-A +A

Wetgeving dierenbescherming voldoet aan legaliteitsbeginsel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De legaliteit van een strafbepaling vereist dat ze voldoende toegankelijk is en op zichzelf of in context met andere bepalingen gelezen op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is en aan de vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan als het voor de persoon op wie de strafbepaling toepasselijk is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen; uit de wetsgeschiedenis van de Wet Dierenbescherming blijkt dat deze wet aan de reeds bestaande doelstellingen inzake dierenbescherming zoals de bescherming tegen menselijke wreedheden, uitdrukkelijk het doel heeft toegevoegd het welzijn van de dieren te bevorderen door in hun behoeften te voorzien en zowel het personeel toepassingsgebied van artikel 4, § 1, Wet Dierenbescherming als het materieel en het moreel element van dat artikel zijn duidelijk omschreven en voldoende afgebakend, zodat voor al degenen op wie die bepalingen toepasselijk zijn, zij voldoende toegankelijk zijn en op zichzelf of in context met andere bepalingen gelezen zij op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijven, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is (1). (1) Parl. St., Senaat, 1982-1983, 469/2.

Nr. P.16.0424.N
L. A. L.,
beklaagde,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 9 maart 2016.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de bepalingen van de artikelen 5, § 5, 3°, en 12, § 2, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren (hierna: KB Inrichting Dieren) voldoen aan het legaliteitsbeginsel en dat de dagvaarding in feitelijke en duidelijke bewoordingen aangeeft welke gedragingen aan de eiser worden verweten; deze regelgeving is onduidelijk en vaag; de verbalisanten stelden vast dat er veel uitwerpselen lagen hetgeen evident is gelet op de aanwezigheid van een vijftigtal honden; de eiser kon echter onmogelijk nagaan of er te veel uitwerpselen lagen daar de regelgeving niet specificeert wanneer, rekening houdende met het aantal honden, de aanwezige hoeveelheid uitwerpselen als "te veel" wordt aangemerkt; de verbalisanten stelden ook vast dat de honden onverzorgd waren en hun haren te lang; elk ras moet verschillend geknipt worden; de regelgeving is ook op dit punt onduidelijk waar niet per hondensoort wordt gespecificeerd wanneer aan de vereisten van het KB Inrichting Dieren is voldaan; de eiser heeft er steeds alles aan gedaan om de dieren correct te behandelen en heeft zich daarover vruchteloos geïnformeerd bij de overheid; hij kon onmogelijk weten dat er sprake was van een misdrijf.

2. De legaliteit van een strafbepaling vereist dat ze voldoende toegankelijk is en op zichzelf of in context met andere bepalingen gelezen op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is.

Het gegeven dat de rechter over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt, is op zich niet strijdig met die vereiste van redelijke voorzienbaarheid. Er moet immers rekening worden gehouden met het algemene karakter van wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Het beginsel zelf van de algemeenheid van de wet brengt mee dat de bewoordingen ervan vaak geen absolute precisie kunnen hebben. De beoordelingsvrijheid van de rechter wordt mede bepaald door de complexiteit van de te regelen materie en het fundamenteel karakter van het te beschermen rechtsgoed, die een grotere marge voor de rechter kunnen verantwoorden.

Aan de vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan als het voor de persoon op wie de strafbepaling toepasselijk is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen. Daarbij dient onder meer rekening te worden gehouden met:
- de interpretatie van de strafbepaling in het licht van de doelstellingen van de wetgever en wetsgeschiedenis;
- de door de rechtscolleges gegeven interpretatie over de strafbepaling;
- de vereiste van een moreel element in elk misdrijf;
- de bijzondere hoedanigheid of functie van de persoon tot wie de strafbepaling zich richt, zijn bijzondere vertrouwdheid met de materie of het gegeven dat hij beroepsmatig beschikt of kan beschikken over goede informatie.

3. De eiser wordt vervolgd voor een inbreuk op de artikelen 3, 4, 5, § 1, en 36.3° van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: Wet Dierenbescherming) en de artikelen 1bis, 5, § 5.3° en 12, § 2, KB Inrichting Dieren.

4. Artikel 4, § 1, Wet Dierenbescherming bepaalt: "Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de nodige maatregelen nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domestikatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen."

Het KB Inrichting Dieren voert deze bepaling verder uit. Zo bepaalt artikel 5, § 5.3°, van dat besluit: "De verantwoordelijke treft de nodige voorzorgen en schikkingen om een goede gezondheid van de dieren te waarborgen.

Deze omvatten in het bijzonder : (...)

3° de regelmatige reiniging en ontsmetting van de dierenverblijven en lokalen en van de materialen waarmee de dieren in contact komen."
Artikel 12, § 2, KB Inrichting Dieren bepaalt: "De vacht van de dieren wordt onderhouden en, indien nodig, getrimd, geknipt of geschoren."

Voor de toepassing van dat besluit wordt het begrip verantwoordelijke in artikel 1bis, 1°, KB Inrichting Dieren gedefinieerd als: "de persoon die in de inrichting aanwezig is en er een direct toezicht uitoefent op de dieren", waarbij overeenkomstig artikel 1bis, 4°, van hetzelfde besluit, het begrip "inrichting" de volgende betekenis heeft: "naargelang het geval hobbykwekerij, professionele kwekerij of handelskwekerij van honden of katten, dierenasiel, dierenpension of handelszaak voor niet voedselproducerende dieren, met uitzondering van de inrichtingen die, wat levende dieren betreft, uitsluitend ongewervelden of vissen verkopen die als visaas dienen en/of levende vissen gehouden in bassins en bestemd om in vijvers te leven".

5. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet Dierenbescherming blijkt dat deze wet aan de reeds bestaande doelstellingen inzake dierenbescherming zoals de bescherming tegen menselijke wreedheden, uitdrukkelijk het doel heeft toegevoegd het welzijn van de dieren te bevorderen door in hun behoeften te voorzien.

6. Het personeel toepassingsgebied van artikel 4, § 1, Wet Dierenbescherming is duidelijk omschreven: deze bepaling richt zich tot ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft. Dit wordt nader gepreciseerd in artikel 5, § 5.3°, KB Inrichting Dieren: deze bepaling richt zich tot de verantwoordelijke, zijnde de persoon die in de inrichting aanwezig is en direct toezicht op de dieren uitoefent.

7. Het materieel element van dat artikel is voldoende afgebakend: de wet verplicht de betrokkene onder meer om de nodige maatregelen te nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domestikatie verzorging te verschaffen. Dit vereist onder meer de regelmatige reiniging en ontsmetting van de dierenverblijven en lokalen en het onderhouden van de vacht van de dieren en, indien nodig, het trimmen, knippen of scheren, zoals bepaald in het KB Inrichting Dieren.

8. Voor strafbaarheid moet ook een moreel element bewezen worden, dit is onachtzaamheid.

9. Voor al degenen op wie die bepalingen toepasselijk zijn, zijn zij voldoende toegankelijk en op zichzelf of in context met andere bepalingen gelezen omschrijven zij op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is.

Hieruit volgt dat de vermelde bepalingen de artikelen 7.1 EVRM en 15.1 IVBPR niet schenden.

In zoverre faalt het middel naar recht.

10. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbaar oordeel van het arrest over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 77,61 euro.

 

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer,  en op de openbare rechtszitting van 13 december 2016 uitgesproken 

Nog dit: 

Correctionale Rechtbank te Gent, 21e Kamer – 15 november 2011, RW 2012-2013, 1422

De feiten

Op 17 november 2010 stond de politie de gerechtsdeurwaarder bij tijdens de uitdrijving van de beklaagde uit de huurwoning gelegen te Eeklo (...). In de woning troffen zij in de zetel een dode kat aan. Rond een steekwagentje lag het skelet van een hond.

De beklaagde verklaarde op 2 december 2010 dat de dieren haar eigendom waren. Bij het einde van de relatie met haar vriendin is zij vertrokken en heeft zij de hond en de kat achtergelaten in de woning. Zij erkende dat ze nooit meer naar de dieren omkeek.

De rechtbank acht de tenlastelegging bewezen.

De strafmaat

De feiten kunnen krachtens art. 35-3o van de Dierenwelzijnswet van 14 augustus 1986 worden bestraft met een gevangenisstraf van één maand tot drie maanden en/of een geldboete van 26 tot 1.000 euro.

De beklaagde dient in te zien dat wie dieren wil houden ook zijn verantwoordelijkheid moet nemen en dat men zich niet zomaar van dieren kan ontdoen alsof het prullen zijn.

...

Verbod om dieren te houden

Krachtens art. 40 van de Dierenwelzijnswet kan de rechtbank eveneens een verbod opleggen om dieren van één of meer soorten te houden, hetzij definitief, hetzij voor een periode van één maand tot drie jaar.

Er is in de wet geen sanctie bepaald voor het niet naleven van een dergelijk verbod.

Het openbaar ministerie vorderde een verbod tot het houden van dieren gedurende drie jaar onder verbeurte van een dwangsom van 250 euro per dag.

De beklaagde kan de verantwoordelijkheid die hoort bij het houden van dieren niet aan. Zij kan duidelijk niet instaan voor het welzijn van dieren.

Om herhaling van dergelijke feiten te voorkomen is een tijdelijk verbod tot het houden van dieren noodzakelijk.

Een tijdelijk verbod geeft de beklaagde de kans haar situatie te verbeteren, zodat zij naderhand ook misschien weer dieren zal kunnen houden.

Het openbaar ministerie vorderde het opleggen van een dwangsom van 250 euro per dag dat het op te leggen verbod niet wordt nageleefd.

Een dwangsom kan niet worden opgelegd bij een straf. Dat kan wel bij een veiligheidsmaatregel.

Hoewel art. 40 in hoofdstuk XI onder de strafbepalingen staat, dient het te worden beschouwd als een veiligheidsmaatregel. De plaats waar de wetgever in een maatregel voorziet, is op zichzelf niet bepalend voor het karakter van straf of maatregel.

Dat het om een veiligheidsmaatregel gaat, mag worden afgeleid uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp (Parl. St. Senaat 1982-83, nr. 469/1, p. 13) waar staat te lezen: “De rechter heeft de macht krachtens art. 40 om aan een veroordeelde te verbieden een of meer soorten dieren te houden wanneer er een ernstig vermoeden bestaat dat de veroordeelde een misdrijf omschreven in de art. 35 en 36 opnieuw zal begaan”.

De Raad van State was in zijn advies echter van oordeel dat het om een straf ging.

De regering noch het parlement gingen op die kritiek in, ook niet in het gewijzigde ontwerp dat opnieuw voor advies aan de Raad van State werd voorgelegd. De wettekst bleef ongewijzigd.

Hieruit vermag de rechtbank af te leiden dat de wetgever bij de oorspronkelijke bedoeling bleef, nl. dat een dergelijk verbod beoogde toekomstig nieuw dierenleed te voorkomen. Het gaat dus wel degelijk om een veiligheidsmaatregel.

Alleen een dwangsom van 50 euro per dag dat dit verbod niet wordt nageleefd, maakt het opgelegde verbod afdwingbaar.

...
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: vr, 27/10/2017 - 16:47
Laatst aangepast op: vr, 27/10/2017 - 16:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.