-A +A

Wet rechtspositie gevangenen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wet 17 MEI 2006. B.S. 15/06/06  - Wet betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten  (voor de laatste versie van deze wet na de aanpassingen ingevolge de programmawet van 27/12/2006: zie www.staatsblad.be bij de geconsolideerde wetgeving.
en aangepast aan de Wet van 6 februari 2009 tot wijziging van artikel 97 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten


TITEL I. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

TITEL II. - Definities

Art. 2. Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° de minister : de Minister van Justitie;
2° de veroordeelde : een natuurlijke persoon die veroordeeld is tot een vrijheidsstraf krachtens een gerechtelijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan;
3° de directeur : de ambtenaar belast met het lokaal bestuur van de gevangenis of de afdeling waar de gedetineerde verblijft;
4° de strafuitvoeringsrechter : de voorzitter van de strafuitvoeringsrechtbank;
5° het openbaar ministerie : het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank;
6° het slachtoffer : de volgende categorieën van personen die bij de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit kunnen vragen om te worden geïnformeerd en/of te worden gehoord in de door deze wet bepaalde gevallen, volgens de door de Koning bepaalde regels :
a) de natuurlijke persoon wiens burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
b) de persoon die minderjarig, verlengd minderjarig of onbekwaam was op het ogenblik van de feiten en voor wie de wettelijke vertegenwoordiger zich geen burgerlijke partij heeft gesteld;
c) de natuurlijke persoon die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen.
Ten aanzien van de onder b) en c) genoemde categorieën, oordeelt de strafuitvoeringsrechter op hun verzoek, overeenkomstig de bepalingen van Titel III, of ze een direct en legitiem belang hebben;
7° staat van herhaling : de herhaling zoals gedefinieerd door het Strafwetboek en door bijzondere strafwetten en die is vastgesteld in het vonnis of arrest van veroordeling door de uitdrukkelijke verwijzing naar de veroordeling die aan de herhaling ten grondslag ligt;
8° Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht : de dienst binnen de federale overheidsdienst Justitie die bevoegd is voor de uitwerking en de opvolging van het elektronisch toezicht.
 

TITEL III. - Bepalingen inzake het slachtoffer
 

Art. 3. § 1. De in artikel 2, 6°, b) en c) bedoelde personen die in de door de wet bepaalde gevallen wensen te worden geïnformeerd of gehoord bij de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit, richten een schriftelijk verzoek aan de strafuitvoeringsrechter.
De griffie zendt onverwijld een afschrift van het verzoek over aan het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie geeft een advies binnen zeven dagen na ontvangst van het afschrift.
§ 2. De in § 1 bedoelde personen kunnen zich te allen tijde laten vertegenwoordigen of bijstaan door hun raadsman. Zij kunnen zich eveneens laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
§ 3. Indien de strafuitvoeringsrechter dit nuttig acht om te kunnen oordelen over het direct en legitiem belang, kan hij de verzoeker vragen om op een zitting hieromtrent verdere informatie te verstrekken. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het in § 1 bedoelde verzoek.
§ 4. De strafuitvoeringsrechter oordeelt over het direct en legitiem belang binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien dagen nadat de zaak in beraad is genomen. De beslissing wordt bij een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de verzoeker.
De beslissing wordt eveneens onverwijld meegedeeld aan de minister.
§ 5. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
 

TITEL IV De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten


HOOFDSTUK I. - De uitgaansvergunning
Art. 4. § 1. De uitgaansvergunning laat de veroordeelde toe om de gevangenis te verlaten voor een bepaalde duur die niet langer mag zijn dan zestien uren.
§ 2. De uitgaansvergunningen kunnen op elk moment van de detentieperiode aan de veroordeelde worden toegekend om :
1° sociale, morele, juridische, familiale, opleidings- of professionele belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen;
2° een medisch onderzoek of een medische behandeling buiten de gevangenis te ondergaan.
§ 3. Tijdens de twee jaren die de datum voorafgaan waarop de veroordeelde tot voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegelaten, kunnen aan die veroordeelde uitgaansvergunningen worden toegekend om zijn sociale reïntegratie voor te bereiden. Deze uitgaansvergunningen kunnen met een bepaalde periodiciteit worden toegekend.
§ 4. De uitvoering van de vrijheidsstraf loopt voort tijdens de duur van de toegekende uitgaansvergunning.
Art. 5. De uitgaansvergunning wordt toegekend op voorwaarde dat :
1° de veroordeelde zich in de tijdsvoorwaarden bevindt bedoeld in artikel 4, §§ 2 en 3;
2° er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens de uitgaansvergunning ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou verontrusten;
3° de veroordeelde instemt met de voorwaarden die aan de uitgaansvergunning kunnen worden verbonden krachtens artikel 11, § 3.

HOOFDSTUK II. - Het penitentiair verlof
Art. 6. § 1. Het penitentiair verlof laat de veroordeelde toe de gevangenis driemaal zesendertig uren per trimester te verlaten.
§ 2. Het penitentiair verlof heeft tot doel :
1° de familiale, affectieve en sociale contacten van de veroordeelde in stand te houden en te bevorderen;
2° de sociale reïntegratie van de veroordeelde voor te bereiden.
§ 3. De uitvoering van de vrijheidsstraf straf loopt voort tijdens de duur van het toegekend penitentiair verlof.
Art. 7. Het penitentiair verlof wordt toegekend aan elke veroordeelde die voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° de veroordeelde bevindt zich in het jaar dat de datum voorafgaat waarop hij tot voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegelaten;
2° er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens het penitentiair verlof ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou verontrusten;
3° de veroordeelde stemt in met de voorwaarden die aan het penitentiair verlof kunnen worden verbonden krachtens artikel 11, § 3.
Art. 8. Drie maanden voor de veroordeelde zich in de door artikel 7, 1°, bepaalde tijdsvoorwaarde bevindt, licht de directeur de veroordeelde schriftelijk in over de mogelijkheden tot toekenning van penitentiaire verloven.
De veroordeelde richt zijn schriftelijk verzoek tot penitentiair verlof aan de directeur.
De directeur kan de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête te houden in het door de veroordeelde voor het penitentiair verlof voorgestelde opvangmilieu. De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête.
Binnen twee maanden na de ontvangst van het verzoek, stelt de directeur een met redenen omkleed advies op en zendt hij het verzoek en zijn met redenen omkleed advies over aan de minister of zijn gemachtigde en bezorgt de veroordeelde een afschrift ervan.
Art. 9. Indien het advies van de directeur niet wordt meegedeeld binnen de in artikel 8, vierde lid, bepaalde termijn, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op schriftelijk verzoek van de veroordeelde, de minister op straffe van een dwangsom veroordelen tot het uitbrengen van zijn advies, via de directeur, binnen de termijn voorzien door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en om aan de veroordeelde een afschrift van dit advies ter kennis te brengen.
De voorzitter doet uitspraak na de veroordeelde en de minister of zijn gemachtigde te hebben gehoord, op advies van het openbaar ministerie, binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek.
Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.

