-A +A

vreemdelingenrecht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

7 MEI 2008
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen


ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, inzonderheid op artikelen 40, § 4, derde lid, 41bis, eerste en tweede lid, 42, § 1 en § 4, eerste lid, en 42quinquies, § 5 en § 6, tweede lid, zoals gewijzigd of ingevoegd bij wet van 25 april 2007;
Gelet op het Koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 april 1984, 18 juli 1984, 16 augustus 1984, 14 februari 1986, 9 maart 1987, 28 januari 1988, 13 juli 1988, 7 november 1988, 7 februari 1990, 9 juli 1990, 16 oktober 1990, 18 april 1991, 25 september 1991, 20 december 1991, 13 juli 1992, 5 november 1992, 22 december 1992, 19 mei 1993, 31 december 1993, 3 maart 1994, 11 maart 1994, 3 februari 1995, 22 februari 1995, 12 oktober 1995, 22 november 1996, 10 december 1996, 11 december 1996, 7 januari 1998, 2 maart 1998, 12 juni 1998, 26 juni 2000, 9 juli 2000, 7 november 2000, 4 juli 2001, 20 juni 2002, 11 juli 2002, 17 oktober 2002, 11 juli 2003, 25 april 2004, 9 december 2004, 17 januari 2005, 3 februari 2005, 11 april 2005, 11 mei 2005, 17 september 2005, 24 april 2006, 15 mei 2006, 20 december 2006 en 27 april 2007;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd als volgt :
Overwegende dat de Europese Commissie op 17 oktober 2007 beslist heeft om het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te vatten uit hoofde van laattijdige en onvolledige omzetting van de richtlijn 2004/38/EG, en dat bijgevolg moet vermeden worden dat het beroep tot ingebrekestelling van de Staat officieel ingediend zou worden;
Overwegende dat de omzetting van de richtlijn 2004/38/EG op 30 april 2008 een vertraging van meer dan twee jaar heeft en dat de Europese Commissie een « nul-tolerantie » heeft ingesteld voor een dergelijke vertraging;
Overwegende dat, om zijn verplichtingen inzake tekortkoming bij de omzetting van Europese richtlijnen na te komen, België ten laatste op 13 mei 2008 de Europese Commissie de teksten tot omzetting van de Europese richtlijnen moet betekenen, opdat deze in overweging kunnen worden genomen in het scorebord dat gepubliceerd zal worden in juli 2008;
Gelet op het advies 44.424/4 van de Raad van State, gegeven op 28 april 2008, in toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Migratie- en asielbeleid,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Dit besluit integreert de bepalingen inzake de binnenkomst, het verblijf en de verwijdering van de richtlijn 2004/38/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Art. 2. In artikel 31 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 februari 1995, 11 juli 2002 en 27 april 2007, wordt § 2, derde lid, vervangen als volgt :
« De duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie is vijf jaar geldig. »
Art. 3. In artikel 32 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 22 februari 1995, 11 juli 2002 en 27 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de § 3 wordt vervangen als volgt :
« § 3. De verblijfskaart van een familielid van een burger van de unie wordt door het gemeentebestuur van de verblijfplaats vernieuwd voor de voorziene duur van verblijf van de burger van de Unie die hij begeleidt of vervoegt, met een maximale duur van vijf jaar.
Onder de in artikel 41 bepaalde voorwaarden kan zij vervroegd vernieuwd worden. »
2° een § 4 wordt toegevoegd, luidende :
« § 4. De duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de unie wordt vernieuwd voor vijf jaar door het gemeentebestuur van de verblijfplaats.
Onder de in artikel 41 bepaalde voorwaarden kan zij vervroegd vernieuwd worden. ».
Art. 4. In titel II van hetzelfde besluit, wordt het opschrift van hoofdstuk I vervangen als volgt :
« Hoofdstuk I. Vreemdelingen, burgers van de Unie en hun familieleden, en vreemdelingen, familieleden van een Belg. »
Art. 5. De onderverdeling in afdelingen in hoofdstuk I van titel II van hetzelfde besluit, wordt opgeheven.
Art. 6. De artikelen 43 tot 57 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijk besluiten van 22 december 1992, 19 mei 1993, 22 februari 1995, 22 november 1996, 11 december 1996, 12 juni 1998, 7 april 2007 en 28 november 2007, worden vervangen als volgt :
« Art. 43. Onder voorbehoud van artikel 40ter, tweede lid, van de wet, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk die van toepassing zijn op de familieleden van de burger van de Unie die hem begeleiden of zich bij hem voegen, van toepassing op de familieleden van een Belg die hem begeleiden of zich bij hem voegen.
Art. 44. De familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, van de wet, die geen burger van de Unie zijn, kunnen enkel genieten van de bepalingen van dit hoofdstuk indien zij het bewijs overleggen aangaande de bloed- of aanverwantschap of partnerschap met de burger van de Unie die ze begeleiden of bij wie ze zich voegen.
