-A +A

Vordering tot staking WHPC

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
De nieuwe vordering tot staking in de WER is gelijklopend met de oude vordering tot staking in WMPC en WHPC

 

Opgelet nieuwe wet. Deze materie wordt thans geregeld in  het Wetboek voor Economisch recht

 

Uittreksel uit het WER (wetboek economisch recht)

TITEL 1. - [1 Vordering tot staking]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

 

HOOFDSTUK 1. - [1 Algemene bepalingen]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.1.[1 De voorzitter van de rechtbank van koophandel stelt het bestaan vast en beveelt de staking van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk uitmaakt op de bepalingen van dit Wetboek, onverminderd de bijzondere bepalingen eigen aan boeken VI, XI [2 , XII en XIV, bedoeld in hoofdstukken 3, 4, 5 en 5/1 van deze titel]2. ]1
[3 Ten aanzien van de beoefenaars van een vrij beroep en voor zover het een inbreuk op de bepalingen van het boek XIV betreft, wordt de in dit hoofdstuk bedoelde bevoegdheid uitgeoefend door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.]3
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-05-2014>
(2)<W 2014-05-15/06, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2014>
(3)<W 2014-05-15/06, art. 3, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.2. [1 De voorzitter van de rechtbank van koophandel stelt het bestaan vast en beveelt eveneens de staking van de hiernavolgende inbreuken :
1° de uitoefening van een activiteit met miskenning van de bepalingen van boek III van dit Wetboek;
2° de niet-naleving van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake het bijhouden van de sociale documenten en de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde;
3° de tewerkstelling van werknemers zonder te zijn ingeschreven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, zonder de vereiste aangiften te hebben gedaan of zonder de bijdragen, de bijdrageverhogingen of moratoire interesten te betalen;
4° de tewerkstelling van werknemers en het gebruik van werknemers in overtreding van de reglementering op de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en de terbeschikkingstelling van werknemers aan gebruikers;
5° de niet-naleving van algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten;
6° het beletten van het toezicht uitgeoefend krachtens de bepalingen van boek III van dit Wetboek, en krachtens de wetten betreffende het bijhouden van de sociale documenten;
7° de niet-naleving van de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen inzake reclame, met uitsluiting van deze die vervat zijn in boek VI van dit Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan;
8° de tewerkstelling van een persoon door een werkgever die zich schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van artikel 12, 1°, a, van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
9° het niet-naleven van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake milieukeurmerk;
10° de uitoefening van een beroepsactiviteit zonder te beschikken over het met toepassing van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap vereiste attest;
11° de niet-naleving van de bepalingen van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening;
12° de uitoefening van het beroep van ondernemer van vervoer van zaken of van personen over de weg zonder houder te zijn van de vereiste vervoervergunningen en -machtigingen;
13° de niet-naleving van de voorschriften betreffende de rij- en rusttijden van de bestuurders van voertuigen;
14° de niet-naleving van de bepalingen van de wet van 15 mei 2007 betreffende de bescherming van de consumenten inzake omroeptransmissie- en omroepdistributiediensten;
15° de niet-naleving van de bepalingen van de verorderingen van de Europese Unie die betrekking hebben op aangelegenheden bedoeld in boek VI;
16° de niet-naleving van de bepalingen van artikel 18, §§ 2/1 tot 2/3, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, zoals ingevoegd bij de wet van 25 augustus 2012 en van artikel 15/5bis, §§ 11/1 tot 11/3, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, zoals ingevoegd bij de wet van 25 augustus 2012.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/36, art. 3, 013; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.3. [1 De voorzitter van de rechtbank van koophandel kan aan de overtreder een termijn toestaan om aan de inbreuk een einde te maken, wanneer de aard van de inbreuk dit nodig maakt. Hij kan de opheffing van het stakingsbevel toestaan wanneer een einde werd gemaakt aan de inbreuk.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/36, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.4. [1 De voorzitter van de rechtbank van koophandel kan toestaan dat zijn beslissing of de samenvatting die hij opstelt wordt aangeplakt tijdens de door hem bepaalde termijn, zowel buiten als binnen de inrichtingen van de overtreder en dat zijn vonnis of de samenvatting ervan in kranten of op enige andere wijze wordt bekendgemaakt, dit alles op kosten van de overtreder.
Deze maatregelen van openbaarmaking mogen evenwel slechts toegestaan worden indien zij er kunnen toe bijdragen dat de gewraakte daad of de uitwerking ervan ophouden.
De voorzitter van de rechtbank van koophandel stelt het bedrag vast dat de partij waaraan een publicatiemaatregel overeenkomstig het eerste lid werd toegekend en die de maatregel heeft uitgevoerd niettegenstaande tijdig beroep tegen het vonnis werd ingesteld, zal verschuldigd zijn aan de partij in wiens nadeel de publicatiemaatregel werd uitgesproken, indien deze in beroep ongedaan wordt gemaakt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/36, art. 5, 013; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.5. [1 De vordering bedoeld in de artikelen XVII. 1 en XVII. 2 kan niet meer worden ingesteld één jaar nadat de feiten waarop men zich beroept een einde hebben genomen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.6. [1 De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kortgeding.
Zij mag worden ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak, overeenkomstig de artikelen 1034ter tot 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgtocht.
Elke uitspraak ingevolge een op de artikelen XVII. 1 en XVII. 2 gegronde vordering wordt binnen acht dagen en door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege meegedeeld aan de minister, tenzij de uitspraak is gewezen op zijn vordering.
Bovendien is de griffier verplicht de minister onverwijld in te lichten over de voorziening tegen elke uitspraak die op grond van de artikelen XVII. 1 en XVII. 2 is gewezen.
Wanneer de uitspraak betrekking heeft op een overtreder met een gereglementeerd beroep dat ressorteert onder een beroepsregulerende overheid, moet die uitspraak bovendien worden meegedeeld aan die overheid. Ook moet de griffier van het rechtscollege, waar beroep is aangetekend tegen deze uitspraak, zulks onmiddellijk melden aan de bevoegde beroepsregulerende overheid.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

