-A +A

Vordering tot nietigverklaring van een handeling van een echtgenoot door de andere echtgenoot

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een echtgenoot die bewijst dat hij een wettig belang heeft, kan, onverminderd de rechten van te goeder trouw zijnde derden, de nietigverklaring vorderen van elke handeling die de andere echtgenoot heeft verricht in strijd met de bepalingen van de artikelen 1417, tweede lid, 1418 en 1419 BW;

De nietigverklaring van de handelingen genoemd in artikel 1418, 2° onderstelt weliswaar bovendien een benadeling.

uittreksel uit het burgerlijk wetboek

 

Art. 1418. <W 14-07-1976, art. 2> Onverminderd het bepaalde in artikel 1417, is de toestemming van beide echtgenoten vereist om :
1. a) voor hypotheek vatbare goederen te verkrijgen, te vervreemden of met zakelijke rechten te bezwaren;
b) een handelszaak of enig bedrijf te verkrijgen, over te dragen of in pand te geven;
c) een huurovereenkomst voor langer dan negen jaar te sluiten, te vernieuwen of op te zeggen en een handelshuur of pachtovereenkomst toe te staan.
2. a) een hypothecaire schuldvordering over te dragen of in pand te geven;
b) de prijs van een vervreemd onroerend goed of de terugbetaling van een hypothecaire schuldvordering in ontvangst te nemen en opheffing te verlenen van hypothecaire inschrijvingen;
c) een legaat of een schenking te aanvaarden of te verwerpen, wanneer bedongen is dat de vermaakte of geschonken goederen gemeenschappelijk zullen zijn;
d) een lening aan te gaan;
e) (een kredietovereenkomst, bedoeld door de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet te sluiten), behalve wanneer die handelingen noodzakelijk zijn voor de huishouding of de opvoeding van de kinderen. <W 2003-03-24/40, art. 75, 012; Inwerkingtreding : 01-06-2003>

Art. 1419. <W 14-07-1976, art. 2> De ene echtgenoot kan zonder de toestemming van de andere niet onder de levenden beschikken om niet over goederen die deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen.
De bepaling is niet toepasselijk op giften die krachtens artikel 852 vrijgesteld zijn van inbreng, noch op giften aan de langstlevende echtgenoot.

Art. 1420.<W 14-07-1976, art. 2> Indien een echtgenoot zonder wettige reden weigert toestemming te geven of indien hij in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven, kan de andere echtgenoot zich door de [1 familierechtbank]1 laten machtigen om een van de handelingen genoemd in de artikelen 1417, tweede lid, 1418 en 1419, alleen te verrichten.
----------
(1)<W 2013-07-30/23, art. 91, 031; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

Art. 1421.<W 14-07-1976, art. 2> Iedere echtgenoot kan aan de [1 familierechtbank]1 vragen dat aan de andere echtgenoot verbod wordt opgelegd om enige bestuurshandeling te verrichten die hem nadeel kan berokkenen of de belangen van het gezin kan schaden.
De [1 rechtbank]1 kan machtiging verlenen tot het verrichten van die daad of aan [1 haar]1 machtiging bepaalde voorwaarden verbinden.
----------
(1)<W 2013-07-30/23, art. 92, 031; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

Art. 1422.<W 14-07-1976, art. 2> Op verzoek van een der echtgenoten die bewijst dat hij een wettig belang heeft en onverminderd de rechten van de te goeder trouw zijnde derden, kan de [1 familierechtbank]1 elke handeling nietig verklaren, die de andere echtgenoot heeft verricht :
1° in strijd met de bepalingen van de artikelen 1417, tweede lid, 1418 en 1419; de nietigverklaring van de handelingen genoemd in artikel 1418, 2. onderstelt bovendien een benadeling;
2° in strijd met een verbod of met de voorwaarden die de rechter heeft gesteld;
3° met bedrieglijke benadeling van de rechten van de eiser.
Het bewijs van goede trouw moet worden geleverd door de contracterende derde.
----------
(1)<W 2013-07-30/23, art. 93, 031; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

Art. 1423. <W 14-07-1976, art. 2> De vordering tot nietigverklaring moet op straffe van verval worden ingediend binnen een jaar na de dag waarop de handeling van de andere echtgenoot ter kennis is gekomen van de eiser, en uiterlijk voor de definitieve vereffening van het stelsel.
Indien de echtgenoot overlijdt voordat het verval is ingetreden, beschikken zijn erfgenamen vanaf het overlijden over een nieuwe termijn van een jaar.

