker te leveren begin van bewijs te vormen» (E.H.R.M. (Grote Kamer) 13 november 2007, D.H. e.a. t/ Tsjechische Republiek, § 188) (eigen vertaling).

De feiten aangevoerd door de persoon die zich het slachtoffer acht van discriminatie, door het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, door het Instituut voor gelijkheid van vrouwen en mannen of door een van de belangenverenigingen, genieten op zichzelf geen bijzondere bewijswaarde. De rechter dient de juistheid van de gegevens die hem zullen worden voorgelegd te beoordelen overeenkomstig de regels van het gemene recht. Zo verklaarde de Minister: «de rechter moet (...) geval per geval oordelen over de regelmatigheid van de aangebrachte bewijzen en de bewijskracht ervan» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51- 2720/009, p. 88). De rechter behoudt bovendien de nodige appreciatievrijheid. In de parlementaire voorbereiding werd hieromtrent het volgende verklaard: «Het komt aan de rechter toe (...) om te oordelen op grond van de gegevens die hem worden voorgelegd of er in een bepaalde situatie een vermoeden van directe of indirecte discriminatie is. Vervolgens kan hij beslissen of hij al dan niet een omkering of een verschuiving van de bewijslast toelaat» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51- 2720/009, p. 70).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt nog dat er slechts gebruik kan worden gemaakt van instrumenten die aanleiding kunnen geven tot de omkering van de bewijslast, nadat er zich feiten hebben voorgedaan die mogelijkerwijs als discriminatie kunnen worden beschouwd en het nooit gaat om een proactieve controle (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/009, p. 70, 71 en 79).

B.93.6. Uit wat voorafgaat blijkt dat de besproken bepalingen een billijk evenwicht tot stand hebben gebracht tussen de procespartijen door, enerzijds, rekening te houden met de nadelige procedurele uitgangssituatie waarin het slachtoffer zich bevindt en door, anderzijds, de situaties waarin de bewijslast naar de verweerder kan verschuiven, aan een aantal voorwaarden te onderwerpen, zodat niet blijkt dat de wetgever op discriminerende wijze afbreuk zou hebben gedaan aan het recht op een eerlijk proces.

Ten slotte is de omkering van de bewijslast niet van toepassing in strafrechtelijke procedures (art. 29 van de Antiracismewet, art. 27 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 32 van de Genderwet), zodat het vermoeden van onschuld niet kan zijn geschonden.

Met de artikelen 33 tot 39 en 41 worden art. 377bis, 405quater, 422quater, 438bis, 442ter, 453ter, 514bis en 532bis, die bij de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding in het Strafwetboek werden ingevoegd, aangepast aan de door de besproken wetten uitgebreide lijst van discriminatiegronden. Met de besproken art. 40 en 42 worden respectievelijk een nieuw art. 525bis en een nieuw art. 534quater ingevoegd in het Strafwetboek.

De voormelde bepalingen van het Strafwetboek hebben gemeen dat zij het minimum voor bepaalde misdrijven verdubbelen in geval van correctionele misdrijven en met twee jaar verhogen in geval van opsluiting wanneer een van de drijfveren voor de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst.

