-A +A

Waarde van een vordering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De bevoegdheid ratione summae (volgens de waarde van de vordering) moet ambtshalve door de rechter worden nagezien. Echter wordt deze bevoegdheid geacht niet de openbare orde te raken in de gevallen bedoeld in art. 592 Ger.W., dit is wanneer de waarde van de vordering niet bepaald is en de beslechting van de gestelde eis niet tot de uitsluitende en/of bijzondere bevoegdheid behoort van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel.

De waarde van de vordering is ondermeer van belang om te bepalen welke rechtbank bevoegd is en in hoeverre er al dan niet beroep kan ingesteld worden tegen de uitspraak. zie de regels mbt de aanleg. Verder is de waarde van de vordering bepalend voor de begroting van de gerechtskosten, de registratierechten en de rechtsplegingsvergoeding.

Hoe wordt de waarde van een vordering bepaald?

De waarde van de vordering is ondermeer van belang om te bepalen welke rechtbank bevoegd is en in hoeverre er al dan niet beroep kan ingesteld worden tegen de uitspraak. zie de regels mbt de aanleg. Verder is de waarde van de vordering bepalend voor de begroting van de gerechtskosten, de registratierechten en de rechtsplegingsvergoeding.

Hoe wordt de waarde van een vordering bepaald?

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek

Art. 557. Wanneer het bedrag van de vordering de volstrekte bevoegdheid bepaalt, wordt er onder verstaan de som die in de inleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke interest en van alle gerechtskosten, (alsook van de dwangsommen.) <W 31-01-1980 , art. 3>

commentaar:
 het gaat om de waarde van de vordering, los van enige gerechtelijke procedure en zodoende met abstractie van alle posten (sommen) die er ingevolge een gerechtelijke procedure kunnen bijkomen.Hierbij dient een onderscheid worden gemaakt tussen de vóór de inleidende akte vervallen interest, die deel uitmaakt deel uit van «de hoofdsom» en die mede de waarde van het gevorderde en dus ook de bevoegdheid én de appellabiliteit bepaalt) en de interest verschuldigd vanaf de dag van de inleidende akte, zijnde de gerechtelijke interest. Een gemaakt voorbehoud in de inleidende akte om de geëiste som eventueel later nog te verhogen heeft geen invloed op de waarde van de vordering. 
Opgelet: het bedrag dat in de laatste conclusie geëist wordt is bepalend inzake de aanleg maar heeft geen invloed op de materiële bevoegdheid.

 Art. 558. Wanneer de vordering verschillende punten bevat, worden deze samengevoegd tot bepaling van de bevoegdheid.

Art. 559. Wanneer de gevorderde som deel uitmaakt van een betwiste schuldvordering van een hoger bedrag, wordt de bevoegdheid bepaald door het bedrag dat op de titel is vermeld of in voorkomend geval door het bedrag van het saldo van gemelde schuldvordering, zelfs indien de gevorderde som minder hoog is.

Art. 560. Wanneer een of meer eisers optreden tegen een of meer verweerders, wordt de bevoegdheid bepaald door de totale gevorderde som, ongeacht ieders aandeel daarin.

Art. 561. Wanneer de titel van een uitkering tot onderhoud, van een altijddurende rente of een lijfrente wordt betwist, wordt de waarde van de vordering bepaald door het bedrag van de annuiteit of van twaalf maandelijkse termijnen, met tien vermenigvuldigd.

Art. 562. Het bedrag van de vordering betreffende vreemd geld, waarden en openbare effecten ter beurs genoteerd, wordt bepaald op basis van de laatste officiële kontante koers, vastgesteld vóór de dag van de vordering, overeenkomstig het reglement van de openbare fondsen- en wisselbeurs te Brussel.
Wanneer een waardepapier niet genoteerd wordt op de beurs te Brussel, maar op slechts één andere beurs in het Rijk, houdt men zich aan de koers die op deze beurs genoteerd is.
Wanneer een waardepapier niet genoteerd wordt op de beurs te Brussel, maar wel op verscheidene andere beurzen in het Rijk, houdt men zich aan de laatste koers vastgesteld vóór de dag van de vordering of, indien de beursnoteringen dezelfde dag zijn vastgesteld, aan de hoogste koers.

Regels inzake tegenvorderingen en vorderingen tot tussenkomst, inzake aanhangigheid en samenhang.