Indien wordt vastgesteld dat het familielid de ingeroepen bloed- of aanverwantschapsband of partnerschapsband niet kan bewijzen door middel van officiële documenten, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie, kan de minister of zijn gemachtigde overgaan of laten overgaan tot een onderhoud met het familielid en de burger van de Unie die vervoegd wordt, of tot elk ander onderzoek dat noodzakelijk wordt geacht en in voorkomend geval voorstellen om een aanvullende analyse uit te laten voeren.
Art. 45. De aanvraag van vreemdelingen die een beroep wensen te doen op de bepalingen van dit hoofdstuk maar noch hun burgerschap van de Unie kunnen bewijzen overeenkomstig artikel 41, eerste lid, van de wet, noch hun familieband overeenkomstig artikel 44, wordt niet in overweging genomen. Het gemeentebestuur geeft kennis van deze beslissing door afgifte van een document overeenkomstig het model van bijlage 19quinquies. Zij ontvangen geen bijlage 19 of 19ter.
Art. 46. § 1. De documenten die de burger van de Unie kan overmaken als geldige identiteitskaart of geldig nationaal paspoort in de zin van artikel 41, eerste lid, van de wet, zijn die welke zijn opgesomd in bijlage 2.
§ 2. Bij gebreke aan de documenten vermeld in § 1, verlenen de met grenscontrole belaste overheden toegang tot het grondgebied aan de burger van de Unie op overmaking van een van de volgende documenten :
1° een vervallen nationaal paspoort of een vervallen identiteitskaart, of
2° enig ander bewijs van de identiteit en nationaliteit van de betrokkene.
Er wordt hem een bijzonder doorlaatbewijs afgegeven, overeenkomstig het model van bijlage 10quater.
In het geval vermeld onder 2°, wordt de beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde.
Art.47. § 1. De met grenscontrole belaste overheden verlenen overeenkomstig artikel 41, tweede lid, van de wet, toegang tot het grondgebied aan het familielid van een burger van de Unie dat geen burger van de Unie is, en dat geen houder is van de documenten die krachtens artikel 2 van de wet vereist zijn, op overmaking van een van de volgende documenten :
1° een, al dan niet geldig, nationaal paspoort of identiteitskaart, of
2° een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie, verstrekt op basis van artikel 10 van de richtlijn 2004/38/EG van 29 april 2004, of
3° een duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie verstrekt op basis van artikel 20 van de richtlijn 2004/38/EG van 29 april 2004, of
4° enig ander bewijs van de identiteit en nationaliteit van de betrokkene.
Indien het familielid is vrijgesteld van de visumplicht, wordt hem een bijzonder doorlaatbewijs afgegeven, overeenkomstig het model van bijlage 10quater.
Indien het familielid onderworpen is aan de visumplicht, ontvangt hij een visum, of, indien de betrokkene geen geldig paspoort heeft, een visumverklaring met een geldigheidsduur van 3 maanden.
In het geval vermeld onder 4°, wordt de beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde.
§ 2. Indien het familielid niet de in artikel 2 van de wet of § 1 vermelde documenten overmaakt, wordt hij door de met grenscontrole belaste overheden teruggedreven. De beslissing tot terugdrijving wordt ter kennis gebracht door afgifte van een document overeenkomstig het model van bijlage 11.
Art. 48. De burgers van de Unie en hun familieleden zijn vrijgesteld van de meldingsplicht bedoeld in artikel 41bis van de wet in de gevallen bepaald bij artikel 18.
De burgers van de Unie en de familieleden die hun aanwezigheid melden, ontvangen van het gemeentebestuur, na inzage van de documenten vermeld in artikel 46 of 47, als bewijs een document overeenkomstig het model van bijlage 3ter. Dit document is geen verblijfsdocument en wordt kosteloos verstrekt.
Art. 49. Wanneer de minister of zijn gemachtigde op grond van artikel 41ter van de wet een einde stelt aan het verblijf van de burger van de Unie of zijn familie, wordt de betrokkene in kennis gesteld van deze beslissing door overhandiging van een document overeenkomstig het model van de bijlage 21 waarbij hem bevolen wordt het grondgebied te verlaten.
Art.50. § 1. Een burger van de Unie die zijn burgerschap bewijst overeenkomstig artikel 41, eerste lid, van de wet, kan bij de gemeente een verklaring van inschrijving aanvragen door middel van de bijlage 19.
Zodra uit de controle van de reële verblijfsplaats, die de burgemeester of zijn gemachtigde moet laten uitvoeren, blijkt dat de burger van de Unie, ingeschreven in het wachtregister, op het grondgebied van de gemeente woont, wordt hij ingeschreven in het vreemdelingenregister. Het gemeentebestuur maakt het verslag opgesteld bij de controle van de verblijfplaats over aan de gemachtigde van de minister.