Art. 1424. <W 14-07-1976, art. 2> De legaten die een der echtgenoten maakt van het geheel of een deel van het gemeenschappelijk vermogen, mogen zijn aandeel in dat vermogen niet te boven gaan.
Heeft het legaat betrekking op bepaalde goederen, dan kan de legataris ze alleen dan in natura opeisen wanneer die goederen, ten gevolge van de verdeling, toevallen aan de erfgenamen van de erflater; in het tegenovergestelde geval heeft de legataris ten laste van de nalatenschap van de erflater recht op de waarde van de vermaakte goederen, behoudens inkorting in beide gevallen indien daartoe grond bestaat.
 

Echtgenoot kan de nietigverklaring eisen van een bod tot aankoop van een onroerend goed gedaan door andere echtgenoot

• Hof van Beroep Gent op 20 maart 2009

In de zaak van:
D. G. H.,
wonende te

appellant,
tegen:

1. V. J.-M. M., , ingeschreven met KBO-nummer ,
en zijn echtgenote
2. B. C., ,
wonende te

geïntimeerden,
eisers in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring,

eveneens inzake:

1.) ’t K. I.,
wonende te

appellante bij conclusie,

2.) BUDGET PLUS B.V.B.A.,
met maatschappelijke zetel te 8930 MENEN, Rijselstraat 68, ingeschreven met KBO-nummer 0457.180.103,

gedaagde tot gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring
(dagvaarding in tussenkomst en gemeenverklaring op verzoek van geïntimeerden voormeld neergelegd ter griffie d.d. 26.02.2007)
velt het Hof het volgend arrest:
Het hof heeft kennis genomen van het bestreden vonnis van 28 februari 2006 van de derde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, waartegen D. G. H. (hierna kortweg D.G.), gezien de overgelegde betekening aan hem op 3 april 2006, tijdig en regelmatig naar de vorm, bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 28 april 2006, hoger beroep heeft ingesteld.

Er is regelmatig incidenteel beroep ingesteld bij conclusie door ’t K. I. (hierna kortweg ‘t K.), echtgenote van D.G..

Bij exploot betekend op 20 februari 2007 lieten de echtgenoten V. J.-M. en B. C. (hierna kortweg de consorten V.-B.) in deze instantie dagvaarding tot tussenkomst en gemeenverklaring betekenen aan hun makelaar in onroerend goed, de bvba BUDGET PLUS (hierna kortweg BUDGET PLUS) die in opdracht van hen de thans ter discussie staande handelingen tussen henzelf en D.G. heeft mee tot stand gebracht.

Het hof heeft de partijen gehoord in openbare terechtzitting bij monde van hun respectieve raadslieden en in het Nederlands; zowel de neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien.
1.1. De gedinginleidende dagvaarding in deze zaak werd op 4 april 2005 ten verzoeke van de consorten V.-B. betekend aan D.G. en houdt de vordering in dat de rechtbank:
– lastens deze laatste de ontbinding in rechte uitspreekt van de door de eersten als voltrokken voorgestelde koop -verkoop d.d. 6 januari 2005 van het onroerend goed, waarvan zij de eigenaars waren, bestaande uit een bedrijfsgebouw met naastliggende grond met een totale oppervlakte van en gelegen te ;
– alsmede hem veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van euro 20.000,-, te vermeerderen met de moratoire rente vanaf de aangetekende ingebrekestelling d.d. 4 maart 2005 tot aan de dagvaarding en van dan af te vermeerderen met de gerechtelijke rente tot aan de datum van de volledige betaling.
1.2. D.G. vorderde in de eerste aanleg dat de rechtbank:
– de vordering als ongegrond afwijst daar er geen rechtsgeldige koop tussen partijen is gesloten;
– minstens zegt voor recht dat de koop tussen partijen nietig is op grond van de artikelen 36 en 40 van het bodemsaneringdecreet, minstens op grond van bedrog en dwaling;
– meer ondergeschikt de lastens hem gevorderde schadevergoeding afwijst, minstens vermindert tot het bedrag van de bewezen werkelijke schade.

Op tegeneis, voor zover er zou worden geoordeeld dat er een rechtsgeldige verkoop werd gesloten (en derhalve subsidiair), vorderde hij op zijn beurt dat de rechtbank de koop- verkoop ontbindt ten nadele van de consorten V.-B. met hun veroordeling tot betaling van een schadevergoeding van euro 2.500,-, te vermeerderen met de gerechtelijke intrest vanaf 30 juni 2005 tot de dag der algehele betaling.
1.3. Bij verzoekschrift neergelegd op 28 april 2005 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk is ‘t K. vrijwillig tussengekomen en zoals gepreciseerd in het dictum van haar conclusie neergelegd ter griffie op 3 augustus 2005 vorderde zij dat de rechtbank:
– de vernietiging uitspreekt van de koopovereenkomst op grond van art. 1422 B.W.,
– subsidiair, zegt voor recht dat er geen rechtsgeldige koop was, minstens dat de koop tussen partijen nietig is op grond van art. 36 Bodemsaneringdecreet, minstens op grond van bedrog of dwaling.
1.4. In het bestreden vonnis heeft de eerste rechter:
– akte verleend aan ‘t K. van haar vrijwillige tussenkomst en van de door haar ingestelde vordering; deze impliciet ontvankelijk verklaard maar afgewezen als ongegrond;
– de vordering van de consorten V.-B. ontvankelijk en gegrond verklaard in die zin dat de verkoopovereenkomst in kwestie werd ontbonden in het nadeel van D.G. met zijn veroordeling tot het betalen aan de consorten V.-B. van een schadevergoeding van euro 10.000,-, te vermeerderen met de gerechtelijke rente vanaf de dagvaarding tot aan de integrale betaling;
– de (tegen)vordering van D.G. ontvankelijk verklaard maar afgewezen als ongegrond met zijn verwijzing in de nader bepaalde gedingkosten.