Met die bepalingen wordt geen nieuwe strafbaarstelling gecreëerd. Zij kunnen alleen worden toegepast wanneer is aangetoond dat iemand een van de volgende misdrijven heeft begaan: aanranding van de eerbaarheid of verkrachting (art. 377bis, dat verwijst naar hoofdstuk V van titel VII van boek II van het Strafwetboek); doodslag, moord, vergiftiging, opzettelijke slagen en verwondingen (art. 405quater, dat verwijst naar art. 393 tot 405bis Sw.); verzuim of weigering hulp te bieden aan iemand die in gevaar verkeert (art. 422quater, dat verwijst naar art. 422bis en 422ter Sw.); onrechtmatige opsluiting en schending van de woning (art. 438bis, dat verwijst naar hoofdstuk IV van titel VIII van boek II van het Strafwetboek); belaging (artikel 442ter, dat verwijst naar hoofdstuk IVbis van titel VIII van boek II van het Strafwetboek); lasterlijke aantijgingen, lasterlijke aangifte, beledigingen en grafschennis (art. 453bis, dat verwijst naar hoofdstuk V van titel VIII van boek II van het Strafwetboek); brandstichting (art. 514bis, dat verwijst naar art. 510 tot 514 Sw.); vernieling van bouwwerken, stoommachines en telegraaftoestellen (art. 525bis, dat verwijst naar art. 521 tot 525 Sw.); vernieling van andermans roerende eigendommen (art. 532bis, dat verwijst naar art. 528 tot 532 Sw.) en graffiti en beschadiging van onroerende eigendommen (art. 534quater, dat verwijst naar art. 534bis en 534ter Sw.).

Het behoort tot de bevoegdheid van de wetgever te beoordelen of het raadzaam is de rechters te dwingen tot gestrengheid wanneer het erom gaat misdrijven te bestraffen die het algemeen belang zeer ernstig schaden. Het staat ook aan de wetgever, wanneer hij beslist om het minimum van de toepasselijke straffen voor bepaalde misdrijven op te trekken, daarbij de discriminatiegronden aan te wijzen die hij het meest verwerpelijk acht.

Door in de aangegeven mate het minimum van de straffen te verhogen, heeft de wetgever een maatregel genomen die in verhouding staat tot het nagestreefde doel en die daarmee niet onevenredig is. De wet voorziet niet in een verhoging van het maximum van de straffen en sluit de toepassing niet uit van art. 79 tot 85 Sw. op grond waarvan de straf van opsluiting en de gevangenisstraf kunnen worden verminderd in geval van verzachtende omstandigheden, noch van de bepalingen van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie.

De betekenis van de woorden «haat, misprijzen en vijandigheid» wordt gepreciseerd door een opsomming van de omstandigheden waarin in een verhoging van het strafminimum is voorzien. De verzwaring van dat minimum is alleen mogelijk indien niet alleen wordt aangetoond dat het slachtoffer van het misdrijf tot een van de in de wet opgesomde categorieën van personen behoort, maar ook dat de drijfveer van het misdrijf, meer bepaald haat, misprijzen of vijandigheid, ingegeven is door het feit dat het slachtoffer tot een van die categorieën behoorde.

De wetgever heeft ten slotte, in plaats van die verzwaring van de minimumstraf uit te breiden tot alle misdrijven, misdrijven opgesomd waarvan in het bijzonder kan worden aangenomen dat zij kunnen zijn ingegeven door een discriminerende drijfveer tegenover het slachtoffer. Die keuze is niet zonder redelijke verantwoording. Het zijn immers misdrijven als gewelddaden, seksueel geweld, schuldig verzuim, vernieling van goederen, aanranding van de eer en belaging die gepaard kunnen gaan met gedrag, uitlatingen, opschriften of geschriften waaruit de rechter kan afleiden, na te hebben vastgesteld dat het misdrijf is bewezen, dat een van de drijfveren van de dader haat, misprijzen of vijandigheid, ingegeven door een van de in de wet opgesomde gronden, was.

Het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding kan in rechte treden in de geschillen waartoe de Antiracismewet en de Algemene Antidiscriminatiewet aanleiding kunnen geven, met uitzondering van geschillen die betrekking hebben op discriminatie op grond van taal, waarvoor de Koning het bevoegde orgaan aanwijst (art. 31 van de Antiracismewet en art. 29 van de Algemene Antidiscriminatiewet).

Het Instituut voor gelijkheid van vrouwen en mannen kan in rechte treden in de geschillen waartoe de Genderwet aanleiding kan geven (art. 34 van de Genderwet).