HOOFDSTUK III. - Bepalingen die gemeen zijn aan de hoofdstukken I en II

• Afdeling I. - De procedure tot toekenning van de uitgaansvergunning en het penitentiair verlof

Art. 10. § 1. De uitgaansvergunning of het penitentiair verlof wordt toegekend door de minister of zijn gemachtigde, op verzoek van de veroordeelde en na een met redenen omkleed advies van de directeur. Het advies van de directeur bevat, in voorkomend geval, een voorstel van bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen.
§ 2. Binnen veertien dagen na de ontvangst van het dossier neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur.
Indien de minister of zijn gemachtigde oordeelt dat het dossier niet in staat is en er bijkomende informatie noodzakelijk is om een beslissing te kunnen nemen, kan deze termijn éénmalig met zeven dagen worden verlengd. De minister of zijn gemachtigde deelt dit onverwijld mee aan de directeur en de veroordeelde.
Het slachtoffer wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk in kennis gesteld van de toekenning van een eerste penitentiair verlof.
§ 3. Indien de uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, of het penitentiair verlof wordt geweigerd, kan de veroordeelde een nieuwe aanvraag indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze beslissing.
De beslissing van de minister of zijn gemachtigde wordt met redenen omkleed.
§ 4. Bij gebrek aan een beslissing binnen de bepaalde termijn wordt de minister geacht de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof toe te kennen. Aan deze uitgaansvergunning of dit penitentiair verlof worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld die de directeur, in voorkomend geval, overeenkomstig § 1, heeft voorgesteld.
Art. 11. § 1. De beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning bepaalt de duur ervan en, in voorkomend geval, de periodiciteit ervan.
§ 2. Behoudens andersluidende beslissing van de minister of zijn gemachtigde wordt de beslissing tot toekenning van penitentiair verlof geacht van rechtswege elk kwartaal te worden hernieuwd.
De directeur beslist, na overleg met de veroordeelde, over de verdeling van het toegestane verlof voor elk trimester.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde verbindt aan de beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning of een penitentiair verlof de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. In voorkomend geval bepaalt hij de bijzondere voorwaarden rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 5, 2°, en 7, 2°.
§ 4. Bij wege van een met redenen omklede beslissing kan de minister of zijn gemachtigde ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde, dan wel op voorstel van de directeur of van het openbaar ministerie, de in § 3, bedoelde bijzondere voorwaarden aanpassen.

• Afdeling II. - Maatregelen in geval van niet-naleving van de voorwaarden en voorlopige aanhouding

Art. 12. § 1. Indien de voorwaarden van een beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, verleend met een zekere periodiciteit, niet worden nageleefd, kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om :
1° de voorwaarden aan te passen;
2° de beslissing te schorsen voor een periode van maximum drie maanden, te rekenen van de laatste toegekende uitgaansvergunning;
3° de beslissing te herroepen; in dit geval kan de veroordeelde een nieuw verzoek indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze herroeping.
§ 2. In geval van niet-naleving van de voorwaarden van een beslissing tot toekenning van een penitentiair verlof kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om :
1° de voorwaarden aan te passen;
2° de beslissing te schorsen voor een periode van maximum drie maanden, te rekenen van het laatste toegekende verlof;
3° de beslissing te herroepen; in dit geval kan de veroordeelde een nieuw verzoek indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze herroeping.
Art. 13. Binnen veertien dagen te rekenen van de dag na de kennisneming van de niet-naleving van de voorwaarden neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur.
Ingeval het een beslissing betreft die genomen is overeenkomstig artikel 12, § 2, wordt het slachtoffer binnen vierentwintig uur schriftelijk hiervan in kennis gesteld.
Art. 14. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de minister of zijn gemachtigde.
De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing over de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur.
Ingeval het een beslissing betreft inzake een penitentiair verlof, wordt het slachtoffer binnen vierentwintig uur schriftelijk hiervan in kennis gesteld.
 

HOOFDSTUK IV. - De onderbreking van de strafuitvoering

Art. 15. § 1. De onderbreking van de strafuitvoering schorst de uitvoering van de straf voor een duur van maximum drie maanden, die kan worden hernieuwd.
§ 2. De onderbreking van de strafuitvoering wordt aan de veroordeelde toegekend om ernstige en uitzonderlijke redenen van familiale aard.
§ 3. De verjaring van de straf loopt niet tijdens de onderbreking van de strafuitvoering.
Art. 16. De onderbreking van de strafuitvoering wordt niet toegestaan wanneer er in hoofde van de veroordeelde tegenaanwijzingen bestaan; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens de onderbreking van de strafuitvoering ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou verontrusten.
Art. 17. § 1. De onderbreking van de strafuitvoering wordt toegekend door de minister of zijn gemachtigde, op schriftelijk verzoek van de veroordeelde en na een met redenen omkleed advies van de directeur.
De minister of zijn gemachtigde en de directeur kunnen de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête te houden over de ernstige en buitengewone familiale redenen die de veroordeelde aanvoert om een onderbreking van zijn strafuitvoering te vragen. De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête.
§ 2. Binnen veertien dagen na ontvangst van het verzoek van de veroordeelde neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt, binnen vierentwintig uur, schriftelijk in kennis gesteld van de toekenning van een onderbreking van de strafuitvoering.
§ 3. De beslissing van de toekenning van een onderbreking van de strafuitvoering bepaalt de duur ervan.
Art. 18. De onderbreking van de strafuitvoering kan worden verlengd op verzoek van de veroordeelde volgens de in artikel 17 bepaalde procedure.
Art. 19. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de minister of zijn gemachtigde.
De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing over de voortzetting van de onderbreking van de strafuitvoering binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie, de directeur en het slachtoffer.
Art. 20. Behalve in het in artikel 19 bedoelde geval, neemt de onderbreking van de strafuitvoering van rechtswege een einde ingeval de veroordeelde opnieuw wordt opgesloten.
Teneinde opnieuw de onderbreking van de strafuitvoering te verkrijgen, moet de veroordeelde een nieuw schriftelijk verzoek indienen.


TITEL V De door de strafuitvoeringsrechter en de strafuitvoeringsrechtbank toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten
 

HOOFDSTUK I. - De beperkte detentie en het elektronisch toezicht

Afdeling I. - De beperkte detentie
Art. 21. § 1. De beperkte detentie is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf die de veroordeelde toelaat om op regelmatige wijze, de strafinrichting te verlaten voor een bepaalde duur van maximum twaalf uur per dag.
§ 2. De beperkte detentie kan aan de veroordeelde worden toegekend om professionele, opleidings- of familiale belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen.

Afdeling II. - Het elektronisch toezicht
Art. 22. Het elektronisch toezicht is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde het geheel of een gedeelte van zijn vrijheidsstraf buiten de gevangenis ondergaat volgens een bepaald uitvoeringsplan, waarvan de naleving onder meer door elektronische middelen wordt gecontroleerd.

Afdeling III. - De tijdsvoorwaarden
Art. 23. § 1. De beperkte detentie en het elektronisch toezicht kunnen worden toegekend aan de veroordeelde die :
1° zich, op zes maanden na, in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling, of
2° veroordeeld is tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbare gedeelte niet meer dan drie jaar bedraagt.
De veroordeelde dient bovendien te voldoen aan de voorwaarden die bepaald zijn bij artikel 28, § 1, of, in voorkomend geval, bij de artikelen 47, § 1, en 48.
§ 2. Vier maanden voordat de veroordeelde die gedetineerd is zich in de bij § 1, 1°, bepaalde tijdsvoorwaarde bevindt, licht de directeur hem schriftelijk in over de mogelijkheid tot het aanvragen van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht.
De veroordeelde kan vanaf dat moment een schriftelijk verzoek tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht indienen, overeenkomstig de artikelen 29 en 49.


