-A +A

Vordering tot nietigverklaring van een persoonlijke zekerheid door een echtgenoot op grond van artikel 224 §1, 4° BW

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Krachtens 224, § 1, 4° BW. kunnen, op verzoek van de andere echtgenoot en onverminderd de toekenning van schadevergoeding, worden nietig verklaard: «de persoonlijke zekerheden door een van de echtgenoten gesteld, die de belangen van het gezin in gevaar brengen».

De bedoelde nietigheid is relatief en strekt zodoende enkel tot bescherming van het belang van de andere echtgenoot. Enkel deze echtgenoot (of zijn rechtsopvolgers) kan (kunnen) de nietigverklaring nastreven. Het moet daarbij gaan om persoonlijke zekerheden (sensu lato) en niet om zakelijke zekerheden.

Persoonlijke zekerheden zijn vernietigbaar, ongeacht hun professionele of private grondslag, althans wanneer zij het gezinsbelang in gevaar brengen.

Hierover bestaat een rechterlijke appreciatiebevoegdheid. Telkens moet de rechter in concreto enerzijds intrinsieke elementen zoals het bedrag, de doelstelling en de opportuniteit van de zekerheid afwegen ten opzichte van anderzijds een extrinsiek element, zoals de financiële situatie van het gezin.

Het gezinsbelang is in het gedrang indien de contracterende echtgenoot wegens zijn engagement niet meer dienstig in de gezinslasten kan bijdragen.

Een en ander moet worden beoordeeld ten tijde van het stellen van de persoonlijke zekerheid. De goede trouw van de derde-medecontractant speelt hierbij geen specifieke (laat staan een doorslaggevende) rol.

Krachtens artt. 1418, 2, d juncto 1422 BW. deze bepalingen onderstelt het aangaan van een lening de toestemming van beide (onder een gemeenschapsstelsel gehuwde) echtgenoten en kan de andere (benadeelde) echtgenoot met een wettig belang (onverminderd de rechten van de te goeder trouw zijnde derden) de nietigverklaring vorderen van een lening die zonder zijn toestemming is aangegaan.

L. t/ D. en CVBA T.

I. Relevante feitelijke elementen

1. Eric D. en Anne L. (hierna: L.) zijn gehuwd op 5 maart 1983 onder een daags voordien huwelijkscontractueel bedongen gemeenschapsstelsel.

2. Bij een notariële akte van 11 december 2001 richten D. en L. samen de BVBA B.-B. op. D. en L. verwerven respectievelijk negentig en tien aandelen. D. fungeert als enige statutaire zaakvoerder. Het betreft een groothandel in bioproducten.

Medio 2003 en medio 2005 wordt het kapitaal telkens opgetrokken en het aantal aandelen verhoogd.

3. Op 20 september 2005 sluiten (1) de BVBA B.-B.; (2) D. als zaakvoerder én in eigen naam en (3) CVBA T. – Vlaams Participatiefonds voor de sociale economie een «overeenkomst van kapitaalsparticipatie». Hierbij doet T. (die investeert in sociale en maatschappelijk bewogen ondernemingen en ondernemers met risicokapitaal) een inbreng van kapitaal ten bedrage van 100.000 euro in ruil voor 37,80 % van het eens te meer verhoogde aantal aandelen. Bij die gelegenheid wordt de BVBA B.-B. omgevormd tot een NV.

Een en ander wordt goedgekeurd in buitengewone algemene vergadering van 30 september 2005, met navolgende publicatie in het Belgisch Staatsblad op 31 oktober 2005. Daaruit blijkt dat L. (intussen) mede als bestuurder fungeert.

4. De overeenkomst van 20 september 2005 behelst derhalve een kapitaalinjectie ten behoeve van een kmo met een bijzonder doel, die zodoende de kans krijgt om (verder) te groeien.