§ 2. Bij de aanvraag of ten laatste binnen de drie maanden na de aanvraag dient de burger van de Unie naargelang het geval de volgende documenten over te maken :
1° werknemer : een verklaring van indienstneming of tewerkstelling overeenkomstig het model van bijlage 19bis ;
2° zelfstandige : een inschrijving in de Kruispuntbank voor ondernemingen met ondernemingsnummer;
3° werkzoekende :
a) een inschrijving bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening of kopieën van sollicitatiebrieven; en
b) het bewijs van de reële kans om te worden aangesteld waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, zoals behaalde diploma's, eventuele gevolgde of voorziene beroepsopleidingen, en duur van de werkloosheid;
4° burger van de Unie bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° van de wet :
a) het bewijs van voldoende bestaansmiddelen, waarbij onder andere een invaliditeitsuitkering, een vervroegd pensioen, een ouderdomsuitkering of een uitkering van de arbeidsongevallen- of beroepsziektenverzekering in aanmerking worden genomen. Zowel middelen waarover de burger van de Unie in eigen hoofde beschikt, als bestaansmiddelen die hij daadwerkelijk verkrijgt via een derde, worden in aanmerking genomen; en
b) een ziektekostenverzekering;
5° student bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 3° van de wet :
a) een inschrijving aan een georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstelling; en
b) een ziektekostenverzekering; en
c) een verklaring van voldoende bestaansmiddelen, of een gelijkwaardig middel dat zekerheid verschaft dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt;
6° familielid bedoeld in artikel 40bis van de wet :
a) het bewijs van de bloed- of aanverwantschap of partnerschap zoals bedoeld in artikel 44;
b) voor de familieleden van de burger van de Unie bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2°, van de wet, het bewijs van voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering, zoals bedoeld in artikel 40bis, § 4, tweede lid;
c) voor de partner bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 2°, van de wet : het bewijs van de duurzame en stabiele relatie, en, indien beide partners niet minstens 21 jaar zijn, het bewijs dat zij beide minstens 18 jaar zijn en dat zij reeds ten minste een jaar samengewoond hebben voor de aankomst in het Rijk van de burger van de Unie die vervoegd wordt;
d) voor de bloedverwanten in neergaande lijn die minstens 21 jaar zijn, de bloedverwanten in opgaande lijn en de kinderen bedoeld in artikel 40bis, § 4, derde lid, van de wet : het bewijs dat zij ten laste zijn van de betrokken burger van de Unie;
e) voor de bloedverwanten in opgaande lijn van een Belg : het bewijs van stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering, zoals bedoeld in artikel 40ter, tweede lid, van de wet.
Art. 51. § 1. De gemeente kan het recht op verblijf erkennen in de gevallen vermeld onder :
1° artikel 50, § 2, 1°;
2° artikel 50, § 2, 2°;
3° artikel 50, § 2, 4°, voor zover het bewijs van de voldoende middelen van bestaan geleverd wordt door middel van een invaliditeitsuitkering, een vervroegd pensioen, een ouderdomsuitkering of een uitkering van de arbeidsongevallen- of beroepsziektenverzekering waarover de betrokkene in eigen hoofde beschikt;
4° artikel 50, § 2, 5°;
5° artikel 50, § 2, 6°, voor zover het gaat om een echtgenoot, een partner met een geregistreerd partnerschap gelijkwaardig met het huwelijk, of een bloedverwant in neergaande lijn jonger dan 21 jaar, en voor zover de bloed- of aanverwantschapsband of partnerschapsband bewezen werd door middel van officiële documenten, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie.
In dit geval wordt de betrokkene onmiddellijk in het bezit gesteld van een verklaring van inschrijving overeenkomstig bijlage 8. Het gemeentebestuur maakt een kopie van dit document, vergezeld van de bewijzen bedoeld in artikel 50, § 2, zonder verwijl over aan de gemachtigde van de minister.
§ 2. Indien de burger van de Unie na afloop van drie maanden niet alle bewijsdocumenten bedoeld in artikel 50 heeft overgemaakt, weigert het gemeentebestuur de aanvraag door middel van een bijlage 20 zonder bevel om het grondgebied te verlaten, waarbij de burger van de Unie wordt meegedeeld dat hij beschikt over een bijkomende termijn van een maand om alsnog de vereiste documenten over te maken. Indien na afloop van deze bijkomende termijn nog steeds niet alle vereiste documenten werden overgemaakt, levert het gemeentebestuur een bevel om het grondgebied te verlaten af overeenkomstig het model van bijlage 20.
§ 3. In de andere gevallen dan deze bedoeld in § 1 en § 2, wordt de beslissing genomen door de gemachtigde van de minister, binnen de vijf maanden te rekenen vanaf de indiening van de aanvraag.
