-A +A

Wet betreffende de bescherming en het welzijn der dieren

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

HOOFDSTUK I. - Doel - Begripsbepalingen.
Artikel 1. Niemand mag wetens handelingen plegen die niet door deze wet zijn voorzien en die tot doel hebben dat een dier nutteloos omkomt of nutteloos een verminking, een letsel of pijn ondergaat.
Art. 2. (opgeheven) <W 1995-05-04/40, art. 1, 004; ED : 01-09-1995>
Art. 3. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
1. (Hondenkwekerij : instelling waarin teven voor de kweek worden gehouden, waar jaarlijks ten minste drie nesten geboren worden en waar alleen in deze instelling gekweekte honden worden verhandeld;) <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
2. (Kattenkwekerij : instelling waarin kattinnen voor de kweek worden gehouden, waar jaarlijks ten minste drie nesten geboren worden waar allen in deze instelling gekweekte katten worden verhandeld;) <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
3. Dierenasiel: al dan niet openbare instelling die beschikt over de gepaste inrichting om onderdak en nodige zorgen te verschaffen aan verloren, (achtergelaten, verwaarloosde, in beslag genomen of verbeurdverklaarde dieren); <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
4. Dierenpensioen: instelling waar gedurende beperkte tijd en tegen vergoeding, onderdak en nodige zorgen aan door hun eigenaar (toevertrouwde honden en katten) worden verleend; <W 2004-07-09/30, art. 218, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
5. Handelszaak voor dieren: instelling, met uitzondering van het landbouwbedrijf, al dan niet toegankelijk voor het publiek, waar dieren worden gehouden met het doel ze te verhandelen;
6. Markt: officieel erkende plaats waar verzamelingen van dieren worden gehouden met het doel die te verhandelen;
7. Tentoonstelling: verzameling van dieren gehouden met het doel de eigenschappen der dieren te laten beoordelen en vergelijken of ze ten edukatieve titel voor te stellen en waarvan het hoofddoel niet van handelsaard is;
8. (verhandelen : in de handel brengen; te koop aanbieden; houden, verwerven, vervoeren, tentoonstellen met het oog op verkoop; ruilen; verkopen; ten kosteloze of bezwarende titel afstaan;) <W 2004-07-09/30, art. 218, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
9. (dierentuin : elke voor het publiek toegankelijke inrichting waar levende dieren van niet gedomesticeerde soorten worden gehouden om te worden tentoongesteld, met inbegrip van dierenparken, safariparken, dolfinaria, aquaria en gespecialiseerde verzamelingen, evenwel met uitzondering van circussen, rondreizende tentoonstellingen en handelszaken voor dieren of andere inrichtingen aangeduid door de Koning en voor diegene waar de Koning voorwaarden kan vaststellen voor het houden en verzorgen van de dieren;) <W 2004-07-09/30, art. 218, 007; ED : 25-07-2004>
10. (opgeheven) <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
11. (opgeheven) <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
12. (opgeheven) <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
13. Doden: elke handeling waarbij opzettelijk een einde wordt gemaakt aan het leven van een dier;
14. Slachten: het doden van een landbouwhuisdier met het oog op het verbruik;
15. (Proefdier : ieder levend gewerveld dier, met inbegrip van vrij levende en/of zich voortplantende larvale vormen, met uitsluiting van andere foetale of embryonale vormen, dat wordt gebruikt in proeven, of voor proefdoeleinden is bestemd.
15.2. Dierproef : ieder gebruik van een dier voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden waardoor pijn, lijden, ongemak of blijvend letsel aan het dier kan worden berokkend, met inbegrip van iedere behandeling waarvan het doel of het mogelijke gevolg de geboorte van het dier in een dergelijke toestand is, maar met uitzondering van de minst pijnlijke, in de moderne praktijk aanvaarde methoden voor het doden of merken van een dier (de zogenoemde "humane methoden").
Een proef begint bij de eerste voorbereiding van een dier voor het gebruik en eindigt wanneer geen verdere waarnemingen voor die proef worden gedaan. De uitschakeling van pijn, lijden, ongemak of blijvend letsel door de efficiënte toepassing van algehele of plaatselijke verdoving, of van een andere methode heeft niet tot gevolg dat het gebruik van een dier in dat geval buiten deze omschrijving valt.
Niet-experimentele behandelingen in de landbouwkundige bedrijfsvoering en in de uitoefening van de diergeneeskundige praktijk vallen niet onder deze bepaling.) <W 1995-05-04/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
16. Laboratorium: instelling of plaats waar dierproeven worden verricht;
17. Laboratoriumdirekteur: ieder persoon die een laboratorium leidt;
18. Proefleider: ieder persoon die de leiding heeft over een dierproef.
HOOFDSTUK II. - Houden van dieren.
Art. 3bis. <ingevoegd bij W 1995-05-04/40, art. 3, 004; Inwerkingtreding : onbepaald> § 1. Het is verboden dieren te houden die niet behoren tot de soorten of categorieën vermeld op een door de Koning vastgestelde lijst. Deze lijst doet geen afbreuk aan de wetgeving betreffende de bescherming van bedreigde diersoorten.
§ 2. In afwijking van § 1 mogen dieren van andere soorten of categorieën dan die aangewezen door de Koning worden gehouden :
1° in dierentuinen;
2° door laboratoria;
3° a) door particulieren, op voorwaarde dat zij bewijzen kunnen voorleggen dat de dieren werden gehouden voor de inwerkingtreding van het in dit artikel bedoelde besluit. Dit bewijs moet niet worden voorgelegd voor de nakomelingen van deze dieren, op voorwaarde dat ze zich bij de eerste eigenaar bevinden;
b) door particulieren erkend door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn), op advies van het in artikel 5, § 2, tweede lid, bedoelde comité van deskundigen. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
De Koning bepaalt de procedure voor de toepassing van het bepaalde in a) en b). Hij kan bovendien bijzondere voorwaarden vaststellen voor het houden en het identificeren van de bedoelde dieren;
4° door dierenartsen, voor zover het dieren van derden betreft die tijdelijk gehouden worden voor diergeneeskundige verzorging;
5° door dierenasielen, voor zover het een (...) verblijf betreft van dieren die in beslag zijn genomen, waarvan afstand werd gedaan of die aangetroffen werden zonder dat vastgesteld kon worden wie de houder ervan is; <W 2004-07-09/30, art. 219, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
6° door handelszaken voor dieren, voor zover zij de dieren gedurende korte tijd houden en voor zover vooraf een schriftelijke overeenkomst met natuurlijke personen of rechtspersonen bedoeld in de punten 1°, 2°, 3° b) en 7 °, werd gesloten;
7° in circussen of in rondreizende tentoonstellingen.
§ 3. Onverminderd de afwijkingen voorzien in § 2, kan de Koning het houden van door hem aangewezen dieren van andere soorten of categorieën verbieden aan sommige van de in § 2 opgesomde natuurlijke personen of rechtspersonen.
Art. 4. § 1. Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de nodige maatregelen nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domestikatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen.
§ 2. Niemand mag de bewegingsvrijheid van het dier dat hij houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, zodanig beperken dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels is blootgesteld.
Wanneer een dier gewoonlijk of voortdurend wordt vastgemaakt of opgesloten, moet het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften.
§ 3. De verlichting, de temperatuur, de vochtigheidsgraad, de verluchting, de luchtcirculatie en de overige milieuvoorwaarden van het verblijf der dieren moeten overeenstemmen met de fysiologische en ethologische behoeften van de soort.
§ 4. Ter uitvoering van §§ 2 en 3, en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk VIII kan de Koning voor de verschillende soorten en categorieën van dieren nadere regelen stellen.
§ 5. De in artikel 33 bedoelde overheidspersonen zijn gemachtigd de nodige maatregelen te treffen of op te leggen om de verplichtingen voortvloeiend uit de § § 1, 2, 3 en 4 onverwijld te doen naleven.
Art. 5. § 1. (Onverminderd de wetgeving op de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven is voor de uitbating van hondenkwekerijen, kattenkwekerijen, dierenasielen, dierenpensions, handelszaken voor dieren, markten en dierentuinen een erkenning vereist van (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) ofwel van de overheden die de Koning aanwijst) <W 1995-05-04/40, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
§ 2. De Koning stelt, afhankelijk van de aard van de inrichting, van de gehouden diersoorten en van het aantal gehouden dieren, de voorwaarden vast van de erkenning van de in § 1 bedoelde inrichtingen, met betrekking tot hun aanleg en uitrusting, de hygiëne, veiligheid en identificatie der dieren, evenals de diergeneeskundige controle en begeleiding.
De Koning kan voor de erkenning van (dierentuinen) die voorwaarden vaststellen op advies van een door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) opgericht comité van deskundigen. <W 1995-05-04/40, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
(De Koning kan bekwaamheidsvoorwaarden opleggen voor personen die dieren houden en verzorgen in de in § 1 vermelde instellingen.) <W 1995-05-04/40, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
§ 3. Voor alle erkenningen wordt door (de Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu), al dan niet door deskundigen bijgestaan, (of naar gelang van het geval, het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen,) op kosten van de verzoekers vooraf een onderzoek ingesteld. <KB 2001-02-22/33, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <W 2003-12-22/42, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
((De Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu) stelt, al dan niet bijgestaan door deskundigen, (of naar gelang van het geval, het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen,) voor elke erkenning vooraf een onderzoek in. De kosten voortvloeiend uit de erkenning zijn, dierenasielen uitgezonderd, ten laste van de verzoekers. De Koning stelt de bedragen van deze kosten vast.) <W 1995-05-04/40, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <KB 2001-02-22/33, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <W 2003-12-22/42, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
