-A +A

Waterafloop

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 
Wettelijke basis
WET VAN 29-12-1992 ,
ART Art. 640 BW
 

De erfdienstbaarheid van waterafloop ontstaat door de loutere ligging der plaatsen.

wettelijke bepalingen: uittreksel uit het burgerlijk wetboek

Art. 640. Lager gelegen erven zijn jegens de hoger liggende gehouden het water te ontvangen dat daarvan buiten 's mensen toedoen natuurlijk afloopt.

De eigenaar van het lager gelegen erf mag geen dijk opwerpen waardoor de afloop verhinderd wordt.

De eigenaar van het hoger gelegen erf mag niets doen waardoor de erfdienstbaarheid van het lager gelegen erf verzwaard wordt.

Art. 641. Hij die in zijn erf een waterbron heeft, mag daarvan naar goeddunken gebruik maken, behoudens het recht dat de eigenaar van het lager gelegen erf door een titel of door verjaring mocht hebben verkregen.

Art. 642. De verjaring kan in dit geval niet verkregen worden dan door een onafgebroken genot van dertig jaren, te rekenen van het ogenblik waarop de eigenaar van het lager gelegen erf zichtbare werken heeft gemaakt en voltooid, die bestemd zijn om de val en de loop van het water op zijn eigendom te bevorderen.

Art. 643.
De eigenaar van de waterbron mag de loop ervan niet veranderen, wanneer deze aan de bewoners van een gemeente, dorp of gehucht het voor hen nodige water verschaft; indien echter de bewoners het gebruik daarvan niet hebben verworven, noch door verjaring verkregen, kan de eigenaar een vergoeding vorderen, die door deskundigen wordt vastgesteld.

Art. 644. Hij wiens eigendom paalt aan een lopend water dat volgens artikel 538, in de titel Onderscheiding van de goederen, niet behoort tot het openbaar domein, mag zich, waar het voorbijloopt, daarvan bedienen tot bevloeiing van zijn eigendommen.

Hij wiens erf door dat water doorsneden wordt, mag daarvan zelfs gebruik maken in de tussenruimte die het water er doorloopt, echter onder verplichting om het op de plaats waar het zijn erf verlaat, zijn gewone loop terug te geven.

Art. 645. Wanneer een geschil ontstaat tussen de eigenaars voor wie die waters nut kunnen opleveren, moet de rechtbank, bij haar uitspraak, het belang van de landbouw overeenbrengen met de eerbiediging van het eigendomsrecht; en in alle gevallen moeten de bijzondere en plaatselijke verordeningen betreffende de loop en het gebruik van de waters in acht worden genomen

rechtspraak:
 
• HOF VAN CASSATIE, 04/11/2005, RABG 2006/10, 707 

Samenvatting
Het gebruik dat een landbouwer maakt van een hoger gelegen erf overeenkomstig de bestemming ervan is geen verzwaring van de erfdienstbaarheid van het lager gelegen erf waarop modder terechtkomt die wordt meegevoerd met het water dat op natuurlijke wijze van het hoger gelegen erf afloopt.

• HOF VAN CASSATIE 01/10/2015, RW 2016-2017, 1224

AR nr. C.14.0484.N

E.V.E. en Chr. D. C. t/ B.S. en I.G.

...

1. Krachtens art. 640, eerste lid BW zijn lager gelegen erven jegens de hoger liggende ertoe gehouden het water te ontvangen dat daarvan buiten ’s mensen toedoen natuurlijk afloopt.

Art. 640, tweede lid BW bepaalt dat de eigenaar van het lager gelegen erf geen dijk mag opwerpen waardoor de afloop verhinderd wordt.

Volgens art. 701, eerste lid BW mag de eigenaar van het dienstbare erf niets doen dat ertoe strekt het gebruik van de erfdienstbaarheid te verminderen of ongemakkelijker te maken.

2. De rechter oordeelt in feite of het gebruik van de erfdienstbaarheid door toedoen van de eigenaar van het dienstbare erf al dan niet belemmerd wordt.

3. Het bestreden vonnis stelt vast dat:

– de ophoging geen invloed heeft op de hoeveelheid neerslag die op het terrein van de verweerders valt;

– wanneer het hele terrein gelijkmatig verhoogd wordt met dezelfde grond als die er al aanwezig was, zonder dat de hellingshoek verandert, in principe ook de hoeveelheid afstromend water van de neerslag op het terrein van de verweerders dezelfde zal zijn en die ook in dezelfde richting zal afstromen;

– de grond dezelfde doorlaatbaarheid heeft als vóór de ophogingswerken, zodat in principe dezelfde hoeveelheid neerslag zal indringen in de grond en ook dezelfde hoeveelheid zal afstromen;

– volgens de vaststellingen van het deskundigenverslag het perceel van de eisers op geen enkele wijze water kan ontvangen van het terrein van de verweerders;

– de natuurlijke afvloeiing langs het erf van de verweerders bemoeilijkt wordt door de afsluiting die tussen de erven van de partijen is opgericht met betonplaten die deels in de grond zitten en deels boven de grond uitsteken en de verweerders daarvoor niet verantwoordelijk zijn;

– de natuurlijke afloop naar het perceel van de verweerders verminderd wordt door de afboording van het gazon;

– volgens de vaststellingen van het deskundigenverslag “de occasionele wateroverlast op het opwaartse perceel [de eiser] (...) in de eerste plaats te wijten [is] aan een periodiek verhoogde watertafel, in combinatie met een stuwwatergrond. Bodemverslemping (...) een tweede oorzaak [kan] zijn. Het beste bewijs hiervan is dat de wateroverlast historisch blijkt te zijn, onafhankelijk van bebouwing en tuinaanleg” en “zonder ophoging (...) de situatie ongewijzigd [zou] zijn, daar deze de grondwatertafel niet zal beïnvloeden. Daarvoor is ze te weinig hoog. Enkel ter hoogte van de watertafel en dieper kan men spreken van een hydrostatisch potentieel. Daarboven beweegt zich grondwater in onverzadigde toestand, hoofdzakelijk verticaal naar beneden en niet zijdelings”.