Indien de minister of zijn gemachtigde het recht op verblijf erkent of indien binnen de termijn bepaald in het vorige lid geen beslissing werd meegedeeld aan het gemeentebestuur, wordt de betrokkene in het bezit gesteld van een verklaring van inschrijving overeenkomstig bijlage 8. Het gemeentebestuur maakt een kopie van dit document over aan de gemachtigde van de minister.
Indien de minister of zijn gemachtigde het recht op verblijf niet erkent, wordt de burger van de Unie van deze beslissing kennis gegeven door de afgifte van een document overeenkomstig het model van bijlage 20, dat desgevallend een bevel om het grondgebied te verlaten bevat.
§ 4. Een burger van de Unie met een verklaring van inschrijving kan te allen tijde dit document in elektronische vorm aanvragen, mits er geen einde werd gesteld aan zijn recht op verblijf. De verklaring van inschrijving in papieren vorm wordt kosteloos verstrekt. De kostprijs van de verklaring van inschrijving in elektronische vorm mag niet meer bedragen dan de prijs die geheven wordt voor de afgifte van een identiteitskaart aan Belgische onderdanen.
Art. 52. § 1. Het familielid dat zelf geen burger van de Unie is, dat zijn bloed- of aanverwantschapsband of partnerschapsband bewijst overeenkomstig artikel 44, kan bij het gemeentebestuur een verblijfskaart aanvragen door middel van de bijlage 19ter.
Na de woonstcontrole wordt de betrokkene ingeschreven in het vreemdelingenregister en hij ontvangt een attest van immatriculatie model A met een geldigheidsduur van vijf maanden te rekenen vanaf de aanvraag.
De woorden « van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid of », die voorkomen in het tweede lid van de tekst op zijde 1 van dit document, worden geschrapt.
§ 2. Bij de aanvraag of ten laatste binnen de drie maanden na de aanvraag dient het familielid bovendien de volgende documenten over te maken :
1° het bewijs van zijn identiteit overeenkomstig artikel 41, tweede lid, van de wet;
2° de bewijzen vermeld in artikel 50, § 2, 6°, b), c), d) en e) die naargelang het geval vereist zijn.
§ 3. Indien het familielid na afloop van drie maanden niet alle vereiste bewijsdocumenten heeft overgemaakt of indien uit de woonstcontrole niet blijkt dat het familielid op het grondgebied van de gemeente verblijft, weigert het gemeentebestuur de aanvraag door middel van een bijlage 20 dat desgevallend een bevel om het grondgebied te verlaten bevat. Het attest van immatriculatie wordt ingetrokken.
§ 4. Indien het familielid alle vereiste documenten heeft overgemaakt, maakt het gemeentebestuur de aanvraag over aan de gemachtigde van de minister.
Indien de minister of zijn gemachtigde het recht op verblijf erkent of indien binnen de termijn van vijf maanden bepaald in § 1 geen beslissing werd meegedeeld aan het gemeentebestuur, levert deze een « verblijfskaart van een familielid van een burger van de unie » overeenkomstig het model van bijlage 9 af.
De kostprijs die de gemeente kan vorderen voor de afgifte van deze verblijfskaart mag niet meer bedragen dan de prijs die geheven wordt voor de afgifte van een identiteitskaart aan Belgische onderdanen.
Wanneer het gemeentebestuur zich in de onmogelijkheid bevindt om onmiddellijk over te gaan tot de afgifte van deze verblijfskaart, dient het attest van immatriculatie te worden verlengd tot de afgifte van de verblijfskaart.
Indien de minister of zijn gemachtigde het recht op verblijf niet erkent, wordt het familielid van deze beslissing kennis gegeven door de afgifte van een document overeenkomstig het model van bijlage 20, dat desgevallend een bevel om het grondgebied te verlaten bevat. Het attest van immatriculatie wordt ingetrokken.
Art. 53. Indien het familielid dat geen burger van de Unie is, het recht op verblijf van meer dan drie maanden, bedoeld in artikel 42 van de wet, heeft verkregen via de bevoegde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger, schrijft het gemeentebestuur hem na de woonstcontrole in het vreemdelingenregister in en levert hem een « verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie » af.
De kostprijs die de gemeente kan vorderen voor de afgifte van deze verblijfskaart mag niet meer bedragen dan de prijs die geheven wordt voor de afgifte van een identiteitskaart aan Belgische onderdanen.
Art. 54. Indien de minister of zijn gemachtigde een einde stelt aan het verblijf in toepassing van artikelen 42bis, 42ter of 42quater van de wet, wordt de betrokkene hiervan kennis gegeven door afgifte van een document overeenkomstig het model van bijlage 21 met bevel om het grondgebied te verlaten. De verklaring van inschrijving of de verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie wordt ingetrokken.