§ 4. (Wanneer een van de in artikel 42 bedoelde maatregelen wordt genomen in een in § 1 bedoelde inrichting, brengt de Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu daar onverwijld verslag over uit aan de minister die bevoegd is voor het <welzijn> <der> <dieren>. Dat verslag hoeft niet te worden opgemaakt als de Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu besluit tot de teruggave tegen waarborgsom.
De Minister kan de erkenning van de inrichting intrekken. Dat brengt voor de eigenaar of de houder die de betrokken inrichting beheert en er een direct toezicht uitoefent op de dieren, gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd of definitief het verbod met zich om een nieuwe erkenning aan te vragen. Bovendien mag deze laatste gedurende de betrokken periode geen inrichting bedoeld in artikel 5, § 1, beheren noch er een direct toezicht uitoefenen op de dieren.) <Hersteld bij W 2004-06-23/44, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 13-11-2004>
Art. 6. (§ 1.) De Koning kan, al naargelang van de categorieën en soorten der tentoongestelde dieren, maatregelen voorschrijven om hun welzijn tijdens tentoonstellingen te verzekeren. <W 1995-05-04/40, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
(§ 2. De Koning kan maatregelen voorschrijven tot het waarborgen van het welzijn van dieren die tot vermaak van het publiek worden gebruikt in circussen, rondreizende tentoonstellingen, op kermissen, wedstrijden en bij andere gelegenheden. Hij kan bovendien bekwaamheidsvoorwaarden opleggen voor de personen die de bedoelde dieren houden en verzorgen.
§ 3. Hij kan de wijze bepalen waarop de organisatoren van wedstrijden en hun aangestelden alsmede de personen aangewezen door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn), met de door Hem aangewezen overheidspersonen samenwerken om de controle van deze wedstrijden, in het bijzonder de maatregelen bedoeld in § 2 en op het gebruik van de stoffen bedoeld in artikel 36, 2°, te organiseren.) <W 1995-05-04/40, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; ED : 10-01-2004>
Art. 7. <W 2003-12-22/42, art. 226, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004> De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, maatregelen treffen voor het identificeren en registreren van honden en katten evenals voor het vermijden van overbevolking bij deze diersoorten. Hij bepaalt het tarief van de retributies voor de identificatie en registratie van honden en katten, die ten laste komen van de eigenaar of verantwoordelijke van het dier.
Art. 8. (opgeheven) <W 1995-05-04/40, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
Art. 9. § 1. Ieder persoon die een zwervend, verloren of achtergelaten dier opvangt, is verplicht dit binnen de vier dagen toe te vertrouwen aan het gemeentebestuur van de plaats waar hij het dier heeft opgevangen of dat van zijn woonplaats.
Het gemeentebestuur vertrouwt het dier zonder verwijl en naargelang van het geval, toe aan een persoon die het een behoorlijke verzorging en huisvesting verzekert, aan een dierenasiel (of dierentuin). <W 1995-05-04/40, art. 8, 004; ED : 01-09-1995>
Het gemeentebestuur kan een dierenasiel aanwijzen, waaraan de dieren rechtstreeks kunnen worden toevertrouwd door hen die ze hebben opgevangen. Aan de in het eerste lid gestelde verplichting is voldaan wanneer het dier aan een door het gemeentebestuur aangewezen dierenasiel wordt toevertrouwd. Dat asiel stelt onmiddellijk het gemeentebestuur in kennis van de ontvangst van het dier.
§ 2. Het dier toevertrouwd aan een dierenasiel (of dierentuin) moet ten minste vijftien dagen na de besteding ter beschikking van de eigenaar worden gehouden. <W 1995-05-04/40, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
Indien het dier door het gemeentebestuur of door het asiel toevertrouwd of afgestaan wordt aan een persoon, moet deze er zich toe verbinden het ten minste vijfenveertig dagen, te rekenen vanaf het ogenblik dat het aan het gemeentebestuur werd toevertrouwd, ter beschikking te houden van zijn vroegere eigenaar.
Na het verstrijken van die termijnen wordt de houder er van rechtswege eigenaar van.
(De eigenaar van een zwervend, verloren of achtergelaten dier is vergoeding verschuldigd voor de opname, de verzorgings- en de hoedekosten ongeacht of de eigenaar het dier al of niet terugeist. De kosten worden teruggevorderd door het dierenasiel bedoeld in artikel 9, § 1, derde lid. Als het dier door de gemeente geplaatst werd bij een persoon, in een dierentuin of een ander asiel dan dat of die bedoeld in artikel 9, § 1, derde lid, dan zullen de kosten voor hun rekening worden teruggevorderd door het gemeentebestuur.) <W 1995-05-04/40, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
§ 3. (De in § 2 gestelde termijnen moeten niet in acht worden genomen wanneer een dierenarts oordeelt dat het dier moet worden gedood. In dit geval moeten de identificatiegegevens van het dier, aangevuld met de redenen van euthanasie bijgehouden worden ten behoeve van de vroegere eigenaar van het dier.) <W 1995-05-04/40, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
§ 4. Wanneer het dier niet besteed kan worden in de zin van § 1, 2e lid, kan de burgemeester beslissen het te laten doden overeenkomstig de richtlijnen van (de Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu), onder dezelfde voorwaarden als bepaald in § 3. <W 2003-12-22/42, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
Als het echter een slachtdier betreft, wordt er door de zorg van de Administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, der Registratie en Domeinen overgegaan tot de veiling ervan op de naastgelegen markt.
De opbrengst van de verkoop wordt, na aftrek van de kosten van het gemeentebestuur en van de verkoop door datzelfde Bestuur begroot, in de Deposito- en Consignatiekas gestort.
§ 5. De eigenaar van het dier kan heen recht op vergoeding laten gelden.
HOOFDSTUK III. - Handel in dieren.
Art. 10. <W 1995-05-04/40, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> De Koning kan voorwaarden opleggen aan de verhandeling van dieren met het doel hen te beschermen en hun welzijn te verzekeren.
Deze voorwaarden mogen slechts betrekking hebben op de leeftijd van de te koop aangeboden dieren, de identificatie, de informatie aan de koper, de waarborgen aan de koper en de getuigschriften in verband hiermede, de preventieve behandeling tegen ziekten, de verpakking, de aanbieding en de tentoonstelling voor de verhandeling.
Art. 11. Het is verboden dieren af te staan onder kosteloze of bezwarende titel aan personen minder dan 16 jaar zonder de uitdrukkelijke toelating van de personen die over hen het ouderlijke gezag of de voogdij uitoefenen.
Art. 11bis. <ingevoegd bij W 1995-05-04/40, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> Het is verboden reclame te maken, daarin begrepen het plaatsen van advertenties, met het oog op het verhandelen van diersoorten die niet voorkomen in de lijst aangelegd in toepassing van artikel 3bis, § 1.
De verbodsbepaling van het eerste lid betreft eveneens honden en katten, tenzij het gaat om advertenties in vaktijdschriften of wanneer de reclame wordt gemaakt door personen die een erkende instelling bezitten als bedoeld in artikel 5.
Art. 12. <W 1995-05-04/40, art. 11, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1996> Het is verboden honden en katten te verhandelen op de openbare weg alsmede op markten, beurzen, salons, tentoonstellingen en bij soortgelijke gelegenheden evenals bij de koper thuis, tenzij in dit laatste geval het initiatief van de koper zelf uitgaat.
De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit het in het eerste lid ingestelde verbod uitbreiden tot andere soorten of categorieën van dieren. Hij kan evenwel ontheffing van dit laatste verbod verlenen voor het verhandelen op markten door personen die een erkende handelszaak voor dieren exploiteren.
HOOFDSTUK IV. - Vervoer van dieren.
Art. 13. § 1. De Koning kan, al naargelang van de soorten of groepen van dieren, hun fysieke toestand, de aard van de vervoermiddelen en de verpakkingen, de aard, de duur en de omstandigheden van het vervoer, voorwaarden stellen met betrekking tot:
1. de vervoermiddelen of delen ervan en de verpakkingen;
2. (...) het laden en de berging van dieren in vervoermiddelen en verpakkingen, evenals het lossen van dieren; <W 1995-05-04/40, art. 12, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
3. de begeleiding en de verzorging van de dieren tijdens het vervoer.
(4. het vervoer, daarin begrepen de duur, de afstand en de omstandigheden;
5. De documenten die moeten worden bijgehouden.) <W 1995-05-04/40, art. 12, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
§ 2. De Koning kan (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) of zijn gemachtigde machtigen om in bijzondere gevallen ontheffingen of vrijstellingen te verlenen, en om aan die ontheffingen of vrijstellingen verplichtingen of beperkingen te verbinden. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
HOOFDSTUK V. - Invoer. - Doorvoer.
Art. 14. § 1. In het raam van de bescherming en het <welzijn> <der> <dieren> kan de Koning de voorwaarden voor de in- en doorvoer van dieren bepalen inzonderheid betreffende de diersoorten, hun aantal, de afleveringsvoorwaarden van de vergunningen en de kontrole aan de grenzen, de maatregelen te treffen op het ogenblik van de aankomst met het oog op de afhaling, verzorging en tijdelijke onderbrenging gelet op de fyzieke toestand van de dieren, evenals de vergoedingen hiervoor verschuldigd door de door hem aangewezen personen.
§ 2. In toepassing van internationale verdragen of in bijzondere gevallen kan de Koning (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) machtigen al naargelang van het geval samen met de Minister van Economische Zaken of de Minister van Financiën, of hun gemachtigden, afwijkingen of ontheffingen te verlenen en aan die afwijkingen of ontheffingen verplichtingen of beperkingen te verbinden. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