De injectie is tijdelijk. Zij geldt voor maximum zes jaar, wat blijkt uit de artt. 11-12. Krachtens deze bepalingen geldt een terugkoopverplichting voor de ondertekende aandeelhouder, namelijk D. Deze laatste is verplicht na zes jaar het aandelenpakket van T. terug te kopen, met dien verstande dat het aandelenpakket van T. ook mag worden overgenomen door (een) andere aandeelhouder(s) of door de vennootschap zelf. Bij de terugkoop dienen de partijen te onderhandelen over de terugkoopprijs. De prijs moet echter minimum gelijk zijn aan het geïnvesteerde bedrag, vermeerderd met 4 % per participatiejaar, weliswaar rekening houdend met de reeds uitbetaalde dividenden.

5. Blijkbaar is deze terugkoop uiteindelijk spaak gelopen en worden de activiteiten van de NV B.-B. stopgezet in het voorjaar van 2013, ruim twintig jaar na haar oprichting (als BVBA), en dit wegens «financiële, technische en administratieve problemen».

In buitengewone algemene vergadering van 17 april 2013 wordt beslist tot ontbinding en invereffeningstelling van de vennootschap.

II. Beroepen vonnis

1. De bij dagvaarding van 22/23 april 2013 (t.a.v. D. en T.) ingestelde en verder bij conclusie nader gepreciseerde vordering van L. strekt in essentie tot nietigverklaring van voormelde overeenkomst van 20 september 2005, inzonderheid in zoverre deze overeenkomst voorziet in een terugkoopverplichting voor D. Minstens wil L. doen zeggen voor recht dat de overeenkomst dan wel de terugkoopverplichting (1) haar niet-tegenwerpbaar is en/of (2) geen uitvoering kan krijgen ten laste van haar aandeel in de huwelijksgemeenschap D.-L.

2. D. voert geen specifieke betwisting over de hoofdvordering van L.

Bij wijze van tussenvordering tegen T. beoogt D. op zijn beurt de nietigverklaring van de overeenkomst van 20 september 2005. D. wijst op tal van wilsgebreken en een onrechtmatig handelen van T., mede gelet op haar maatschappelijk doel en algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3. T. werpt allereerst een exceptie van onbevoegdheid op, omdat volgens haar niet de rechtbank van eerste aanleg maar wel de rechtbank van koophandel materiaal bevoegd is. Voorts neemt zij conclusie tot afwijzing van de hoofdvordering van L. en de tussenvordering van D.

4. Bij vonnis van 17 maart 2014 in de zaak met AR nummer 2013/1566/A verklaart de tweede kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent zich bevoegd om van voormelde vorderingen kennis te nemen. Zij wijst echter beide vorderingen af als ontvankelijk maar ongegrond, (...).

III. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 4 juli 2014 stelt L. hoger beroep in tegen voormeld vonnis van 17 maart 2014. Met haar hoger beroep beoogt L., met hervorming van het beroepen vonnis, de inwilliging van haar oorspronkelijke vordering.

...

2. D. neemt geen conclusie.

3. T. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep (als ontvankelijk maar ongegrond) en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

...

IV. Beoordeling

...

2. Ten gronde rijst de centrale vraag naar de door L. gevorderde nietigverklaring van voormelde overeenkomst van 20 september 2005, inzonderheid in zoverre deze overeenkomst voorziet in een terugkoopverplichting voor D.

Minstens wil L. doen zeggen voor recht dat de overeenkomst dan wel de terugkoopverplichting (1) haar niet-tegenwerpbaar is en/of (2) geen uitvoering kan krijgen ten laste van haar aandeel in de huwelijksgemeenschap D.-L.

3. Bij gebrek aan conclusie, laat staan een aangehouden vordering van D., neemt het hof met T. aan dat de oorspronkelijke tussenvordering van D. niet meer aan de orde is, omdat de eerste rechter deze vordering met een omstandige motivering terecht heeft afgewezen.

Enig wilsgebrek bij de totstandkoming van de overeenkomst van 20 september 2005 is onbewezen.

4. L. beroept zich allereerst op art. 224, § 1, 4o BW.

5. Krachtens deze bepaling kunnen, op verzoek van de andere echtgenoot en onverminderd de toekenning van schadevergoeding, worden nietig verklaard: «de persoonlijke zekerheden door een van de echtgenoten gesteld, die de belangen van het gezin in gevaar brengen».

