-A +A

Vrije beroepen zijn onderworpen aan marktpraktijkenwet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
woe, 06/04/2011
A.R.: 
55/2011

De artikelen 2, 1° en 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij als gevolg hebben dat de beoefenaars van een vrij beroep, alsook de tandartsen en de kinesisten, van het toepassingsgebied van die wet zijn uitgesloten.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2011
Pagina: 
298
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 2, 1° en 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, gesteld door de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot,

L.            L avrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter

M.          Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

*

2

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 15 juli 2010 in zake Lieve Rombouts tegen Liesbeth De Cock, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 juli 2010, heeft de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, zitting houdende zoals in kort geding, de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de artikelen 2, 1 ° en 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (` W.M.P.C. ´), al dan niet gelezen in samenhang met artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen en met de artikelen 2, a), b) en d), en 3.1 van de Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,

- doordat zij de beoefenaars van een vrij beroep uit de toepassing van de W.M.P.C. sluiten, waardoor hun marktpraktijken niet aan de bepalingen van deze wet kan worden getoetst en een vordering tot staking van oneerlijke marktpraktijken voor de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg moet worden gebracht, terwijl het marktgedrag van alle andere natuurlijke personen of rechtspersonen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven wel aan de normen bepaald door de W.M.P.C. wordt getoetst, en de stakingsvorderingen wat hen betreft voor de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel wordt gebracht ?

- doordat zij de tandartsen en de kinesisten uit de toepassing van de W.M.P.C. sluiten, waardoor hun marktpraktijken niet aan de bepalingen van deze wet kan worden getoetst en een vordering tot staking van one erlijke marktpraktijken voor de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg moet worden gebracht, terwij l het marktgedrag van alle andere ondernemingen die noch koopman zijn in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel, noch onderworpen zijn aan een bij wet opgericht tuchtorgaan aan de normen bepaald door de W.M.P.C. wordt getoetst, en de stakingsvorderingen wat hen betreft voor de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel wordt gebracht ? ».

De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 1 maart 2011 :

- is verschenen : Mr. M. Gouverneur loco Mr. E. Balate, advocaten bij de balie te Bergen, voor de Ministerraad;

- hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord;

- is de zaak in beraad genomen.

3

De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

II.            De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil

Logopediste Liesbeth De Cock verliet de associatie van kinesisten, psychologen en logopedisten waar zij werkte en stuurde vervolgens op 30 mei 2010 een e-mail naar de ouders van patiënten van die praktijk met de kennisgeving dat zij zich elders zou vestigen en dat het hun vrij stond haar te volgen naar haar nieuwe adres. De beheerster van de groepspraktijk, de kinesiste Lieve Rombouts, dagvaardde Liesbeth De Cock daarop voor de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, zitting houdende zoals in kort geding, teneinde te doen oordelen dat zij zich schuldig had gemaakt aan een oneerlijke marktpraktijk in de zin van artikel 95 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (hierna : WMPC). Tevens vorderde Lieve Rombouts een verbod om gedurende zes maanden in de omliggende gemeenten het beroep uit te oefenen waarvoor Liesbeth De Cock de patiënten had geronseld, een verbod om nog patiënten van de groepspraktijk te prospecteren en een teruggave van de patiënteninformatie, dit alles op straffe van een dwangsom van 5 000 euro.

De verwijzende rechter merkt op dat de beroepen van kinesist en van logopedist traditioneel tot de vrije beroepen worden gerekend en dat artikel 3, § 2, van de WMPC bepaalt dat die wet niet van toepassing is op de beoefenaars van een vrij beroep, de tandartsen en de kinesisten. Ingevolge die bepaling zou hij zichzelf onbevoegd moeten verklaren ten voordele van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Tevens zou op de eisende partij een zwaardere bewijslast rusten, nu de op vrije beroepers toepasselijke wetgeving, de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen, geen algemeen verbod op oneerlijke marktpraktijken bevat. Aangezien logopedisten niet onder de definitie van « vrij ber oep » uit de WMPC vallen, doordat zij niet zijn onderworpen aan een bij wet opgericht tuchtorgaan, is die wet volgens de verwijzende rechter wel op hen van toepassing, maar niet op de kinesisten. Aangezien beide beroepsgroepen nochtans, net zoals handelaars, op duurzame wijze een economisch doel nastreven en gelet op de invulling die het Hof van Justitie aan het begrip « onderneming » geeft, stelt de verwijzende rechter de voormelde prejudiciële vraag.

III.          In rechte - A -

A.1         De Ministerraad merkt op dat de gestelde prejudiciële vraag uiteenvalt in twee deelvragen. De eerste deelvraag betreft de uitsluiting van de beoefenaars van een vrij beroep, de tandartsen en de kinesisten uit het toepassingsgebied van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (hierna : WMPC). De tweede deelvraag betreft de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van koophandel, zitting houdende zoals in kort geding, voor de vordering tot staking van oneerlijke marktpraktijken.