HOOFDSTUK II. - De voorwaardelijke invrijheidstelling

Afdeling I. - Definitie

Art. 24. De voorwaardelijke invrijheidstelling is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde zijn straf ondergaat buiten de gevangenis, mits naleving van de voorwaarden die hem gedurende een bepaalde proeftijd worden opgelegd.
Afdeling II. - De tijdsvoorwaarden
Art. 25. § 1. De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend aan elke veroordeelde tot één of meerdere vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt, voorzover de veroordeelde één derde van deze straffen heeft ondergaan en indien hij voldoet aan de in artikel 28, § 1, bedoelde voorwaarden.
§ 2. De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend aan elke veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt voor zover de veroordeelde :
a) hetzij één derde van deze straffen heeft ondergaan;
b) hetzij, indien in het vonnis of in het arrest van veroordeling is vastgesteld dat de veroordeelde zich in staat van herhaling bevond, twee derden van die straffen heeft ondergaan, zonder dat de duur van de reeds ondergane straffen meer dan veertien jaar bedraagt;
c) hetzij, in geval van een veroordeling tot een levenslange vrijheidsstraf, tien jaar van deze straf heeft ondergaan, of, indien in het arrest van veroordeling dezelfde straf is uitgesproken en is vastgesteld dat de veroordeelde zich in staat van herhaling bevond, zestien jaar;
en indien hij voldoet aan de in de artikelen 47, § 1, en 48, bedoelde voorwaarden.


HOOFDSTUK III. - De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering
Art. 26. § 1. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering wordt toegekend aan de veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt, voorzover de veroordeelde één derde van deze straffen heeft ondergaan en indien hij voldoet aan de in artikel 28, § 2, bedoelde voorwaarden.
§ 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering wordt toegekend aan de veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt, voorzover de veroordeelde :
a) hetzij één derde van deze straffen heeft ondergaan;
b) hetzij, indien in het vonnis of in het arrest van veroordeling is vastgesteld dat de veroordeelde zich in staat van herhaling bevond, twee derden van die straffen heeft ondergaan, zonder dat de duur van de reeds ondergane straffen meer dan veertien jaar bedraagt;
c) hetzij, in geval van een veroordeling tot een levenslange vrijheidsstraf, tien jaar van deze straf heeft ondergaan, of, indien in het arrest van veroordeling dezelfde straf is uitgesproken en is vastgesteld dat de veroordeelde zich in staat van herhaling bevond, zestien jaar.
en indien hij voldoet aan de in artikel 47, § 2, bedoelde voorwaarden.
 

TITEL VI. - Over de toekenning van de door Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten


HOOFDSTUK I. - De vrijheidsstraffen van drie jaar of minder

Afdeling I. - Definitie

Art. 27. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder vrijheidsstraffen van drie jaar of minder, één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt.
Afdeling II. - De voorwaarden
Art. 28. § 1. Met uitzondering van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering, kunnen de door Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten aan de veroordeelde worden toegekend voorzover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
1° het feit dat de veroordeelde niet de mogelijkheid heeft om in zijn behoeften te voorzien;
2° een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden;
3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;
4° de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn veroordeling hebben geleid.
Het 1° is niet van toepassing op de beperkte detentie.
§ 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering kan aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
1° de mogelijkheden voor de veroordeelde om een onderdak te hebben;
2° een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden;
3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;
4° de door de veroordeelde geleverde inspanning om de burgerlijke partij te vergoeden.
Afdeling III. - De toekenningsprocedure
Art. 29. § 1. De beperkte detentie en het elektronisch toezicht worden toegekend door de strafuitvoeringsrechter op schriftelijk verzoek van de veroordeelde.
§ 2. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie van de gevangenis ingeval de veroordeelde gedetineerd is.
De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur.
§ 3. Ingeval de veroordeelde gedetineerd is, brengt de directeur een advies uit binnen twee maanden na de ontvangst van het afschrift van het schriftelijk verzoek. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.
Art. 30. § 1. De voorwaardelijke invrijheidstelling en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering worden toegekend door de strafuitvoeringsrechter op advies van de directeur.
§ 2. De directeur brengt een advies uit ten vroegste vier maanden en ten laatste twee maanden voor de veroordeelde aan de bij de artikelen 25, § 1, en 26, § 1, bepaalde tijdsvoorwaarden voldoet. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.
Indien de in het eerste lid bepaalde termijnen niet kunnen worden gerespecteerd omdat de veroordeling nog niet in kracht van gewijsde is getreden, brengt de directeur zijn advies uit binnen twee maanden nadat een vonnis van veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan.
Art. 31. § 1. Om zijn advies op te stellen, stelt de directeur een dossier samen en hoort hij de veroordeelde. Dit dossier omvat :
- een afschrift van de opsluitingsfiche;
- een afschrift van de vonnissen en arresten;
- de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd veroordeeld;
- een uittreksel uit het strafregister;
- de datum waarop de veroordeelde kan worden toegelaten tot de desbetreffende strafuitvoeringsmodaliteit;
- het verslag van de directeur dat wordt opgesteld overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels;
- in voorkomend geval het gemotiveerd advies van een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten is gespecialiseerd;
- de opmerkingen van het personeelscollege indien de veroordeelde overeenkomstig § 2 heeft verzocht door deze instantie te worden gehoord;
- de memorie van de veroordeelde of van zijn raadsman.
§ 2. De veroordeelde kan, op zijn verzoek, tevens worden gehoord door het personeelscollege van de strafinrichting, waarvan de samenstelling en de werking door de Koning worden bepaald. De schriftelijke opmerkingen van het personeelscollege worden bij het dossier gevoegd.
§ 3. Het advies van de directeur omvat een gemotiveerd voorstel tot toekenning of afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen aan de veroordeelde.
§ 4. Het advies van de directeur wordt overgezonden aan de strafuitvoeringsrechtbank en een afschrift ervan wordt meegedeeld aan het openbaar ministerie en aan de veroordeelde.
§ 5. Indien het advies van de directeur niet wordt meegedeeld binnen de in de artikelen 29, § 3 en 30, § 2, voorziene termijn kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op schriftelijk verzoek van de veroordeelde, de minister op straffe van een dwangsom veroordelen tot het uitbrengen van zijn advies, via de directeur, binnen de termijn voorzien door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en om aan de veroordeelde een afschrift van dit advies ter kennis te brengen.
De voorzitter doet uitspraak na de veroordeelde en de minister of zijn gemachtigde te hebben gehoord, op advies van het openbaar ministerie, binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek.
Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.
Art. 32. Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten bedoeld in de artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek, indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, moet het verzoek bedoeld in artikel 29 of het advies bedoeld in artikel 30 worden ingediend samen met een met redenen omkleed advies van een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten is gespecialiseerd.
Het advies omvat een beoordeling van de noodzaak om een behandeling op te leggen.
Art. 33. § 1. Binnen een maand na de ontvangst van het advies van de directeur of, indien de veroordeelde niet gedetineerd is, na de indiening van het verzoek, stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechter en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.
§ 2. Indien een niet-gedetineerde veroordeelde om een beperkte detentie of een elektronisch toezicht verzoekt, kan het openbaar ministerie met het oog op het toekennen van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht respectievelijk de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie of het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren. De inhoud van dit beknopt voorlichtingsverslag en deze maatschappelijke enquête wordt door de Koning bepaald.
Art. 34. § 1. De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechter na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk twee maanden na de indiening van het verzoek of na de ontvangst van het advies van de directeur. Ingeval het advies van het openbaar ministerie niet wordt toegezonden binnen de bij artikel 33 bepaalde termijn, dient het openbaar ministerie zijn advies schriftelijk uit te brengen voor of tijdens de zitting.
De veroordeelde, de directeur, indien de veroordeelde gedetineerd is, en het slachtoffer worden bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
§ 2. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, indien de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
Art. 35. § 1. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie, en, indien de veroordeelde gedetineerd is, de directeur.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd.
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
§ 2. Als de niet-gedetineerde veroordeelde om een beperkte detentie of een elektronisch toezicht verzoekt, kan de strafuitvoeringsrechter respectievelijk de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie of het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht de opdracht geven een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren.
Art. 36. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
Wanneer de strafuitvoeringsrechter driemaal heeft geweigerd om een strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen, kan de veroordeelde verzoeken om in openbare terechtzitting te verschijnen.
Dit verzoek kan, bij een met redenen omklede beslissing, enkel worden geweigerd indien deze openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid.
Art. 37. De strafuitvoeringsrechter kan de behandeling van de zaak éénmaal uitstellen tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden later mag plaatsvinden.