1.5. Het hof merkt hier voorafgaandelijk en uitdrukkelijk op dat de wijze van instellen alsmede de ontvankelijkheid van de diverse hoger beroepen in deze zaak niet betwist worden of ter discussie staan.

1.6. Met het hoger beroep betracht D.G. de inwilliging van hetgeen hij in de eerste aanleg reeds vorderde, zowel met betrekking tot de oorspronkelijke vordering van de consorten V.-B. als met betrekking tot zijn oorspronkelijke en nog steeds subsidiair gestelde tegenvordering, met verwijzing van de laatst genoemden in de kosten van de beide instanties, zoals nader begroot aan zijn zijde.

1.7. ‘t K. vordert in deze beroepsinstantie de inwilliging van het oorspronkelijk bij vrijwillige tussenkomst gevorderde met dien verstande dat de grondslag ervan nader wordt bepaald door de (soms letterlijke) aanhaling van art. 1418 juncto 1422 B.W., eveneens met de precisering dat zij de verwijzing vordert van de geïntimeerden solidair, minstens in solidum, de ene bij gebreke van de andere in de kosten van de beide instanties, zoals nader begroot aan haar zijde.
1.8. BUDGET PLUS vordert de afwijzing van de tegen haar in deze instantie door de consorten V.-B. gestelde vordering in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring, met verwijzing van de laatsten in de nader aan haar zijde begrote gedingkosten.
1.9. De consorten V.-B. vorderen dat het hof het hoger en incidenteel beroep als ontvankelijk maar ongegrond afwijst met de integrale bevestiging van het bestreden vonnis en met de verwijzing van D.G. in de kosten van het hoger beroep, nader begroot aan hun zijde en van ‘t K. in de kosten van het incidenteel beroep.

2.1. Het hof merkt voorafgaandelijk op dat de feitenuiteenzetting van de consorten V.-B. dient gerelativeerd te worden, bijzonderlijk waar dezen voorhouden:
– dat D.G. voorafgaand aan het door hem uitgebrachte bod van 6 januari 2005 reeds op de hoogte zou zijn geweest, via het alsdan reeds ingezien OBO (oriënterend bodemonderzoek) ter zake het exacte risicokarakter van de vervuiling van de bodem aldaar;
– dat D.G. verschillende keren op voorhand de grond zou zijn gaan inzien in het bijzijn van diverse raadgevers;
– dat er een andere reden was waarom D.G. ineens de grond in kwestie niet meer moest hebben, met name de aanwezigheid van de naastgelegen beschermde site, zijnde het overblijfsel van het door V. ontworpen fort dat mogelijk roet in het eten zou kunnen gooien bij de realisatie van een aldaar door D.G. voorgenomen op te richten appartementsgebouw.
Het voormelde in kleine druk wordt immers niet nader aangetoond noch aannemelijk gemaakt.
Er zijn vooreerst geen geschriften, uitgaande van D.G., aan hem toe te schrijven of door hem aanvaard, waaruit dit onomstotelijk mag blijken.
Wanneer in bepaalde in de procedure overgelegde stukken door de consorten V.-B. er sprake is van het OBO en het feit dat dit al om een actualisering ging bewijst of impliceert het feit dat D.G. hierover nadien conclusies heeft genomen op de wijze waarop hij het heeft gedaan niet dat hij van dit OBO reeds vóór het doen van zijn bod kennis zou hebben gehad.

Zelfs wanneer D.G. de grond in kwestie op voorhand zou hebben gezien, zelfs nog in aanwezigheid van zijn architect en de door de consorten V.-B. voorgehouden raadgevers, moet gezegd dat dit weinig ter zake doet in de onderhavige betwisting, vermits het zicht alleen van een stuk grond en zelfs het zicht van een aldaar aanwezige autowerkplaats op zich geen uitsluitsel geeft over de reële aanwezigheid en omvang van de op deze grond, pas via later verstrekte bodemattesten verduidelijkte en geconcretiseerde historische verontreiniging. (deze historische verontreiniging werd derhalve pas concreet voor D.G. via de eerst na het uitbrengen van zijn bod en de voorgehouden aanvaarding ervan door de consorten V.-B. verstrekte bodemattesten).