HOOFDSTUK 2. - [1 Titularissen van de vordering tot staking]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.7.[1 De vordering gegrond op artikel XVII.1 wordt ingesteld op verzoek van :
1° de belanghebbenden;
2° de voor deze materie bevoegde minister of de directeur-generaal van de algemene directie Controle en Bemiddeling van de federale overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, tenzij het verzoek betrekking heeft op een daad als bedoeld in artikel VI. 104;
3° een beroepsregulerende overheid, een beroeps- of interprofessionele vereniging met rechtspersoonlijkheid;
4° een vereniging ter verdediging van de consumentenbelangen die rechtspersoonlijkheid bezit en voor zover zij in de Raad voor het Verbruik vertegenwoordigd is of door de minister erkend is, volgens criteria vastgesteld bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, tenzij het verzoek betrekking heeft op een daad als bedoeld in artikel VI. 104.
In afwijking van de bepalingen in de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de verenigingen bedoeld in het eerste lid, 3° en 4°, in rechte optreden voor de verdediging van hun statutair omschreven collectieve belangen.]1
[2 Ten aanzien van de beoefenaars van een vrij beroep kan de in het eerste lid bedoelde vordering eveneens worden ingesteld op verzoek van een ziekenfonds of een landsbond. Het tweede lid is van toepassing.]2
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>
(2)<W 2014-05-15/07, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.8. [1 Onverminderd de eventuele toepassing van artikel VI. 104 en van artikel XVII.1 op de daarin bedoelde daden kan de vordering wegens schending van artikel XVII.2 enkel worden ingesteld op verzoek van de minister die voor de betrokken aangelegenheid bevoegd is.
De vordering op grond van artikel XVII.2, 9°, wordt ingesteld op verzoek van de minister bevoegd voor het Leefmilieu. Het Comité dat is opgericht bij de wet van 14 juli 1994 inzake de oprichting van het Comité voor het toekennen van het Europese milieukeurmerk kan aan de minister voorstellen een dergelijke vordering aanhangig te maken.
De vordering op grond van artikel XVII.2, 2° tot 6°, voor wat betreft het beletten van het toezicht uitgeoefend krachtens de wetten betreffende het bijhouden van sociale documenten, of deze op grond van artikel XVII.2, 8° en 13°, wordt ingesteld op verzoek van de minister of de leidinggevende ambtenaar van de bevoegde inspectiedienst bedoeld in artikel 17 van het Sociaal Strafwetboek.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

HOOFDSTUK 3. - [1 Bijzondere bepalingen eigen aan boek VI ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.9. [1 De voorzitter van de rechtbank van koophandel kan de marktpraktijken bedoeld in de artikelen VI. 92 tot VI.109 van dit Wetboek verbieden wanneer zij nog geen aanvang hebben genomen, doch op het punt staan plaats te vinden.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/36, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.10. [1 Als de inbreuk een reclame betreft, kan de vordering tot staking wegens overtreding van de bepalingen van de artikelen VI. 17, VI. 93 tot VI. 95, VI. 105 en VI. 106 van dit Wetboek alleen tegen de adverteerder van de gewraakte reclame worden ingesteld.
Indien de adverteerder evenwel geen woonplaats in België heeft en geen verantwoordelijke persoon met woonplaats in België heeft aangewezen, kan de vordering tot staking eveneens worden ingesteld tegen :
- de uitgever van de geschreven reclame of de producent van de audiovisuele reclame;
- de drukker of de maker, indien de uitgever of de producent geen woonplaats in België hebben en geen verantwoordelijke persoon met woonplaats in België hebben aangewezen;
- de verdeler, alsmede elke persoon die er bewust toe bijdraagt dat de reclame uitwerking heeft, indien de drukker of de maker geen woonplaats in België hebben en geen verantwoordelijke persoon met woonplaats in België hebben aangewezen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.11. [1 De vordering tot staking kan worden ingesteld tegen een onderneming voor handelspraktijken van haar agent gehanteerd buiten de verkoopruimten van die agent, wanneer de agent zijn identiteit niet duidelijk kenbaar heeft gemaakt en zijn identiteit redelijkerwijze ook niet kon gekend zijn door degene die de vordering tot staking instelt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.12. [1 De vordering tot staking van de door artikel VI. 84 verboden handelingen kan, afzonderlijk of gezamenlijk, worden ingesteld tegen verscheidene ondernemingen van dezelfde economische sector of hun verenigingen die gebruik maken dan wel het gebruik aanbevelen van dezelfde of van soortgelijke algemene contractuele bedingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.13. [1 De onderneming is er toe gehouden, binnen een termijn van maximum een maand, de bewijzen te leveren betreffende de materiële juistheid van de feitelijke gegevens die zij meedeelt in het kader van een handelspraktijk, als er een vordering tot staking wordt ingesteld door :
1° de minister en, in voorkomend geval, de bevoegde minister bedoeld in artikel XVII.8;
2° de andere personen bedoeld in artikelen XVII.7, voor zover, rekening houdend met de gerechtvaardigde belangen van de onderneming en van elke andere partij bij de procedure, de voorzitter van de rechtbank van koophandel van oordeel is dat dergelijke eis aangepast is aan de omstandigheden van het concrete geval.
Wanneer de bewijzen vereist krachtens het eerste lid niet worden geleverd of onvoldoende worden geacht, kan de voorzitter van de rechtbank van koophandel de feitelijke gegevens als onjuist beschouwen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