De bedoelde nietigheid is relatief en strekt zodoende enkel tot bescherming van het belang van de andere echtgenoot. Enkel deze echtgenoot (of zijn rechtsopvolgers) kan (kunnen) de nietigverklaring nastreven. Het moet daarbij gaan om persoonlijke zekerheden (sensu lato) en niet om zakelijke zekerheden. Persoonlijke zekerheden zijn vernietigbaar, ongeacht hun professionele of private grondslag, althans wanneer zij het gezinsbelang in gevaar brengen. Hierover bestaat een rechterlijke appreciatiebevoegdheid. Telkens moet de rechter in concreto enerzijds intrinsieke elementen zoals het bedrag, de doelstelling en de opportuniteit van de zekerheid afwegen ten opzichte van anderzijds een extrinsiek element, zoals de financiële situatie van het gezin. Het gezinsbelang is in het gedrang indien de contracterende echtgenoot wegens zijn engagement niet meer dienstig in de gezinslasten kan bijdragen. Een en ander moet worden beoordeeld ten tijde van het stellen van de persoonlijke zekerheid. De goede trouw van de derde-medecontractant speelt hierbij geen specifieke (laat staan een doorslaggevende) rol.

6. Het hof wil nog enigszins aannemen dat de kapitaalinjectie van T. in ruil voor aandelen in de NV B.-B. (met bijgevolg een rechtsverhouding tussen enerzijds T. als aandeelhouder en anderzijds de NV B.-B. als vennootschap) benevens de garantie door middel van de terugkoopverplichting (m.b.t. het aandelenpakket van T.) ten laste van D. als een persoonlijke zekerheid sensu lato ten laste van D. kan worden beschouwd. T. wil de constructie iets te eenvoudig afdoen als een rechtsverhouding (uitsluitend) tussen enerzijds T. en anderzijds D. waarbij T. vreemd zou blijven aan de NV B.-B. T. wordt immers, gelet op haar kapitaalinjectie, aandeelhouder van de NV B.-B. Dat de terugkoopverplichting (op het einde van de injectietermijn) enkel geldt ten laste van D. (terwijl een andere aandeelhouder of de vennootschap ook mag terugkopen), brengt niet noodzakelijk mee dat de rechtsverhouding tussen enerzijds T. als aandeelhouder en anderzijds de NV B.-B. als vennootschap niets voorstelt.

7. Het hof is evenwel van oordeel dat geenszins blijkt of en, zo ja, in welke mate de litigieuze overeenkomst van 20 september 2005 destijds het gezinsbelang in gevaar zou hebben gebracht.

Zoals ook de eerste rechter aangeeft, biedt L. geen dienstige duiding betreffende de mate waarin het gezinsbelang in gevaar zou zijn gebracht. Het gaat niet op gratuit te beweren (1) dat zij zich in het begin geen zorgen maakte omdat «zij voortging op wat haar werd verteld en op wat op de website van T. werd gepromoot»; (2) dat zij zich maar weinig met de administratie van de vennootschap inliet; (3) dat zij pas in het voorjaar van 2013 in het bezit werd gesteld van een kopie van de overeenkomst van 20 september 2005 en op die manier pas recentelijk kennis heeft genomen van de terugkoopverplichting; (4) dat de huwelijksgemeenschap D.-L. geen enkel belang had bij de kapitaalinjectie; (5) dat de schuld ingevolge de terugkoopverplichting zonder meer een ernstige bedreiging vormt voor het gezinsbelang en (6) dat hierdoor een aanzienlijk risico wordt genomen dat buiten alle verhouding staat.

Genoot het gezin dan geen inkomsten uit de vennootschapsactiviteit? Welke waren overigens de gezinsinkomsten meer in het algemeen? En de gezinslasten? En vooral... in welke mate zou D. wegens zijn engagement niet meer dienstig in de gezinslasten hebben kunnen bijdragen? Dat ingevolge de terugkoopverplichting ten laste van D. (aanzienlijke) gezinsinkomsten worden ontnomen, is relatief en onderstelt beoordeling in een ruimere (cijfermatige) context. Welnu, die context ontbreekt (nog steeds), wat T. terecht hekelt.