Afdeling IV. - De beslissing van de strafuitvoeringsrechter

Onderafdeling I. - Algemene bepaling

Art. 38. De strafuitvoeringsrechter beslist binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
Hij kent de strafuitvoeringsmodaliteit toe wanneer hij vaststelt dat alle wettelijk vastgelegde voorwaarden zijn vervuld, en indien de veroordeelde instemt met de door de strafuitvoeringsrechter bepaalde voorwaarden.
Onderafdeling II. - De beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit

Art. 39. Het vonnis tot toekenning van de strafuitvoerings-modaliteit bepaalt dat de veroordeelde onderworpen is aan de volgende algemene voorwaarden :
1° geen strafbare feiten plegen;
2° behalve voor de beperkte detentie een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, ook aan de justitieassistent die met de begeleiding is belast;
3° gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, van de justitieassistent die met de begeleiding is belast.
Art. 40. De strafuitvoeringsrechter kan de veroordeelde aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden onderwerpen indien deze absoluut noodzakelijk zijn om het risico op recidive te beperken of indien deze noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer.
Art. 41. Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor één van de feiten bedoeld in de artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek, indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, kan de strafuitvoeringsrechter aan de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit de voorwaarde verbinden van het volgen van een begeleiding of een behandeling bij een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten is gespecialiseerd. De rechter bepaalt de termijn gedurende welke de veroordeelde deze begeleiding of behandeling moet volgen.
Art. 42. De strafuitvoeringsrechter bepaalt in het vonnis tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht het programma van de concrete invulling hiervan.
De justitieassistent, of in voorkomend geval het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, staat in voor de uitwerking van de concrete invulling van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit overeenkomstig de door de Koning daartoe bepaalde regels.
Art. 43. Indien de veroordeelde erom verzoekt, kent de strafuitvoeringsrechter hem gedurende de beperkte detentie of het elektronisch toezicht een penitentiair verlof toe. De strafuitvoeringsrechter bepaalt de duur van het penitentiair verlof, dat niet minder dan driemaal zesendertig uur per trimester mag zijn. Het verlof is elk trimester van rechtswege hernieuwd.
Art. 44. § 1. Ingeval de strafuitvoeringsrechter beslist een beperkte detentie of een elektronisch toezicht toe te kennen, bepaalt hij de termijn voor welke deze strafuitvoeringsmodaliteit wordt toegekend. Deze termijn mag maximum zes maanden bedragen en kan éénmaal worden verlengd voor een duur van maximum zes maanden. De duur van de termijn mag nooit meer bedragen dan de duur van de oorspronkelijk toegekende vrijheidsstraf en moet minimum één derde van de straf bedragen.
§ 2. Vijftien dagen voor het einde van de in § 1 bepaalde termijn, beslist de strafuitvoeringsrechter over de verlenging van deze strafuitvoeringsmodaliteit, hetzij, op verzoek van de veroordeelde, over de omzetting van de maatregel van beperkte detentie tot een maatregel van elektronisch toezicht.
De veroordeelde en het slachtoffer worden bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
Het dossier wordt gedurende ten minste twee dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De veroordeelde kan om een afschrift van het dossier verzoeken.
§ 3. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde, zijn raadsman en het openbaar ministerie.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
§ 4. De strafuitvoeringsrechter beslist binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
Artikel 46 is van toepassing.
§ 5. Na het verstrijken van de overeenkomstig §§ 1 en 2 bepaalde termijn wordt de veroordeelde in vrijheid gesteld en ondergaat hij een proeftijd voor het gedeelte van de vrijheidsstraf dat hij nog moet ondergaan. Hij is onderworpen aan de algemene voorwaarde dat hij geen nieuwe strafbare feiten mag plegen en, in voorkomend geval, aan de in artikel 41 bedoelde voorwaarde.
Onderafdeling III. - De beslissing tot niet-toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit
Art. 45. Indien de strafuitvoeringsrechter de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit niet toekent, bepaalt hij in zijn vonnis de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen of de datum waarop de directeur een nieuw advies moet uitbrengen.
Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis.
Onderafdeling IV. - De mededeling van de beslissing
Art. 46. § 1. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en, indien de veroordeelde gedetineerd is, van de directeur.
Het slachtoffer wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk op de hoogte gebracht van het vonnis en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
§ 2. Het vonnis tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/4 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
- aan het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, ingeval het een beslissing tot toekenning van een elektronisch toezicht betreft.


HOOFDSTUK II. - De vrijheidsstraffen van meer dan drie jaar

Afdeling I. - De voorwaarden
Art. 47. § 1. Met uitzondering van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering, kunnen de door Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten aan de veroordeelde worden toegekend voorzover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
1° de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde;
2° het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten;
3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;
4° de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn veroordeling hebben geleid.
§ 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering kan aan de veroordeelde worden toegekend voorzover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
1° de mogelijkheden voor de veroordeelde om een onderdak te hebben;
2° het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten;
3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;
4° de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partijen te vergoeden.
Art. 48. Behalve voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering dient het dossier van de veroordeelde een sociaal reclasseringsplan te bevatten waaruit de perspectieven op reclassering van de veroordeelde blijken.
 

Afdeling II. - De toekenningsprocedure
Art. 49. § 1. De beperkte detentie en het elektronisch toezicht worden door de strafuitvoeringsrechtbank toegekend op schriftelijk verzoek van de veroordeelde.
§ 2. Het verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis
De griffie van de gevangenis zendt het verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift ervan aan de directeur.
§ 3. De directeur brengt binnen twee maanden na de ontvangst van het afschrift van het verzoek een advies uit. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.
Art. 50. § 1. De voorwaardelijke invrijheidstelling en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering worden toegekend door de strafuitvoeringsrechtbank op advies van de directeur.
§ 2. De directeur brengt een advies uit ten vroegste vier maanden en ten laatste twee maanden voor de veroordeelde aan de bij de artikelen 25, § 2, en 26, § 2, bepaalde tijdsvoorwaarden voldoet. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.
Art. 51. Binnen een maand na de ontvangst van het advies van de directeur stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechtbank en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.
Art. 52. § 1. De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechtbank na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk twee maanden na de indiening van het schriftelijk verzoek of na de ontvangst van het advies van de directeur.
De veroordeelde, de directeur en het slachtoffer worden bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
§ 2. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier bekomen.
Art. 53. De strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd.
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
De artikelen 36 en 37 zijn van toepassing.
 