Voor elk van beide deelvragen maakt de verwijzende rechter een tweevoudige vergelijking. Hij vergelijkt, enerzijds, de beoefenaars van een vrij beroep, de tandartsen en de kinesisten, met de andere natuurlijke personen of rechtspersonen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven en, anderzijds, de tandartsen en de kinesisten met de andere ondernemingen die geen koopman zijn in de zin van artikel 1 van het Wetboek van koophandel, noch onderworpen zijn aan een bij wet opgericht tuchtorgaan.

A.2         Wat de eerste deelvraag betreft, wijst de Ministerraad erop dat er geen sprake is van een ongelijke behandeling, doordat de krachtens de artikelen 18 tot 24 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen (hierna : WVB) bevoegde rechter, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de bepalingen van de WVB in overeenstemming met het Europees recht dient te interpreteren. Zo zouden particulieren, ondanks het gebrek aan omzetting in het nationale recht, rechten kunnen putten uit de richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 « betreffende oneerlijke

4

handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad » (hierna : de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken), in alle gevallen waarin de bepalingen van de richtlijn onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg is volgens de Ministerraad verplicht een richtlijnconforme interpretatie van de ontoereikende WVB te geven.

A.3.1. Wat de tweede deelvraag betreft, betoogt de Ministerraad dat zij slechts betrekking heeft op de procedurekeuze. Het zou de wetgever zijn toegestaan de materiële bevoegdheid betreffende twee verschillende beroepsgroepen toe te wijzen aan twee verschillende rechtscolleges, indien hij van oordeel is dat die bevoegdheidsverdeling is verantwoord in het licht van de specifieke kenmerken van de ene beroepsgroep tegenover de andere.

De bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van koophandel inzake stakingsvorderingen is volgens de Ministerraad een exclusieve bevoegdheid, terwijl de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de gebruikelijke kortgedingrechter is. Een andere uitlegging zou de door het Gerechtelijk Wetboek gemaakte keuzes in het gedrang brengen.

Ook de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken of enige andere bepaling of beginsel van Europees recht zou niet verbieden dat de controle op de naleving ervan wordt toegewezen aan twee verschillende rechters.

Een gevaar van onderscheiden invulling van de stakingsvordering zou geen argument zijn, aang ezien dat gevaar eveneens dreigt bij twee verschillende voorzitters van rechtbanken van koophandel.

A.3.2. De Ministerraad verwij st voor de tweede deelvraag voorts naar de vaste rechtspraak van het Hof waarin wordt geoordeeld dat de toepassing van verschillende procedures voor verschillende rechtscolleges op zich niet discriminerend is, indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedures niet gepaard gaat met een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken partijen. In casu zou de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg over niet minder mogelijkheden beschikken dan de voorzitter van de rechtbank van koophandel, zodat van een onevenredige inperking van de rechten van de betrokken partijen geen sprake zou zijn.

A.4         Wat het criterium van ondersch eid betreft, wijst de Ministerraad erop dat de beoefenaar van een vrij beroep per definitie daden met een burgerlijk karakter stelt, terwijl de rechtbank van koophandel slechts bevoegd is voor daden met een handelskarakter. Artikel 2, 2°, van de WMPC zou in zijn definitie van het begrip « beoefenaar van een vrij beroep » overigens verwijzen naar het feit dat hij geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van koophandel.

A.5         Wat de redelijke verantwoording betreft, betoogt de Ministerraad dat de beoefenaar van een vrij beroep een bijzondere positie in de maatschappij bekleedt, doordat hij waakt over de openbare orde en openbare veiligheid en dus een zekere maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft. Dit zou met name gelden voor artsen, notarissen en gerechtsdeurwaarders.

Daarnaast zouden de beoefenaars van de vrije beroepen zich onderscheiden van andere ondernemingen door hun onafhankelijkheid, hun deontologie en hun op discretie steunende vertrouwensrelatie met de cliënt.

- B -

B.1.1. De wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (hierna : WMPC) is, net zoals de richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 « betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en

5

van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad » (hierna : de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken) waarop zij grotendeels is gebaseerd, van toepassing op « ondernemingen ».

Het begrip « onderneming » in de zin van het recht van de Europese Unie omvat ook de beoefenaars van een vrij beroep (HvJ, 12 september 2000, C-180/98-C-184/98, Pavlov e.a., punt 77; HvJ, 19 februari 2002, C-309/99, Wouters e.a., punten 45-49).

B.1.2. In tegenstelling tot voormelde richtlijn, sluit artikel 3, § 2, van de WMPC evenwel de beoefenaars van een vrij beroep, alsook de tandartsen en de kinesisten, uit van haar toepassingsgebied. De « beoefenaar van een vrij beroep » wordt door artikel 2, 2°, van de WMPC gedefinieerd als « elke onderneming die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van koophandel en die onderworpen is aan een bij wet opgericht tuchtorgaan ».