Daarnaast kunnen ook de volgende verenigingen en organisaties in rechte optreden in de rechtsgeschillen waartoe de toepassing van de besproken wetten aanleiding kan geven, wanneer afbreuk wordt gedaan aan de statutaire opdrachten die ze zich tot doel hebben gesteld: (1) elke instelling van openbaar nut en elke vereniging die op de dag van de feiten ten minste drie jaar rechtspersoonlijkheid bezit en zich statutair tot doel stelt de rechten van de mens te verdedigen of discriminatie te bestrijden; (2) de representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties, bedoeld bij art. 3 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités; (3) de representatieve vakorganisaties in de zin van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel; (4) de representatieve vakorganisaties in het aangewezen orgaan van vakbondsoverleg voor de administraties, diensten of instellingen waarop de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel niet van toepassing is; (5) de representatieve organisaties van de zelfstandigen (art. 32 van de Antiracismewet, art. 30 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 35 van de Genderwet).

Wanneer het voormelde Centrum of Instituut of een van de belangenverenigingen voor het bevoegde rechtscollege feiten aanvoeren die het bestaan van een discriminatie op een van de in de besproken wetten vermelde gronden kunnen doen vermoeden, dient de verweerder te bewijzen dat er geen discriminatie is geweest (art. 30, § 1, van de Antiracismewet, art. 28, § 1, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 33, § 1, van de Genderwet).

Het verschil in behandeling dat uit de besproken bepalingen voortvloeit, berust op een objectief criterium, namelijk de bijzondere aard van de betwistingen waarin het optreden in rechte mogelijk is; bovendien heeft de wetgever rekening kunnen houden met de bijzondere ervaring van de organisaties en verenigingen die zijn gemachtigd om in rechte op te treden.

Hun vordering is evenwel slechts ontvankelijk als zij bewijzen dat zij handelen met instemming van het slachtoffer van de wetsovertreding of van de discriminatie (art. 33 van de Antiracismewet, art. 31 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 36 van de Genderwet). Bovendien moet het slachtoffer wiens instemming door de vereniging wordt overgelegd, eveneens een rechtmatig en persoonlijk belang hebben.

Rekening houdende met onder meer de bepalingen van de voormelde EG-richtlijnen die dat type van collectieve vorderingen aanmoedigen (o.m. art. 7, tweede lid, van de richtlijn 2000/43/EG en art. 9, tweede lid, van de richtlijn 2000/78/EG), is die maatregel ook wat de burgerlijke vordering in strafprocedures betreft niet zonder redelijke verantwoording.

De besproken wettelijke bepalingeb kennen geen bevoegdheden toe die zijn voorbehouden aan de rechterlijke macht. Bovendien raken zij niet aan de vrijheid van vereniging, van meningsuiting en van eredienst.

In zoverre de besproken wetten een inmenging in de vrijheid van geweten en godsdienst kunnen teweegbrengen, moet een dergelijke inmenging een wettig doel nastreven en evenredig zijn met dat doel.

Vooreerst kan verwezen naar Art. 19 van de Grondwet.

Art. 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt:

«1. Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften.

2. De vrijheid van godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen».

Art. 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt:

«1. Een ieder heeft het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid een zelf gekozen godsdienst of overtuiging te hebben of te aanvaarden, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen door de eredienst, het onderhouden van de geboden en voorschriften, door praktische toepassing en het onderwijzen ervan.

2. Op niemand mag dwang worden uitgeoefend die een belemmering zou betekenen van zijn vrijheid een door hemzelf gekozen godsdienst of overtuiging te hebben of te aanvaarden.

3. De vrijheid van een ieder zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen.

4. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich de vrijheid te eerbiedigen van ouders of wettige voogden, de godsdienstige en morele opvoeding van hun kinderen of pupillen overeenkomstig hun eigen overtuiging te verzekeren».

B.102.4. Daarnaast dient het Hof ook rekening te houden met art. 21, eerste lid, van de Grondwet en met art. 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat vooralsnog niet juridisch bindend is.