HOOFDSTUK VI. - Doden van dieren.
Art. 15. Een gewerveld dier mag slechts worden gedood door een persoon die daarvoor de nodige kennis en bekwaamheid heeft en volgens de minst pijnlijke methode. Tenzij in geval van heirkracht en noodzaak mag het enkel ter dood gebracht worden onder verdoving of bedwelming.
Is het doden van een gewerveld dier zonder verdoving of bedwelming volgens de gebruiken van de jacht of de visvangst of op grond van andere rechtsvoorschriften toegelaten, of gebeurt dit in het kader van de wetgeving ter bestrijding van schadelijke organismen, dan mag het doden enkel verricht worden volgens de meest selectieve, de snelste en de voor het dier minst pijnlijke methode.
Art. 16. § 1. Het slachten mag slechts na bedwelming van het dier of, in geval van heirkracht, volgens de minst pijnlijke methode plaatshebben.
(De bepalingen van hoofdstuk VI van deze wet, artikel 16, § 2, tweede lid, uitgezonderd, zijn evenwel niet van toepassing op slachtingen voorgeschreven door de ritus van een eredienst.) <W 1995-05-04/40, art. 13, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
§ 2. De Koning kan de methoden van slachten en bedwelmen bepalen volgens de omstandigheden van het slachten en de diersoort.
(De Koning kan bepalen dat sommige slachtingen voorgeschreven door de ritus van een eredienst moeten worden uitgevoerd in erkende slachthuizen of in inrichtingen erkend (door de Minister tot wiens bevoegdheid het dierenwelzijn behoort na advies van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen), door offeraars die daartoe zijn gemachtigd door de vertegenwoordigers van de eredienst.) <W 1995-05-04/40, art. 13, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <KB 2001-02-22/33, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
HOOFDSTUK VII. - Ingrepen op dieren.
Art. 17. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de in hoofdstuk VIII bedoelde dierproeven.
Art. 17bis. <ingevoegd bij W 1995-05-04/40, art. 14, 004; Inwerkingtreding : 01-10-2001> § 1. Het is verboden één of meer ingrepen bij een gewerveld dier te verrichten, waarbij één of meerdere gevoelige delen van het lichaam worden verwijderd of beschadigd.
§ 2. Het bepaalde in § 1 is niet van toepassing op :
1° ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat;
2° ingrepen die op grond van de wetgeving inzake de dierenziektenbestrijding verplicht zijn;
3° ingrepen met het oog op het nutsgebruik van het dier of op de beperking van de voortplanting van de diersoort. De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de lijst van deze ingrepen vast en bepaalt de gevallen waarin en de wijze waarop die ingrepen mogen worden uitgevoerd.
Art. 18. § 1. Geen enkele pijnlijke ingreep mag bij een gewerveld dier verricht worden zonder verdoving.
(De verdoving van een warmbloedig dier moet uitgevoerd worden door een dierenarts, behoudens in de gevallen waarin de verantwoordelijke of de diergeneeskundige helper daartoe gemachtigd is overeenkomstig de artikelen 5, 2°, 6 of 7 van de wet op de uitoefening van de diergeneeskunde.) <W 1991-08-28/37, art. 31, 002; Inwerkingtreding : 25-10-1991>
§ 2. Een verdoving is niet noodzakelijk:
1. wanneer bij vergelijkbare ingrepen bij mensen geen verdoving plaatsheeft;
2. wanneer ze in een bijzonder geval, volgens het oordeel van de dierenarts, niet uitvoerbaar is.
§ 3. In afwijking van de bepalingen van § 1 kan de Koning de ingrepen waarvoor verdoving onder bepaalde voorwaarden niet noodzakelijk is, evenals de daarbij te gebruiken methoden, vaststellen.
Art. 19. <W 1995-05-04/40, art. 15, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> § 1. Vanaf 1 januari 2000 is het verboden om deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden met dieren waarbij een bij artikel 17bis verboden ingreep is verricht.
§ 2. Het is verboden een dier dat een bij artikel 17bis verboden ingreep heeft ondergaan tot een tentoonstelling, keuring of wedstrijd toe te laten.
§ 3. Het verhandelen van dieren waarbij een bij artikel 17bis verboden ingreep is verricht, is verboden.
§ 4. De bepalingen van de voorafgaande paragrafen zijn niet van toepassing indien bewijzen kunnen worden voorgelegd dat de ingreep is verricht voor het van kracht worden van het in artikel 17bis bedoelde verbod.
HOOFDSTUK VIII. - Dierproeven.
Art. 20. § 1. Elke dierproef die niet beantwoordt aan (de voorwaarden gesteld in dit hoofdstuk) is verboden. <W 1995-05-04/40, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
§ 2. De koninklijke besluiten die volledig of ten dele betrekking hebben op proefdieren, worden in Ministerraad overlegd.
(§ 3. De Koning kan de door Hem te bepalen dierproeven verbieden.) <W 1995-05-04/40, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
Art. 21. § 1 Ieder laboratoriumdirekteur die gewervelde dieren gebruikt of houdt met het oog op dierproeven, is verplicht hiervan aangifte te doen bij (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn). <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
§ 2. Elk laboratorium waar dierproeven worden uitgevoerd die pijn, lijden of letsel kunnen veroorzaken, is onderworpen aan een voorafgaandelijke erkenning door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn). <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
§ 3. De Koning bepaalt de voorwaarden van de aangifte bedoeld in § 1 en van de erkenning bedoeld in § 2.
Hij kan daarenboven bijkomende voorwaarden voorschrijven met betrekking tot de bestemming van dieren eenmaal de proeven zijn beëindigd.
(§ 4. De Koning kan bepalen dat ethische commissies worden opgericht bij de laboratoria waar proeven worden verricht die pijn, lijden of letsel kunnen veroorzaken. Hij bepaalt de samenstelling en de werking ervan.
De ethische commissie heeft als opdracht :
1° de evaluatie van de geplande en de uitgevoerde proeven;
2° het opstellen van criteria op ethisch vlak inzake dierproeven;
3° advies te verlenen aan de laboratoriumdirecteur, proefleiders en medewerkers inzake de ethische aspecten van dierproeven;
4° advies te verlenen aan de toezichthoudende overheid inzake de ethische aspecten van dierproeven.) <W 1995-05-04/40, art. 17, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
Art. 22. Bedrijven waar proefdieren worden gekweekt en verhandeld zijn onderworpen aan een voorafgaandelijke erkenning afgeleverd door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn). Artikel 23 is op die bedrijven van toepassing. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
Art. 23. § 1. (De Koning kan regelen vaststellen betreffende de herkomst van de proefdieren en bijzondere voorwaarden bepalen met betrekking tot het houden van proefdieren van verschillende categorieën. Hij kan bovendien regelen voorschrijven om de herkomst van de dieren vast te stellen en te controleren. Honden en katten moeten echter in een register worden ingeschreven, met de vermelding van hun herkomst.) <W 1995-05-04/40, art. 18, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
§ 2. De laboratoria die gebruik maken van paarden, honden, katten, varkens, herkauwers en primaten, moeten een dierenarts aanduiden belast met de bescherming van de gezondheid en het welzijn van die dieren.
Art. 24. 1. De dierproeven dienen beperkt te worden tot het strekt noodzakelijke.
2. De dierproeven mogen maar gedaan worden als de beoogde resultaten niet door andere methoden kunnen bereikt worden.
3. (Indien een proef noodzakelijk is, moet de keuze van de diersoort zorgvuldig worden overwogen. Indien er verschillende mogelijkheden zijn, moet gekozen worden voor proeven waarbij gebruik wordt gemaakt van een minimum aantal dieren, waarbij dieren betrokken worden met de laagste graad van neurofysiologische gevoeligheid en waarbij een minimum aan pijn, lijden, ongemak of blijvend letsel wordt berokkend, met de grootste kans op een bevredigend resultaat.) <W 1995-05-04/40, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
4. De dierproeven die pijn, lijden of letsel veroorzaken, mogen alleen onder de nodige verdoving gebeuren, tenzij de pijn, het lijden of het letsel verbonden aan de ingreep geringer is dan deze voortvloeiend uit de verdoving.
Deze bepaling is niet van toepassing ingeval een wetenschappelijke verantwoording de verdoving uitsluit. De eventualiteit van dergelijke dierproeven moet vermeld worden in de aangifte bedoelde in artikel 21, § 1. In dit geval mag het dier niet opnieuw worden gebruikt (in een proef die hevige pijn, angst of daarmee gelijkstaand leed met zich mee brengt), tenzij een herhaling noodzakelijk is om het uiteindelijke doel van de proef te bereiken. <W 2004-07-09/30, art. 220, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
(4.Indien de verdoving om hoger aangehaalde reden niet toegepast kan worden, moeten analgetica of andere passende methoden worden gebruikt om te waarborgen dat pijn, lijden, ongemak of letsel wordt beperkt. Het dier mag in geen geval blootstaan aan hevige pijn, groot ongemak of leed.) <W 1995-05-04/40, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
5. Wanneer het dier een dierproef slechts kan overleven in pijn of lijden, moet het pijnloos gedood worden. Moet het daarentegen omwille van de proef in leven blijven, dan verstrekt men het alle nodige zorgen.
Art. 25. De laboratoriumdirekteur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de voorwaarden van de erkenning en voor het verstrekken van de administratieve en statistische inlichtingen door de Koning vastgesteld en gevraagd door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn). <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
Art. 26. § 1. De proefleider is verantwoordelijk voor de dierproeven die hij uitvoert. (Hij moet beschikken over een universitair diploma waarbij een fundamentele kennis van de medische of biologische wetenschappen wordt gewaarborgd.) <W 2004-07-09/30, art. 221, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
Hij moet in elk geval de kennis en bekwaamheid bezitten die nodig zijn voor het uitvoeren van de dierproeven.
(De Koning kan bijkomende regelen vaststellen met betrekking tot de vorming en de opleiding van de proefleider.) <W 1995-05-04/40, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