B.1.3. De beoefenaars van een vrij beroep zijn daarentegen wel onderworpen aan de bepalingen van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen (hierna : WVB), voor zover zij vallen onder de andersluidende definitie van « vrij beroep » in artikel 2, 1 °, van die wet, zijnde « elke zelfstandige beroepsactiviteit die dienstverlening of levering van goederen omvat welke geen daad van koophandel of ambachtsbedrijvigheid is, zoals bedoeld in de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister en die niet wordt bedoeld in de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, met uitsluiting van de landbouwbedrijvigheden en de veeteelt ».

De WVB is evenwel nog niet aangepast aan de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken. Zij bevat slechts een regeling betreffende misleidende reclame, onrechtmatige bedingen en overeenkomsten op afstand, maar bevat geen algemeen verbod op oneerlijke handelspraktijken, hoewel artikel 5, lid 1, van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken, die diende te worden omgezet vóór 12 juni 2007, dat voorschrijft.

6

de WMPC en, anderzijds, de daaruit voortvloeiende onbevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van koophandel voor de stakingsvordering wegens oneerlijke marktpraktijken.

In tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt, dienen beide deelvragen samen te worden behandeld, aangezien de onbevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van koophandel tevens een inhoudelijk gevolg heeft. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kan krachtens artikel 18 van de WVB immers enkel de staking bevelen van een daad die een inbreuk op de bepalingen van die wet uitmaakt en kan zodoende geen toepassing maken van een algemeen verbod op oneerlijke marktpraktijken.

In tegenstelling tot wat de Ministerraad voorhoudt, kan die lacune in de omzetting van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken niet worden opgevuld door de rechter. Particulieren kunnen uit een niet-omgezette richtlijn immers enkel rechten putten ten aanzien van de overheid, maar niet ten aanzien van andere particulieren (HvJ, 14 juli 1994, C-91/92, Faccini Dori, punt 24). Evenmin kan de rechter een richtlijncon forme interpretatie geven aan hoofdstuk V van de WVB, aangezien de bepalingen van dat hoofdstuk slechts vatbaar zijn voor een interpretatie die met die richtlijn strijdig is.

B.3.1. Volgens een vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is een onderneming « elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd » (HvJ, 23 april 1991, C-41/90, Höfner en Elser, punt 21; HvJ, 16 november 1995, C-244/94, Fédération frangaise des sociétés d'assurances e.a., punt 14; HvJ, 19 februari 2002, C-309/99, Wouters e.a., punt 46).

Een « economische activiteit » is volgens het Hof van Justitie « iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt » (HvJ, 16 juni 1987, 118/85, Commissie t. Italië, punt 7; HvJ, 18 juni 1998, C-35/96, Commissie t. Italië, punt 36; HvJ, 19 februari 2002, C-309/99, Wouters e.a., punt 47).

B.3.2. Artikel 2, 1 °, van de WMPC definieert de « onderneming » als « elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen ». Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat dit begrip moet worden opgevat in dezelfde zin als het begrip « onderneming » in het nationale en het Europese

7

mededingingsrecht, behoudens voor wat betreft de beoefenaars van vrije beroepen, de tandartsen en de kinesisten (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2340/001, p. 14).

Artikel 2, 6°, van de WMPC definieert het begrip « dienst » als « elke prestatie verricht door een onderneming in het kader van haar professionele activiteit of in uitvoering van haar statutair doel ».

B.4. Ten aanzien van de bescherming van de consument bevinden de beoefenaars van een vrij beroep en de andere ondernemingen zich in voldoende vergelijkbare situaties, aangezien zij beiden in de eerste plaats beogen beroepsmatig te voorzien in hun levensonderhoud. Beide categorieën streven hun economisch doel alleen of in een associatie onder de rechtsvorm van een vennootschap na. Beide categorieën dragen de aan de uitoefening van die activiteiten verbonden financiële risico's, omdat zij in geval van een verschil tussen uitgaven en inkomsten zelf het tekort dienen te dragen.

Hoewel de beoefenaars van vrije beroepen zich doorgaans beperken of krachtens hun deontologische codes dienen te beperken tot het leveren van intellectuele diensten, komt het eveneens voor dat zij daden stellen die als daden van koophandel zijn aan te merken. Omgekeerd bestaat de duurzame economische activiteit van verscheidene ondernemingen die geen beoefenaars van een vrij beroep zijn, erin intellectuele diensten aan te bieden.

Ten aanzien van zowel de beoefenaars van een vrij beroep als de andere ondernemingen dient bijgevolg op gelijke wijze hun gedrag op de economische markten in juiste banen te worden geleid, dient de goede werking van het concurrentiespel te worden verzekerd, en dienen de belangen van de concurrenten en de afnemers van goederen en diensten te worden beschermd.

B.5.1. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedures voor verschillende rechtscolleges, is op zich niet discriminerend. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn, indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedures gepaard zou gaan met een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken partijen.

8

B.5.2. De vordering tot staking op grond van de artikelen 18 tot 24 van de WVB kan slechts op ontvankelijke wijze worden ingeleid indien zij betrekking heeft op de bepalingen van die wet. Zij kan dus slechts betrekking hebben op misleidende reclame, onrechtmatige bedingen of overeenkomsten gesloten op afstand, maar niet op de andere verboden marktpraktijken in de zin van de WMPC en evenmin op een algemeen verbod op oneerlijke marktpraktijken. De consument en de concurrent beschikken bijgevolg niet over een vordering tot staking indien dergelijke praktijken worden gepleegd door een onderneming die niet onder het toepassingsgebied van de WMPC, maar wel onder het toepassingsgebied van de WVB valt.