Art. 55. De burger van de Unie die het document ter staving van het duurzaam verblijf, bedoeld in artikel 42quinquies, § 5, van de wet, wenst te verkrijgen, dient dit aan te vragen bij het gemeentebestuur via de bijlage 22. Bij deze aanvraag moet de burger van de Unie alle bewijzen overmaken die aantonen dat hij voldoet aan de voorwaarden voor duurzaam verblijf, zoals voorzien in artikelen 42quinquies en 42sexies van de wet.
Het gemeentebestuur verklaart de aanvraag onontvankelijk door middel van de bijlage 23, indien de burger van de Unie niet gedurende minstens drie jaar in het Rijk verbleven heeft op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk, te rekenen vanaf de inschrijving in het wachtregister, en hij evenmin de bewijzen overmaakt waaruit blijkt dat hij :
1° ofwel gewerkt heeft in het Rijk, hetzij als werknemer, hetzij als zelfstandige, en blijvend arbeidsongeschikt is of een vervroegd pensioen of ouderdomsuitkering ontvangt;
2° ofwel een familielid is van een burger van de Unie bedoeld in 1°;
3° ofwel een familielid is van een overleden burger van de Unie die gewerkt heeft in Rijk, hetzij als werknemer, hetzij als zelfstandige.
In het andere geval maakt het gemeentebestuur de aanvraag over aan de gemachtigde van de minister, die een beslissing neemt binnen de vijf maanden.
Indien de minister of zijn gemachtigde vaststelt dat niet aan de voorwaarden voor duurzaam verblijf is voldaan, wordt hiervan kennis gegeven door afgifte van de bijlage 24.
Indien de minister of zijn gemachtigde het duurzaam verblijf erkent, of indien geen beslissing werd genomen binnen de vijf maanden te rekenen vanaf de afgifte van de bijlage 22, ontvangt de betrokkene het « document ter staving van duurzaam verblijf »overeenkomstig het model van bijlage 8bis. Hij wordt bovendien ingeschreven in het bevolkingsregister.
Een burger van de Unie met een document ter staving van duurzaam verblijf kan te allen tijde dit document in elektronische vorm aanvragen. Het document ter staving van duurzaam verblijf in papieren vorm wordt kosteloos verstrekt. De kostprijs van het document ter staving van duurzaam verblijf in elektronische vorm mag niet meer bedragen dan de prijs die geheven wordt voor de afgifte van een identiteitskaart aan Belgische onderdanen.
Art. 56. Het familielid dat geen burger van de Unie is dient het duurzaam verblijf aan te vragen bij het gemeentebestuur via de bijlage 22. Bij deze aanvraag moet het familielid alle bewijzen overmaken die aantonen dat hij voldoet aan de voorwaarden voor duurzaam verblijf, zoals voorzien in artikelen 42quinquies en 42sexies van de wet.
Het gemeentebestuur verklaart de aanvraag onontvankelijk door middel van de bijlage 23, indien het familielid niet gedurende minstens drie jaar in het Rijk verbleven heeft op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk, te rekenen vanaf de afgifte van de bijlage 19ter of bijlage 15, en hij evenmin de bewijzen overmaakt waaruit blijkt dat hij
1° ofwel een familielid is van een burger van de Unie bedoeld in artikel 55, tweede lid, 1°;
2° ofwel een familielid is van een overleden burger van de Unie die gewerkt heeft in Rijk, hetzij als werknemer, hetzij als zelfstandige.
In het andere geval maakt het gemeentebestuur de aanvraag over aan de gemachtigde van de minister, die een beslissing neemt binnen de vijf maanden.
In afwachting van een beslissing van de minister of zijn gemachtigde dient, wanneer de verblijfskaart van een familielid van een burger van de unie vervalt, deze verblijfskaart te worden afgenomen en dient het document overeenkomstig het model van bijlage 15 aan het familielid te worden afgegeven. Dit document bewijst dat het familielid een aanvraag om duurzaam verblijf heeft ingediend en dekt voorlopig zijn verblijf gedurende de termijn vermeld in het derde lid, desgevallend verlengd tot de afgifte van de duurzame verblijfskaart.
Indien de minister of zijn gemachtigde vaststelt dat niet aan de voorwaarden voor duurzaam verblijf is voldaan, wordt hiervan kennis gegeven door afgifte van de bijlage 24.
Indien de minister of zijn gemachtigde het duurzaam verblijf erkent of indien geen beslissing werd genomen binnen de vijf maanden te rekenen vanaf de datum van afgifte van de bijlage 22, ontvangt de betrokkene de « duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie » overeenkomstig het model van bijlage 9bis.
De kostprijs van de duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie mag niet meer bedragen dan de prijs die geheven wordt voor de afgifte van een identiteitskaart aan Belgische onderdanen.