§ 2. De proefleider is verantwoordelijk voor het treffen van de maatregelen in verband met de nazorg der dieren.
Wanneer hij gebruik maakt van paarden, honden, katten, varkens, herkauwers of primaten, doet hij hiertoe beroep op een dierenarts.
Art. 27. De Koning bepaalt de aard en de vorm van de bescheiden die de proefleider bijhoudt, evenals de wijze van opmaken.
Art. 28. De Koning richt een comité van deskundigen op dat tot taak heeft de deontologische problemen in verband met dierproeven te bestuderen. Hij bepaalt de samenstelling en de werking ervan. De middens van het wetenschappelijk en medisch onderzoek moeten erin vertegenwoordigd zijn. De leden van het comité zijn door het beroepsgeheim gebonden.
Art. 29. <W 1995-05-04/40, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> De Koning kan regelen vaststellen in verband met de vorming en de opleiding van het personeel belast met de uitvoering van de dierproeven en de verzorging van de proefdieren.
Art. 30. § 1er. Dierproeven van didaktische aard zijn slechts toegestaan in het hoger onderwijs en voor zover ze onmisbaar zijn voor de vorming van de studenten en niet door andere evenwaardige didaktische methoden kunnen worden vervangen. Ze moeten plaatshebben onder leiding van bevoegd onderwijzend personeel.
§ 2. De Koning kan de voorwaarden bepalen voor het ondernemen van dierproeven met het oog op de opleiding van gespecialiseerd personeel in de laboratoria.
HOOFDSTUK IX. - De Raad voor dierenwelzijn.
Art. 31. Bij (de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu) wordt een Raad voor dierenwelzijn opgericht. De Koning bepaalt de samenstelling van die Raad en zijn werking. Onder meer de afgevaardigden van de nationale of regionale verenigingen voor dierenbescherming, van het wetenschappelijk en medisch onderzoek en van de kwekers maken er deel van uit. <W 2003-12-22/42, art. 227, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
Art. 32. De Raad heeft tot taak aangelegenheden in verband met de bescherming en het welzijn van dieren te bestuderen. Hij geeft advies over de zaken waarvan het onderzoek hem wordt opgedragen door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) en kan aan deze voorstellen doen. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
HOOFDSTUK X. - Verenigingen voor dierenbescherming.
Art. 33. § 1. De Koning kan de voorwaarden bepalen volgens welke (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn), nationale en regionale verenigingen kan erkennen als representatief voor de bescherming en het <welzijn> <der> <dieren>. Hij kan bepalen dat om erkend te worden een vereniging de rechtspersoonlijkheid moet bezitten. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
§ 2. (De Koning kan voorwaarden bepalen voor de opleiding van de aangestelden van de erkende verenigingen.
Hij kan de wijze regelen waarop de erkende verenigingen en hun aangestelden alsmede de personen die door de minister tot wiens bevoegdheid de landbouw aangewezen zijn op voordracht van de Raad van dierenwelzijn, met de door Hem aangewezen overheidspersonen samenwerken.) <W 1995-05-04/40, art. 22, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
HOOFDSTUK XI. - Strafbepalingen.
Art. 34. <W 2003-12-22/42, art. 228, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004> § 1. Onverminderd de ambtsbevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie worden overtredingen van deze wet en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten opgespoord en vastgesteld door :
- de leden van de federale en lokale politie;
- de statutaire en contractuele dierenartsen van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en andere personeelsleden van deze Federale Overheidsdienst aangeduid door de minister tot wiens bevoegdheid het dierenwelzijn behoort;
- de statutaire en contractuele personeelsleden van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen belast met het uitvoeren van de controles.
Evenwel zijn alleen de statutaire of contractuele dierenartsen van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu bevoegd om de misdrijven gepleegd in de laboratoria op te sporen en vast te stellen.
De personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu leggen voorafgaand aan de uitoefening van hun functie de eed af in handen van de minister of van zijn aangestelde.
§ 2. De overheidspersonen bedoeld in § 1 kunnen zich alle inlichtingen en bescheiden doen verstrekken die zij tot het volbrengen van hun taak nodig achten en overgaan tot alle nuttige vaststellingen.
In uitoefening van hun opdracht mogen ze alle vervoersmiddelen, gronden, bedrijven of lokalen waar levende dieren gehouden of gebruikt worden, betreden. Het bezoek van lokalen die tot woning dienen is slechts toegestaan van 5 uur 's morgens tot 9 uur 's avonds en met verlof van de rechter in de politierechtbank. Dit verlof is eveneens vereist voor het bezoek, buiten die uren, van lokalen die niet voor het publiek toegankelijk zijn.
§ 3. De processen-verbaal opgemaakt door de in § 1 bedoelde overheidspersonen hebben bewijskracht tot het tegenbewijs is geleverd; een afschrift ervan wordt binnen vijftien dagen na de vaststelling aan de overtreders toegezonden.
§ 4. Het proces-verbaal opgesteld door de statutaire en contractuele dierenartsen van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu of andere personeelsleden van deze Federale Overheidsdienst aangeduid door de minister tot wiens bevoegdheid het dierenwelzijn behoort, wordt overgemaakt aan de krachtens artikel 41bis aangestelde ambtenaar.
§ 5. Wanneer een overtreding van deze wet of van een uitvoeringsbesluit ervan is vastgesteld, kunnen de overheidspersonen, bedoeld in § 4, een waarschuwing richten tot de overtreder waarbij die tot stopzetting van de overtreding wordt aangemaand.
De waarschuwing wordt, onder de vorm van een afschrift van het proces-verbaal waarin de feiten zijn vastgesteld, binnen de vijftien dagen na de vaststelling van de overtreding aan de overtreder toegezonden.
De waarschuwing vermeldt :
a) ten laste gelegde feiten en de overtreden wetsbepaling of -bepalingen;
b) de termijn waarin zij dienen te worden stopgezet;
c) dat, indien aan de waarschuwing geen gevolg wordt gegeven, het proces-verbaal zal worden overgemaakt aan de ambtenaar die belast is met de toepassing van de procedure die is bepaald in artikel 41bis en dat de procureur des Konings zal kunnen worden ingelicht.
§ 6. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de controles die worden verricht met toepassing van de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen.
Art. 35. Onverminders de toepassing, in voorkomend geval, van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft met gevangenisstraf van één maand tot drie maanden en met een geldboete van 36 frank tot 1 000 frank of met een van die straffen alleen, hij die:
1° wetens handelingen pleegt die niet door deze wet zijn voorzien en die tot doel hebben dat een dier nutteloos omkomt of nutteloos een verminking, een letsel of pijn ondergaat;
2° (dierengevechten of schietoefeningen op dieren organiseert, er met zijn dieren of als toeschouwer aan deelneemt, eraan op enigerlei wijze medewerking verleent of over de uitslag ervan weddenschappen inricht aan deze weddenschappen deelneemt); <W 1993-03-26/38, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 1993-07-19>
3° (een dier achterlaat met de bedoeling zich ervan te ontdoen); <W 1995-05-04/40, art. 24, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
4° pijnlijke ingrepen verricht in overtreding van de bepalingen van artikel 18;
5° amputaties verricht die verboden zijn door (artikel 17bis); <W 1995-05-04/40, art. 24, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
6° proeven doet in omstandigheden die strijdig zijn met de artikelen 20, 24 en 30.
(7° een erkeningsaanvraag indient met het oog op de uitbating van een in artikel 5, § 1, bedoelde inrichting, terwijl voor hem een verbod geldt als bedoeld in § 4 van hetzelfde artikel;
8° een inrichting als bedoeld in artikel 5, § 1, beheert, of er een direct toezicht uitoefent op de dieren, terwijl voor hem een verbod geldt als bedoeld in § 4 van hetzelfde artikel.) <W 2004-06-23/44, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 13-11-2004>
Art. 36. Onverminderd de toepassing, in voorkomend geval, van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft met een boete van 26 frank tot 1 000 frank, hij die:
1° de aanvalsdrift van een dier opdrijft door het op te hitsen tegen een ander dier;
2° aan een dier dtoffen, bepaald door de Koning, toedient of doet toedienen met het doel zijn prestaties (te beïnvloeden of het opsporen van prestatiebeïnvloedende stoffen te verdoezelen); <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
3° in overtreding wordt bevonden van de bepalingen van artikel 4, van hoofdstuk IV of van hoofdstuk VIII, andere dan deze bedoeld bij artikel 35, 6°, of van besluiten genomen in uitvoering van die bepalingen;
4° de door de bevoegde overheidspersonen voorgeschreven maatregelen bedoeld in artikel 4, § 5, niet nakomt of de getroffen maatregelen tenietdoet;
5° een dier arbeid laat verrichten, die kennelijk zijn natuurlijke krachten te boven gaat;
6° in overtreding van hoofdstuk VI wordt bevonden;
7° (honden als last- en trekdieren gebruikt, onverminderd de afwijkingen die (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) kan verlenen volgens de voorwaarden die de Koning bepaalt;) <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
8° een blind gemaakte vogel te koop stelt, verkoopt, koopt of houdt;
9° (een dier gebruikt voor africhting, enscenering, reclame of gelijkaardige doeleinden in de mate dat dit oneigenlijk gebruik duidelijk leidt tot vermijdbare pijn, lijden of letsel;) <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
10° een dier onder dwang voeder of drinken toedient, behalve om medische redenen of voor dierproeven uitgevoerd volgens hoofdstuk VIII of in gespecialiseerde, door de Koning bepaalde kwekerijen en aan de door Hem gestelde voorwaarden;
11° een dier een stof toedient die het pijn of letsel kan berokkenen behalve om medische redenen of voor dierproeven bepaald in hoofdstuk VIII;
12° in overtreding van artikel 11, dieren afstaat aan personen van minder dan 16 jaar;
