-A +A

Vordering tot staking belang en hoedanigheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De onderneming die klaagt over een met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad die haar belangen schaadt, al wordt die aantasting betwist, heeft de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang om een stakingsvordering in te stellen.

Rechtspraak:

• Hof van Cassatie, 15/09/2017, C.16.0491.F, juridat

samenvatting

De procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht, heeft, ook al wordt dat recht betwist, de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang om haar vordering ontvankelijk verklaard te zien worden.

Het onderzoek van het bestaan en van de draagwijdte van het subjectieve recht waarop die partij zich beroept, heeft geen betrekking op de ontvankelijkheid maar op de gegrondheid van de vordering.

Tekst arrest

Nr. C.16.0491.F
BRUSSELS SOUTH CHARLEROI AIRPORT nv,
tegen
EURO-TRAFIC nv,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep Bergen van 18 april 2016.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Luidens artikel 17 Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toe-gelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te die-nen.

De procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht heeft, al wordt dat recht betwist, de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang om haar vorde-ring ontvankelijk verklaard te zien worden.

Het onderzoek van het bestaan en van de draagwijdte van het subjectieve recht waarop die partij zich beroept, heeft geen betrekking op de ontvankelijkheid maar op de gegrondheid van de vordering.

Krachtens artikel XVII.1 Wetboek Economisch Recht stelt de voorzitter van de rechtbank van koophandel het bestaan vast en beveelt hij de staking van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk uitmaakt op de bepalingen van dat wetboek.

Artikel VI.104 Wetboek Economisch Recht bepaalt dat elke met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een of meer andere ondernemingen schaadt of kan schaden, verboden is.

Uit de samenhang tussen die bepalingen volgt dat de onderneming die klaagt over een met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad die haar belangen schaadt, al wordt die aantasting betwist, de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang heeft.

Het arrest, dat erop wijst dat "een onderneming, in geval van oneerlijke praktijken ten aanzien van de consumenten, [...] de staking van die gedragingen kan verkrijen indien de strafbare praktijken haar beroepsbelangen schaden", stelt dat "de eerste rechter terecht geoordeeld heeft dat de vordering tot staking niet ontvankelijk was", op grond dat "niet blijkt dat de voormelde gedragingen [de eiseres] zouden hebben geschaad, noch op materieel vlak, doordat ze de consumenten ertoe zouden hebben aangezet om met [de verweerster] een overeenkomst te sluiten terwijl zij dat anders niet zouden hebben gedaan en zodoende een weerslag zouden hebben gehad op de aan de onderconcessiehouder verschuldigde bedragen, noch op moreel vlak, doordat ze haar imago zouden schaden", en schendt bijgevolg voornoemd artikel 17.

Het middel is gegrond.
(...)
Dictum
Het Hof
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het, met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, de vordering tot staking wegens schending van de artikelen 78 Wetboek van Vennootschappen en VI.45 Wetboek Economisch Recht niet-ontvankelijk verklaart en uitspraak doet over de kosten.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Veroordeelt de eiseres tot de helft van de kosten en houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep Luik.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, in openbare te-rechtzitting van 15 september 2017 gewezen

 

Nog dit: 

Een vonnis of arrest waarbij beslist wordt dat een vordering van een vakbond teneinde erkend te worden als officiële vakbond, niet ontvankelijk is op grond van de overweging dat de vakbond geen eigen belang heeft om deze vordering te stellen, doch optreedt om de verdediging van de belangen van haar leden te vrijwaren overeenkomstig haar statutair doel, dat erin bestaat de beroepsbelangen van de treinconducteurs van de verweerster te verdedigen, schendt art. 17 Ger. W. (Cass. 4 februari 2008, 2010-2011, 197).

Rechtsleer:

S. Lust en S. Voet: «De voorwaarden van de burgerlijke rechtsvordering (inzonderheid het belang) als breekijzer(s) voor een collectieve rechtsvordering», in G. Closset-Marchal en J. Van Compernolle, Vers une «class action» en droit belge? Naar een «class action» in het Belgisch recht?, Brugge, die Keure, 2008, (83), p. 94-98, nrs. 13-19.

Rechtspraak:

Hof van Beroep Brussel, 10/09/2013, RW 2015-2016, 348

Het eigen belang van een rechtspersoon is alleen datgene wat zijn bestaan of zijn materiële en morele goederen en inzonderheid zijn vermogen, eer en goede naam raakt. Het loutere feit dat een natuurlijke persoon of een rechtspersoon een doel nastreeft, zij het een statutair vastgesteld doel, doet het eigen belang om een rechtsvordering in te stellen, niet ontstaan (Cass. 19 november 1982, RW 1983-84, 2029, noot J. Laenens; Cass. 19 september 1996, Arr.Cass. 1996, 775).
 

Commentaar: 

Overeenkomstig art. 17 Ger. W. kan de rechtsvordering niet worden toegeiaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

Er bestaat geen wetteiijke omschrijving van het begrip “hoedanigheid”. De hoedanigheid wordt doorgaans omschreven ais de bevoegdheid, de macht, dankzi] deweike een persoon een rechtsvordering kan instellen; zi] onderstelt een zeker verband tussen de persoon die de vordering instelt en het recht dat het voorwerp van de vordering uitmaakt (zie: P. VANLERSBERGHE, “Artikei 17 Ger. W.”, in X., Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze cornmentaar met overzicht van rechfspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2002, (1) 21, nr. 20).

Er bestaaf evenmin een wettelijke definitie van het begrip “belang”. Hef belang wordt omschreven ais ieder materieel of moreel — daadwerkeIijk, maar niet theoretisch — voordeei dat de eiser kon halen uit de vordering die hij instelde, op het ogenblik waarop hij die vordering aanhangig moakte, zeifs zo de erkenning van het recht, de ontleding of de ernst van de schade slechts komen vast te staan op het ogenblik van de uitspraak van het vonnis (zie: P. VANLERSBERGHE, l.c., (1) 9, nr. 7). Het belang moet rechtstreeks en persoonlijk zgn.

Een procespartij die voorhoudt titularis te zijn van een subjectief recht, heeft hoedanigheid en belang cm de vordering in te stellen, ook al wordt dit redit betwist. Het onderzoek naor het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat wordt ingeroepen, betreft niet de ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van de vordering (Cass. AR C.02.0609.N, 2 april 2004, Arr. Cass. 2004, afl. 4,597).
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 21/05/2018 - 12:18
Laatst aangepast op: ma, 21/05/2018 - 12:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.