Art. 57. Indien de minister of zijn gemachtigde, in toepassing van artikel 42septies van de wet, beslist dat de burger van de Unie of het familielid niet meer het recht heeft om in het Rijk te verblijven, wordt de beslissing aan de betrokkene betekend door overhandiging van het document overeenkomstig het model van bijlage 21 met bevel om het grondgebied te verlaten. Naargelang het geval wordt de bijlage 8, 8bis, 9 of 9bis ingetrokken.
Indien de minister of zijn gemachtigde, in toepassing van artikel 42septies van de wet, beslist dat de burger van de Unie of het familielid geen duurzaam verblijfsrecht meer heeft maar zijn recht op verblijf behoudt, wordt de bijlage 8bis of 9bis ingetrokken. Het familielid ontvangt dan een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie overeenkomstig bijlage 9. ».
Art. 7. De artikelen 58 tot 69 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijk besluiten van 20 december 1991, 22 december 1992, 19 mei 1993, 22 november 1996, 12 juni 1998 en 7 april 2007, worden opgeheven.
Art. 8. In artikel 69bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 11 maart 1994 en gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 11 december 1996 en 12 juni 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid vervallen de woorden « , afdelingen 1, 2, 3, 3bis, 3ter, 4 en 6 »;
2° het derde lid wordt opgeheven.
Art. 9. In artikel 69ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 11 juli 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2 vervallen de woorden « , afdeling 1 »;
2° § 3 en § 4 worden opgeheven.
Art. 10. In artikel 69quater van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het Koninklijk besluit van 11 juli 2002, wordt de eerste zin opgeheven.
Art. 11. In artikel 69quinquies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 11 juli 2002 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007, wordt het eerste lid van § 2 opgeheven.
Art. 12. In artikel 69sexies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 april 2004 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 december 2006 en 27 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, eerste lid, worden de woorden « artikel 45 » vervangen door de woorden « artikel 50 en 51 », en worden de woorden « §1, derde lid, van deze bepaling » vervangen door de woorden « artikel 50, § 2, 1°, »;
2° § 2, tweede lid, en § 3 worden opgeheven.
Art. 13. In artikel 69septies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 april 2004 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden « artikel 40, § 3 » vervangen door de woorden « artikel 40bis, § 2 »;
2° in § 1, tweede lid, vervalt « , § 1, » en worden de woorden « § 2 van dezelfde bepaling » vervangen door de woorden « artikel 45 »;
3° in § 2, eerste lid, vervalt « , § 1, »;
4° § 2, tweede lid, wordt opgeheven;
5° in § 2, derde lid, dat het tweede lid wordt, wordt de laatste zin vervangen als volgt : « Dezelfde procedure is van toepassing indien binnen de zes maanden geen enkele onderrichting werd gegeven door de minister of zijn gemachtigde. »;
6° § 2, vierde lid, dat het derde lid wordt, wordt vervangen als volgt : « Indien het familielid het recht op verblijf van meer dan drie maanden heeft verkregen via de bevoegde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger, geeft het gemeentebestuur hem hetzelfde document als de vreemdeling die hij komt vervoegen. ».
Art. 14. In artikel 69octies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 april 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden de woorden « artikel 40, § 3 » vervangen door de woorden « artikel 40bis, § 2 », en worden de woorden « artikel 49 » vervangen door de woorden « artikelen 52 en 53 »;
2° § 2 wordt opgeheven.
Art. 15. In artikel 69nonies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 april 2004 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 2006, worden de woorden « De artikelen 49, § 1, laatste lid, 50, § 1, laatste lid, 52, § 1, vierde lid, 54, § 1, vierde lid, en 55bis, § 2, derde lid, zijn » vervangen door de woorden « Artikel 52, § 1, derde lid, is ».
Art. 16. Artikel 71 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 17. Artikel 119 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007, wordt aangevuld met het volgende lid :
« Deze bepaling is niet van toepassing op burgers van de Unie in het kader van titel II, hoofdstuk I. ».
Art. 18. In hetzelfde besluit wordt de bijlage 3ter, gevoegd bij dit besluit, ingevoegd.
Art. 19. De bijlage 8 van hetzelfde besluit, vervangen bij het Koninklijk besluit van 27 april 2007, wordt vervangen door de bijlage 8 gevoegd bij dit besluit.
Art. 20. In hetzelfde besluit wordt de bijlage 8bis, gevoegd bij dit besluit, ingevoegd.
Art. 21. De bijlage 9 van hetzelfde besluit, vervangen bij het Koninklijk besluit van 27 april 2007, wordt vervangen door de bijlage 9 gevoegd bij dit besluit.
Art. 22. In hetzelfde besluit wordt de bijlage 9bis, gevoegd bij dit besluit, ingevoegd.