Art. 21, eerste lid, van de Grondwet bepaalt:

«De Staat heeft niet het recht zich te bemoeien met de benoeming of de installatie der bedienaren van enige eredienst of hun te verbieden briefwisseling te houden met hun overheid en de akten van deze overheid openbaar te maken, onverminderd, in laatstgenoemd geval, de gewone aansprakelijkheid inzake drukpers en openbaarmaking».

Art. 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt:

«1. Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst en overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé, zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.

2. Het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren wordt erkend volgens de nationale wetten die de uitoefening van dit recht beheersen».

De vrijheid van geweten en godsdienst omvat onder meer de vrijheid om hetzij alleen, hetzij met anderen, zijn godsdienst of zijn overtuiging tot uiting te brengen. De voormelde grondwets- en verdragsbepalingen beschermen evenwel niet elke daad die door een godsdienst of overtuiging is geïnspireerd en waarborgen niet in alle omstandigheden het recht om zich naar de religieuze voorschriften of naar zijn overtuiging te gedragen (E.H.R.M. 2 oktober 2001, Pichon en Sajous t/ Frankrijk; 29 juni 2004, Leyla Sahin t/ Turkije, § 66; Grote Kamer, 10 november 2005, Leyla Sahin t/ Turkije, § 105; E.H.R.M. 13 november 2008, Mann Singh t/ Frankrijk).

Art. 19 van de Grondwet bepaalt uitdrukkelijk dat het niet in de weg staat aan de bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van de erin vermelde vrijheden worden gepleegd. Ook de aangevoerde verdragsbepalingen staan beperkingen toe voor zover die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor, met name, de openbare orde of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Zoals reeds is vermeld, voldoen de door de besproken wetten ingevoerde strafrechtelijke bepalingen aan dat noodzakelijkheidsvereiste.

Daarnaast bepaalt art. 10, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat vooralsnog niet juridisch bindend is, dat het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren wordt erkend «volgens de nationale wetten die de uitoefening van dit recht beheersen».

Wat het algemene verbod van discriminatie betreft, dat in de regel met burgerrechtelijke maatregelen wordt afgedwongen, werd reeds vermeld dat een verschil in behandeling op een van de in de besproken wetten vermelde gronden in beginsel steeds kan worden gerechtvaardigd, hetzij op grond van beperkte, specifieke en vooraf bepaalde rechtvaardigingsgronden (meer bepaald de «wezenlijke en bepalende beroepsvereisten», de «maatregel van positieve actie» en het «door of krachtens de wet opgelegde onderscheid»), hetzij op grond van een objectieve en redelijke rechtvaardiging die niet verder wordt verduidelijkt en die wordt overgelaten aan het uiteindelijke oordeel van de rechter.

Uit de bij art. 19 en 21 van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van meningsuiting en van eredienst vloeit voort dat religieuze of levensbeschouwelijke vereisten kunnen verantwoorden, onder rechterlijke controle, dat een onderscheid wordt gemaakt op grond van geloof of levensbeschouwing, of op een van de andere in de besproken wetten vermelde gronden, wanneer dat onderscheid als een «wezenlijke, legitieme en gerechtvaardigde beroepsvereiste» dient te worden beschouwd, gelet op het geloof of de levensbeschouwing, of als een objectieve en redelijke verantwoording.

Ten slotte blijkt uit het toepassingsgebied van de bestproken wetten  hoger uiteengezet, dat zij niet op louter private activiteiten van toepassing zijn en, rekening houdend met art. 21, eerste lid, van de Grondwet, kunnen zij evenmin worden geacht van toepassing te zijn op de benoeming of de installatie van de bedienaren van een eredienst.

Voor publieke of particuliere organisaties, waarvan de grondslag op geloof of levensbeschouwing is gebaseerd, vormt een direct onderscheid op grond van geloof of levensbeschouwing voor wat betreft de beroepsactiviteiten van die organisatie geen discriminatie indien het geloof of de levensbeschouwing vanwege de aard van de activiteiten of de context waarin die worden uitgeoefend, een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd beroepsvereiste vormt, gezien de grondslag van de organisatie (art. 13 van de Algemene Antidiscriminatiewet).