Art. 563. De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis van de tegenvorderingen, ongeacht hun aard en hun bedrag.
De arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel en de vrederechter nemen kennis van de tegenvorderingen die, ongeacht hun bedrag, onder hun volstrekte bevoegdheid vallen of die ontstaan hetzij uit de overeenkomst, hetzij uit het feit dat ten grondslag ligt aan de oorspronkelijke vordering.
Tegenvorderingen gegrond op het tergend of roekeloos karakter van een vordering, worden gebracht voor de rechter voor wie deze vordering aanhangig is.

Art. 564. De rechtbank waarvoor een vordering aanhangig is gemaakt, is bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot tussenkomst.

Art. 592. Wanneer de waarde van de vordering niet bepaald is en deze niet uitsluitend tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg of de rechtbank van koophandel behoort, kan zij, naar keuze van de eiser, voor de rechtbank van eerste aanleg of de rechtbank van koophandel, naar gelang van het geval, of voor de vrederechter worden gebracht.
Op verzoek van de verweerder verwijst de rechtbank de zaak naar de vrederechter, wanneer de waarde van de vordering kennelijk gelijkwaardig kan worden geacht met een bedrag dat de bevoegdheid van de vrederechter niet te boven gaat.
Op verzoek van de verweerder verwijst de vrederechter de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg of de rechtbank van koophandel, naar gelang van het geval, wanneer de waarde van de vordering kennelijk hoger is dan het bedrag waarvoor hij bevoegd is.

Rechtspraak:

Cass. 06/05/2016, C.15.0331.F, juridat

De vordering, die betrekking heeft op het voldoen, in natura, aan een verbintenis om iets te doen, zelfs als die gepaard gaat met een vordering tot vergoeding van de verleden schade, is een vordering waarvan de waarde niet is bepaald.

Wanneer er voor de eerste rechter een vordering van onbepaalde waarde is ingesteld en de partij die een exceptie van onbevoegdheid opwerpt, niet heeft gevorderd om de zaak te verwijzen naar de rechter die zij bevoegd acht, is de beslissing van het bestreden vonnis dat 'de eerste rechter bijgevolg bevoegd was om van het oorspronkelijke, voor hem gebrachte geschil kennis te nemen' naar recht verantwoord.

Art. 593. De vrederechter neemt kennis van de geschillen over de titel, die in ondergeschikt verband staan met de vorderingen die op geldige wijze voor hem aanhangig zijn.

Krachtens artikel 617 en 618, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek worden de vonnissen waarbij de vrederechter uitspraak doet over een vordering waarvan het bedrag 1.240 euro niet overschrijdt, gewezen in laatste aanleg en gelden voor het bepalen van de aanleg de regels gesteld bij de artikelen 557 tot 562 van het Gerechtelijk Wetboek.

Krachtens artikel 619 van het Gerechtelijk Wetboek wordt het geschil, bij gebreke van grondslagen voor de bepaling van de waarde van het geschil, zoals omschreven in de artikelen 557 tot 562 van het Gerechtelijk Wetboek, in eerste aanleg berecht.


Rechtspraak:

•• Vredegerecht te Westerlo 2 april 2007, R.W. 2007-2008 (71)
Pagina 877

 Overwegende dat zowel eerste en tweede verwerende partij op hoofdeis als de vrijwillig tussenkomende partij de bevoegdheid van Ons Ambt formeel betwisten. Eerstgenoemden wijzen als bevoegde rechter de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen aan, subsidiair de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout. Laatstgenoemde wijst de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout als bevoegde rechter aan.

Overwegende dat de bevoegdheid ratione summae wordt bepaald door de som die in de inleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke interest en alle gerechtskosten alsook van de dwangsommen (art. 557 Ger. W.). Dit is in het onderhavige geval 1.147,00 euro, te vermeerderen met de vergoedende en gerechtelijke intresten. Tevens wordt «uitdrukkelijk voorbehoud gevraagd voor de vergoeding van de nog bij haar vast te stellen schade» alsmede de benoeming van een gerechtsdeskundige-geneesheer.