13° een dier onder rembours verzendt (per post); <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
14° een bedrijf bedoeld in artikel 5, § 1, zonder de erkenning vereist bij dit artikel uitbaat, (...) de bepalingen van de koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de artikelen 6 of 7 en de verplichtingen bepaald bij artikel 9, § 1, eerste lid, bij artikel 9, § 21, leden 1 en 2, en bij de artikelen 10 en 12 overtreedt. <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
(15° geverfde dieren houdt of verhandelt;
16° dieren als prijs, beloning of gift uitlooft of uitreikt bij wedstrijden, verlotingen, weddenschappen of andere gelijkaardige evenementen, behalve de afwijkingen welke door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) kunnen verleend worden. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
Deze afwijkingen kunnen slechts worden verleend ter gelegenheid van feesten, jaarmarkten, wedstrijden en andere manifestaties met een professioneel of geassimileerd karakter.) <W 1995-05-04/40, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
Art. 36bis. <ingevoegd bij W 1995-05-04/40, art. 26, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> Onverminderd de toepassing van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft met een boete van 26 frank tot 1 000 frank, hij die een straatpaardenkoers en/of een oefenmoment ter voorbereiding van een dergelijke koers organiseert of eraan deelneemt, waarbij de koers geheel of gedeeltelijk gelopen wordt op de openbare weg, waarvan de bestrating bestaat uit asfalt, beton, straatkeien of klinkers of een ander hard materiaal.
Art. 37. Naast de straffen voorzien in de artikelen 35 en 36 kan de rechtbank daarenboven de sluiting bevelen van de inrichting waarin de misdrijven werden gepleegd voor een termijn van één maand tot drie jaar.
Art. 38. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek met inbegrip van hoofdsruk VII en van artikel 85, zijn op de in deze wet bepaalde misdrijven van toepassing.
Art. 39. § 1. Bij herhaling binnen drie jaar na de vorige veroordeling wegens één der misdrijven bepaald bij de artikelen 35 en 36, (worden de gevangenisstraffen en de geldboetes verdubbeld). <W 1995-05-04/40, art. 27, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
§ 2. De rechtbank kan daarenboven in dat geval de sluiting bevelen van de inrichting waarin de misdrijven werden gepleegd definitief of voor een termijn van twee maanden tot vijf jaar.
Art. 40. De rechtbank kan, bijkomend aan de veroordeling wegens overtreding bepaald in deze wet, het recht ontzeggen definitief of voor een termijn van één maand tot drie jaar dieren van één of meer soorten te houden.
Art. 41. Overtreding van bepalingen van deze wet of van krachtens deze genomen besluiten die niet in de artikelen 35 en 36 zijn bepaald, wordt gestraft met een geldboete van één frank tot vijfentwintig frank.
Art. 41bis. <Ingevoegd bij W 2003-12-22/42, art. 229; Inwerkingtreding : 10-01-2004> Bij overtreding van deze wet of van de besluiten genomen ter uitvoering ervan kan de ambtenaar, daartoe aangesteld door de Koning binnen de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, een geldsom bepalen waarvan de vrijwillige betaling door de overtreder, de publieke vordering doet vervallen. Wordt de betaling geweigerd, dan wordt het dossier aan de Procureur des Konings toegezonden.
Geen administratieve geldboete kan worden opgelegd meer dan drie jaar na de feitelijke overtreding tegen de bepalingen van deze wet.
De daden van onderzoek of van vervolging verricht binnen de in de vorige alinea gestelde termijn stuiten de loop ervan. Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.
Het bedrag van de te betalen geldsom mag niet lager zijn dan het minimum noch hoger zijn dan het maximum van de voor de overtreding bepaalde geldboete.
Bij samenloop van verschillende overtredingen worden de bedragen van de geldsommen samengevoegd, zonder dat het totale bedrag hoger mag zijn dan het dubbele van het maximum van de boete bepaald in artikel 35, 36 en 41.
Het bedrag van deze geldsommen wordt verhoogd met de opdeciemen die van toepassing zijn op de strafrechtelijke geldboeten.
Bovendien worden de expertisekosten alsmede de kosten gemaakt in uitvoering van artikel 42, § 2, ten laste gelegd van de overtreder.
De betalingsmodaliteiten worden door de Koning vastgesteld.
Art. 42. § 1. (De overheidspersonen bedoeld in artikel 34 van de wet kunnen, in geval van overtreding, de dieren, de kadavers, het vlees of de voorwerpen die het voorwerp vormen van de inbreuk of die gediend hebben om de inbreuk te plegen of die bestemd waren om de inbreuk te begaan, in beslag nemen.) <W 1995-05-04/40, art. 28, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
In de gevallen bedoeld in artikel 35, 2° en 3°, en in artikel 36, 8°, wordt het dier terstond door hen in beslag genomen.
§ 2. Het levende inbeslaggenomen dier wordt, zonder verhaal, op bevel van (de Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu), rekening gehouden met de volksgezondheid en de diergeneeskundige politie en al naargelang van het geval, hetzij aan de eigenaar (al dan niet) tegen waarborgsom teruggegeven, hetzij zonder verwijl gedood, hetzij door de Administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, der Registratie en Domeinen of door het Bestuur der Douane en Accijnzen verkocht, hetzij toevertrouwd aan een persoon die het een behoorlijke verzorging en huisvesting verzekert, aan een dierenasiel, zoo of dierenpark. <W 2003-12-22/42, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004> <W 2004-07-09/30, art. 222, 007; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
(Mits zij daarmee instemmen kan de Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu ook het onherroepelijk besluit nemen de volle eigendom van het dier te geven aan een persoon, aan een dierenasiel, een zoo of dierenpark die tot taak hebben :
- het dier te onderhouden, te huisvesten en passende verzorging te geven,
- ervoor te zorgen dat het dier geadopteerd wordt zodra het hier fysiek toe in staat is en de wettelijke voorwaarden die voor de adoptie noodzakelijk zijn, te vervullen.
De aldus ontvangen betaling wordt bij voorrang gebruikt om de kosten te dekken die de persoon of de organisatie die in het vorige lid wordt bedoeld, gemaakt heeft. Het saldo wordt op de griffie van de rechtbank gedeponeerd overeenkomstig het volgende lid.) <W 2004-07-04/66, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 13-11-2004>
De waarborg of de van de verkoop voortkomende som worden op de griffie van de rechtbank gedeponeerd totdat over het misdrijf uitspraak is gedaan. Dit bedrag treedt in de plaats van de in beslag genomen dieren zowel wat de verbeurdverklaring als wat de eventuele teruggave aan de belanghebbende betreft.
De kosten van inbewaringstelling of doden worden door de rechtbank begroot en van de te deponeren som afgehouden.
De kosten van tussenkomst van (de Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu), van de dierenasielen, de zoo's en de dierenparken worden door de rechtbank begroot en maken deel uit van de gerechtskosten. <W 2003-12-22/42, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
§ 3. Dode dieren of op bevel van (de Dienst Dierenwelzijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu) gedode dieren worden, op kosten van de overtreder, door het bevoegde destructiebedrijf afgehaald. <W 2003-12-22/42, art. 225, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
§ 4. De eigenaar van dode of op bevel gedode dieren kan geen recht op vergoeding voor die dieren laten gelden.
(§ 5. Dit artikel is niet van toepassing op de controles die zijn verricht met toepassing van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen.) <KB 2001-02-22/33, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 43. De rechtbank kan in de gevallen van artikel 42, § 1, eerste lid, de verbeurdverklaring bevelen.
De verbeurdverklaring wordt steeds bevolen in de gevallen van artikel 42, § 1, tweede lid. Dit is eveneens het geval bij dierengevechten of -schietingen, wat de inzetten, het entreegeld en de voorwerpen of installaties betreft die voor die gevechten of die schietoefeningen worden gebruikt.
HOOFDSTUK XII. - Slotbepalingen.
Art. 44. De Koning kan de uitoefening van deze van die machten welke hij inzonderheid aanwijst, aan (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) overdragen. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
Wanneer maatregelen in uitvoering van deze wet te treffen niet uitsluitend betrekking hebben op de bescherming en het <welzijn> <der> <dieren>, worden die maatregelen gezamenlijk door (de minister bevoegd voor het dierenwelzijn) en door de ter zake bevoegde Minister voorgedragen en uitgevoerd. <W 2003-12-22/42, art. 224, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
Art. 45. De wet van 2 juli 1975 op de dierenbescherming wordt opgeheven.
Art. 45bis. <ingevoegd bij W 1995-05-04/40, art. 29, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995> (§ 1.) De bepalingen van deze wet zijn van toepassing bij overtreding van de verordeningen van de Europese Gemeenschap die van kracht zijn in het Rijk en materies betreffen welke op grond van deze wet tot de verordeningsbevoegdheid van de Koning behoren. <KB 2001-02-22/33, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, binnen het toepassingsgebied van deze wet, alle vereiste maatregelen treffen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de krachtens dit verdrag tot stand gekomen internationale akten, welke maatregelen de opheffing en de wijziging van wetsbepalingen kunnen inhouden.
(§ 2. Paragraaf 1 van dit artikel is niet van toepassing op de materies die behoren tot de bevoegdheid van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.) <KB 2001-02-22/33, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 46. Deze wet treedt in werking de eerste dag van de twaalfde maand volgend op die gedurende welke zij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, (uitgezonderd de artikelen 3bis en 17bis die in werking treden) op de door de Koning te bepalen datum. <W 1995-05-04/40, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 17bis vastgesteld op 01-10-2001 door KB 2001-05-17/37, art. 2)hier