Er zijn geen redenen om in dit kader nader in te gaan op het door de consorten V.-B. gedane aanbod van getuigenbewijs:
– van de makelaar BUDGET PLUS, die werd aangesteld door de consorten V.-B. en wiens ereloon blijkt af te hangen van de effectiviteit van de voorgehouden verkoop aan D.G.;
– van de architect die werd aangesteld en betaald door D.G..
Er valt immers te betwijfelen dat dit tot relevante, objectieve getuigenissen kan leiden en aldus gaat het hof op het aldus gedane aanbod tot getuigenbewijs niet in.

2.2. D.G. heeft op 6 januari 2005 een zeer kort geformuleerd schriftelijk bod gedaan betreffende het voornoemde, hier aan de orde zijnde onroerend goed en dit voor de som van euro 100.000,- en hij stelde daarbij: “dit bod is geldig vanaf heden voor een termijn van 5 kalenderdagen. Vervalt dinsdag 11 januari 2005 om middernacht. Bod behelst enkel gebouw + grond met uitsluiting van materieel en materiaal die eigendom blijven van verkoper…
N.B. Goedgekeurd bodemattest wordt bij compromis meegeleverd.” (gecursiveerd en aangedikt door het hof)

Wanneer de consorten V.-B. per kerende het schriftelijk bod van D.G. stelden te aanvaarden schreef hun makelaar, BUDGET PLUS, die betrekkelijk de verkoop van het onroerend goed in kwestie zijn diensten verleende en bemiddelde, op 7 januari 2005 aan D.G.:
” Gelieve hierbij in bijlage te willen vinden de handgeschreven aanvaarding door de verkopers, de echtgenoten J.-M. V. – B. C. samen wonende aan de , van het pand gelegen aan de .

Ik maakte kopie van deze aanvaarding over aan mevrouw notaris S. STAESSENS. U zult willen merken dat deze op datum van vandaag dan ook afgestempeld werd teneinde een zekere vaste datum te verkrijgen.

Verder kan ik U met genoegen melden dat de onderhandse koop- & verkoopovereenkomst (opgesteld door het notariaat F. LOGGHE – STAESSENS S.) door beide verkopers werd ondertekend.

Voor Uw comfort werden de drie, door U en Uw echtgenote te ondertekenen, exemplaren neergelegd op de studie van het notariaat F. LOGGHE – STAESSENS S.

Zoals voorzien in de onderhandse koop- & verkoop- overeenkomst dient U het overeengekomen voorschot tbv tienduizend (10.000) euro over te maken aan mijn kantoor en dit bij voorkeur op het derdenrekeningnummer 001-3350568-70 en wel voor dinsdag 11 januari ek, datum waarop voornoemd bedrag op voormeld rekeningnummer dient te verschijnen, waarvoor mijn beste dank…” (gecursiveerd, aangedikt en onderlijnd door het hof)

Het hof merkt met betrekking tot het hiervoor in dit punt aangehaalde op dat zowel in het geformuleerde bod van D.G. als in het antwoord van de consorten V.-B., zoals toegelicht door hun makelaar BUDGET PLUS, sprake ervan is dat eerst nog een verkoopscompromis zal moeten worden (opgemaakt en) ondertekend door de partijen.
Het feit alleen dat zowel de koper (D.G.) als de verkopers (de consorten V.-B.) een verkoopscompromis noodzakelijk achten en aandringen op het opstellen en ondertekenen ervan vormt reeds een belangrijke aanwijzing dat met het geformuleerde bod en de aanvaarding ervan op zich alleen nog geen volmaakte en geldige koop -verkoop werd voltrokken (de nog noodzakelijk te sluiten verkoopscompromis wordt hier derhalve veeleer bedoeld als een geldigheidsvoorwaarde tot het sluiten van een overeenkomst en niet als een loutere neerslag van wat toch al overeengekomen zou zijn, want indien dit laatste het geval zou zijn (quod non te dezen) wordt een compromis in se eigenlijk overbodig en zou van de eerste keer beter worden overgegaan tot het stadium de authentieke akte voor de tegenstelbaarheid aan derden).
Er weze trouwens opgemerkt dat de door de notaris voor de verkopers opgestelde verkoopscompromis -waarvan werd gevraagd dat de koper deze zou komen ondertekenen, maar wat hij heeft geweigerd te doen- niet wordt overgelegd.

Het bod van D.G. is summier gemotiveerd en niets wijst erop dat in deze summiere motivering een of ander van minder belang zou zijn en derhalve niet essentieel met het oog op het eventueel sluiten van een koop- verkoop met betrekking tot het onroerend goed in kwestie.