HOOFDSTUK 4. - [1 Bijzondere bepalingen eigen aan boek XI]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014 en ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 24, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 1. [1 Vordering tot staking in geval van inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 24, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XVII.14. [1 § 1. De voorzitter van de rechtbank van koophandel stelt het bestaan vast en beveelt de staking van elke inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht, met uitzondering van het octrooirecht met inbegrip van het recht betreffende aanvullende beschermingscertificaten, het auteursrecht, de naburige rechten en het recht van de producenten van databanken.
§ 2. De voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel stelt het bestaan vast en beveelt de staking van elke inbreuk op het octrooirecht met inbegrip van het recht betreffende aanvullende beschermingscertificaten.
§ 3. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en de voorzitter van de rechtbank van koophandel stellen, in aangelegenheden die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren, het bestaan vast van elke inbreuk op het auteursrecht, op een naburig recht of op een recht van een producent van databanken en bevelen de staking ervan.
§ 4. De voorzitter kan eveneens een bevel tot staking uitvaardigen tegenover tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op een in paragrafen 1 tot 3 bepaald recht te plegen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/77, art. 6, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XVII.15. [1 § 1. Elke vordering tot staking voor het beëindigen van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht met uitzondering van het octrooirecht, met inbegrip van het recht betreffende aanvullende beschermingscertificaten, het auteursrecht, naburige recht of het recht van de producenten van databanken, beoogt in artikel XVII.14, § 1, die ook de staking tot voorwerp heeft van een handeling bedoeld in artikel XVII.1 of in artikel 18 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen, wordt uitsluitend voor de voorzitter van de krachtens artikel XVII.14, § 1, bevoegde rechtbank gebracht.
§ 2. Elke vordering tot staking voor het beëindigen van een inbreuk op het octrooirecht met inbegrip van het recht betreffende de aanvullende beschermingscertificaten, beoogt in artikel XVII.14, § 2, die ook de staking tot voorwerp heeft van een handeling bedoeld in artikel XVII.1 of in artikel 18 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen, wordt uitsluitend voor de voorzitter van de krachtens artikel XVII.14, § 2, bevoegde rechtbank gebracht.
§ 3. Elke vordering tot staking voor het beëindigen van het auteursrecht, de naburige rechten of het recht van de producenten van databanken, beoogt in artikel XVII.14, § 3, die ook de staking tot voorwerp heeft van een handeling bedoeld in artikel XVII.1 of in artikel 18 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen, wordt uitsluitend voor de voorzitter van de krachtens artikel XVII.14, § 3, bevoegde rechtbank gebracht.
§ 4. Elke vordering betreffende de toepassing van technische voorzieningen in het kader van het auteursrecht, de naburige rechten en het recht van de producenten van databanken, beoogt in artikel XI.336, § 1, die ook de staking tot voorwerp heeft van een handeling bedoeld in artikel XVII.1 of in artikel 18 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen, wordt uitsluitend voor de voorzitter van de krachtens artikel XI.336, § 1, bevoegde rechtbank gebracht.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 24, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XVII.16. [1 De voorzitter kan, wanneer hij de staking beveelt, maatregelen bevelen zoals bepaald in artikel XI.334, §§ 2 tot en met 4, of door het Benelux-Verdrag inzake intellectuele eigendom, naar gelang van het betrokken recht, voor zover deze maatregelen kunnen bijdragen tot de stopzetting van de vastgestelde inbreuk of van de gevolgen ervan, met uitzondering van de maatregelen tot herstel van de schade die door deze inbreuk wordt berokkend.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 24, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XVII.17. [1 Wanneer het bestaan van een intellectueel eigendomsrecht, in België beschermd door een depot of een inschrijving, wordt ingeroepen ter ondersteuning van een vordering op grond van artikel XVII.14, §§ 1 en 2, of als verweer tegen deze vordering, en wanneer de voorzitter van de rechtbank vaststelt dat dit recht, dit depot of deze inschrijving nietig is of vervallen, spreekt hij deze nietigheid of dit verval uit en beveelt de schrapping van het depot of van de inschrijving in de desbetreffende registers, overeenkomstig de bepalingen betreffende het betrokken intellectueel eigendomsrecht.
In afwijking van artikel XVII.18, derde lid wordt het uitvoerbaar karakter van de in het eerste lid bedoelde beslissing tot nietigheid of verval geregeld overeenkomstig de bepalingen betreffende het betrokken intellectueel eigendomsrecht.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 24, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XVII.18. [1 De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding.
Op de vordering wordt uitspraak gedaan, niettegenstaande enige vervolging die voor de strafrechter wordt ingesteld wegens dezelfde feiten.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande voorziening en zonder borgstelling, tenzij de rechter heeft bevolen dat een borg moet worden gesteld.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 24, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XVII.19. [1 § 1. De vordering op grond van artikel XVII.14, §§ 1 en 2, wordt ingesteld op verzoek van de personen die een vordering inzake namaak kunnen instellen volgens de bepalingen betreffende het betrokken intellectueel eigendomsrecht.
§ 2. In het geval van inbreuk op een auteursrecht of op een naburig recht wordt de vordering op grond van artikel XVII.14, § 3, ingesteld op verzoek van elke betrokkene, van een gemachtigde vennootschap voor het beheer van de rechten of van een beroepsvereniging of interprofessionele vereniging met rechtspersoonlijkheid.
In het geval van inbreuk op het recht van de producent van een databank, wordt de vordering op grond van artikel XVII.14, § 3, ingesteld op verzoek van de personen die een vordering inzake namaak kunnen instellen volgens de bepalingen betreffende het recht van de producent van databanken.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 24, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XVII.20. [1 § 1. Elke uitspraak ingevolge een op artikel XVII.14, gegronde vordering wordt binnen acht dagen en door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege meegedeeld aan de minister, tenzij de uitspraak is gewezen op zijn vordering.
Bovendien is de griffier verplicht de minister onverwijld in te lichten over de voorziening tegen elke uitspraak die op grond van artikel XVII.14 is gewezen.
§ 2. De voorzitter van de rechtbank kan toestaan dat zijn beslissing of de samenvatting die hij opstelt wordt aangeplakt tijdens de door hem bepaalde termijn, zowel buiten als binnen de inrichtingen van de overtreder en dat zijn vonnis of de samenvatting ervan in kranten of op enige andere wijze wordt bekendgemaakt, dit alles op kosten van de overtreder.
Deze maatregelen van openbaarmaking mogen evenwel slechts toegestaan worden indien zij er kunnen toe bijdragen dat de gewraakte daad of de uitwerking ervan ophouden.
De voorzitter van de rechtbank stelt het bedrag vast dat de partij aan wie een publicatiemaatregel overeenkomstig het eerste lid werd toegekend en die de maatregel heeft uitgevoerd niettegenstaande tijdig beroep tegen het vonnis werd ingesteld, zal verschuldigd zijn aan de partij in wiens nadeel de publicatiemaatregel werd uitgesproken, indien deze in beroep ongedaan wordt gemaakt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 24, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Afdeling 2. - [1 Vordering tot staking inzake de controle van de vennootschappen voor het beheer van de auteursrechten en de naburige rechten]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 24, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

Art. XVII.21. [1 § 1. Als op het einde van de termijn bepaald in artikel XV.31/1 de vastgestelde inbreuk niet is verholpen kan de minister, onverminderd de andere maatregelen bepaald in de wet, aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, of, indien de verweerder een handelaar is, naar de keuze van de minister aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel of aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, vragen om :
1° het bestaan vast te stellen en de staking te bevelen van de inbreuk op de bepalingen van deze titel, van de uitvoeringsbesluiten alsook van de statuten van de beheersvennootschap en haar regels van tarifering, inning of verdeling;
2° indien de niet-overeenstemming van de beheersvennootschap met de wettelijke verplichtingen de belangen van de rechthebbenden ernstig dreigt te benadelen, de bestuurs- en beheersorganen van de vennootschap te vervangen door één of verschillende tijdelijke bestuurders of beheerders, die alleen of in collegiaal verband, al naargelang het geval, beschikken over de bevoegdheden van de personen die zij vervangen. De voorzitter van de rechtbank bepaalt de duur van de opdracht van de tijdelijke bestuurders of beheerders.
§ 2. De vorderingen bepaald in paragraaf 1 worden ingesteld en behandeld zoals in kort geding.
Ze mogen worden ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak, overeenkomstig de artikelen 1034ter tot 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek.
Er wordt uitspraak gedaan over de vordering, niettegenstaande vervolging voor dezelfde feiten voor een strafrechtelijk rechtscollege.
De voorzitter van de bevoegde rechtbank kan bevelen dat het vonnis of de samenvatting ervan wordt aangeplakt gedurende de termijn die hij bepaalt, en zowel binnen als buiten de inrichtingen van de verweerder en op diens kosten, evenals de bekendmaking van het vonnis of van de door hem opgestelde samenvatting ervan, op kosten van de verweerder, in dagbladen of op een andere wijze.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgtocht.
Elke uitspraak wordt, binnen acht dagen en door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege, aan de minister meegedeeld, tenzij het vonnis gewezen is op zijn verzoek. Bovendien is de griffier verplicht de minister onverwijld in te lichten over het beroep tegen een uitspraak die krachtens dit artikel gewezen is. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-04-19/60, art. 24, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