B.6.1. In de parlementaire voorbereiding wordt niet uiteengezet waarom het begrip « beoefenaar van een vrij beroep » wordt beperkt tot die vrije beroepen die zijn onderworpen aan een bij wet opgericht tuchtorgaan. Nochtans heeft die beperking als gevolg dat sommige beoefenaars van beroepen die traditioneel als vrij beroep worden beschouwd, toch zijn onderworpen aan de bepalingen van de WMPC en bij gev olg voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel kunnen worden aangesproken met een vordering tot staking op grond van het algemene verbod op oneerlijke marktpraktijken, louter op grond van het gegeven dat voor hun beroepscategorie g een bij wet opgericht tuchtorgaan bestaat.

B.6.2. Daarnaast worden twee soorten van beoefenaars van vrije beroepen waarvoor geen bij wet opgericht tuchtorgaan bestaat, te weten de tandartsen en de kinesisten, uitgesloten uit het toepassingsgebied van de WMPC. In de parlementaire voorbereiding wordt die keuz e als volgt verantwoord :

« Het wetsontwerp is evenmin van toepassing op tandartsen en kinesisten. Deze beroepscategorieën zijn weliswaar niet onderworpen aan een bij wet opgericht tuchtorgaan, maar worden traditioneel toch tot de vrije beroepen gerekend » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2340/001, p. 36).

Die motivering kan evenwel niet verklaren waarom de WMPC wel van toepassing is op de andere beroepen die traditioneel tot de vrije beroepen worden gerekend en die niet zijn onderworpen aan een bij wet opgericht tuchtorgaan.

9

B.7.1. Volgens de Ministerraad is het onderscheid tussen beoefenaars van vrije beroepen en andere ondernemingen verantwoord doordat de beoefenaars van vrije beroepen een zekere maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben, over een eigen deontologie beschikken, en worden gekenmerkt door een hoge graad van onafhankelijkheid en een op discretie steunende vertrouwensrelatie met de cliënt.

B.7.2. Zelfs in de mate waarin die kenmerken en waarden verschillen van die van de ondernemingen die niet onder de definitie van het « vrij beroep » vallen, verantwoorden zij niet dat voor bepaalde door beoefenaars van vrije beroepen verrichte daden niet dezelfde bescherming van de consument en van de concurrent bestaat als onder de WMPC. De Ministerraad toont immers niet aan op welke wijze de toepasselijkheid van de WMPC en de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van koophandel de voormelde kenmerken en waarden in het gedrang zouden kunnen brengen.

Zoals ook blijkt uit artikel 3, lid 8, van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken, doet de toepasselijkheid van de WMPC overigens geen afbreuk aan de vestigingsvoorwaarden, de vergunningsregelingen, de deontologische gedragscodes of andere specifieke voorschriften die op de vrije beroepen betrekking hebben om de voormelde kenmerken en waarden te waarborgen.

B.8. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

10

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 2, 1 ° en 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij als gevolg hebben dat de beoefenaars van een vrij beroep, alsook de tandartsen en de kinesisten, van het toepassingsgebied van die wet zijn uitgesloten.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbar e terechtzitting van 6 april 2011.


• Grondwettelijk Hof, 09/07/2013, RW 2013-2014, 781

Samenvatting:

Het Hof vernietigt art. 2, 2° en art. 3, § 2 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming. Het hog had reeds in eerdere arresten deze bepalingen strijdig geacht met art. 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij tot gevolg hebben dat de beoefenaren van een vrij beroep van het toepassingsgebied van die wet zijn uitgesloten. Ten aanzien van zowel de beoefenaren van een vrij beroep als de andere ondernemingen dient bijgevolg op gelijke wijze hun gedrag op de economische markten in juiste banen te worden geleid, dient de goede werking van het concurrentiespel te worden verzekerd en dienen de belangen van de concurrenten en de afnemers van goederen en diensten te worden beschermd.

Tekst van het arrest

Arrest nr. 99/2013

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden (...) hebben (...), ingevolge het arrest van het Hof nr. 192/2011 van 15 december 2011 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 maart 2012), beroep tot vernietiging ingesteld van art. 2, 1° en 2° en art. 3, § 2 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming.

...

In rechte

B.1. Art. 2, 1° en 2° en art. 3, § 2 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (hierna: WMPC) bepalen:

“Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

1° onderneming: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen;

2° beoefenaar van een vrij beroep: elke onderneming die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van koophandel en die onderworpen is aan een bij wet opgericht tuchtorgaan;

[…]

“Art. 3. […]

§ 2. Deze wet is niet van toepassing op de beoefenaars van een vrij beroep, de tandartsen en de kinesisten”.

...