Hoe dan ook heeft D.G. met het in zijn summier gemotiveerde bod vervatte “N.B. Goedgekeurd bodemattest wordt bij compromis meegeleverd.” duidelijk aangemerkt en laten verstaan dat voor hem geen sprake kon zijn van het sluiten van een koop- verkoop en het ondertekenen van een verkoopscompromis zonder dat een goedgekeurd bodemattest zou voorliggen.
Terecht beroept D.G. zich in die zin ook op art. 36 en 37 van het Bodemsaneringdecreet van 22 februari 1995; de essentie betracht door deze regelgevende bepalingen is steeds te beletten dat de verwerver (koper) definitief verbonden zou kunnen zijn vooraleer hij op de hoogte is van de inhoud van het bodemattest. Deze bepalingen betrachten de verwerver toe te laten om met kennis van zaken te onderhandelen over een eventuele overdracht, hem toe te laten met volledige kennis van zaken zijn keuze tot contracteren te vormen.
D.G. wijst erop dat op het ogenblik dat de consorten V.-B. hun akkoord met zijn bod lieten kennen hij nog niets wist met betrekking tot de bodemgesteldheid, meer specifiek met betrekking tot de exacte vervuiling van de grond in kwestie: hij kon misschien zien dat er daar een garage met werkplaats voor autoherstelling was (geweest) maar stelt niet te weten dat het hier om historisch sinds decennia verontreinigde risicogrond ging, waar er een overschrijding is van 120 % van de achtergrondwaarde op bepaalde plaatsen voor lood, nikkel, zink en minerale olie, zonder dat er reeds sprake is van overschrijding van de 80 % -waarde van de bodemsaneringnorm type II en uiteraard zonder dat er sprake is van overschrijding van de bodemsaneringnorm type III (cf. de bevindingen van het als stuk overgelegd OBO en van de verstrekte bodemattesten).

Er is niet aangetoond, laat staan ook maar aannemelijk gemaakt dat op het ogenblik van het bod of bij de voorgehouden aanvaarding ervan door de consorten V.-B., D.G. van een en ander reeds kennis zou hebben gehad want er waren alsdan nog geen (goedgekeurde) bodemattesten met betrekking tot de grond in kwestie, ook het meldingsformulier voor overdracht van risicogronden was nog niet eens verstuurd aan OVAM.
Het Bodemsaneringdecreet legt bovendien de last van het (tijdig) bekomen en nakomen van dit alles op de verkoper die zijn vervuilde grond wenst over te dragen.

Wanneer D.G. vervolgens naderhand van een en ander wél op de hoogte kwam en er hem bodemattesten werden overgemaakt besliste hij om zich toch niet (definitief) als koper van deze vervuilde grond te verbinden.
Dit is zijn goed recht: hij had blijkbaar plannen om op de grond in kwestie een appartementsgebouw op te richten, wat derhalve een bestemmingswijziging van de grond zou inhouden van garage/autoherstellingen naar woonfunctie.
Hij wenste in alle geval op geen enkel ogenblik ooit zelf opgezadeld te zitten met de last van op zijn minst een oriënterend bodemonderzoek evenals van de aangifteprocedure in verband met risicogrond bij OVAM indien hij op zijn beurt, al dan niet na het bouwen van een appartementsgebouw, de grond of gedeelten ervan zou verkopen aan nieuwe eigenaars.
Het feit dat D.G. in deze omstandigheden en nadat hij op de hoogte kwam van de toestand van de bodemgesteldheid ter zake vervuiling zich niet (meer) definitief wou verbinden maakt in zijnen hoofde geen fout uit en impliceert geen rechtsmisbruik of het uitoefenen van zijn recht op een wijze die kennelijk de grenzen zou overschrijden van de rechtsuitoefening door een normaal en zorgvuldig, redelijk koper, in dezelfde omstandigheden geplaatst.
Er is uiteindelijk geen koop- verkoop definitief afgesloten tussen partijen en derhalve is er geen reden om deze te ontbinden in wiens nadeel ook.
Gelet op het vorenstaande kan het D.G. niet ten kwade worden geduid van op de inleidingzitting van de betrokken zaak in de eerste aanleg niet akkoord te willen gaan met de door de consorten V.-B. voorgestelde ontbinding van de koop- verkoop ten laste van wie het behoort.
Van zodra D.G. kennis van zaken had nopens de werkelijke bodemgesteldheid ter zake vervuiling van de grond in kwestie, heeft hij op geen enkel ogenblik meer te verstaan gegeven dat hij nog verder aanspraak maakte als koper op de grond in kwestie; hij heeft de verkoop door de consorten V.-B. van de grond in kwestie aan een andere koper op geen enkel ogenblik nog in de weg gestaan.
Er kan dienvolgens niet worden besloten dat D.G. wegens enig handelen, fout of tekortkoming schade zou hebben berokkend aan de consorten V.-B..