HOOFDSTUK 5. - [1 Bijzondere bepalingen eigen aan boek XII]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.22. [1 De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de bepalingen van titel 2 van boek XII.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/36, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.23.[2 § 1. In afwijking van de bepalingen van deze titel, zijn enkel de volgende paragrafen van toepassing in geval van schending van artikel XII.22.
§ 2. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, of in voorkomend geval, de voorzitter van de rechtbank van koophandel, stelt het bestaan vast en beveelt de staking van elke registratie van een domeinnaam door een persoon met woonplaats of vestiging in België, en van elke registratie van een domeinnaam geregistreerd onder het BE-domein, die artikel XII.22 schendt.
§ 3. De voorzitter van de rechtbank kan bevelen dat de houder van de betrokken domeinnaam de registratie ervan doorhaalt of laat doorhalen of de domeinnaam overdraagt of laat overdragen aan de persoon die hij aanwijst.]2
[1 § 4. De vordering wordt ingesteld op verzoek van elke persoon die een legitiem belang aantoont ten opzichte van de betrokken domeinnaam en die een recht kan laten gelden op één van de [3 in artikel XII.22]3 vermelde tekens.]1
[2 § 5. De voorzitter van de rechtbank kan eveneens bevelen dat het vonnis geheel of gedeeltelijk, op kosten van de houder van de domeinnaam die in het ongelijk is gesteld, wordt bekendgemaakt in de pers of op een andere door hem bepaalde wijze.
Deze maatregelen van openbaarmaking mogen evenwel slechts opgelegd worden indien zij kunnen bijdragen tot de stopzetting van de registratie of de uitwerking ervan.]2
[1 § 6. De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kortgeding.
Zij mag ingesteld worden bij verzoekschrift op tegenspraak. Dit wordt in vier exemplaren neergelegd op de griffie van de rechtbank of bij een aangetekende zending verzonden aan deze griffie.
De griffier van de rechtbank verwittigt onverwijld de tegenpartij bij gerechtsbrief en nodigt haar uit te verschijnen ten vroegste drie dagen en ten laatste acht dagen na het verzenden van de gerechtsbrief, waaraan een exemplaar van het inleidend verzoekschrift werd gevoegd.
Op straffe van nietigheid, vermeldt het verzoekschrift :
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker;
3° de naam en het adres van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon tegen wie de vordering wordt ingesteld;
4° het onderwerp en de uiteenzetting van de middelen van de vordering;
5° de handtekening van de eiser of van zijn advocaat.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgtocht.
Elke uitspraak ingevolge een op deze wet gegronde vordering wordt binnen acht dagen en door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege meegedeeld aan de minister.
Bovendien is de griffier verplicht de minister onverwijld in te lichten over de voorziening ingeleid tegen elke uitspraak die op grond van deze bepaling is gewezen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>
(2)<W 2013-12-26/36, art. 8, 013; Inwerkingtreding : 31-05-2014>
(3)<W 2014-05-15/07, art. 4, 020; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.24. [1 De voorzitter van de rechtbank van koophandel kan de reclame bedoeld in artikel XII. 21, 3°, verbieden wanneer zij nog niet onder het publiek is gebracht, doch de publicatie ervan op het punt staat te gebeuren.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/36, art. 9, 013; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.25. [1 Voor de toepasing van de artikelen XII. 1 tot XII. 20, kan de vordering tot staking bedoeld in artikel XVII. 1 eveneens ingesteld worden op verzoek van een ziekenfonds of een landsbond van ziekenfondsen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

HOOFDSTUK 5/1. [1 - Bijzondere bepalingen eigen aan boek XIV]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/07, art. 3, 020; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.25/1. [1 De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kan het verbod op de in de artikelen XIV. 59 tot XIV.76 van dit Wetboek bedoelde marktpraktijken bevelen, wanneer zij nog geen aanvang hebben genomen, doch op het punt staan plaats te vinden.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/06, art. 4, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.25/2. [1 Als de inbreuk een reclame betreft, kan de vordering tot staking wegens overtreding van de bepalingen van de artikelen XIV. 9, XIV. 60 tot XIV. 62, XIV. 72 en XIV. 73 van dit wetboek alleen tegen de adverteerder van de gewraakte reclame worden ingesteld.
Indien de adverteerder echter geen woonplaats in België heeft en geen verantwoordelijke persoon met woonplaats in België heeft aangewezen, kan de vordering tot staking eveneens worden ingesteld tegen:
- de uitgever van de geschreven reclame of de producent van de audiovisuele reclame;
- de drukker of de maker, indien de uitgever of de producent geen woonplaats in België heeft en geen verantwoordelijke persoon met woonplaats in België heeft aangewezen;
- de verspreider alsmede elke persoon die bewust ertoe bijdraagt dat de reclame uitwerking heeft, indien de drukker of de maker geen woonplaats in België heeft en geen verantwoordelijke persoon met woonplaats in België heeft aangewezen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/07, art. 3, 020; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.25/3. [1 De vordering tot staking kan tegen de beoefenaar van een vrij beroep worden ingesteld wegens praktijken van zijn personeelslid aangewend buiten de lokalen van dat personeelslid, wanneer het personeelslid zijn identiteit niet duidelijk kenbaar heeft gemaakt en wanneer zijn identiteit evenmin redelijkerwijze bekend kon zijn bij degene die de vordering tot staking instelt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/07, art. 3, 020; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.25/4. [1 De vordering tot staking van de bij artikel XIV. 51 verboden handelingen kan, afzonderlijk of gezamenlijk, worden ingesteld tegen verscheidene beoefenaars van vrije beroepen van dezelfde sector of hun verenigingen die gebruik maken dan wel het gebruik aanbevelen van dezelfde of van soortgelijke algemene contractuele bedingen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/07, art. 3, 020; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.25/5. [1 De beoefenaar van een vrij beroep moet binnen een termijn van maximaal één maand de bewijzen leveren betreffende de materiële juistheid van de feitelijke gegevens die hij in het kader van een praktijk meedeelt, wanneer een vordering tot staking wordt ingesteld door :
1° de minister en, in voorkomend geval, de in artikel XVII.8 bedoelde bevoegde minister;
2° de andere in artikel XVII.7 bedoelde personen, voor zover, rekening houdend met de wettige belangen van de beoefenaar van het vrij beroep en van elke andere partij in het geding, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van oordeel is dat een dergelijke eis in het licht van de omstandigheden van het bedoelde geval passend is.
Indien de krachtens het eerste lid vereiste bewijzen niet worden geleverd of onvoldoende worden geacht, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de feitelijke gegevens als onjuist beschouwen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/07, art. 3, 020; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