 

Nog dit: 

Anthony Godfroid en Yana Bayen, Cosmeticaproducenten kunnen Europees verbod op dierproeven niet omzeilen, De Juristenkrant  335, 12 oktober 2016,  p. 4, noot onder het arrest van het Hof van justitie van 21/09/2016:

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

„Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van wetgevingen – Cosmetische producten – Verordening (EG) nr. 1223/2009 – Artikel 18, lid 1, onder b) – Cosmetische producten die ingrediënten of combinaties van ingrediënten bevatten waarvoor, ,om aan de voorschriften van deze verordening te voldoen’, een dierproef is verricht – Verbod om op de markt van de Europese Unie te brengen – Omvang”

In zaak C‑592/14,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de High Court of Justice of England and Wales, Queen’s Bench Division (Administrative Court) [hoogste rechterlijke instantie van Engeland en Wales, afdeling van de Queen’s Bench (bestuursrechter), Verenigd Koninkrijk] bij beslissing van 15 december 2014, ingekomen bij het Hof op 19 december 2014, in de procedure

European Federation for Cosmetic Ingredients

tegen

Secretary of State for Business, Innovation and Skills,

Attorney General,

in tegenwoordigheid van:

Cruelty Free International, voorheen British Union for the Abolition of Vivisection,

European Coalition to End Animal Experiments,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, A. Arabadjiev, J.‑C. Bonichot, C. G. Fernlund (rapporteur) en E. Regan, rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 december 2015,

gelet op de opmerkingen van:

– European Federation for Cosmetic Ingredients, vertegenwoordigd door D. Abrahams, barrister, en R. Cana en I. de Seze, advocaten,

– Cruelty Free International en European Coalition to End Animal Experiments, vertegenwoordigd door D. Thomas, solicitor, en A. Bates, barrister,

– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Barfoot als gemachtigde, bijgestaan door G. Facenna, QC, en J. Holmes, barrister,

– de Griekse regering, vertegenwoordigd door S. Charitaki en A. Magrippi als gemachtigden,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas en J. Traband als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Flynn en P. Mihaylova als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 maart 2016,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 18, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten (PB 2009, L 342, blz. 59).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de European Federation for Cosmetic Ingredients (hierna: „EFfCI”), enerzijds, en de Secretary of State for Business, Innovation and Skills (minister van Bedrijfsleven, Innovatie en Vaardigheden; hierna: „minister”) en de Attorney General, anderzijds, in tegenwoordigheid van Cruelty Free International, voorheen British Union for the Abolition of Vivisection, en de European Coalition to End Animal Experiments, over de omvang van het in die bepaling neergelegde verbod om bepaalde producten in de handel te brengen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De overwegingen 4, 38 tot en met 42, en 45 en 50 van verordening nr. 1223/2009 luiden:

„(4) Deze verordening harmoniseert in hoge mate de regels in de Gemeenschap om tot een interne markt voor cosmetische producten te komen en tevens een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen.

[...]

(38) Aan het Verdrag is een protocol inzake de bescherming en het welzijn van dieren gehecht, volgens hetwelk de Gemeenschap en de lidstaten bij de uitvoering van het beleid van de Gemeenschap, met name op het gebied van de interne markt, ten volle rekening houden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren.

(39) Richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimenten en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt [(PB 1986, L 358, blz. 1)] bevat gemeenschappelijke voorschriften voor het gebruik van dieren voor experimentele doeleinden in de Gemeenschap en bepaalt de voorwaarden voor de uitvoering van zulke proeven op het grondgebied van de lidstaten. In het bijzonder wordt in artikel 7 van die richtlijn bepaald dat dierproeven moeten worden vervangen door alternatieve methoden wanneer dergelijke methoden bestaan en wetenschappelijk verantwoord zijn.

(40) De veiligheid van cosmetische producten en de ingrediënten daarvan kan worden gegarandeerd door middel van alternatieve methoden die niet noodzakelijkerwijs voor elk gebruik van chemische ingrediënten kunnen worden toegepast. Wanneer die methoden de consument een gelijkwaardig beschermingsniveau bieden, moet de toepassing daarvan in de gehele cosmetische industrie worden bevorderd en moeten zij op gemeenschapsniveau worden aangenomen.

(41) De veiligheid van cosmetische eindproducten kan tegenwoordig op grond van kennis omtrent de veiligheid van hun ingrediënten worden gegarandeerd. Derhalve moeten bepalingen worden vastgesteld waarbij dierproeven met cosmetische eindproducten worden verboden. [...]

(42) De veiligheid van ingrediënten die in cosmetische producten worden gebruikt, zal geleidelijk kunnen worden gewaarborgd met behulp van alternatieve methoden waarbij geen dieren worden gebruikt en die op communautair niveau door het Europees Centrum voor de validatie van alternatieve methoden (ECVAM) gevalideerd of als wetenschappelijk valide erkend zijn, met de nodige inachtneming van de ontwikkeling van de validering binnen de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Na raadpleging van het [Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid (WCCV)] over de toepasbaarheid van de gevalideerde alternatieve methoden op het gebied van cosmetische producten moet de Commissie de gevalideerde of erkende methoden die als voor dergelijke ingrediënten bruikbaar zijn erkend, onmiddellijk publiceren. Om het hoogst mogelijke niveau van bescherming van dieren te bereiken, moet er een termijn voor de invoering van een definitief verbod worden vastgesteld.

[...]

(45) De erkenning van in de Gemeenschap ontwikkelde methoden door derde landen moet worden gestimuleerd. Daartoe moeten de Commissie en de lidstaten al het mogelijke doen om de erkenning van die methoden door de OESO te bevorderen. Tevens moet de Commissie in het kader van door de Europese Gemeenschap gesloten samenwerkingsovereenkomsten streven naar de erkenning van de resultaten van in de Gemeenschap met behulp van alternatieve methoden uitgevoerde veiligheidsproeven, zodat de uitvoer van cosmetische producten waarvoor dergelijke methoden zijn gebruikt, niet wordt belemmerd en wordt voorkomen dat derde landen eisen dat de proeven worden herhaald met behulp van proefdieren.

[...]

(50) Bij de beoordeling van de veiligheid van een cosmetisch product moet het mogelijk zijn de resultaten van op andere relevante terreinen verrichte risicobeoordelingen in aanmerking te nemen. Het gebruik van dergelijke gegevens moet naar behoren worden toegelicht en gerechtvaardigd.”

4 Volgens artikel 1 van verordening nr. 1223/2009, met het opschrift „Toepassingsgebied en doel”, worden „[i]n deze verordening [...] regels vastgesteld waaraan alle cosmetische producten die op de markt worden aangeboden, moeten voldoen om de werking van de interne markt en een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen”.

5 In artikel 3 van deze verordening, „Veiligheid”, is bepaald:

„Cosmetische producten die op de markt worden aangeboden, moeten veilig zijn voor de volksgezondheid wanneer zij onder normale of redelijkerwijs te verwachten gebruiksomstandigheden worden aangewend, [...]”.

6 Artikel 10 van deze verordening, „Beoordeling van de veiligheid”, luidt:

„1. Om aan te tonen dat een cosmetisch product in overeenstemming is met artikel 3, garandeert de verantwoordelijke persoon, alvorens een cosmetisch product op de markt te brengen, dat de veiligheid van het product aan de hand van de relevante informatie is beoordeeld en dat overeenkomstig bijlage I een productveiligheidsrapport is opgesteld.

De verantwoordelijke persoon garandeert dat:

a) het beoogde gebruik van het cosmetische product en de voorziene systemische blootstelling aan de afzonderlijke ingrediënten in een uiteindelijke formule in aanmerking zijn genomen bij de veiligheidsbeoordeling;

b) bij de veiligheidsbeoordeling een passende, op de bewijskracht steunende benadering wordt gevolgd voor de beoordeling van blootstelling uit alle bestaande bronnen;

c) het productveiligheidsrapport wordt bijgehouden met betrekking tot aanvullende relevante informatie die na het op de markt brengen van het product wordt gegenereerd.

[...]”

7 Artikel 11 van verordening nr. 1223/2009, met het opschrift „Productinformatiedossier”, bepaalt dat „[w]anneer een cosmetisch product op de markt wordt gebracht, [...] de verantwoordelijke persoon een productinformatiedossier voor dat product bij[houdt]” en dat dit dossier onder meer de volgende gegevens bevat: „het in artikel 10, lid 1, bedoelde productveiligheidsrapport” en „gegevens over eventuele dierproeven die door de fabrikant, zijn gevolmachtigden of zijn leveranciers zijn verricht betreffende de ontwikkeling of veiligheidsbeoordeling van het cosmetische product of de ingrediënten daarvan, met inbegrip van eventuele dierproeven die zijn verricht om te voldoen aan de voorschriften van derde landen”.

8 Artikel 18 van deze verordening, „Dierproeven”, luidt:

„1. Onverminderd de algemene verplichtingen van artikel 3 is het volgende verboden:

a) het op de markt brengen van cosmetische producten, wanneer er, om aan de voorschriften van deze verordening te voldoen, voor de eindsamenstelling daarvan een dierproef is verricht volgens een andere methode dan een alternatieve methode, nadat die alternatieve methode op communautair niveau al was gevalideerd en aangenomen naar behoren rekening houdend met de ontwikkeling van de validering binnen de OESO;

b) het op de markt brengen van cosmetische producten die ingrediënten of combinaties van ingrediënten bevatten waarvoor, om aan de voorschriften van deze verordening te voldoen, een dierproef is verricht volgens een andere methode dan een alternatieve methode, nadat die alternatieve methode op communautair niveau al was gevalideerd en aangenomen naar behoren rekening houdend met de ontwikkeling van de validering binnen de OESO;

c) het verrichten van dierproeven met cosmetische eindproducten in de Gemeenschap, om aan de voorschriften van deze verordening te voldoen;

d) het verrichten van dierproeven met ingrediënten of combinaties van ingrediënten op hun grondgebied, om aan de voorschriften van deze richtlijn te voldoen, uiterlijk op de datum waarop die proeven moeten zijn vervangen door één of meer gevalideerde alternatieve methoden die zijn genoemd in verordening (EG) nr. 440/2008 van de Commissie van 30 mei 2008 houdende vaststelling van testmethoden uit hoofde van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) [(PB 2008, L 142, blz. 1)], of in bijlage VIII bij deze verordening.