Overwegende dat de materiële bevoegdheid enkel wordt bepaald door wat in geld wordt geëist op het ogenblik van de rechtsingang. De waarde van het geschil wordt niet beïnvloed door een in de inleidende akte gemaakt voorbehoud om de geëiste som eventueel later te verhogen (J. Laenens, «Artikelsgewijze commentaar Gerechtelijk Recht», art. 557, nr. 3 en voetnoot 11). Een zodanige vermeerdering van het in de inleidende akte gevorderde bedrag laat de materiële bevoegdheid van de eerst geadieerde rechter in beginsel geheel onverkort, ook al kan diens bevoegdheid aldus aanzienlijk verruimd worden (ibidem, voetnoten 8 en 9). Het bedrag dat in de laatste conclusie vermeld staat, beïnvloedt op generlei wijze de materiële bevoegdheid (ibidem, voetnoot 10). En met het bij tegeneis gevorderde bedrag dient ter zake van het bepalen van de waarde van de eis, evenmin rekening te worden gehouden (J. Laenens, «Overzicht van rechtspraak. Bevoegdheid», T.P.R. 2002, p. 1502, nr. 4 en voetnoot 12).

Overwegende dat de geadieerde rechter evenwel zijn bevoegdheid ambtshalve moet in twijfel trekken wanneer, zoals in casu, de bevoegdheidsregels duidelijk worden omzeild, daar bij voorbaat vaststaat dat de oorspronkelijk gevorderde som met toepassing van art. 807 Ger. W. in conclusie zal worden vermeerderd tot een bedrag dat Onze bevoegdheid ratione summae overschrijdt, omdat al vaststaat dat bij het kwestieuze schadefeit de pezen in de linkerschouder van eisende partij op hoofdeis volledig afscheurden, zij in het ziekenhuis diende te worden opgenomen, waar drie ankers in titanium in de linkerschouder werden ingeplant (tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 100% van 1 juli 2004 tot 30 september 2004 en verder 60% nader te bepalen, volgens verslag dr. P. van 26 oktober 2004) (J. Laenens, «Artikelsgewijze commentaar», art. 557, nr. 3; Id., «Overzicht van rechtspraak. Bevoegdheid», T.P.R. 2002, p. 1502, nr. 5; P. Heurterre, «Beschouwingen over de volstrekte bevoegdheid van de vrederechter», in De vrederechter en het gerechtelijk recht, G. Baeteman (red.), Antwerpen, Kluwer, 1992, p. 13, nr. 9).

Overwegende dat de zaak bijgevolg met toepassing van art. 660 Ger. W. dient te worden verzonden naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout.

Burgerlijke Rechtbank te Antwerpen, 26 maart 2012, RW 2013-2014, 951

samenvatting

Wanneer zowel een provisionele schadevergoeding als een onderzoeksmaatregel om het bedrag van de schade te bepalen worden gevorderd, ontbreekt de grondslag om de waarde van de vordering te bepalen, zodat het vonnis dat over het geschil uitspraak doet, vatbaar is voor hoger beroep (Cass. 22 juni 2000, RW 2000-01, 1238).

Maar wanneer in eerste aanleg de grondslag om de waarde van de vordering te bepalen wel degelijk kenbaar is en de eiser enkel een provisioneel bedrag van één euro vordert en de aanstelling van een deskundige, is deze handelwijze enkel ingegeven door de bedoeling de regels van de aanleg te omzeilen en zichzelf een tweede aanleg te verschaffen, wat een onrechtmatig belang inhoudt.

tekst arrest

J. Van B. t/ R.L.

I. Antecedenten

Het geding tussen de partijen betreft een ongeval van 26 juli 2009 omstreeks 10 u te Schilde in de Moerstraat. J. Van B. fietste samen met drie andere fietsers in de Moerstraat. R.L. was in dezelfde straat aan het wandelen met zijn hond. Volgens J. Van B. stak de hond plotseling de weg over vlak voor de wielen van de fietsers waardoor hij bruusk diende te remmen en J. Van B. over kop ging.

II. Procedure

De eerste rechter, die de oorspronkelijke vordering en de respectieve standpunten van de partijen nauwgezet heeft weergegeven, verklaarde in het bestreden vonnis van 2 mei 2011 de vordering van J. Van B. tegen R.L. toelaatbaar maar ongegrond.

Het hoger beroep, ingesteld door J. Van B., is gericht tegen R.L. Het beoogt de toewijzing van zijn oorspronkelijke vordering.

R.L. concludeert primair tot de afwijzing van het hoger beroep als ontoelaatbaar. Subsidiair meent hij dat het hoger beroep ongegrond is.