HOOFDSTUK 6. - [1 Intracommunautaire vordering tot staking op het gebied van de bescherming van de consumentenbelangen]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.26. [1 Dit hoofdstuk beoogt de intracommunautaire vordering tot staking van elke handeling die inbreuk maakt op de collectieve belangen van de consumenten en die strijdig is :
a) of met de bepalingen in dit Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan;
b) of met de bepalingen vervat in de volgende wetgeving :
1° de artikelen 33 tot 39 alsmede artikel 41 van de wet van 30 maart 1995 betreffende de elektronische-communicatienetwerken en -diensten en de uitoefening van omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel- en de uitvoeringsbesluiten ervan, tot omzetting van artikelen 10 tot 21 van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten;
2° de artikelen 24, 28 en 29 van het gecoördineerde decreet van de Franse gemeenschap van 27 februari 2003 over de audiovisuele mediadiensten en de uitvoeringsbesluiten ervan, tot omzetting van artikelen 10 tot 21 van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten;
3° de artikelen 81, 82, 84 en 87 van het besluit van 25 januari 1995 van de Vlaamse regering tot coördinatie van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie en de uitvoeringsbesluiten ervan, tot omzetting van artikelen 10 tot 21 van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten;
4° de artikelen 6 tot 14 van het decreet van 27 juni 2005 van de Duitstalige gemeenschap over de audiovisuele mediadiensten en de filmvoorstellingen en de uitvoeringsbesluiten ervan, tot omzetting van artikelen 10 tot 21 van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten;
5° de wet van 16 februari 1994 tot regeling van het contract tot reisorganisatie en reisbemiddeling en de uitvoeringsbesluiten ervan;
6° de artikelen 9 en 10 van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen en de uitvoeringsbesluiten ervan tot omzetting van de bepalingen van Titel VIII van Richtlijn 2001/83//EEG van de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik betreffende de reclame voor deze geneesmiddelen;
7° de wet van 28 augustus 2011 betreffende de bescherming van de consumenten inzake overeenkomsten betreffende het gebruik van goederen in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling, en de uitvoeringsbesluiten ervan;
8° boek XII, titel 1, van dit Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan;
9° de bepalingen die door de daartoe bevoegde overheden zijn vastgesteld ter omzetting van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt;
10° de wet van 1 september 2004 betreffende de bescherming van de consumenten bij verkoop van consumptiegoederen;
c) of met de bepalingen van een lidstaat, tot omzetting van de richtlijnen die worden opgesomd in bijlage I bij de Richtlijn 2009/22/EG van het Europese Parlement en van de Raad van 23 april 2009 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.27. [1 In geval van inbreuk waarvan de oorsprong in België ligt en die gevolgen heeft in een andere lidstaat, kan elke bevoegde instantie in die andere lidstaat een vordering tot staking instellen voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel van Brussel teneinde deze inbreuk te doen staken of te verbieden als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° de door die bevoegde instantie beschermde belangen worden door de inbreuk geschaad;
2° de genoemde instantie komt voor op de lijst van de bevoegde instanties, opgesteld door de Europese Commissie en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.28. [1 De bevoegde instanties van België zijn de verenigingen ter verdediging van de collectieve consumentenbelangen, die rechtspersoonlijkheid bezitten en die of vertegenwoordigd zijn in de Raad voor het Verbruik, of erkend zijn door de minister tot wiens bevoegdheid de bescherming van de consumenten behoort, volgens criteria vastgesteld bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Op verzoek van de bevoegde instanties van België deelt de minister tot wiens bevoegdheid de bescherming van de consumenten behoort de lijst ervan alsmede de doelstelling en de benaming mee aan de Europese Commissie.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.29. [1 De voorzitter van de rechtbank van koophandel van Brussel stelt het bestaan vast en beveelt de staking van een handeling die een inbreuk uitmaakt.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/36, art. 10, 013; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.29/1. [1 Ten aanzien van de beoefenaars van een vrij beroep en voor zover het een inbreuk op de bepalingen van het boek XIV betreft, wordt de in dit hoofdstuk bedoelde bevoegdheid uitgeoefend door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/06, art. 5, 019; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.30. [1 De voorzitter van de rechtbank van koophandel van Brussel aanvaardt de in artikel XVII. 27 aangehaalde lijst van de bevoegde instanties als bewijs van het vermogen van de bevoegde instantie om te handelen, onverminderd zijn recht om na te gaan of de doelstelling van de bevoegde instantie het instellen van een vordering in een specifiek geval rechtvaardigt.
In afwijking van de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de bevoegde instanties een vordering tot staking van een inbreuk instellen om de collectieve belangen van de consumenten te verdedigen mits de in artikel XVII. 27 vermelde voorwaarden vervuld worden.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/36, art. 11, 013; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.31. [1 Wanneer de feiten het voorwerp zijn van een vordering tot staking kan er enkel beslist worden over de strafvordering nadat een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen betreffende de vordering tot staking.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.32. [1 De vordering tot staking wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding.
Zij mag ingesteld worden bij verzoekschrift op tegenspraak. Dit wordt in vier exemplaren neergelegd op of aangetekend toegezonden aan de griffie van de rechtbank van koophandel van Brussel.
De griffier van de rechtbank van koophandel van Brussel verwittigt onverwijld de tegenpartij bij gerechtsbrief en nodigt haar uit te verschijnen ten vroegste drie dagen en ten laatste acht dagen na het verzenden van de gerechtsbrief, waaraan een exemplaar van het inleidend verzoekschrift werd gevoegd.
Op straffe van nietigheid bevat het verzoekschrift :
1° de volledige datum (dag, maand en jaar);
2° de naam of de benaming en de woonplaats van de verzoeker;
3° de naam of de benaming en het adres van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon tegen wie de vordering wordt ingesteld;
4° het onderwerp en de uiteenzetting van de middelen van de vordering;
5° de handtekening van de verzoeker of van diens vertegenwoordiger.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgtocht.
Een afschrift van elke uitspraak over een vordering die is gesteund op artikel XVII. 27, wordt binnen acht dagen en door toedoen van de griffier toegezonden aan de minister tot wiens bevoegdheid de bescherming van de consumenten behoort.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.33. [1 De voorzitter van de rechtbank van koophandel van Brussel kan bevelen om zijn vonnis of de samenvatting die hij opstelt te publiceren via de pers, door aanplakking of op gelijk welke andere manier, op kosten van de overtreder.
Hij kan ook onder dezelfde voorwaarden de publicatie van een rechtzetting bevelen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/36, art. 12, 013; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Art. XVII.34. [1 De Koning kan de bepalingen opgesomd in artikel XVII. 26 aanpassen teneinde rekening te houden met de eventuele wijzigingen van de bijlage van de Richtlijn 2009/22/EG van het Europese Parlement en van de Raad van 23 april 2009 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen. ]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2013-12-26/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

Oude wetgeving:  wet op de marktpraktijken (WMPC) van  6 april 2010 in vervanging van de de wet wet op de handelpractijken van 1991 zie 

uittreksel uit de oude wet WHPC (wet 14 juli 1991)