2. De Commissie stelt na raadpleging van het [Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid (WCCV)] en van het Europees Centrum voor de validatie van alternatieve methoden (CEVMA), en met de nodige inachtneming van de ontwikkeling van de validering binnen de OESO, tijdschema’s op voor de toepassing van lid 1, onder a), b) en d), met inbegrip van termijnen voor de geleidelijke afschaffing van de verschillende proeven. De tijdschema’s zijn op 1 oktober 2004 ter beschikking gesteld van het publiek en toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. De termijn voor de toepassing werd beperkt tot 11 maart 2009 wat betreft lid 1, onder a), b) en d).

Voor de proeven in verband met toxiciteit bij herhaalde toediening, toxiciteit met betrekking tot de voortplanting en toxicokinetiek, waarvoor momenteel nog geen alternatieven worden ontwikkeld, wordt de termijn voor de toepassing van lid 1, onder a) en b), beperkt tot 11 maart 2013.

[...]

In buitengewone omstandigheden waarin ernstige bezorgdheid rijst over de veiligheid van een bestaand cosmetisch ingrediënt, kan een lidstaat de Commissie om vrijstelling van het bepaalde in lid 1 verzoeken. Dat verzoek moet een evaluatie van de situatie en een opgave van de nodige maatregelen omvatten. Op grond hiervan kan de Commissie, na raadpleging van het [Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid (WCCV)], middels een met redenen omkleed besluit vrijstelling verlenen. In deze vrijstelling worden de voorwaarden vastgelegd wat betreft specifieke doelstellingen, looptijd en verslaglegging van de resultaten.

Vrijstelling wordt uitsluitend verleend indien:

a) het ingrediënt op grote schaal wordt gebruikt en niet kan worden vervangen door een ander ingrediënt met een soortgelijke functie;

b) het specifieke probleem in verband met de volksgezondheid wordt toegelicht en de noodzaak van dierproeven met redenen wordt omkleed en onderbouwd met een gedetailleerd onderzoekverslag dat wordt voorgesteld als grondslag voor de evaluatie.

[...]”

9 In bijlage I bij deze verordening worden de elementen opgesomd die het productveiligheidsrapport moet bevatten. Punt 8 daarvan, dat is opgenomen in deel A van die bijlage, met het opschrift „Toxicologisch profiel van de stoffen”, luidt:

„Het toxicologische profiel van stoffen in het cosmetische product, voor alle relevante toxicologische eindpunten, onverminderd artikel 18. [...]”

Recht van het Verenigd Koninkrijk

10 Regulation 12 van de Cosmetic Products Enforcement Regulations 2013 (SI 2013/1478) (uitvoeringsbesluit van 2013 inzake cosmetische producten) stelt onder meer een schending van de verbodsbepalingen van artikel 18 van verordening nr. 1223/2009 strafbaar.

11 Regulation 6 van dat besluit bepaalt dat een toezichthouder, in casu de minister, de handhaving van de verordening waarborgt, en verleent deze toezichthouder de bevoegdheid om een vermeende schending van de in de verordening neergelegde verplichtingen te onderzoeken en vervolgen.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12 EFfCI is een vakvereniging die de producenten in de Europese Unie van ingrediënten voor cosmetische producten vertegenwoordigt.

13 Leden van deze vereniging hebben dierproeven buiten de Unie verricht om te testen of bepaalde cosmetische ingrediënten veilig zijn voor de volksgezondheid. De uit deze proeven verkregen gegevens waren noodzakelijk om deze ingrediënten te mogen gebruiken in cosmetische producten voor de Japanse en de Chinese markt.

14 De betrokken ingrediënten zijn nog niet verwerkt in cosmetische producten die in de Unie op de markt worden gebracht, aangezien niet duidelijk was hoe ver het in artikel 18, lid 1, onder b), van verordening nr. 1223/2009 neergelegde verbod op dierproeven reikt.

15 Om die reden heeft EFfCI bij de verwijzende rechter een verzoek tot rechterlijke toetsing (judicial review) ingediend strekkende tot vaststelling van de omvang van dit verbod, zodat kan worden bepaald of de drie betrokken ondernemingen zich blootstellen aan strafrechtelijke sancties indien zij in het Verenigd Koninkrijk cosmetische producten op de markt zouden brengen met ingrediënten waarvoor dierproeven buiten de Unie zijn verricht.

16 EFfCI heeft bij die rechter aangevoerd dat het in artikel 18, lid 1, onder b), van verordening nr. 1223/2009 neergelegde verbod enkel van toepassing is indien de dierproeven zijn uitgevoerd om te voldoen aan een of meer voorschriften van die verordening. Aangezien deze proeven buiten de Unie zijn uitgevoerd om te voldoen aan de wettelijke voorschriften van een derde land, zijn de ingrediënten niet getest „om aan de voorschriften van [verordening nr. 1223/2009] te voldoen”.

17 De minister en de Attorney General hebben daarentegen betoogd dat artikel 18, lid 1, onder b), van verordening nr. 1223/2009 aldus moet worden uitgelegd dat het ook verboden is cosmetische producten op de markt te brengen met ingrediënten die buiten de Europese Unie op dieren zijn getest om te voldoen aan de voorschriften van regelgeving van een derde land die analoog is aan die verordening.

18 Cruelty Free International en de European Coalition to End Animal Experiments hebben onder verwijzing naar de punten 84 tot en met 86 van de conclusie van advocaat-generaal Geelhoed in de zaak Frankrijk/Parlement en Raad (C‑244/03, EU:C:2005:178) gesteld dat deze bepaling een verbod inhoudt om cosmetische producten op de markt te brengen die enig op dieren getest ingrediënt bevatten, ongeacht of de gegevens verkregen uit de proeven in derde landen moeten dienen om aan te tonen dat het product veilig is voor de volksgezondheid in de zin van verordening nr. 1223/2009.

19 De verwijzende rechter is van oordeel dat de draagwijdte van artikel 18, lid 1, onder b), van verordening nr. 1223/2009, en in het bijzonder de bewoordingen „om aan de voorschriften van deze verordening te voldoen”, een reële rechtsvraag doen rijzen.

20 In die omstandigheden heeft de High Court of Justice of England and Wales, Queen’s Bench Division (Administrative Court) [hoogste rechterlijke instantie van Engeland en Wales, afdeling van de Queen’s Bench (bestuursrechter), Verenigd Koninkrijk] de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1) Moet artikel 18, lid 1, onder b), van verordening [nr. 1223/2009] aldus worden uitgelegd dat het een verbod inhoudt om cosmetische producten op de communautaire markt te brengen die ingrediënten of een combinatie van ingrediënten bevatten waarvoor dierproeven zijn verricht, indien deze proeven zijn verricht buiten de [...] Unie om te voldoen aan de voorschriften van derde landen teneinde cosmetische producten met deze ingrediënten in die landen op de markt te brengen?

2) Maakt het voor het antwoord op de eerste vraag verschil of:

a) bij de veiligheidsbeoordeling die overeenkomstig artikel 10 van deze verordening wordt verricht om aan te tonen dat een cosmetisch product veilig is voor de volksgezondheid alvorens het op de communautaire markt wordt aangeboden, gegevens worden gebruikt die zijn verkregen door de buiten de [...] Unie verrichte dierproeven;

b) de voorschriften van de derde landen betrekking hebben op de veiligheid van cosmetische producten;

c) het op het ogenblik dat een ingrediënt buiten de [...] Unie op dieren werd getest, redelijkerwijs voorzienbaar was dat iemand op enig moment zou proberen om een cosmetisch product met dat ingrediënt op de communautaire markt te brengen, en/of

d) andere factoren aanwezig zijn, en zo ja, welke?”

Verzoeken om heropening van de mondelinge behandeling

21 Bij brieven die respectievelijk op 28 april en 6 juni 2016 ter griffie van het Hof zijn ingekomen, hebben de EFfCI en de Franse regering verzocht om heropening van de mondelinge behandeling, op grond dat de conclusie van de advocaat-generaal is gebaseerd op overwegingen waarover partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen. Bovendien heeft deze conclusie een ruimere strekking dan de prejudiciële vragen, aangezien de verwijzende rechter uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat geen prejudiciële verwijzing nodig was wat betreft de dierproeven verricht in het kader van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB 2006, L 396, blz. 1).

22 In herinnering dient te worden gebracht dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet voorzien in de mogelijkheid voor de in artikel 23 van dat Statuut bedoelde belanghebbenden om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal (zie met name arrest van 9 juni 2016, Pesce e.a., C‑78/16 en C‑79/16, EU:C:2016:428, punt 24).

23 Ingevolge artikel 252, tweede alinea, VWEU heeft de advocaat-generaal tot taak om in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is. Het Hof is noch aan de conclusie van de advocaat-generaal, noch aan de motivering op grond waarvan hij tot die conclusie komt, gebonden (arrest van 9 juni 2016, Pesce e.a., C‑78/16 en C‑79/16, EU:C:2016:428, punt 25).

24 Het feit dat een belanghebbende het oneens is met de conclusie van de advocaat‑generaal kan als zodanig dus geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties hij in zijn conclusie heeft onderzocht (arrest van 9 juni 2016, Pesce e.a., C‑78/16 en C‑79/16, EU:C:2016:428, punt 26).

25 Niettemin zij eraan herinnerd dat het Hof krachtens artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling kan gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.