Over de in alle geval louter subsidiair gestelde tegenvordering van D.G., strekkende tot ontbinding lastens de consorten V.-B. met schadevergoeding, voor het geval tot een geldig gesloten koop-verkoop zou worden beslist, wat te dezen niet het geval is, dient bijgevolg te dezen niet te worden geoordeeld door het hof.

2.3. Er is echter nog een meerdere reden waarom de consorten V.-B. niet kunnen slagen in hun vordering opzichtens D.G..
De echtgenote van D.G., genaamd ‘t K., met wie hij blijkens ter zake door haar overgelegde stukken gehuwd is op 4 april 1985 onder het wettelijk huwelijksvermogensstelsel bij gebreke aan huwelijkscontract, is in de eerste aanleg vrijwillig tussengekomen om zich te verweren tegen de aankoopplannen van haar echtgenoot, wat zij tevens in deze instantie blijft doen.
Zij beroept zich daartoe op art. 1418 juncto 1422 B.W..

Art. 1422 B.W. bepaalt:
“Op verzoek van een der echtgenoten die bewijst dat hij een wettig belang heeft en onverminderd de rechten van de te goeder trouw zijnde derden, kan de rechtbank van eerste aanleg elke handeling nietig verklaren die de andere echtgenoot heeft verricht:
1° in strijd met de bepalingen van de artikelen… 1418…”

Art. 1418 B.W. bepaalt:
“onverminderd het bepaalde in artikel 1417, is de toestemming van beide echtgenoten vereist om:
1. a) voor hypotheek vatbare goederen te verkrijgen, te vervreemden of met zakelijke rechten te bezwaren…” (gecursiveerd en aangedikt en onderlijnd door het hof)

Art. 1422 B.W. laat de miskende echtgenoot toe om op te komen tegen en de nietigverklaring te vorderen van elke handeling van de andere echtgenoot die voldoet aan de daartoe in de wet gestelde voorwaarden, derhalve kan ‘t K. ook opkomen tegen het door D.G. uitgebrachte bod en de nietigverklaring ervan vorderen, zelfs al wordt thans uiteindelijk geoordeeld dat het bod geen aanleiding heeft gegeven tot het effectief tot stand komen van een koop- verkoop (cf. ook verder in dit punt).
Alhoewel ‘t K. het in het dictum van haar conclusies heeft over de gevorderde nietigverklaring van de overeenkomst koop- verkoop blijkt uit de inhoud van haar conclusies evenwel en uit de wijze waarop zij expliciet verwijst naar art. 1418 juncto 1422 B.W. dat zij eigenlijk opkomt tegen al de handelingen die haar echtgenoot D.G. op zijn eentje gesteld heeft in het kader van zijn alhier aan de orde zijnde, gevoerde onroerend goed politiek, zonder haar daarin te kennen, derhalve ook van het door D.G. alleen geformuleerde bod van 6 januari 2005.

Art. 1423 B.W. voorziet dat de vordering tot nietigverklaring op straffe van verval moet worden ingediend binnen een jaar na de dag waarop de handeling van de andere echtgenoot ter kennis is gekomen van de eiser, en uiterlijk vóór de definitieve vereffening van het stelsel.
Deze vereiste is nageleefd want ‘t K. is tussengekomen in de procedure bij verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk op 28 april 2005, nog geen vier maanden nadat D.G. de aangevochten handeling, het doen van zijn bod van 6 januari 2005, dat kon leiden tot een koop- verkoop, heeft gesteld en er zijn geen aanwijzingen dat het wettelijk huwelijksvermogensstelsel van partijen alsdan zou zijn vereffend geweest.

Geen der partijen stelt of houdt voor dat D.G. met zijn onroerend goed plannen en handelingen in kwestie in het kader van zijn beroep (van kok- kelner of ook koeltechnicus?) zou hebben gehandeld.
‘t K. houdt voor dat haar echtgenoot volkomen alleen heeft gehandeld, dat hij zonder haar toestemming heeft gehandeld, zelfs zonder haar daar ook maar bij te betrekken of van op de hoogte te brengen.
Er is niet aangetoond, laat staan aannemelijk gemaakt dat D.G. daadwerkelijk met zijn echtgenote zou hebben overlegd en haar toestemming zou hebben gevraagd bij het geformuleerde bod.