Art. 95. De voorzitter van de rechtbank van koophandel stelt het bestaan vast en beveelt de staking van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk op de bepalingen van deze wet uitmaakt.
(Hij kan de reclame bedoeld in artikel 94/2 en de oneerlijke handelspraktijken bedoeld in de artikelen 94/5 tot en met 94/11 verbieden wanneer zij nog niet onder het publiek zijn gebracht of begonnen, doch de publicatie of invoering ervan op het punt staat te gebeuren.) <W 2007-06-05/36, art. 35, 027; Inwerkingtreding : 01-12-2007>

Art. 96. <W 2007-05-10/33, art. 9, 024; Inwerkingtreding : 01-11-2007> § 1. De voorzitter van de rechtbank van koophandel stelt bovendien het bestaan vast en beveelt de staking van elke inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht, met uitzondering van het auteursrecht, de naburige rechten en het recht van de producenten van databanken.
§ 2. Elke in § 1 bedoelde vordering tot staking die ook de staking tot voorwerp heeft van een handeling bedoeld in artikel 95 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, of in artikel 18 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen, wordt uitsluitend voor de voorzitter van de krachtens § 1 bevoegde rechtbank gebracht.
§ 3. De voorzitter kan, wanneer hij de staking beveelt, maatregelen bevelen zoals bepaald in de wet betreffende het betrokken intellectueel eigendomsrecht, voor zover deze maatregelen kunnen bijdragen tot de stopzetting van de vastgestelde inbreuk of van de gevolgen ervan, met uitzondering van de maatregelen tot herstel van de schade die door deze inbreuk wordt berokkend.
§ 4. Wanneer het bestaan van een intellectueel eigendomsrecht, in België beschermd door een depot of een inschrijving, wordt ingeroepen ter ondersteuning van een vordering op grond van § 1, of als verweer tegen deze vordering, en wanneer de voorzitter van de rechtbank vaststelt dat dit recht, dit depot of deze inschrijving nietig is of vervallen, spreekt hij deze nietigheid of dit verval uit en beveelt de schrapping van het depot of van de inschrijving in de desbetreffende registers, overeenkomstig de bepalingen van de wet betreffende het betrokken intellectueel eigendomsrecht
In afwijking van artikel 100, zesde lid, wordt het uitvoerbaar karakter van de in het eerste lid bedoelde beslissing tot nietigheid of verval geregeld overeenkomstig de bepalingen van de wet betreffende het betrokken intellectueel eigendomsrecht.

Art. 97. De voorzitter van de rechtbank van koophandel stelt eveneens het bestaan vast en beveelt eveneens de staking van de hiernavolgende inbreuken :
1. de uitoefening van een handelsactiviteit door de exploitatie van hetzij een hoofdvestiging, hetzij een filiaal of een agentschap, zonder dat men vooraf is ingeschreven in het handelsregister overeenkomstig de bepalingen van de bij het koninklijk besluit van 20 juli 1964 gecoördineerde wetten betreffende het handelsregister;
2. de uitoefening van een handelsactiviteit anders dan door de exploitatie van hetzij een hoofdvestiging, hetzij een filiaal of een agentschap, zonder dat het handelsregister hieromtrent vooraf werd ingelicht overeenkomstig de bepalingen van de bij het koninklijk besluit van 20 juli 1964 gecoördineerde wetten betreffende het handelsregister;
3. de uitoefening van een andere handelsactiviteit dan die waarvoor men in het handelsregister is ingeschreven;
4. de uitoefening van een andere handelsactiviteit dan die welke bij het handelsregister werd aangegeven;
5. de uitoefening van een ambachtelijke activiteit, zonder dat men vooraf in het ambachtsregister is ingeschreven overeenkomstig de bepalingen van de wet van 18 maart 1965 op het ambachtsregister;
6. de uitoefening van een andere ambachtelijke activiteit dan die waarvoor men in het ambachtsregister is ingeschreven;
7. de niet-naleving van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake het bijhouden van de sociale documenten en de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde;
8. de tewerkstelling van werknemers zonder te zijn ingeschreven bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, zonder de vereiste aangiften te hebben gedaan of zonder de bijdragen, de bijdrageverhogingen of moratoire interesten te betalen;
9. de tewerkstelling van werknemers en het gebruik van werknemers, in overtreding van de reglementering op de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en de terbeschikkingstelling van werknemers aan gebruikers;
10. de niet-naleving van algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten;
11. het beletten van het toezicht uitgeoefend krachtens de wetten betreffende het handelsregister, het ambachtsregister en het bijhouden van de sociale documenten;
12. (de niet naleving van de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen inzake reclame, met uitsluiting van deze die voorzien zijn in deze wet of genomen zijn ter uitvoering ervan;) <W 1999-05-25/43, art. 2, 1°, 014; Inwerkingtreding : 01-10-1999>
(13. de tewerkstelling van een persoon door een werkgever die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 27, 1°, a, van het koninklijk besluit nr. 34 van 20 juli 1967 betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit.) <W 1993-06-01/31, art. 16, 002; Inwerkingtreding : 01-07-1993>
(14. het niet-naleven van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake milieukeurmerk;) <W 1994-07-14/59, art. 5, § 1, 004; Inwerkingtreding : 01-12-1994>
(15. de uitoefening van een beroepsactiviteit zonder te beschikken over het met toepassing van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap vereiste attest.) <W 1999-05-25/43, art. 2, 2°, 014; Inwerkingtreding : 01-10-1999>
( (16). De niet-naleving van de bepalingen van de wet van 24 juli 1973 tot instelling van een verplichte avondsluiting in handel, ambacht en dienstverlening.) <W 1999-01-29/38, art. 7, 015; Inwerkingtreding : 11-07-1999> <W 2003-03-24/37, art. 15, 020; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
(17. de uitoefening van het beroep van ondernemer van vervoer van zaken of van personen over de weg, zonder houder te zijn van de vereiste vervoervergunningen en -machtigingen.) <W 2003-03-24/37, art. 15, 020; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
(18. de niet-naleving van de voorschriften betreffende de rij- en rusttijden van de bestuurders van voertuigen.) <L 2003-03-24/37, art. 15, 020; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
(19. de niet-naleving van de bepalingen van de wet van 15 mei 2007 betreffende de bescherming van de consumenten inzake omroeptransmissie- en omroepdistributiediensten.) <W 2007-05-15/51, art. 13, 028; Inwerkingtreding : 15-07-2007>
De voorzitter van de rechtbank van koophandel kan aan de overtreder een termijn toestaan om aan de inbreuk een eind te maken of bevelen dat de activiteit wordt gestaakt. Hij kan de opheffing van de staking toestaan zodra bewezen is dat een einde werd gemaakt aan de inbreuk.