Afdeling III. - De beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank
Onderafdeling I. - Algemene bepaling
Art. 54. De strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
De strafuitvoeringsrechtbank kent de strafuitvoeringsmodaliteit toe wanneer zij vaststelt dat alle wettelijke vastgelegde voorwaarden zijn vervuld en indien de veroordeelde zich akkoord verklaart met de opgelegde voorwaarden.
Onderafdeling II. - De beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit
Art. 55. Het vonnis tot toekenning van de strafuitvoerings-modaliteit bepaalt dat de veroordeelde onderworpen is aan de volgende algemene voorwaarden :
1° geen strafbare feiten plegen;
2° behalve voor de beperkte detentie een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, ook aan de justitieassistent die met de begeleiding is belast;
3° gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, van de justitieassistent, die met de begeleiding is belast.
Art. 56. De strafuitvoeringsrechtbank kan de veroordeelde onderwerpen aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die de mogelijkheid bieden het sociaal reclasseringsplan uit te voeren of tegemoet te komen aan de in artikel 47, § 1, bedoelde tegenaanwijzingen, dan wel noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers.
De artikelen 41 tot 43 zijn van toepassing
Onderafdeling III. - De beslissing tot niet-toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit
Art. 57. Indien de strafuitvoeringsrechtbank de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen of de datum waarop de directeur een nieuw advies moet uitbrengen.
Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis indien de veroordeelde een of meer correctionele hoofdgevangenisstraffen ondergaat die samen niet meer dan vijf jaar bedragen. Deze termijn is maximaal een jaar in geval van criminele straffen of als het geheel van de correctionele hoofdgevangenisstraffen meer dan vijf jaar bedraagt.
 

Onderafdeling IV. - De mededeling van de beslissing
Art. 58. § 1. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en, indien de veroordeelde gedetineerd is, van de directeur.
Het slachtoffer wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk op de hoogte gebracht van het vonnis en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
§ 2. Het vonnis tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/4 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
- aan het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, ingeval het een beslissing tot toekenning van een elektronisch toezicht betreft.
HOOFDSTUK III. - Bepalingen die gemeen zijn aan de hoofdstukken I en II

Afdeling I. - Bijzondere maatregelen

Art. 59. Bij wijze van uitzondering kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, waarbij een procedure tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit aanhangig is, een andere uitvoeringsmodaliteit toekennen dan die welke gevraagd is, wanneer dit absoluut noodzakelijk is om op korte termijn de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen. Er kan aldus worden toegekend :
1° een uitgaansvergunning;
2° een penitentiair verlof;
3° een beperkte detentie;
4° een elektronisch toezicht.
Binnen twee maanden na de beslissing tot toekenning van de bijzondere uitvoeringsmodaliteit, doet de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank uitspraak over de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit. Deze termijn kan éénmaal worden verlengd.
 

Afdeling II. - De aanvang van de uitvoering van de strafuitvoeringsmodaliteit
Art. 60. Het vonnis tot toekenning van een bij Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit zoals bepaald bij Titel V wordt uitvoerbaar vanaf de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan en ten vroegste vanaf het ogenblik dat de veroordeelde aan de bij de artikelen 25 of 26 bepaalde tijdsvoorwaarden voldoet.
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de beslissingen tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering die uitvoerbaar worden op het ogenblik dat de overlevering plaatsvindt.
Afdeling III. - De wijziging van de beslissing
Art. 61. § 1. Indien zich, nadat de beslissing tot toekenning van een in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit is genomen maar voor de uitvoering ervan, een situatie voordoet die onverenigbaar is met de voorwaarden die in deze beslissing zijn bepaald, kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een nieuwe beslissing nemen, met inbegrip van de intrekking van de strafuitvoeringsmodaliteit die werd toegekend.
§ 2. Het openbaar ministerie dagvaardt de veroordeelde om binnen zeven dagen na de vaststelling van de onverenigbaarheid te verschijnen voor de strafuitvoeringsrechter of, in voorkomend geval, voor de strafuitvoeringsrechtbank. De dagvaarding schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing tot toekenning van de desbetreffende strafuitvoeringsmodaliteit.
De directeur en het slachtoffer worden bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
§ 3. Het dossier wordt gedurende ten minste twee dagen vóór de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier bekomen.
§ 4. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd.
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
Artikel 46 is van toepassing.
 

TITEL VII. - De opvolging en de controle van de in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten
Art. 62. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 20 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt is het openbaar ministerie belast met de controle op de veroordeelde.
§ 2. Ingeval er bijzondere voorwaarden zijn opgelegd of een elektronisch toezicht wordt toegekend, roept de justitieassistent, of in voorkomend geval het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, onmiddellijk na het uitvoerbaar worden van de beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit, de veroordeelde op om hem alle nuttige informatie voor een goed verloop van de strafuitvoeringsmodaliteit te bezorgen.
§ 3. Binnen een maand na de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit brengt de justitieassistent, of in voorkomend geval het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, verslag uit over de veroordeelde aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, en verder telkens hij het nuttig acht of wanneer de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank hem erom verzoekt, en ten minste om de zes maanden. De justitieassistent of het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht stelt, in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij of het nuttig acht.
De mededelingen tussen de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, de justitieassistenten en, in voorkomend geval, het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, gebeuren in de vorm van verslagen, die in afschrift aan het openbaar ministerie worden overgezonden
Wanneer de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kennis heeft van ernstige tekorten inzake de naleving van de voorwaarden die opgelegd zijn in verband met een van de in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten, wordt hierover een verslag gezonden aan het openbaar ministerie.
§ 4. Indien aan de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit de voorwaarde wordt gekoppeld om een begeleiding of een behandeling te volgen, nodigt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, na inzage van de tijdens de procedure alsmede, in voorkomend geval, tijdens de uitvoering van de vrijheidsstraf verrichte expertises, de veroordeelde uit om een bevoegde persoon of dienst te kiezen. Deze keuze wordt aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank ter goedkeuring voorgelegd.
Deze persoon of dienst die de opdracht aanneemt, brengt aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank alsook aan de justitieassistent, binnen een maand na de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit en telkens die persoon of dienst het nuttig acht, op verzoek van de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank en ten minste om de zes maanden, verslag uit over de opvolging van de begeleiding of de behandeling.
Het in het vorige lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten : de daadwerkelijke aanwezigheden van de betrokkene op de voorgestelde raadplegingen, zijn ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de betrokkene, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.
Art. 63. § 1. De veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur kunnen de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank verzoeken één of meer opgelegde voorwaarden te schorsen, nader te omschrijven of aan te passen aan de omstandigheden, zonder dat evenwel de opgelegde voorwaarden kunnen worden verscherpt of bijkomende voorwaarden kunnen worden opgelegd.
Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank, of op de griffie van de gevangenis indien de veroordeelde gedetineerd is.
De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank zendt onverwijld een afschrift van het schriftelijk verzoek over aan de andere partijen.
Indien het voorwaarden betreft die zijn opgelegd in het belang van het slachtoffer, wordt eveneens onverwijld een afschrift van het verzoek overgezonden aan het slachtoffer.
§ 2. Indien zij opmerkingen hebben, delen de veroordeelde, het openbaar ministerie, de directeur en, in voorkomend geval, het slachtoffer deze schriftelijk mee binnen zeven dagen na ontvangst van het afschrift aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank.
§ 3. Indien de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank het nuttig acht om te kunnen oordelen over de schorsing, nadere omschrijving of aanpassing van de opgelegde voorwaarden, overeenkomstig § 1, kan hij of zij op een zitting hieromtrent verdere informatie inwinnen. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het in § 1 bedoelde schriftelijk verzoek. De veroordeelde en zijn raadsman en het openbaar ministerie worden gehoord.
Indien het voorwaarden betreft die in zijn belang zijn opgelegd, kan het slachtoffer worden gehoord. Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 4. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het schriftelijk verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank. Het vonnis over de schorsing, nadere omschrijving of aanpassing van de opgelegde voorwaarden, overeenkomstig § 1, wordt bij een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de veroordeelde en het slachtoffer, indien het voorwaarden betreft die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd, en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
De wijzigingen worden eveneens meegedeeld aan de autoriteiten en instanties die overeenkomstig de artikelen 46, § 2, en 58, § 2, op de hoogte moeten worden gebracht.
 