...

III. De toelaatbaarheid

Volgens R.L. is het hoger beroep ontoelaatbaar, aangezien de oorspronkelijke vordering van J. Van B. nooit meer zou bedragen hebben dan 811,31 euro. Hij voert aan dat J. Van B. voor de politierechter de vordering tot betaling van 1 euro provisioneel en de aanstelling van een deskundige enkel heeft gesteld met de bedoeling om de regels inzake de aanleg te omzeilen.

De vonnissen van de politierechtbank waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag 1.240 euro niet overschrijdt, worden in laatste aanleg gewezen (art. 617 Ger.W.).

De regels gesteld bij art. 557 tot 562 Ger.W. gelden voor het bepalen van de aanleg (art. 618, eerste lid Ger.W.).

Wanneer de vordering de volstrekte bevoegdheid bepaalt, wordt eronder verstaan de som die in de inleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke interest en van alle gerechtskosten, alsook van de dwangsommen (art. 557 Ger.W.).

Indien de vordering in de loop van het geding is gewijzigd, wordt de aanleg bepaald door de som die in de laatste conclusies wordt gevorderd (art. 618, tweede lid Ger.W.).

Wanneer een tegenvordering strekkende tot het uitspreken van een veroordeling ontstaat uit het feit dat aan de oorspronkelijke vordering ten grondslag ligt, wordt de aanleg bepaald door samenvoeging van het bedrag van de hoofdvordering en het bedrag van de tegenvordering (art. 620 Ger.W.).

In zijn enige conclusie voor de politierechter vorderde J. Van B. de veroordeling van R.L. tot betaling van 278,81 euro, vermeerderd met de vergoedende interesten uit hoofde van materiële schade en medische kosten en van 1 euro provisioneel met de aanstelling van een deskundige uit hoofde van letselschade (conclusie voor de politierechter van 3 december 2010). R.L. heeft geen tegenvordering ingesteld.

Bij gebreke van grondslagen voor de bepaling van de waarde van het geschil, wordt het geschil in eerste aanleg berecht (art. 619 Ger.W.).

De rechtbank sluit zich aan bij het Hof van Cassatie in zoverre dit oordeelde dat wanneer zowel een provisionele schadevergoeding als een onderzoeksmaatregel om het bedrag van de schade te bepalen worden gevorderd, de grondslag ontbreekt om de waarde van de vordering te bepalen, zodat het vonnis dat over het geschil uitspraak doet, vatbaar is voor hoger beroep (Cass. 22 juni 2000, RW 2000-01, 1238).

In deze zaak stelt de rechtbank echter vast dat er in de procedure voor de politierechter wel reeds een grondslag was om de waarde van de vordering te bepalen. Uit het door J. Van B. voorgelegde medisch attest van 25 maart 2010 blijkt namelijk dat er reeds op 31 oktober 2009 geconsolideerd werd en dat er geen restletsels waren (stuk 3 van J. Van B. dat eveneens voorkomt op de inventaris van de procedure voor de politierechter). Het was voor hem in zijn conclusies voor de politierechter van 3 december 2010 dan ook perfect mogelijk om op basis van dit stuk een definitieve vordering te stellen, wat hij trouwens in hoger beroep plots wel doet.

Het is dan ook opmerkelijk dat J. Van B. voor de politierechtbank niet primair de veroordeling van R.L. tot betaling van een schadevergoeding van 811,31 euro heeft gevorderd en louter subsidiair een provisioneel bedrag van 1 euro alsook de aanstelling van een deskundige voor wat de letselschade betreft.

De rechtbank is van oordeel dat de enige reden van deze onconventionele handelwijze erin bestond om de regels van de aanleg te omzeilen en zichzelf een tweede aanleg te verschaffen, wat een onrechtmatig belang inhoudt.

Het hoger beroep is bijgevolg ontoelaatbaar.

Nog dit: 

Rechtsleer:

• B. Maes, Rechtsplegingsvergoeding en gerechtelijk interest, RABG 2010/18, 1187

Rechtspraak:

• Cassatie 19 febrruari 2004, RW 2004-2005, 183

BVBA A.G.P. De P. t/ De C.

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 maart 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.

(...)