Art. 23. In hetzelfde besluit wordt de bijlage 10quater, gevoegd bij dit besluit, ingevoegd.
Art. 24. De bijlage 11 van hetzelfde besluit, vervangen bij het Koninklijk besluit van 9 december 2004 en gewijzigd bij het Koninklijk besluit van 17 september 2005, wordt vervangen door de bijlage 11 gevoegd bij dit besluit.
Art. 25. De bijlage 14bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het Koninklijk besluit van 11 december 1996 en gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 9 juli 2000, 11 mei 2005 en 17 september 2005, wordt opgeheven.
Art. 26. De bijlage 15 van hetzelfde besluit, vervangen bij het Koninklijk besluit van 27 april 2007, wordt vervangen door de bijlage 15 gevoegd bij dit besluit.
Art. 27. De bijlage 19 van hetzelfde besluit, vervangen bij het Koninklijk besluit van 12 juni 1998 en gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 11 juli 2002 en 17 september 2005, wordt vervangen door de bijlage 19 gevoegd bij dit besluit.
Art. 28. De bijlage 19ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het Koninklijk besluit van 22 februari 1995 en gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 11 juli 2002 en 17 september 2005, wordt vervangen door de bijlage 19ter gevoegd bij dit besluit.
Art. 29. De bijlage 19quater van hetzelfde besluit, vervangen bij het Koninklijk besluit 11 juli 2002 en gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 11 mei 2005 en 17 september 2005, wordt opgeheven.
Art. 30. De bijlage 19quinquies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het Koninklijk besluit van 12 juni 1998 en gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 9 juli 2000, 11 juli 2002, 25 maart 2004 en 17 september 2005, wordt vervangen door de bijlage 19quinquies gevoegd bij dit besluit.
Art. 31. De bijlage 20 van hetzelfde besluit, vervangen bij het Koninklijk besluit van 12 juni 1998 en gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 9 juli 2000 en 17 september 2005, wordt vervangen door de bijlage 20 gevoegd bij dit besluit.
Art. 32. De bijlage 21 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 13 juli 1992, 31 december 1993, 9 juli 2000, 11 mei 2005 en 17 september 2005, wordt vervangen door de bijlage 21 gevoegd bij dit besluit.
Art. 33. De bijlage 22 van hetzelfde besluit, vervangen bij het Koninklijk besluit van 12 juni 1998 en gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 11 juli 2002, 25 april 2004 en 17 september 2005, wordt vervangen door de bijlage 22 gevoegd bij dit besluit.
Art. 34. In de bijlage 22bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het Koninklijk besluit van 25 april 2004, worden de woorden « artikel 40 » vervangen door de woorden « artikel 40bis ».
Art. 35. De bijlage 23 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 13 juli 1992, 22 december 1992, 9 juli 2000 en 17 september 2005, wordt vervangen door de bijlage 23 gevoegd bij dit besluit.
Art. 36. De bijlage 24 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 13 juli 1992, 31 december 1993, 9 juli 2000, 11 mei 2005 en 17 september 2005, wordt vervangen door de bijlage 24 gevoegd bij dit besluit.
Art. 37. De bijlage 37 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 28 januari 1988, 13 juli 1992 en 17 september 2005, wordt vervangen door de bijlage 37 gevoegd bij dit besluit.
Art. 38. De burger van de Unie die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 8 met een geldigheidsduur van 5 jaar, dat afgeleverd werd voor de inwerkingtreding van onderhavig besluit, hetzij volgens huidig model, hetzij volgens het model zoals dit bestond voor de inwerkingtreding van het Koninklijk besluit van 27 april 2007, wordt beschouwd als begunstigde van het duurzaam verblijfsrecht.
De vreemdeling die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 7, dat afgeleverd werd voor de inwerkingtreding van onderhavig besluit, hetzij volgens huidig model, hetzij volgens het model zoals dit bestond voor de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 27 april 2007, en die aantoont dat hij :
1° zijn verblijfsrecht heeft verkregen in de hoedanigheid van familielid van een burger van de Unie of van een Belg; en
2° nog steeds familielid is van een burger van de Unie of van een Belg, of die op het moment van het overlijden van de burger van de Unie of van de Belg een familielid van deze was,
wordt beschouwd als begunstigde van het duurzaam verblijfsrecht.
Art. 39. Tot de datum bedoeld in artikel 101, tweede lid, van het Koninklijk besluit van 27 april 2007, kan in plaats van de bijlage 9 zoals vervangen bij artikel 21 van onderhavig besluit, een bijlage 6 afgeleverd worden zoals deze van kracht was voor de wijziging door het Koninklijk besluit van 27 april 2007, mits toevoeging van de vermelding « verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie » op zijde 6.