TITEL VIII. - De herroeping, de schorsing en de herziening van de in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten

HOOFDSTUK I. - De herroeping
Art. 64. Het openbaar ministerie kan, met het oog op de herroeping van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteiten, de zaak bij de strafuitvoeringsrechter of, in voorkomend geval, bij de strafuitvoeringsrechtbank aanhangig maken in de volgende gevallen :
1° wanneer bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt vastgesteld dat de veroordeelde tijdens de proeftermijn een wanbedrijf of een misdaad heeft gepleegd;
2° wanneer de veroordeelde een ernstig gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van derden;
3° wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd;
4° wanneer de veroordeelde geen gevolg geeft aan de oproepingen van de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, van het openbaar ministerie of, in voorkomend geval, van de justitieassistent.
5° wanneer de veroordeelde zijn adreswijziging niet doorgeeft aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de justitieassistent die met de begeleiding is belast.
Art. 65. In geval van herroeping wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten.
In geval van herroeping overeenkomstig artikel 64, 1°, wordt de herroeping geacht in te zijn gegaan op de dag waarop die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd.

HOOFDSTUK II. - De schorsing
Art. 66. § 1. In de in artikel 64 bedoelde gevallen kan het openbaar ministerie, met het oog op het schorsen van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit, de zaak aanhangig maken bij de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank.
§ 2. In geval van schorsing wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten.
§ 3. Binnen een termijn van ten hoogste één maand, te rekenen van het vonnis tot schorsing, herroept de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit of heft hij of zij de schorsing van de strafuitvoeringsmodaliteit op. In dat laatste geval kan de strafuitvoeringsmodaliteit worden herzien overeenkomstig artikel 63. Indien binnen deze termijn geen beslissing is genomen, wordt de veroordeelde opnieuw in vrijheid gesteld onder dezelfde voorwaarden als voorheen.

HOOFDSTUK III. - De herziening
Art. 67. § 1. Ingeval de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, waarbij overeenkomstig de artikelen 64 of 66 de zaak aanhangig is gemaakt, van oordeel is dat de herroeping of de schorsing niet noodzakelijk is in het belang van de maatschappij, van het slachtoffer of van de sociale reïntegratie van de veroordeelde, kan hij of zij de strafuitvoeringsmodaliteit herzien. In dit geval kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank de opgelegde voorwaarden verscherpen of bijkomende voorwaarden opleggen. De strafuitvoeringsmodaliteit wordt evenwel herroepen, indien de veroordeelde niet instemt met de nieuwe voorwaarden.
§ 2. Indien de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen, bepaalt hij of zij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt.
 

HOOFDSTUK IV. - De procedure
Art. 68. § 1. Het openbaar ministerie kan, met het oog op een herroeping, schorsing of herziening van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteiteit, de zaak aanhangig maken bij de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank.
De veroordeelde wordt ten minste tien dagen voor de datum van de behandeling van het dossier per gerechtsbrief opgeroepen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 2. Het dossier wordt ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie van de gevangenis ingeval de veroordeelde gedetineerd is.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
§ 3. De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie.
Indien het de niet-naleving van de voorwaarden die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd betreft, wordt het slachtoffer hieromtrent gehoord.
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
§ 4. Binnen vijftien dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank over de herroeping, de schorsing of de herziening.
§ 5. Ingeval het een vonnis betreft tot herroeping van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht, bepaalt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank dat de periode die de veroordeelde in beperkte detentie was of onder elektronisch toezicht stond, wordt afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen.
Ingeval het een vonnis betreft tot herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling, bepaalt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank het gedeelte van de vrijheidsstraf dat de veroordeelde nog moet ondergaan rekening houdend met de periode van de proeftijd die goed is verlopen en met de inspanning die de veroordeelde heeft geleverd om de voorwaarden te respecteren die hem waren opgelegd.
§ 6. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk op de hoogte gebracht van de herroeping of de schorsing van de strafuitvoeringsmodaliteit of, in geval van herziening, van de in het belang van het slachtoffer gewijzigde voorwaarden.
§ 7. Het vonnis tot herroeping, schorsing of herziening wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/4 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
- aan het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht, ingeval de beslissing betrekking heeft op een elektronisch toezicht.


HOOFDSTUK V. - Diverse bepalingen
Art. 69. § 1. De verjaring van de straffen loopt niet wanneer de veroordeelde in vrijheid is krachtens een niet herroepen beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit zoals bedoeld in Titel V.
§ 2. De verjaring kan niet worden aangevoerd in het in artikel 64, 1°, bedoelde geval.


TITEL IX. - De voorlopige aanhouding
Art. 70. In de gevallen waarin overeenkomstig artikel 64 herroeping mogelijk is, kan de procureur des Konings van de rechtbank in het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen, onder verplichting de bevoegde strafuitvoeringsrechter of de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank daarvan onmiddellijk in kennis te stellen.
De bevoegde strafuitvoeringsrechter of de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen vijf dagen na de opsluiting van de veroordeelde over de schorsing van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, aan het openbaar ministerie en aan de directeur.
De beslissing tot schorsing is geldig voor de duur van één maand, overeenkomstig artikel 66, § 3.


TITEL X. - De definitieve invrijheidstelling
Art. 71. Indien tijdens de proeftijd geen enkele herroeping heeft plaatsgehad, wordt de veroordeelde definitief in vrijheid gesteld.
De proeftijd is gelijk aan de duur van de vrijheidsstraf die de veroordeelde nog moest ondergaan op de dag waarop de beslissing betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling uitvoerbaar is geworden. Die proeftijd kan evenwel niet korter zijn dan twee jaar.
De proeftijd is ten minste vijf jaar en ten hoogste tien jaar in geval van veroordeling tot een tijdelijke criminele straf of tot één of meer correctionele straffen die samen vijf jaar hoofdgevangenisstraf te boven gaan.
De proeftijd bedraagt tien jaar in geval van veroordeling tot een levenslange vrijheidsstraf.