IV. Beslissing van het Hof

Eerste middel

Overwegende dat krachtens art. 618, eerste lid Ger.W. de regel gesteld bij art. 557 Ger.W. om de waarde van een vordering te bepalen inzake de volstrekte bevoegdheid, ook geldt voor het bepalen van de aanleg;

Dat krachtens dit art. 557 Ger.W. de waarde van de vordering dient te worden bepaald volgens de som die in de inleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke interest en van alle gerechtskosten alsook van de dwangsommen; dat onder gerechtelijke interest in de zin van deze bepaling wordt verstaan elke interest vervallen vanaf de dag van de inleidende akte;

Overwegende dat art. 618, tweede lid Ger.W. preciseert dat, indien de vordering in de loop van het geding is gewijzigd, de aanleg wordt bepaald door de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd; dat deze precisering geen afbreuk doet aan art. 557 Ger.W. in zoverre dit bepaalt dat de waarde van de vordering moet worden bepaald met uitsluiting van de gerechtelijke interest en van alle gerechtskosten alsook van de dwangsommen;

Overwegende dat de appèlrechters, die oordelen dat de in de laatste conclusie van verweerder gevorderde «conventionele» interest, vervallen na de inleidende dagvaarding, geen gerechtelijke interest uitmaakt en voorts deze interest in rekening brengen voor het bepalen van de aanleggrens, art. 557, 617, eerste lid en 618 Ger.W. schenden;

Dat het middel gegrond is.

Met ompmstandige noot, Mosselmans, Gerechtelijke interest telt niet mee bij het bepalen van de aanleggrens gepubliceerd onder dit arrest in het RW

Commentaar: 

Hof van Cassatie, 1e Kamer – 10 mei 2012, RW 2012-2013, 1263

AR nr. C.11.0132.N

Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds t/ Vlaams Gewest

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis van de Politierechtbank te Vilvoorde van 29 april 2010.

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De verweerder werpt de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op omdat het bestreden vonnis uitspraak doet over een vordering tot veroordeling van de eiser tot betaling van een hoofdsom, vermeerderd met de vergoedende rente, maar zonder de rentevoet noch de looptijd van deze interest te preciseren, waardoor de grondslagen voor de bepaling van de waarde van het geschil niet voorhanden zijn. Het vonnis is aldus overeenkomstig art. 619 Ger.W. in eerste aanleg gewezen en niet voor cassatieberoep vatbaar.

2. Krachtens art. 608 Ger.W.neemt het Hof kennis van de beslissingen in laatste aanleg.

Krachtens art. 618, eerste lid Ger.W. gelden de regels gesteld bij de artikelen 557 tot 562 voor het bepalen van de aanleg.

Art. 557 Ger.W. bepaalt dat hierbij rekening wordt gehouden met de som die in de inleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke interest en van alle gerechtskosten alsook van de dwangsommen.

Wanneer de politierechtbank, inzake de geschillen bedoeld in art. 601bis Ger.W. uitspraak doet over een vordering waarvan het bedrag 1.240 euro niet overschrijdt, worden deze vonnissen krachtens art. 617 Ger.W. gewezen in laatste aanleg.

Krachtens art. 619 Ger.W. wordt het geschil in eerste aanleg berecht “bij gebreke van grondslagen voor de bepaling van de waarde van het geschil, zoals zij omschreven zijn in de artikelen 557 tot 562”.

3. Bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet uitdrukkelijk de rentevoet van de vergoedende rente bepalen. Indien hij dat niet uitdrukkelijk doet, geldt de wettelijke rentevoet.

Hieruit volgt dat wanneer de eisende partij de rentevoet van de gevorderde vergoedende rente niet heeft bepaald, moet worden aangenomen dat zij de wettelijke rentevoet vordert.

4. Voorts blijkt uit de vaststellingen van het bestreden vonnis dat de vordering van de verweerder werd ingesteld bij dagvaarding van 9 april 2009 en “strekte tot regeling van de materiële gevolgen van een verkeersongeval dat gebeurde op 19 februari 2004”.

5. Het middel van niet-ontvankelijkheid dat ervan uitgaat dat de grondslagen voor de bepaling van de waarde van het geschil niet voorhanden zijn, dient te worden verworpen.

Noot onder dit arrest, C. Idomon, Vergoedende interest en de aanleggrens in art. 617 Ger.W. mert talrijke verwijzingen.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: vr, 09/02/2018 - 12:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.