Dat de litigieuze overeenkomst van 20 september 2005 destijds het gezinsbelang in gevaar heeft gebracht, blijft derhalve manifest onbewezen.

8. Pijnpunt is daarenboven dat art. 224, § 2 BW voorziet in een vervaltermijn van één jaar «na de dag waarop de handeling ter kennis is gekomen van de echtgenoot-eiser».

T. werpt terecht op dat de (oorspronkelijke) vordering van L. te laat is ingesteld. T. bewijst het laattijdige karakter van deze vordering. De litigieuze rechtshandeling dateert van 20 september 2005, terwijl de dagvaarding van L. dateert van 22/23 april 2013.

Dat L. zich gedurende jaren niets van de vennootschap(sadministratie) zou hebben aangetrokken en pas in het voorjaar van 2013 in het bezit zou zijn gesteld van een kopie van de overeenkomst van 20 september 2005 en op die manier pas recentelijk kennis zou hebben genomen van de terugkoopverplichting, laat het hof voor haar rekening. Punt is hoe dan ook dat de operatie van 20 september 2005 wordt goedgekeurd in een buitengewone algemene vergadering van 30 september 2005, met navolgende publicatie in het Belgisch Staatsblad op 31 oktober 2005, waaruit blijkt dat L. mede als bestuurder fungeert. L. kan niet op geloofwaardige wijze doen alsof ze van niets weet. L. kan a posteriori niet dienstig aanvoeren dat zij de operatie van 20 september 2005 niet kende. L. kan zich niet verschuilen achter een beweerde onwetendheid, terwijl zij minstens van de overeenkomst van 20 september 2005 afwist en hooguit zichzelf kan verwijten dat zij die destijds niet beter zou hebben doorgenomen.

9. Zich verhalen op de website van T. verhelpt evenmin, voor zover al duidelijk zou zijn welke informatie die destijds bevatte. De overeenkomst van 20 september 2005 is duidelijk, terwijl geenszins is bewezen dat T. via haar website of anderszins foutieve of misleidende informatie zou hebben gegeven.

10. L. beroept zich voorts op de artt. 1418, 2, d juncto 1422 BW.

11. Krachtens deze bepalingen onderstelt het aangaan van een lening de toestemming van beide (onder een gemeenschapsstelsel gehuwde) echtgenoten en kan de andere (benadeelde) echtgenoot met een wettig belang (onverminderd de rechten van de te goeder trouw zijnde derden) de nietigverklaring vorderen van een lening die zonder zijn toestemming is aangegaan.

12. T. voert terecht aan dat de overeenkomst van 20 september 2005 geenszins gelijkstaat met een lening in de zin van art. 1418, 2, d BW. Het gaat om (1) een kapitaalinjectie van T. in ruil voor aandelen in de NV B.-B. (met bijgevolg een rechtsverhouding tussen enerzijds T. als aandeelhouder en anderzijds de NV B.-B. als vennootschap) en (2) een garantie door middel van de terugkoopverplichting (m.b.t. het aandelenpakket van T.) ten laste van D. Dit is geen lening aan D. (waarvoor ook de toestemming van L. zou nodig zijn). De tijdelijke kapitaalinjectie van T. geldt hooguit als financiering aan de NV B.-B.

Hoe dan ook bewijst L. geen benadeling en handelt zij buiten de in art. 1423, eerste lid BW bepaalde vervaltermijn van één jaar.

13. Een en ander maakt dat, deels in de lijn van de omstandige motivering van de eerste rechter, de vordering van L. in geen van de onderdelen slaagt.

Een dienstige rechtsgrond tot nietigverklaring, niet-tegenwerpbaarheid en/of niet-uitvoering van de overeenkomst van 20 september 2005 dan wel de erin vervatte terugkoopverplichting ontbreekt.

14. Het hoger beroep faalt.

...

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 28/01/2018 - 18:59
Laatst aangepast op: zo, 28/01/2018 - 18:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.