TITEL XI. - De bijzondere bevoegdheden van de strafuitvoeringsrechter

HOOFDSTUK I
De voorlopige invrijheidstelling om medische redenen

Art. 72. De strafuitvoeringsrechter kan aan de veroordeelde bij wie is vastgesteld dat hij zich in de terminale fase van een ongeneeslijke ziekte bevindt of bij wie is vastgesteld dat zijn detentie onverenigbaar is met zijn gezondheidstoestand, een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen toekennen.
Art. 73. De strafuitvoeringsrechter kan een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen aan de veroordeelde toekennen, voorzover :
1° er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het risico dat hij tijdens de onderbreking van de strafuitvoering ernstige strafbare feiten zou plegen, op het feit dat hij geen woonst of opvang zou hebben of op het risico dat hij de slachtoffers zou lastig vallen;
2° de veroordeelde instemt met de voorwaarden die aan de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen worden verbonden, rekening houdend met de bepalingen van het 1°.
Art. 74. § 1. Een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen kan, op schriftelijk verzoek van de veroordeelde, door de strafuitvoeringsrechter worden toegekend na een met redenen omkleed advies van de directeur. Dit advies is vergezeld van dat van de behandelende geneesheer, van de leidende ambtenaar-geneesheer van de Penitentiaire Gezondheidsdienst en, in voorkomend geval, van de door de veroordeelde gekozen geneesheer.
§ 2. Het verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis.
De griffie van de gevangenis zendt het verzoek, samen met de in § 1 bedoelde adviezen, binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift ervan aan de directeur.
Het openbaar ministerie stelt onverwijld een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechter en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.
§ 3. Binnen zeven dagen na de indiening van het verzoek van de veroordeelde neemt de strafuitvoeringsrechter een beslissing. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk in kennis gesteld van de toekenning van een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen.
§ 4. Indien binnen de gestelde termijn geen beslissing genomen is, wordt het verzoek geacht te zijn afgewezen.
Art. 75. De strafuitvoeringsrechter verbindt aan de beslissing tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. In voorkomend geval bepaalt hij ook bijzondere voorwaarden rekening houdend met de bepalingen van artikel 73.
Art. 76. Onverminderd artikel 77 kan de strafuitvoeringsrechter beslissen de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen te herroepen :
1° wanneer bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt vastgesteld dat de veroordeelde tijdens de in artikel 80 bedoelde termijn een wanbedrijf of een misdaad heeft gepleegd;
2° wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd;
3° wanneer de medische redenen waarom een voorlopige invrijheidstelling werd toegestaan, niet meer aanwezig zijn. De strafuitvoeringsrechter kan hiertoe op elk ogenblik van de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen aan een wetsgeneesheer de opdracht geven een medische expertise uit te voeren.
Art. 77. In geval van herroeping wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten.
In geval van herroeping overeenkomstig artikel 76, 1°, wordt de herroeping geacht in te zijn gegaan op de dag waarop die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd.
Art. 78. § 1. Het openbaar ministerie kan, met het oog op een herroeping van de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen in de in artikel 76, 1° tot 3°, bedoelde gevallen, de zaak bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig maken.
De veroordeelde wordt ten minste tien dagen voor de datum van de behandeling van het dossier per gerechtsbrief opgeroepen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 2. Het dossier wordt ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, ingeval de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
§ 3. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie.
De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
§ 4. Binnen vijftien dagen na de debatten beraadslaagt de strafuitvoeringsrechter over de herroeping.
§ 5. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk in kennis gesteld van de herroeping.
§ 6. Het vonnis tot herroeping wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/4 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft.
Art. 79. § 1. Ingeval de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt, kan de procureur des Konings van de rechtbank in het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de strafuitvoeringsrechter.
§ 2. De strafuitvoeringsrechter neemt een beslissing over de voortzetting van de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen binnen de zeven werkdagen die volgen op de opsluiting van de veroordeelde.
De veroordeelde wordt via het snelst mogelijke communicatiemiddel opgeroepen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 3. Het dossier wordt ten minste twee dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, ingeval de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
§ 4. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie.
De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
Artikel 78, § 5, is van toepassing.
Art. 80. Indien er geen herroeping van de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen heeft plaatsgevonden, wordt de veroordeelde definitief in vrijheid gesteld na het verstrijken van het op het ogenblik van de voorlopige invrijheidstelling nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen. In geval van een veroordeling tot een levenslange vrijheidsstraf wordt het op het ogenblik van de voorlopige invrijheidstelling nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraf geacht tien jaar te zijn.
 

HOOFDSTUK II. - De samenloop van misdrijven
Art. 81. De strafuitvoeringsrechter kan, indien een in kracht van gewijsde gegaan veroordelend vonnis of arrest geen rekening heeft gehouden met een bestaande situatie van samenloop, de strafmaat herberekenen met toepassing van de artikelen 58 tot 64 van het Strafwetboek.
Art. 82. De zaak wordt bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig gemaakt bij schriftelijk verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie.
Het verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, ingeval de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis.
De griffie van de gevangenis zendt het verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
Art. 83. § 1. De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechter na het indienen van de vordering van het openbaar ministerie of het indienen van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde.
De veroordeelde wordt bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
§ 2. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De veroordeelde kan tevens, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier bekomen.
Art. 84. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie.
De zitting is openbaar, behalve indien de veroordeelde gedetineerd is.
Art. 85. De strafuitvoeringsrechter beslist binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
Art. 86. De beslissing wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en, indien de veroordeelde gedetineerd is, van de directeur.


HOOFDSTUK III. - De vervanging van de door de strafrechter uitgesproken vrijheidsstraf door een werkstraf
Art. 87. § 1. De strafuitvoeringsrechter kan beslissen een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot een vrijheidsstraf waarvan het uitvoerbaar gedeelte één jaar of minder bedraagt te vervangen door een werkstraf ingeval er nieuwe elementen zijn die de sociale, familiale of professionele situatie van de veroordeelde in belangrijke mate hebben gewijzigd sedert het ogenblik waarop de vrijheidsstraf werd uitgesproken.
§ 2. De bepalingen van dit Hoofdstuk zijn niet van toepassing op veroordelingen op grond van de artikelen :
- 374bis van het Strafwetboek;
- 375 tot 377 van het Strafwetboek;
- 379 tot 387 van het Strafwetboek, indien de feiten zijn gepleegd op of met behulp van minderjarigen;
- 393 tot 397 van het Strafwetboek;
- 475 van het Strafwetboek.
Art. 88. § 1. Over de vervanging van de vrijheidsstraf door een werkstraf wordt door de strafuitvoeringsrechter beslist op verzoek van de veroordeelde.
§ 2. Het verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie van de gevangenis ingeval de veroordeelde gedetineerd is.
De griffie van de gevangenis zendt het verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift ervan aan de directeur.
§ 3. Binnen een maand na de ontvangst van het verzoek door de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechter en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde.
§ 4. Het openbaar ministerie kan de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag of een maatschappelijke enquête uit te voeren. De inhoud van dit beknopt voorlichtingsverslag en deze maatschappelijke enquête wordt door de Koning bepaald.
Art. 89. § 1. De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechter na het verzenden van het advies van het openbaar ministerie en ten laatste twee maanden na de indiening van het verzoek.
De veroordeelde, het slachtoffer en de directeur ingeval de veroordeelde gedetineerd is, worden bij gerechtsbrief in kennis gesteld van de dag, het uur en de plaats van de zitting.
§ 2. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, indien de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
De veroordeelde kan tevens, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
Art. 90. § 1. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur ingeval de veroordeelde gedetineerd is.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd.
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
§ 2. De strafuitvoeringsrechter kan tevens de Dienst Justitiehuizen van de federale overheidsdienst Justitie de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren.
Art. 91. De zitting is openbaar, behalve indien de veroordeelde gedetineerd is.
Art. 92. De strafuitvoeringsrechter kan de behandeling van de zaak éénmaal uitstellen tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden later mag plaatsvinden.
Art. 93. De strafuitvoeringsrechter beslist binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
Art. 94. § 1. De strafuitvoeringsrechter bepaalt de duur van de werkstraf, binnen de grenzen van de aard van het misdrijf waarvoor de veroordeelde werd veroordeeld.
De duur bedraagt minstens vijfenveertig uren en ten hoogste driehonderd uren.
Ingeval de veroordeelde gedetineerd is, houdt de strafuitvoeringsrechter rekening met het gedeelte van de vrijheidsstraf dat reeds is ondergaan.
§ 2. De strafuitvoeringsrechter bepaalt dat de door de strafrechter uitgesproken vrijheidsstraf ten uitvoer zal worden gelegd ingeval de werkstraf niet wordt uitgevoerd. Er wordt rekening gehouden met de werkstraf die reeds door de veroordeelde werd uitgevoerd.
§ 3. De strafuitvoeringsrechter kan aanwijzingen geven omtrent de concrete invulling van de werkstraf.
§ 4. De artikelen 37ter, § 2, tweede lid, 37quater en 37 quinquies van het Strafwetboek zijn van toepassing.
Art. 95. De beslissing wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie.
Het slachtoffer wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk op de hoogte gebracht van de beslissing.
 