Die bepaling werd als volgt verantwoord: «Deze regel werd overgenomen uit de Europese Kaderrichtlijn. Hij voert een bijzondere regel in inzake wezenlijke en bepalende beroepsvereisten voor identiteitsgebonden organisaties. Op grond van deze regel kunnen organisaties waarvan de grondslag gebaseerd is op geloof of overtuiging ook eisen stellen op dat vlak ten aanzien van personeelsleden» (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/009, p. 112).

Er dient te worden herinnerd dat individuele gewetensbezwaarden zich kunnen beroepen op de algemene rechtsvaardigingsgronden die de besproken wetten bevatten, en dat, onder de hoger vermelde voorwaarden, religieuze of levensbeschouwelijke vereisten kunnen verantwoorden dat een onderscheid wordt gemaakt op grond van geloof of levensbeschouwing, of een van de andere in de besproken wetten vermelde gronden.

Aldus bestaat er geen wezenlijk verschil tussen individuele gewetensbezwaarden en publieke of particuliere organisaties, waarvan de grondslag op geloof of levensbeschouwing is gebaseerd.

Om te voldoen aan de vereisten van art. 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.

Wanneer een schending van de bevoegdheidverdelende regels wordt aangevoerd, moet worden gepreciseerd, zoals de Ministerraad opmerkt, welke bevoegdheidverdelende regel wordt geschonden, zo niet is het middel niet ontvankelijk. In het voorliggende geval zou die regel echter tot gevolg hebben dat de schending van elke bepaling die een bevoegdheid toewijst aan de gemeenschappen of de gewesten, zou moeten worden aangevoerd, terwijl het duidelijk is dat de grief de algehele overschrijding van de federale bevoegdheid betreft, door het toepassingsgebied van de besproken bepalingen. Het onontvankelijk verklaren van het middel zou in dat geval blijk geven van een overdreven formalism.

Aangezien het toepassingsgebied van de besproken wetten uitdrukkelijk de aangelegenheden uitsluit die onder de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten vallen (art. 5, § 1, van de Antiracismewet, art. 5, § 1, van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 6, § 1, van de Genderwet), maar art. 20 van de Antiracismewet, art. 22 van de Algemene Antidiscriminatiewet en art. 27 van de Genderwet het aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon wegens een van de «beschermde criteria» of tot discriminatie, segregatie, haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan wegens een van de «beschermde criteria», «zelfs buiten de in art. 5 [lees: art. 6, wat de Genderwet betreft] bedoelde domeinen» bestraffen, moeten de in het middel besproken bepalingen worden geacht eveneens van toepassing te zijn in de aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de gemeenschappen en gewesten vallen.

Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar adviezen over de voorontwerpen van de besproken wetten heeft opgemerkt (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/001, p. 92) – oordeel waarbij zowel de Ministerraad als de Vlaamse Regering zich aansluiten –, kan de federale wetgever op grond van zijn residuaire bevoegdheid algemene strafbepalingen inzake niet-discriminatie of aanzetten tot discriminatie aannemen, ongeacht de aangelegenheid waarin de discriminatie zich voordoet. Die regels zijn dan eveneens van toepassing in aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de gemeenschappen of de gewesten behoren. Zulks staat er niet aan in de weg dat de gemeenschappen en de gewesten zelf specifieke strafbepalingen vaststellen op grond van hun bevoegdheden.

Zie grondwettelijk Hof 12/02/2009, RW 2009-2010 1045, lees dit arrest met paswoord RW via deze link

Overige rechtspraak: arresten nrs. 39/2009, 40/2009 en 41/2009 van 11 maart 2009 waarin het Grondwettelijk Hof over bepaalde problemen die in het bovenvermelde arrest aan bod komen, in dezelfde zin heeft geoordeeld.

persoonlijk engagement

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 14/02/2010 - 16:14
Laatst aangepast op: za, 13/02/2016 - 12:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.