Art. 97bis. <Ingevoegd bij W 2007-06-05/36, art. 36; Inwerkingtreding : 01-12-2007> Als de inbreuk een reclame betreft, kan de vordering tot staking wegens overtreding van de bepalingen van de artikelen 94/1, 94/2 en 94/5 alleen tegen de adverteerder van de gewraakte reclame worden ingesteld.
Indien de adverteerder evenwel geen woonplaats in België heeft en geen verantwoordelijke persoon met woonplaats in België heeft aangewezen, kan de vordering tot staking eveneens worden ingesteld tegen :
- de uitgever van de geschreven reclame of de producent van de audiovisuele reclame;
- de drukker of de maker, indien de uitgever of de producent geen woonplaats in België hebben en geen verantwoordelijke persoon met woonplaats in België hebben aangewezen;
- de verdeler alsmede elke persoon die er bewust toe bijdraagt dat de reclame uitwerking heeft, indien de drukker of de maker geen woonplaats in België hebben en geen verantwoordelijke persoon met woonplaats in België hebben aangewezen.

Art. 98. § 1. De vordering gegrond op artikel 95 wordt ingesteld op verzoek van :
1. de belanghebbenden;
2. de Minister (of de Directeur-generaal van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand & Energie), tenzij het verzoek betrekking heeft op een daad als bedoeld (in artikel 94/3) van deze wet; <W 2007-05-11/32, art. 3, 1°, 025; Inwerkingtreding : 04-06-2007> <W 2007-06-05/36, art. 37, 027; Inwerkingtreding : 01-12-2007>
3. een beroeps- of interprofessionele vereniging met rechtspersoonlijkheid (...); <W 2007-06-05/36, art. 37, 027; Inwerkingtreding : 01-12-2007>
4. een vereniging ter verdediging van de consumentenbelangen die rechtspersoonlijkheid bezit en voor zover zij in de Raad voor het Verbruik vertegenwoordigd is of door de Minister van Economische Zaken, volgens door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit vast te stellen criteria, erkend is, tenzij het verzoek betrekking heeft op een daad als bedoeld (in artikel 94/3) van deze wet. <W 2007-06-05/36, art. 37, 027; Inwerkingtreding : 01-12-2007>
In afwijking van de bepalingen in de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen de verenigingen en groepen bedoeld in de punten 3 en 4 in rechte optreden voor de verdediging van hun statutair omschreven collectieve belangen.
(De vordering tot staking van de door artikel 33 verboden handelingen kan, afzonderlijk of gezamenlijk, worden ingesteld tegen verscheidene verkopers van dezelfde economische sector of hun verenigingen die gebruik maken dan wel het gebruik aanbevelen van dezelfde of van soortgelijke algemene contractuele bedingen.) <W 1998-12-07/35, art. 7, 011; Inwerkingtreding : 01-02-1999>
(Voor de daden die bedoeld worden in artikel 94quater kan de vordering, gegrond op artikel 95, eveneens worden ingesteld door de minister die voor de betrokken aangelegenheid bevoegd is.) <W 2007-05-11/32, art. 3, 2°, 025; Inwerkingtreding : 04-06-2007>
(§ 1bis. De vordering op grond van artikel 96 wordt ingesteld op verzoek van de personen die een vordering inzake namaak kunnen instellen volgens de wet betreffende het betrokken intellectueel eigendomsrecht.) <W 2007-05-10/33, art. 10, 024; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
§ 2. Onverminderd de eventuele toepassing (van de artikelen 94/3) en 95 op de daarin bedoelde daden wordt de vordering gegrond op artikel 97 ingesteld op verzoek van de Minister die voor de betrokken aangelegenheid bevoegd is. <W 2007-06-05/36, art. 37, 027; Inwerkingtreding : 01-12-2007>
(De vordering op grond van artikel 97, 14., wordt ingesteld op verzoek van de Minister van Leefmilieu. Het Comité dat is opgericht bij de wet van 14 juli 1994 inzake de oprichting van het Comité voor het toekennen van het Europese milieukeurmerk, kan aan de Minister voorstellen een dergelijke vordering aanhangig te maken.) <W 1994-07-14/59, art. 5, § 2, 004; ED : 01-12-1994>

Art. 99. De voorzitter van de rechtbank van koophandel kan bevelen dat zijn beslissing of de samenvatting die hij opstelt wordt aangeplakt tijdens de door hem bepaalde termijn, zowel buiten als binnen de inrichtingen van de overtreder en dat zijn vonnis of de samenvatting ervan in kranten of op enige andere wijze wordt bekendgemaakt, dit alles op kosten van de overtreder.
Deze maatregelen van openbaarmaking mogen evenwel slechts opgelegd worden indien zij er kunnen toe bijdragen dat de gewraakte daad of de uitwerking ervan ophouden.

Art. 100. De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kortgeding.
Zij mag ingesteld worden bij verzoekschrift. Dit wordt in vier exemplaren neergelegd op de griffie van de rechtbank van koophandel of bij een ter post aangetekende brief verzonden aan deze griffie.
De griffier van de rechtbank verwittigt onverwijld de tegenpartij bij gerechtsbrief en nodigt haar uit te verschijnen ten vroegste drie dagen en ten laatste acht dagen na het verzenden van de gerechtsbrief, waaraan een exemplaar van het inleidend verzoekschrift werd gevoegd.
Op straffe van nietigheid vermeldt het verzoekschrift :
1. de dag, de maand en het jaar;
2. de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker;
3. de naam en het adres van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon tegen wie de vordering wordt ingesteld;
4. het onderwerp en de uiteenzetting van de middelen van de vordering;
5. de handtekening van de advocaat.
Er wordt uitspraak gedaan over de vordering niettegenstaande vervolging wegens dezelfde feiten voor elk ander strafrechtelijk rechtscollege.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgtocht.
Elke uitspraak ingevolge een (op de artikelen 95, 96 of 97) gegronde vordering wordt binnen acht dagen en door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege meegedeeld aan de Minister, tenzij de uitspraak is gewezen op zijn vordering. <W 2007-05-10/33, art. 11, 024; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
Bovendien is de griffier verplicht de Minister onverwijld in te lichten over de voorziening tegen elke uitspraak die op grond (van de artikelen 95, 96 of 97) is gewezen. <W 2007-05-10/33, art. 11, 024; Inwerkingtreding : 01-11-2007>

 

Rechtspraak:

•• Antwerpen 1 december 1997, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 1997, 618; , R.W. 1998-99, 407

Een verkoper kan art. 93 W.H.P.C. slechts inroepen indien de gehekelde inbreuk hem in zijn handel, d.w.z. in de uitoefening van zijn professionele activiteiten, raakt of kan raken. Wanneer een verkoper zijn activiteiten heeft stopgezet en verkocht, kan hij geen stakingsvordering meer instellen tegen een beweerd onrechtmatig afwerven van cliënteel. De enkele omstandigheid dat door de gehekelde inbreuk de overnameprijs van zijn handel zou verminderd zijn, doet daaraan geen afbreuk.

•• Brussel 20 december 2005, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 2005, 451.