B.4.1. De WMPC is, net zoals de richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 “betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad” (hierna: de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken) waarop zij grotendeels is gebaseerd, van toepassing op “ondernemingen”.

Het begrip “onderneming” in de zin van het recht van de Europese Unie omvat ook de beoefenaren van een vrij beroep (HvJ 12 september 2000, C-180/98-C-184/98, Pavlov e.a., punt 77; HvJ 19 februari 2002, C-309/99, Wouters e.a., punten 45-49).

B.4.2. In tegenstelling tot voormelde richtlijn, sluit art. 3, § 2 van de WMPC evenwel de beoefenaren van een vrij beroep, alsook de tandartsen en de kinesisten, uit van haar toepassingsgebied. De “beoefenaar van een vrij beroep” wordt door art. 2, 2° van de WMPC gedefinieerd als “elke onderneming die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van koophandel en die onderworpen is aan een bij wet opgericht tuchtorgaan”.

B.4.3. De beoefenaren van een vrij beroep zijn daarentegen wel onderworpen aan de bepalingen van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen (hierna: WVB), voor zover zij vallen onder de andersluidende definitie van “vrij beroep” in art. 2, 1° van die wet, zijnde “elke zelfstandige beroepsactiviteit die dienstverlening of levering van goederen omvat welke geen daad van koophandel of ambachtsbedrijvigheid is, zoals bedoeld in de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister en die niet wordt bedoeld in de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, met uitsluiting van de landbouwbedrijvigheden en de veeteelt”.

B.5. Het beroep, ingesteld op grond van art. 4, tweede lid van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ingevolge het arrest nr. 192/2011 van 15 december 2011, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 maart 2012, heeft betrekking op de uitsluiting van de beoefenaren van vrije beroepen uit het toepassingsgebied van de WMPC.

B.6.1. Volgens een vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is een onderneming “elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd” (HvJ 23 april 1991, C-41/90, Höfner en Elser, punt 21; HvJ 16 november 1995, C-244/94, Fédération française des sociétés d’assurances e.a., punt 14; HvJ 19 februari 2002, C-309/99, Wouters e.a., punt 46).

Een “economische activiteit” is volgens het Hof van Justitie “iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt” (HvJ 16 juni 1987, 118/85, Commissie t/ Italië, punt 7; HvJ 18 juni 1998, C-35/96, Commissie t/ Italië, punt 36; HvJ 19 februari 2002, C-309/99, Wouters e.a., punt 47).

B.6.2. Art. 2, 1° van de WMPC definieert de “onderneming” als “elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen”. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat dit begrip moet worden opgevat in dezelfde zin als het begrip “onderneming” in het nationale en het Europese mededingingsrecht, behalve voor wat betreft de beoefenaren van vrije beroepen, de tandartsen en de kinesisten (Parl.St. Kamer 2009-10, DOC 52-2340/001, p. 14).

Art. 2, 6o van de WMPC definieert het begrip “dienst” als “elke prestatie verricht door een onderneming in het kader van haar professionele activiteit of in uitvoering van haar statutair doel”.

B.7. Ten aanzien van de bescherming van de consument bevinden de beoefenaren van een vrij beroep en de andere ondernemingen zich in voldoende vergelijkbare situaties, aangezien zij beide in de eerste plaats beogen beroepsmatig te voorzien in hun levensonderhoud. Beide categorieën streven hun economisch doel alleen of in een associatie in de rechtsvorm van een vennootschap na. Beide categorieën dragen de aan de uitoefening van die activiteiten verbonden financiële risico’s, omdat zij in geval van een verschil tussen uitgaven en inkomsten zelf het tekort dienen te dragen.

Hoewel de beoefenaren van vrije beroepen zich doorgaans beperken of krachtens hun deontologische codes dienen te beperken tot het leveren van intellectuele diensten, komt het eveneens voor dat zij daden stellen die als daden van koophandel zijn aan te merken. Omgekeerd bestaat de duurzame economische activiteit van verschillende ondernemingen die geen beoefenaren van een vrij beroep zijn, erin intellectuele diensten aan te bieden.

Ten aanzien van zowel de beoefenaren van een vrij beroep als de andere ondernemingen dient bijgevolg op gelijke wijze hun gedrag op de economische markten in juiste banen te worden geleid, dient de goede werking van het concurrentiespel te worden verzekerd en dienen de belangen van de concurrenten en de afnemers van goederen en diensten te worden beschermd.

B.8. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedures voor verschillende rechtscolleges, is op zich niet discriminerend. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn, indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedures gepaard zou gaan met een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken partijen.

B.9. In de parlementaire voorbereiding wordt niet uiteengezet waarom het begrip “beoefenaar van een vrij beroep” wordt beperkt tot die vrije beroepen die zijn onderworpen aan een bij wet opgericht tuchtorgaan. Nochtans heeft die beperking als gevolg dat sommige beoefenaren van beroepen die traditioneel als vrij beroep worden beschouwd, toch zijn onderworpen aan de bepalingen van de WMPC en bijgevolg voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel kunnen worden aangesproken met een vordering tot staking op grond van het algemene verbod op oneerlijke marktpraktijken, louter op grond van het gegeven dat voor hun beroepscategorie geen bij wet opgericht tuchtorgaan bestaat.