Tot de datum bedoeld in artikel 101, tweede lid, van het Koninklijk besluit van 27 april 2007, kan in plaats van de bijlage 9bis zoals ingevoegd bij artikel 22 van onderhavig besluit, een bijlage 7 afgeleverd worden zoals deze van kracht was voor de wijziging door het koninklijk besluit van 27 april 2007, mits toevoeging van de vermelding « duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie » in de witte rechthoek onderaan.
Art. 40. Dit besluit treedt in werking op 1 juni 2008.
Art. 41. Onze Minister die de toegang tot het Grondgebied, het Verblijf, de Vestiging en de Verwijdering van Vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Formia, 7 mei 2008.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Migratie- en Asielbeleid,
Mevr. A. TURTELBOOM
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 7 mei 2008 tot wijziging van Ons besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Migratie- en asielbeleid,
Mevr. A. TURTELBOOM

7 MEI 2008
Koninklijk besluit tot vaststelling van bepaalde uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen

ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, inzonderheid op artikel 40bis, § 2, tweede en derde lid, zoals ingevoegd bij de wet van 25 april 2007;
Gelet op de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, inzonderheid op artikel 1, § 1, derde lid;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 29 februari 2008;
Gelet op het akkoord van Onze Staatssecretaris voor Begroting, gegeven op 14 april 2008;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd als volgt :
Overwegende dat de Europese Commissie op 17 oktober 2007 beslist heeft om het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te vatten uit hoofde van laattijdige en onvolledige omzetting van de richtlijn 2004/38/EG, en dat bijgevolg moet vermeden worden dat het beroep tot ingebrekestelling van de Staat officieel ingediend zou worden;
Overwegende dat de omzetting van de richtlijn 2004/38/EG op 30 april 2008 een vertraging van meer dan twee jaar zou hebben en dat de Europese Commissie een « nul-tolerantie » heeft ingesteld voor een dergelijke vertraging;
Overwegende dat, om zijn verplichtingen inzake tekortkoming bij de omzetting van Europese richtlijnen na te komen, België ten laatste op 13 mei 2008 de Europese Commissie de teksten tot omzetting van de Europese richtlijnen moet betekenen, opdat deze in overweging kunnen worden genomen in het scorebord dat gepubliceerd zal worden in juli 2008;
Gelet op het advies 44.425/4 van de Raad van State, gegeven op 28 april 2008, in toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van het Migratie- en asielbeleid en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling
Artikel 1. Dit besluit zet de bepalingen inzake de binnenkomst, het verblijf en de verwijdering van de richtlijn 2004/38/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, om.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder de wet : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
HOOFDSTUK II. - Criteria inzake het stabiel karakter van de relatie tussen de partners bedoeld in artikel 40 bis, § 2, eerste lid, 2°, van de wet
Art. 3. Het stabiel karakter van de relatie wordt aangetoond in de volgende gevallen :
1° indien de partners bewijzen dat zij gedurende minstens 1 jaar, voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken in België of een ander land hebben samengewoond;
2° indien de partners bewijzen dat zij elkaar sedert ten minste twee jaar kennen en het bewijs leveren dat zij regelmatig, telefonisch, via briefwisseling of elektronische berichten met elkaar contact onderhielden, dat zij elkaar in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag drie maal ontmoet hebben en dat deze ontmoetingen in totaal 45 of meer dagen betreffen;
3° indien de partners een gemeenschappelijk kind hebben.
HOOFDSTUK III. - Gevallen waarbij een partnerschap dat geregistreerd werd op basis van een vreemde wet, bedoeld in artikel 40 bis, § 2, eerste lid, 1°, van de wet, moet beschouwd worden als zijnde gelijkwaardig met een huwelijk
Art. 4. Een partnerschap dat geregistreerd werd op basis van de wetgeving van een van de hierna vermelde landen, wordt beschouwd als zijnde gelijkwaardig met een huwelijk in België :
1° Denemarken;
2° Duitsland;
3° Finland;
4° IJsland;
5° Noorwegen;
6° Verenigd Koninkrijk;
7° Zweden.
HOOFDSTUK IV. - Inschrijving van bepaalde vreemdelingen in het wachtregister, op grond van artikel 1, derde lid, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen
Art. 5. De burger van de Unie, die bij de gemeente een verklaring van inschrijving aanvraagt, bedoeld in artikel 42, § 2, van de wet, wordt door de gemeente onmiddellijk, zonder voorafgaande woonstcontrole, ingeschreven in het wachtregister op het aangegeven adres, in afwachting van de uitvoering van de woonstcontrole.
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen
Art. 6. Dit besluit treedt in werking op 1 juni 2008.
Art. 7. Onze Minister die bevoegd is voor de Toegang tot het Grondgebied, het Verblijf, de Vestiging en de Verwijdering van Vreemdelingen is belast met het uitvoeren van dit besluit.
Gegeven te Formia, 7 mei 2008.
ALBERT

 

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: za, 30/04/2011 - 10:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.