Noch het eenmalig karakter van een inbreuk noch het tijdsverloop sedert de inbreuk leiden er op zich toe dat geen stakingsvordering in de zin van de WHPC meer zou kunnen worden ingesteld.

•• Brussel 25 augustus 1999, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 1999, 333, noot TIMMERMANS, J.. Omtrent het aanbieden van verzekeringsprodukten door een financiële instelling

Wanneer wordt vastgesteld dat aan de gewraakte handelspraktijk definitief een einde werd gesteld en er objectief geen gevaar voor herhaling bestaat, is de stakingsvordering zonder voorwerp geworden.


Handelspraktijken, vordering tot staking, hoedanigheid partijen

Uit het feit dat art. 1 Wet 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen bepaalt dat de beroepsverenigingen de rechtspersoonlijkheid genieten binnen de grenzen en in de voorwaarden voortvloeiende uit de bepalingen van de wet, kan niet zonder meer worden afgeleid dat een beroepsvereniging de rechtspersoonlijkheid verliest zodra zij niet in regel is met één van de formaliteiten opgelegd in de wet en zijn stakingsvordering om die reden niet ontvankelijk zou zijn.

•• Gent 26 oktober 2005, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 2005, 689.

‘Belanghebbenden’ voor het instellen van een vordering wegens schending van artikel 93 W.H.P.C., dat elke met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daad waardoor een verkoper de beroepsbelangen van een of meer andere verkopers schaadt of kan schaden verbiedt, zijn de verkopers die door deze daden geschaad worden of kunnen worden.

De mogelijkheid om een stakingsvordering in te stellen op grond van artikel 98 § 1, 3° W.H.P.C. is niet enkel voorbehouden aan de beroepsverenigingen die rechtspersoonlijkheid genieten in de zin van de Wet van 31 maart 1898 op de Beroepsverenigingen, maar aan alle ‘beroeps- en interprofessionele verenigingen’ met rechtspersoonlijkheid. De rechtsvorm van de vereniging is zonder belang, zolang het maar gaat om een rechtspersoon die opkomt ter verdediging van de statutair omschreven collectieve belangen.

In zoverre de schade die een beroepsvereniging beweert te lijden of te kunnen lijden door een praktijk, niet de collectieve belangen van haar leden betreft maar haar eigen belang, wordt de toelaatbaarheid van haar vordering niet beoordeeld op grond van artikel 98 § 1, 3° W.H.P.C., doch dient zij aan te tonen dat zij zelf een belanghebbend.e is in de zin van artikel 98 § 1, 1e W.H.P.C.. Dit zou het geval zijn. indien zij verkoper is in de zin van artikel 1.6 W.H.P.C..

De wettelijke taken van het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars (BIV), zoals gedefinieerd in de Wet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen, hebben betrekking op het uitwerken van een deontologie voor de beroepsgroep van de vastgoedmakelaars, op het toezicht op de bescherming van de beroepstitel en op de naleving van de beroepsregels, evenals op het organiseren van de tuchtprocedure. Het BIV heeft evenwel niet tot taak de collectieve belangen van de vastgoedmakelaars te verdedigen. Bijgevolg voldoet het niet aan de voorwaarden van artikel 98 § 1, eerste lid, 3° en artikel 98 § 1, tweede lid W.H.P.C. om een stakingsvordering te kunnen instellen wegens een inbreuk op artikel 93 W.H.P.C..

Wanneer de statutaire doelstellingen van een beroepsvereniging beperkt zijn tot het behartigen van de beroepsbelangen van haar leden op het vlak van studie en vorming en van contacten met derden, doch zich niet uitstrekken tot bescherming van de belangen van haar leden, is haar vordering gegrond op een schending van artikel 93 W.H.P.C. niet ontvankelijk.

• Voorz. Kh. Gent 24 mei 2004, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 2004, 737; , Juristenkrant 2005 (weergave DAELE, K.), afl. 103, 1; , RABG 2005, afl. 10, 961, noot WYTINCK, P. Wie is de bevoegde minister onder artikel 98 par. 1 W.H.P.C. om een vordering tot staking in te leiden?

Overeenkomstig art. 98, par. 1, 2 W.H.P.C. kan de stakingsvordering bedoeld in art. 95 W.H.P.C., worden ingesteld op verzoek van de Minister tenzij het verzoek betrekking heeft op een daad bedoeld in art. 93 W.H.P.C.
Overeenkomstig art. 1.8 W.H.P.C. wordt voor de toepassing van de W.H.P.C. onder 'de Minister' verstaan: de Minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren.
Uit de samenlezing van art. 98, par. 1, 2 en 1, 8 W.H.P.C. dringt zich dan ook de vaststelling op dat de Minister van Economische Zaken als bevoegd orgaan van de Belgische Staat wordt aangewezen om een stakingsvordering in te stellen.
Nu blijkens de inleidende dagvaarding huidige stakingsvordeirng wordt ingesteld door de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Leefmilieu, Consumentenzaken en Duurzame Ontwikkeling, en niet door de Minister van Economische Zaken, komt deze stakingsvordering ontoelaatbaar voor wegens schending van art. 98, par. 1, 2 juncto 1.8 W.H.P.C. en art. 703, lid 1 Ger.W.
Art. 705 Ger.W. bevat regels die uitsluitend betrekking hebben op de betekening van een dagvaarding aan de Belgische Staat en kan geen toepassing vinden ter beoordeling van de toelaatbaarheid van een vordering waarbij de Belgische Staat zelf in rechte optreedt.
Uit geen enkel besluit of reglement blijkt evenmin dat specifieke deelbevoegdheden van de 'Economische Zaken' aan verschillende Ministers, waaronder de Minister voor Leefmilieu, Consumentenzaken en Duurzame Ontwikkeling werden toevertrouwd

•• Voorz. Kh. Kortrijk 1 april 1999, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 1999, 899.

Een vordering tot staken heeft geen reden van bestaan meer wanneer de gelaakte daad voltooid is en degene die ze heeft verricht er definitief mee heeft opgehouden voordat de vordering werd ingesteld. Het gaat hier niet om een welbepaalde daad maar wel om een praktijk. Het tijdsverloop komt evenwel slechts in aanmerking wanneer de vordering tot staken wordt ingeleid na de beëindiging van een gewraakte handeling, wanneer de herhaling onmogelijk is of wanneer is vastgesteld dat ze definitief beëindigd is.



•• Antwerpen 27 maart 2000, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 2000, 522.

De stakingsrechter is niet bevoegd om te oordelen omtrent aard en omvang van beweerde schade en de daaraan te verbinden schadevergoeding, zodat hij ook geen afgifte kan bevelen van de lijst met personen aan wie een voor een verkoper denigrerend schrijven werd verzonden en evenmin machtiging kan verlenen om die personen op kosten van de andere partij aan te schrijven met het oog op herstel van de aangerichte schade.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: vr, 10/06/2016 - 12:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.