Er mag worden aangenomen dat de in het ongewisse gelaten echtgenoot van een wettig belang laat blijken wanneer zij aannemelijk weet te maken dat zij opkomt voor de gezinsbelangen, ter beveiliging van haar autonomiesfeer en ter beveiliging van haar normale en niet met overdreven passief te belasten aandeel in de aanwinsten.
Het spreekt voor zich dat de onroerend goed politiek van D.G., waarin het doen van het bod van euro 100.000,- op het onroerend goed in kwestie kadert, afgezien dan nog van de in de toekomst door hem daarop geplande appartementsgebouw, en waarvan, gelet op het door ‘t K. overgelegd aanslagbiljet, uitvoerbaar verklaard op 19.03.2004, naar voor komt dat hij daar in zijn eentje niet de financiële middelen toe heeft, als handeling, wanneer zij werd gesteld, mogelijkerwijze tot gevolg had kunnen hebben dat het terugbetaalbaar passief van de huwgemeenschap ten zeerste zou verzwaren zodat ook de (beroeps) inkomsten van ‘t K. (als zaakvoerster) zouden dienen aangewend ter delging.
Daarenboven blijkt uit de gegevens van het rijksregister, gehecht aan de gedinginleidende dagvaarding dat er in het gezin twee opgroeiende zonen zijn, respectievelijk geboren in 1991 en 1997, voor wier opvoeding en ontspanning een steeds groeiende hap in het gezinsbudget valt te voorzien.
‘t K. moet zich niet neerleggen bij de politiek van voldongen feiten, het in zijn eentje gedane bod en de mogelijke gevolgen ervan waarvoor D.G. haar durft te plaatsen.
In de aankoop van een onroerend goed mag zij minstens respect voor haar autonomie vragen en eisen dat dergelijke aankopen met haar instemming en met respect voor de gezinsbelangen en de inkomsten binnen het gezin zouden gebeuren.
‘t K. kan met haar vordering met gegronde redenen voorkomen dat haar echtgenoot zijn belangen en inzichten laat primeren op deze van zijn echtgenote en van het ganse gezin en dat hij voor zijn alleen genomen onroerend goed beslissing het ganse gezin en de inkomsten van het gezin voor jarenlang aan banden zou kunnen leggen.
Bovendien vernam ook ‘t K. ondertussen het bezwaard zijn van het onroerend goed in kwestie met een historische verontreiniging, de mogelijke beperkingen voortvloeiend uit de aanwezigheid van een naastgelegen beschermde site…wat nog meer twijfels doet rijzen met betrekking tot het door D.G. uitgebrachte bod en zijn alleen gevoerde onroerend goed politiek.
De vordering tot nietigverklaring van ‘t K. wordt ingewilligd ten aanzien van het door D.G. uitgebrachte bod, dat aldus hoe dan ook in ieder geval geen nadelige gevolgen voor het gezin en voor de andere echtgenoot meer zal kunnen teweegbrengen.

De consorten V.-B. wisten/dienden alvast te weten dat D.G. gehuwd was en dat derhalve zijn echtgenote mee de aankoop diende te ondertekenen, daartoe haar toestemming moest geven, zo blijkt ten andere uit het door het hof onderlijnde in de onder punt 2.2. hiervoor aangehaalde brief van makelaar BUDGET PLUS.
De consorten V.-B. kunnen zich derhalve niet als te goeder trouw zijnde en te beschermen derden voordoen, zij gingen de instemming van/bekrachtiging door de echtgenote op geen enkel ogenblik na.

2.4. Voor BUDGET PLUS, die blijkens de overgelegde stukken heeft gecontracteerd onder het motto ‘geen verkoop = geen kosten’ en met betrekking tot haar recht op ereloon als makelaar, waarvoor een (apart) geding aanhangig is gemaakt voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, kan het resultaat van deze procedure van belang zijn.
De consorten V.-B. vorderen daarom terecht dat conservatoir dit arrest gemeen en tegenstelbaar wordt verklaard aan haar makelaar BUDGET PLUS.
2.5. De consorten V.-B. worden, gelet op hun ongelijk met betrekking tot de hoofdeis in de mate zoals alhier aanhangig, de tegeneis steeds louter subsidiair gebleven zijnde, verwezen in de kosten van beide instanties, gevallen aan de zijde van D.G., zoals hierna in het dictum begroot.

De kosten gevallen aan de zijde van ‘t K. worden, gelet op hun beider verantwoordelijkheid, die toch veruit het zwaarst is voor de echtgenoot die de toestemming van zijn echtgenote helemaal niet vroeg, voor 4/5 ten laste gelegd van D.G. en voor 1/5 ten laste van de consorten V.-B..
De kosten verbonden aan de vordering in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring worden ten laste gelaten van BUDGET PLUS.
Aangezien het hier om een conservatoire gemeenverklaring gaat die tot geen bijzonder verweer aanleiding diende te geven wordt het basistarief van de rechtsplegingvergoeding desbetreffend door het hof verminderd tot euro 200,00, ten laste vallend van het desbetreffend bezwijkende BUDGET PLUS.
Om deze redenen,
het hof,
recht doende op tegenspraak en met toepassing van art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Alle anders luidende en meeromvattende middelen en vorderingen afwijzend als zijnde niet in staat om of van aard om de bij dit arrest genomen beslissing te veranderen.
Verklaart de hoger beroepen ontvankelijk en in de hiernavolgende mate gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet behoudens waar het de vorderingen reeds (al dan niet impliciet) ontvankelijk verklaarde en opnieuw recht doende.