B.10. De beoefenaren van vrije beroepen hebben weliswaar een zekere maatschappelijke verantwoordelijkheid, beschikken over een eigen deontologie en worden gekenmerkt door een hoge graad van onafhankelijkheid en een op discretie gebaseerde vertrouwensrelatie met de cliënt.

Zelfs in de mate waarin die kenmerken en waarden verschillen van die van de ondernemingen die niet onder de definitie van het “vrij beroep” vallen, verantwoorden zij niet dat voor bepaalde door beoefenaren van vrije beroepen verrichte daden niet dezelfde bescherming van de consument en van de concurrent bestaat als onder gelding van de WMPC. Er wordt niet aangetoond op welke wijze de algemene toepasselijkheid van de WMPC de voormelde kenmerken en waarden in het gedrang zou kunnen brengen.

Zoals ook blijkt uit art. 3, achtste lid van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken, doet de toepasselijkheid van de WMPC overigens geen afbreuk aan de vestigingsvoorwaarden, de vergunningsregelingen, de deontologische gedragscodes of andere specifieke voorschriften die op de vrije beroepen betrekking hebben om de voormelde kenmerken en waarden te waarborgen.

B.11. Art. 2, 2° van de bestreden wet is onlosmakelijk verbonden met art. 3, § 2 en dient bijgevolg eveneens te worden vernietigd.

B.12. Het middel is gegrond.

NOOT – In de prejudiciële arresten nrs. 55/2011 en 192/2011 van 6 april respectievelijk 15 december 2011 had het Grondwettelijk Hof reeds geoordeeld dat enkele bepalingen van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming art. 10 en 11 van de Grondwet schenden in zoverre zij tot gevolg hebben dat de beoefenaren van een vrij beroep (alsook de tandartsen en kinesisten) van het toepassingsgebied van die wet zijn uitgesloten (zie RW 2011-12, 903, noot D. Mertens).

Het beroep tot vernietiging dat tot het geannoteerde heeft geleid, werd ingesteld op grond van art. 4, tweede lid van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat een nieuwe termijn van zes maanden openstelt, na de kennisgeving of bekendmaking van een prejudicieel arrest, teneinde de vernietiging van de ongrondwettig bevonden bepalingen te vorderen. Het Hof preciseert in dat verband dat de openstelling van een nieuwe termijn niet is beperkt tot het geval dat het Hof voor het eerste de betrokken bepalingen ongrondwettig heeft bevonden.

Noot onder dit arrest in het RW:

• B. Ponet en H. Lamon, “Is een vrije beroeper geen ondernemer zoals een andere?”, RW 2013-14, 562.
 

 

Noot: 

• Marek Verhoeven, Vrije beroepen onderworpen aan de marktpraktijkenwet, De Juristenkrant 228, 20 april 2011, pagina 1

• Hugo Lamon, Solden bij de advocaat en de dokter,  De Juristenkrant 228, 20 april 2011, pagina 11

• X. Marktpraktijkenwet geldt voor beoefenaars vrije beroepen, NJW 241, 300

• Dit arrest werd ook in het RW 2011-2012, 903 gepubliceerd, met noot D. Mertens Mag de vrije beroepsbeoefenaar eindelijk gewoon “onderneming” heten?


zie in zelfde zin:

 

GwH 9 juli 2013, nr. 2013/99, NjW 2013, 793.
 
In zake: het beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 1° en 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betrefende marktpraktijken en consumentenbescherming, ingesteld door Michel Dussart en anderen.
 
I.ONDERWERP VAN HET BEROEP EN RECHTSPLEGING
 
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 september 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 7 september 2012, hebben Michel Dussart, wonende te 1410 Waterloo, Clos de Bérine 42, de vzw “Rélexions immobilières”, met maatschappelijke zetel te 1380 Lasne, rue Péchère 2, en het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars, met zetel te 1000 Brussel, Luxemburgstraat 16/B, ingevolge het arrest van het Hof nr. 192/2011 van 15 december 2011 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 maart 2012), beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 1° en 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming.
 
II. IN RECHTE
 
B.1. De artikelen 2, 1° en 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (hierna: WMPC) bepalen:
 
 
“Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
1° onderneming: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen;
 
2° beoefenaar van een vrij beroep: elke onderneming die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van koophandel en die onderworpen is aan een bij wet opgericht tuchtorgaan;
 
Art. 3.
§ 2. Deze wet is niet van toepassing op de beoefenaars van een vrij beroep, de tandartsen en de kinesisten”.
 