4. Door op grond van die vaststellingen te oordelen dat de verweerders geen dijk hebben opgeworpen, noch, door de ophoging van hun erf, het gebruik van de erfdienstbaarheid van de eisers hebben verminderd of ongemakkelijker gemaakt, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen....

• HOF VAN CASSATIE 01/12/2011, Juridat

Artikel 640, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de lager gelegen erven jegens de hoger liggende gehouden zijn het water te ontvangen dat daarvan buiten 's mensen toedoen natuurlijk afloopt.

Dit artikel verplicht een lager gelegen erf niet om modderstromen te ontvangen die van een hoger gelegen erf afvloeien.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het naar recht.

Het arrest heeft wettelijk kunnen beslissen dat het erf van de eiser gebrekkig is in de zin van artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek op grond van de vaststelling dat "bij regenweer [daarvan] grote hoeveelheden modder ontsnappen die de rioleringen in de korste tijd verstoppen en het wegdek overspoelen".

• HOF VAN CASSATIE 01/10/2015

Samenvatting

De rechter oordeelt in feite of het gebruik van de erfdienstbaarheid van natuurlijke afloop van water van hoger gelegen erven op lager gelegen erven buiten ’s mensen toedoen door toedoen van de eigenaar van het dienstbare erf al dan niet belemmerd wordt (1). (1) Zie Cass. 6 maart 2003, AR C.01.0420.F, AC 2003, nr. 153.

Tekst arrest

Nr. C.14.0484.N
1. E. V. E.,
2. Chr. D. C.,
eisers,
1. B. S.,
2. I. G.,
verweerders,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, van 10 september 2014.

II. CASSATIEMIDDEL
De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 640, eerste lid, Burgerlijk Wetboek zijn lager gelegen erven jegens de hoger liggende gehouden het water te ontvangen dat daarvan buiten 's mensen toedoen natuurlijk afloopt.

Artikel 640, tweede lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de eigenaar van het lager gelegen erf geen dijk mag opwerpen waardoor de afloop verhinderd wordt.
Volgens artikel 701, eerste lid, Burgerlijk Wetboek mag de eigenaar van het dienstbare erf niets doen dat ertoe strekt het gebruik van de erfdienstbaarheid te verminderen of ongemakkelijker te maken.

2. De rechter oordeelt in feite of het gebruik van de erfdienstbaarheid door toedoen van de eigenaar van het dienstbare erf al dan niet belemmerd wordt.

3. Het bestreden vonnis stelt vast dat:
- de ophoging geen invloed heeft op de hoeveelheid neerslag die op het terrein van de verweerders valt;
- wanneer het hele terrein gelijkmatig verhoogd wordt met dezelfde grond als die er al aanwezig was, zonder dat de hellingshoek verandert, in principe ook de hoeveelheid afstromend water van de neerslag op het terrein van de verweerders dezelfde zal zijn en die ook in dezelfde richting zal afstromen;
- de grond dezelfde doorlaatbaarheid heeft als vóór de ophogingswerken, zodat in principe dezelfde hoeveelheid neerslag zal indringen in de grond en ook dezelfde hoeveelheid zal afstromen;
- volgens de vaststellingen van het deskundigenverslag het perceel van de eisers op geen enkele wijze water kan ontvangen van het terrein van de verweerders;
- de natuurlijke afvloeiing langs het erf van de verweerders bemoeilijkt wordt door de afsluiting die tussen de erven van de partijen is opgericht met betonpla-ten die deels in de grond zitten en deels boven de grond uitsteken en de ver-weerders daarvoor niet verantwoordelijk zijn;
- de natuurlijke afloop naar het perceel van de verweerders verminderd wordt door de afboording van het gazon;
- volgens de vaststellingen van het deskundigenverslag "de occasionele water-overlast op het opwaartse perceel [de eiser] (...) in de eerste plaats te wijten [is] aan een periodiek verhoogde watertafel, in combinatie met een stuwwatergrond. Bodemverslemping (...) een tweede oorzaak [kan] zijn. Het beste bewijs hiervan is dat de wateroverlast historisch blijkt te zijn, onafhankelijk van bebouwing en tuinaanleg" en "zonder ophoging (...) de situatie ongewijzigd [zou] zijn, daar deze de grondwatertafel niet zal beïnvloeden. Daarvoor is ze te weinig hoog. Enkel ter hoogte van de watertafel en dieper kan men spreken van een hydrostatisch potentiaal. Daarboven beweegt zich grondwater in onverzadigde toestand, hoofdzakelijk verticaal naar beneden en niet zijdelings".

4. Door op grond van die vaststellingen te oordelen dat de verweerders geen dijk hebben opgeworpen, noch, door de ophoging van hun erf, het gebruik van de erfdienstbaarheid van de eisers hebben verminderd of ongemakkelijker gemaakt, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.
Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eisers tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eisers op 941,36 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: vr, 05/05/2017 - 14:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.