TITEL XII. - Het cassatieberoep

Art. 96. Tegen de beslissingen van de strafuitvoeringsrechter en van de strafuitvoeringsrechtbank met betrekking tot de toekenning, de afwijzing of met betrekking tot de herroeping van de in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten en tot de herziening van de bijzondere voorwaarden, evenals de overeenkomstig Titel XI genomen beslissingen, staat cassatieberoep open voor het openbaar ministerie en de veroordeelde.
Art. 97. § 1. (inmiddels aangepast aan de wet van 6 februari 2009)Het openbaar ministerie stelt het cassatieberoep in binnen een termijn van vierentwintig uur, te rekenen van de uitspraak van het vonnis
De veroordeelde stelt het cassatieberoep in binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen van de uitspraak van het vonnis. De verklaring van cassatieberoep moet door een advocaat worden ondertekend. De cassatiemiddelen worden voorgesteld in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen ten laatste op de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep.
§ 2. Het dossier wordt door de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank toegezonden aan de griffie van het Hof van Cassatie binnen achtenveertig uur, te rekenen van het instellen van het cassatieberoep.
§ 3. Het cassatieberoep tegen een beslissing die een in Titel V of Titel XI bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit toekent, heeft schorsende kracht.
Het Hof van Cassatie doet uitspraak binnen dertig dagen, te rekenen van het instellen van het cassatieberoep, met dien verstande dat de veroordeelde inmiddels opgesloten blijft.
Art. 98. Na een cassatiearrest met verwijzing, doet een andere strafuitvoeringsrechter of een anders samengestelde strafuitvoeringsrechtbank uitspraak binnen veertien dagen, te rekenen van de uitspraak van dit arrest, met dien verstande dat de veroordeelde inmiddels opgesloten blijft.
TITEL XIII
Wijzigings-, opheffings- en overgangsbepalingen


HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen

Afdeling 1. - Wijziging van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering
Art. 99. In artikel 3bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, gewijzigd bij de wetten van 12 maart 1998 en 7 mei 1999, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
« Slachtoffers ontvangen met name de nuttige informatie over de nadere regels voor de burgerlijke partijstelling en de verklaring van benadeelde persoon. ».
Afdeling 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
Art. 100. Artikel 182 van het Wetboek van strafvordering, gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1967, 11 juli 1994 en 28 maart 2000, wordt aangevuld met het volgende lid :
« De procureur des Konings deelt de plaats, de dag en het uur van verschijning met alle passende middelen aan de gekende slachtoffers mee. ».
Art. 101. Artikel 195 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 april 1987 en gewijzigd bij de wetten van 24 december 1993, 22 juni en 20 juli 2005, wordt aangevuld met de volgende leden :
« Als de rechter een effectieve vrijheidsstraf uitspreekt, licht hij de partijen in over de uitvoering van deze vrijheidsstraf en over de mogelijke strafuitvoeringsmodaliteiten.
Hij licht eveneens de burgerlijke partij in over de mogelijkheden om in het kader van de strafuitvoering te worden gehoord over de voorwaarden die in het belang van de burgerlijke partij moeten worden opgelegd. ».
Art. 102. Artikel 216quater, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 juli 1994 en gewijzigd bij de wet van 13 april 2005, wordt aangevuld met het volgende lid :
« De procureur des Konings deelt de plaats, de dag en het uur van verschijning met alle passende middelen aan de gekende slachtoffers mee. ».
Afdeling 3. - Wijziging van het Strafwetboek
Art. 103. In artikel 37ter, § 1, tweede lid, derde gedachtestreepje, van het Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 17 april 2002, wordt het cijfer « 386ter » vervangen door het cijfer « 387 ».
Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen
Art. 104. In artikel 16 van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, ingevoegd bij de wet van 26 mei 2005, worden in de eerste en de vierde zin de woorden « de commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling » vervangen door de woorden « de strafuitvoeringsrechter of, in voorkomend geval, de strafuitvoeringsrechtbank ».
Afdeling 5. - Wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt
Art. 105. In artikel 20 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, gewijzigd bij de wetten van 5 maart 1998 en 7 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, worden de woorden « voorwaardelijk in vrijheid gestelde veroordeelden » vervangen door de woorden « veroordeelden die een strafuitvoeringsmodaliteit van de vrijheidsstraf genieten »;
2° in het tweede lid, worden de woorden « voorwaardelijk invrijheidgestelde veroordeelden » vervangen door de woorden « veroordeelden die een strafuitvoeringsmodaliteit van de vrijheidsstraf genieten, ».
 

HOOFDSTUK II. - Opheffingsbepalingen
Art. 106. De wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, gewijzigd bij de wetten van 7 mei 1999, 28 november 2000, 22 november 2004 en 12 januari 2005, wordt opgeheven.
 

HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen
Art. 107. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 108, §§ 1 en 2, zijn de bepalingen van deze wet van toepassing op alle lopende zaken.
Art. 108. § 1. Bij de inwerkingtreding van deze wet worden de zaken die bij de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling aanhangig zijn ambtshalve en zonder kosten ingeschreven op de algemene rol van de strafuitvoeringsrechtbanken.
De opgeheven commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling blijven evenwel in werking voor de zaken waarvoor de debatten aan gang zijn, of die in beraad zijn, tenzij de commissie niet kan samengesteld blijven, in welk geval er wordt gehandeld voor het nieuwe gerecht, zoals hiervoor is gezegd.
§ 2. Alle slachtoffers die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet reeds betrokken zijn bij de procedure inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling onder de voorwaarden die bepaald worden in de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, blijven daarbij betrokken volgens het bepaalde in die wet.
§ 3. Indien de beslissing van een opgeheven commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling vernietigd wordt door de Hof van Cassatie en er aanleiding tot verwijzing bestaat, wordt de zaak naar het bevoegde nieuwe gerecht verwezen.
§ 4. De dossiers worden aan de griffier van de strafuitvoeringsrechtbank toegezonden door de secretaris van de opgeheven commissies.
§ 5. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder de archieven van de opgeheven commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling worden toevertrouwd aan de gerechten die hij aanwijst, en die daarvan uitgiften, afschriften en uittreksels kunnen afleveren.


TITEL XIV. - Inwerkingtreding
Art. 109. Met uitzondering van dit artikel, dat in werking treedt de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, treedt elk artikel van deze wet in werking op de door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op de eerste dag van de vierentwintigste maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 17 mei 2006.

strafuitvoeringsrechtbanken

Noot: Schending van subjectieve rechten van gevangenen en gedetineerden. Tot wie zich wenden bij hoogdringendheid?

De Kortgedingrechter is bevoegd om kennis te nemen van een verzoek van de gedetineerde indien deze zich beroept op de schending van een subjectief recht en indien spoedeisendheid wordt aangetoond. Zie C. Idomon, Bevoegdheid van de kortgedingrechter en van andere instanties inzake betwistingen omtrent de voorwaarwarden van detentie en internering, R.W., 2006-2007, 42; Hof van Beroep Gent 1° kamer, 26 mei 2005, R.W. 2006-2007, 63.


 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: za, 05/08/2017 - 13:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.