26 In casu is het Hof van oordeel, de advocaat-generaal gehoord, dat het over alle noodzakelijke gegevens beschikt om de prejudiciële vragen te beantwoorden, en dat partijen hun standpunten over deze gegevens voldoende hebben kunnen uitwisselen, met name ter terechtzitting van 9 december 2015.

27 De verzoeken tot heropening van de mondelinge behandeling moeten dus worden afgewezen.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

28 Met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, en, in voorkomend geval, in welke omstandigheden, artikel 18, lid 1, onder b), van verordening nr. 1223/2009 aldus moet worden uitgelegd dat het een verbod inhoudt om in de Unie cosmetische producten op de markt te brengen met bepaalde ingrediënten waarvoor dierproeven buiten de Unie zijn verricht met het oog op het in de handel brengen van cosmetische producten in derde landen.

29 Om die vragen te beantwoorden moet meer bepaald worden nagegaan of de bewoordingen „om aan de voorschriften van [verordening nr. 1223/2009] te voldoen” van artikel 18, lid 1, onder b), van die verordening betrekking kunnen hebben op dierproeven zoals die in het hoofdgeding.

30 In dit verband moet worden opgemerkt dat die bewoordingen volgens hun gebruikelijke betekenis in het dagelijkse taalgebruik een verwijzing oproepen naar het oogmerk om zich te voegen naar de voorschriften van verordening nr. 1223/2009, dat de reden van de betrokken proeven zou zijn. In een louter letterlijke lezing kunnen die bewoordingen dus worden uitgelegd in die zin dat zij vereisen dat wordt bewezen dat de verantwoordelijke voor die proeven tijdens de duur ervan het oogmerk had om aan de voorschriften van die verordening te voldoen. Volgens die uitlegging zouden dierproeven met de bedoeling zich te voegen naar de wettelijke voorschriften van derde landen inzake de veiligheid van cosmetische producten, zoals de proeven in het hoofdgeding, niet onder het in die bepaling neergelegde verbod vallen.

31 Het is evenwel vaste rechtspraak dat voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaakt, nastreeft (zie met name arrest van 10 juli 2014, D. en G., C‑358/13 en C‑181/14, EU:C:2014:2060, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Dienaangaande zij in herinnering gebracht dat verordening nr. 1223/2009 volgens overweging 4 ervan beoogt de regels in de Unie in hoge mate te harmoniseren om tot een interne markt voor cosmetische producten te komen en tevens een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen. Zo wordt in artikel 1 bepaald dat in deze verordening regels worden vastgesteld waaraan alle cosmetische producten die in de Unie op de markt worden gebracht, moeten voldoen.

33 Wat de regels betreft die een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid waarborgen, volgt uit de artikelen 3, 10 en 11 van deze verordening dat een dergelijk product veilig voor de volksgezondheid moet zijn, dat de veiligheid van het product aan de hand van de relevante informatie moet zijn beoordeeld en dat een rapport over deze veiligheid moet worden opgesteld en aan het informatiedossier van het cosmetisch product moet worden toegevoegd.

34 Verordening nr. 1223/2009 bevat ook regels waarmee er in de cosmetische sector naar wordt gestreefd dieren een hoger niveau van bescherming te bieden dan in andere sectoren. Blijkens de overwegingen 38 tot en met 42, 45 en 50, in hun onderlinge samenhang gelezen, wenste de Uniewetgever immers in het kader van deze verordening rekening te houden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren, met name door actief aan te moedigen dat – op ruimere schaal dan in andere sectoren – gebruik wordt gemaakt van alternatieve methoden zonder dieren om de veiligheid van producten in de cosmetische sector te waarborgen. In het bijzonder luidt het in overweging 42 van deze verordening dat de veiligheid van ingrediënten die in cosmetische producten worden gebruikt, geleidelijk zal kunnen worden gewaarborgd met behulp van dergelijke methoden en dat „[o]m het hoogst mogelijke niveau van bescherming van dieren te bereiken, [...] er een termijn voor de invoering van een definitief verbod [van andere methoden moet] worden vastgesteld”.

35 Voor zover verordening nr. 1223/2009 ertoe strekt de voorwaarden voor toegang tot de markt van de Unie voor cosmetische producten vast te stellen en een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen, waarbij wordt gewaakt over het dierenwelzijn door een verbod op dierproeven in de sector van die producten, moet artikel 18, lid 1, onder b), van die verordening worden geacht die toegang afhankelijk te stellen van de eerbiediging van het verbod om gebruik te maken van dierproeven.

36 In dat verband zij in de eerste plaats vastgesteld dat dierproeven kunnen worden overwogen in het kader van de in artikel 10 van verordening nr. 1223/2009 bedoelde beoordeling van de veiligheid van een cosmetisch product. Volgens lid 1, onder b), van dat artikel moet bij de veiligheidsbeoordeling van een cosmetisch product een passende, op de bewijskracht steunende benadering worden gevolgd voor de beoordeling van de gegevens uit alle bestaande bronnen. Punt 8 van bijlage I bij die verordening bepaalt echter dat het toxicologische profiel, dat integrerend deel uitmaakt van het productveiligheidsrapport, moet worden opgesteld onverminderd artikel 18 van die verordening.

37 Dierproeven waarvan de resultaten niet zijn opgenomen in dat rapport kunnen dus niet worden geacht te zijn verricht „om aan de voorschriften van [verordening nr. 1223/2009] te voldoen” in de zin van artikel 18, lid 1, onder b), van die verordening. Wanneer de veiligheid van het cosmetisch product kan worden beoordeeld zonder die resultaten, hangt de toegang van dat product tot de markt van de Unie immers niet af van dergelijke proeven.

38 Eveneens moet erop worden gewezen, zoals de advocaat-generaal in de punten 94, 95 en 98 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat de loutere vermelding van de resultaten van de dierproeven in het informatiedossier van het cosmetisch product niet volstaat om het in artikel 18, lid 1, onder b), van verordening nr. 1223/2009 neergelegde verbod van toepassing te maken. Op grond van artikel 11 van deze verordening moet dit dossier immers de gegevens bevatten van alle dierproeven die – onder meer door de fabrikant – zijn verricht om te voldoen aan de voorschriften van derde landen.

39 Daarentegen moet de omstandigheid dat in het productveiligheidsrapport resultaten van dierproeven betreffende een ingrediënt voor cosmetisch gebruik worden vermeld om de veiligheid van dit ingrediënt voor de volksgezondheid aan te tonen, worden geacht te volstaan om te bewijzen dat die proeven zijn verricht om te voldoen aan de voorschriften van verordening nr. 1223/2009 met het oog op toegang tot de markt van de Unie.

40 In dat verband is het niet relevant dat de dierproeven noodzakelijk waren om cosmetische producten in derde landen in de handel te brengen.

41 In de tweede plaats zij vastgesteld dat artikel 18, lid 1, onder b), van verordening nr. 1223/2009 geen onderscheid maakt naargelang de plaats waar de betrokken dierproef is verricht. Bij wege van uitlegging een dergelijk onderscheid invoeren, zou indruisen tegen de doelstelling van dierenbescherming die wordt nagestreefd door verordening nr. 1223/2009 in het algemeen en artikel 18 daarvan in het bijzonder.

42 Zoals in punt 34 van het onderhavige arrest is vastgesteld, tracht deze verordening immers actief aan te moedigen dat – op ruimere schaal dan in andere sectoren – alternatieve methoden zonder dieren worden gebruikt om de veiligheid van producten in de cosmetische sector te waarborgen, met name door proeven op dieren in die sector geleidelijk te doen verdwijnen. Dienaangaande zij vastgesteld dat de verwezenlijking van deze doelstelling ernstig in het gedrang zou komen indien de in artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1223/2009 neergelegde verboden handelingen konden worden omzeild door de verboden dierproeven buiten de Unie te verrichten.

43 In het licht van haar context en doelstellingen moet die bepaling dus aldus worden begrepen dat dierproeven die buiten de Unie zijn verricht teneinde cosmetische producten in derde landen in de handel te brengen, waarvan de resultaten worden gebruikt om de veiligheid van deze producten te bewijzen om ze in de Unie op de markt te kunnen brengen, moeten worden geacht te zijn verricht „om aan de voorschriften van deze verordening te voldoen”.

44 Het in artikel 18, lid 1, onder b), van verordening nr. 1223/2009 neergelegde verbod om producten in de handel te brengen kan dus van toepassing zijn indien de dierproeven in het hoofdgeding zijn verricht na de einddata voor de geleidelijke uitdoving van de verschillende proeven, zoals bepaald in artikel 18, lid 2, van deze verordening. Het staat aan de verwijzende rechter dit na te gaan.

45 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 18, lid 1, onder b), van verordening nr. 1223/2009 aldus moet worden uitgelegd dat het een verbod kan inhouden om in de Unie cosmetische producten op de markt te brengen met bepaalde ingrediënten waarvoor dierproeven buiten de Unie zijn verricht met het oog op het in de handel brengen van cosmetische producten in derde landen, indien de daaruit voortvloeiende resultaten worden gebruikt om de veiligheid van deze producten te bewijzen om ze in de Unie op de markt te kunnen brengen.

Kosten

46 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 18, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten moet aldus worden uitgelegd dat het een verbod kan inhouden om in de Europese Unie cosmetische producten op de markt te brengen met bepaalde ingrediënten waarvoor dierproeven buiten de Unie zijn verricht met het oog op het in de handel brengen van cosmetische producten in derde landen, indien de daaruit voortvloeiende resultaten worden gebruikt om de veiligheid van deze producten te bewijzen om ze in de Unie op de markt te kunnen brengen.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 19/10/2009 - 21:58
Laatst aangepast op: vr, 28/07/2017 - 14:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.