Ten aanzien van de ontvankelijkheid ratione temporis
 
B.2.1. Het beroep tot vernietiging is ingediend op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat bepaalt:
“Voor de Ministerraad, voor de Regering van een Gemeenschap of van een Gewest, voor de voorzitters van de wetgevende vergaderingen op verzoek van twee derde van hun leden of voor iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang staat een nieuwe termijn van zes maanden open voor het instellen van een beroep tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wanneer het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, verklaard heeft dat die wet, dat decreet of die in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een van de in artikel 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet schendt. De termijn gaat respectievelijk in op de datum van de kennisgeving van het door het Hof gewezen arrest aan, al naar het geval, de Eerste Minister en de voorzitters van de Regeringen en aan de voorzitters van de wetgevende vergaderingen, of op de datum van de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad”.
 
B.2.2. In zijn arrest nr. 192/2011 van 15 december 2011 heet het Hof geoordeeld dat de in B.1 weergegeven bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in zoverre zij als gevolg hebben dat de beoefenaars van een vrij beroep van het toepassingsgebied van die wet zijn uitgesloten.
Dat arrest is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 maart 2012.
Het Hof had reeds hetzelfde geoordeeld in zijn arrest nr. 55/2011 van 6 april 2011, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 juni 2011.
 
B.2.3. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep, waarbij hij betoogt dat de termijn van zes maanden die is bepaald in artikel 4, tweede lid, van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 loopt vanaf de bekendmaking of de kennisgeving van het eerste door het Hof gewezen arrest en slechts één enkele keer loopt omdat anders een rechtsonzekerheid wordt gecreëerd indien een nieuwe termijn kan worden geopend telkens wanneer het Hof zich vervolgens uitspreekt over een prejudiciële vraag met hetzelfde onderwerp.
 
 
B.2.4. Artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 is een algemene bepaling die de openstelling van een nieuwe termijn niet beperkt tot het geval dat het Hof voor het eerst heet geoordeeld dat een wetskrachtige norm de regels schendt die het moet doen naleven. De bijzondere wetgever heet willen beletten dat bepalingen in de rechtsorde behouden blijven wanneer het Hof op prejudiciële vraag heet verklaard dat zij strijdig zijn met de voormelde regels (zie Parl. St., Senaat, 2000-2001, nr. 2-897/1, p. 6). Het ligt in de lijn van die doelstelling het Hof te kunnen vragen dat het een einde aan de rechtsonzekerheid maakt, binnen zes maanden na de kennisgeving van elk arrest van het Hof waarbij zulk een schending wordt vastgesteld.
 
B.2.5. Het beroep is ontvankelijk ratione temporis.
 
Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen
 
B.3.1. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen om de vernietiging te vorderen van artikel 2, 1° en 2°, van de voormelde wet van 6 april 2010, waarbij hij doet gelden dat die vernietiging, die de wet de omschrijving van haar toepassingsgebied zou ontnemen, voor de verzoekende partijen zonder belang zou zijn.
 
B.3.2. Artikel 2, 1° en 2°, van de bestreden wet definieert de begrippen “onderneming” en “beoefenaar van een vrij beroep”. Aangezien de exceptie van onontvankelijkheid die is afgeleid uit de ontstentenis van belang betrekking heet op de draagwijdte die aan de bestreden bepaling dient te worden gegeven, valt het onderzoek van de ontvankelijkheid samen met het onderzoek van de grond van de zaak.
 
Ten gronde
 
B.4.1. De WMPC is, net zoals de richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 “betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad” (hierna: de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken) waarop zij grotendeels steunt, van toepassing op “ondernemingen”.
Het begrip “onderneming” in de zin van het recht van de Europese Unie omvat ook de beoefenaars van een vrij beroep (HvJ, 12 september 2000, C-180/98- C-184/98, Pavlov e.a., punt 77; 19 februari 2002, C-309/99, Wouters e.a., punten 45-49).
 
B.4.2. In tegenstelling tot voormelde richtlijn, sluit artikel 3, § 2, van de WMPC evenwel de beoefenaars van een vrij beroep, alsook de tandartsen en de kinesisten, uit van haar toepassingsgebied. De “beoefenaar van een vrij beroep” wordt door artikel 2, 2°, van de WMPC gedefinieerd als “elke onderneming die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van koophandel en die onderworpen is aan een bij wet opgericht tuchtorgaan”.
 
B.4.3. De beoefenaars van een vrij beroep zijn daarentegen wel onderworpen aan de bepalingen van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen (hierna: W VB), voor zover zij vallen onder de andersluidende definitie van “vrij beroep” in artikel 2, 1°, van die wet, zijnde “elke zelfstandige beroepsactiviteit die dienstverlening of levering van goederen omvat welke geen daad van koophandel of ambachtsbedrijvigheid is, zoals bedoeld in de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister en die niet wordt bedoeld in de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, met uitsluiting van de landbouwbedrijvigheden en de veeteelt”.
 
B.5. Het beroep, ingesteld op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere
wet van 6 januari 1989 ingevolge het arrest nr. 192/2011 van 15 december 2011, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 maart 2012, heet betrekking op de uitsluiting van de beoefenaars van vrije beroepen uit het toepassingsgebied van de WMPC.
 
B.6.1. Volgens een vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is een onderneming “elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd” (HvJ, 23 april 1991, C-41/90, Höfner en Elser, punt 21; 16 november 1995, C-244/94, Fédération française des sociétés d’assurances e.a., punt 14; 19 februari 2002, C-309/99, Wouters e.a., punt 46). Een “economische activiteit” is volgens het Hof van Justitie “iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt” (HvJ, 16 juni 1987, 118/85, Commissie t. Italië, punt 7; 18 juni 1998, C-35/96, Commissie t. Italië, punt 36; 19 februari 2002, C-309/99, Wouters e.a., punt 47).
 
B.6.2. Artikel 2, 1°, van de WMPC definieert de “onderneming” als “elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen”. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat dit begrip moet worden opgevat in dezelfde zin als het begrip “onderneming” in het nationale en het Europese mededingingsrecht, behoudens voor wat betreft de beoefenaars van vrije beroepen, de tandartsen en de kinesisten (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2340/001, p. 14).
Artikel 2, 6°, van de WMPC definieert het begrip “dienst” als “elke prestatie verricht door een onderneming in het kader van haar professionele activiteit of in uitvoering van haar statutair doel”.
 
B.7. Ten aanzien van de bescherming van de consument bevinden de beoefenaars van een vrij beroep en de andere ondernemingen zich in voldoende vergelijkbare situaties, aangezien zij beiden in de eerste plaats beogen beroepsmatig te voorzien in hun levensonderhoud.
 
 
Beide categorieën streven hun economisch doel alleen of in een associatie in de rechtsvorm van een vennootschap na. Beide categorieën dragen de aan de uitoefening van die activiteiten verbonden financiële risico’s, omdat zij in geval van een verschil tussen uitgaven en inkomsten zelf het tekort dienen te dragen. Hoewel de beoefenaars van vrije beroepen zich doorgaans beperken of krachtens hun deontologische codes dienen te beperken tot het leveren van intellectuele diensten, komt het eveneens voor dat zij daden stellen die als daden van koophandel zijn aan te merken. Omgekeerd bestaat de duurzame economische activiteit van verscheidene ondernemingen die geen beoefenaars van een vrij beroep zijn, erin intellectuele diensten aan te bieden.
Ten aanzien van zowel de beoefenaars van een vrij beroep als de andere ondernemingen dient bijgevolg op gelijke wijze hun gedrag op de economische markten in juiste banen te worden geleid, dient de goede werking van het concurrentiespel te worden verzekerd, en dienen de belangen van de concurrenten en de afnemers van goederen en diensten te worden beschermd.
 
B.8. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedures voor verschillende rechtscolleges, is op zich niet discriminerend. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn, indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedures gepaard zou gaan met een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken partijen.
 
B.9. In de parlementaire voorbereiding wordt niet uiteengezet waarom het begrip “beoefenaar van een vrij beroep” wordt beperkt tot die vrije beroepen die zijn onderworpen aan een bij wet opgericht tuchtorgaan. Nochtans heet die beperking als gevolg dat sommige beoefenaars van beroepen die traditioneel als vrij beroep worden beschouwd, toch zijn onderworpen aan de bepalingen van de WMPC en bijgevolg voor de voorzit ter van de Rechtbank van Koophandel kunnen worden aangesproken met een vordering tot staking op grond van het algemene verbod op oneerlijke marktpraktijken, louter op grond van het gegeven dat voor hun beroepscategorie geen bij wet opgericht tuchtorgaan bestaat.
 
B.10. De beoefenaars van vrije beroepen hebben weliswaar een zekere maatschappelijke verantwoordelijkheid, beschikken over een eigen deontologie en worden gekenmerkt door een hoge graad van onafhankelijkheid en een op discretie steunende vertrouwensrelatie met de cliënt.
Zelfs in de mate waarin die kenmerken en waarden verschillen van die van de ondernemingen die niet onder de definitie van het “vrij beroep” vallen, verantwoorden zij niet dat voor bepaalde door beoefenaars van vrije beroepen verrichte daden niet dezelfde bescherming van de consument en van de concurrent bestaat als onder de WMPC. Er wordt niet aangetoond op welke wijze de algemene toepasselijkheid van de WMPC de voormelde kenmerken en waarden in het gedrang zou kunnen brengen.
Zoals ook blijkt uit artikel 3, lid 8, van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken, doet de toepasselijkheid van de WMPC overigens geen afbreuk aan de vestigingsvoorwaarden, de vergunningsregelingen, de deontologische gedragscodes of andere specifieke voorschriften die op de vrije beroepen betrekking hebben om de voormelde kenmerken en waarden te waarborgen.
 
B.11. Artikel 2, 2°, van de bestreden wet is onlosmakelijk verbonden met artikel 3, § 2, en dient bijgevolg eveneens te worden vernietigd.
 
B.12. Het middel is gegrond.
 
OM DIE REDENEN,
HET HOF
 
vernietigt de artikelen 2, 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming.
 
met noot R. Steennot: NJW 2013, 793 Vrije beroepen en de wet marktpraktijken

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 02/06/2011 - 13:32
Laatst aangepast op: wo, 28/05/2014 - 15:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.