Wijst hoofdvordering af als ongegrond en zegt dat de louter subsidiair gebleven tegenvordering te dezen niet voor beoordeling in aanmerking komt.

Verklaart de vordering van ‘t K. in die mate gegrond dat de handeling van D.G., erin bestaande op 6 januari 2005 een schriftelijk bod te hebben gedaan op het onroerend goed aan de , nietig wordt verklaard in toepassing van art. 1418 juncto 1422 B.W..

Verklaart de in deze instantie ingestelde vordering in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring van de consorten V.-B. lastens BUDGET PLUS ontvankelijk en gegrond en verklaart onderhavig arrest gemeen en tegenstelbaar aan de laatst genoemde.
Veroordeelt de consorten V.-B. in de hiernavolgend begrote kosten van de beide instanties, gevallen aan de zijde van D.G.:
– rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: euro 356,97
– rolrecht hoger beroep: euro 186,00
– rechtsplegingvergoeding (basistarief): euro 900,00.

Veroordeelt D.G. tot 4/5 en de consorten V.-B. tot 1/5 van de hiernavolgende kosten van de beide instanties, gevallen aan de zijde van ‘t K. en begroot op:
– rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: euro 356,97
– rechtsplegingvergoeding hoger beroep: euro 900,00.

Veroordeelt BUGET PLUS tot de gedingkosten verband houdend met de vordering in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring, gevallen aan de zijde van de consorten V.-B.:
– kosten en rolstelling dagvaarding: euro 434,48
– rechtsplegingvergoeding: euro 200,00.
Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zake en uitgesproken in openbare terechtzitting op twintig maart tweeduizend en negen,

Hof van Beroep Antwerpen 11/09/2017, RABG, 2018/3 p. 224-231

(A.C. / G.LC., T.T., A.C.M. en G.T. - Rolnr.: 2015/AR/2129)

1. Feitenrelaas

De feiten die aan het geschil ten grondslag liggen, werden uitgebreid in het bestreden vonnis weergegeven zodat het hof hiernaar verwijst.

Samengevat, heeft het echtpaar G.T.-G.LC. een lening van maximum 200.000 EUR voor één jaar onder de vorm van een hypothecair krediet toegestaan aan de heer T.T. die met mevrouw A.C. gehuwd is. Op 14 januari 2008 werd de notariële akte van hypotheekstelling verreden waarbij een hypotheek werd gevestigd op een onroerend goed toebehorend aan mevrouw A.C. In de afrekening van 15 oktober 2012 wordt naast de som van 200.000 EUR nog van een uitgeleend bedrag van 126.784,19 EUR in hoofdsom gewag gemaakt.

Vervolgens werd een dadingsovereenkomst gedateerd op 4 maart 2013 gesloten tussen de heer A.C.M. en de broers T.T. en G.T. Hierin erkende de heer A.C.M. de totale leningsschuld van 488.305,69 EUR aan de heer G.T. verschuldigd te zijn en stelde deze schuld via overdracht van zijn schuldvordering ten aanzien van de NV M. te zullen voldoen. De heer G.T. aanvaardde deze overdracht als betaling van de totale schuld mits daadwerkelijke betaling uiterlijk op 14 december 2014 bij gebrek waaraan hij zijn vorderingen ten aanzien van de heer A.C.M. kon hernemen. De heer T.T. verbond zich persoonlijk en hoofdelijk tot naleving van de overeenkomst door de NV M. of de heer A.C.M.

Mevrouw G.LC. stelt dat zij hiervan geen kennis had en beoogt de nietigverklaring of niet- tegenstelbaarheid van deze door haar echtgenoot ondertekende overeenkomst.

2. Voorafgaande rechtspleging
Op 20 maart 2014 bracht mevrouw G.LC. de inleidende dagvaarding uit. Zij vorderde de overeenkomst gedateerd op 4 maart 2013 en ondertekend op 29 maart 2013 nietig, minstens niet-tegenstelbaar te verklaren, te zeggen voor recht dat de heer T.T. gehouden blijft tot de oorspronkelijke schuld vastgesteld in de authentieke akte van 14 januari 2008 en de afrekening van 16 oktober 2012 alsook dat mevrouw A.C. als derde-hypotheeksteller gehouden is tot de bepalingen opgenomen in de authentieke akte van 14 januari 2008. Zij vorderde de heren T.T. en A.C.M. en mevrouw A.C., hoofdelijk minstens de ene bij gebrek aan de andere te veroordelen tot de kosten van het geding, dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Op 31 maart 2014 is de heer G.T. vrijwillig in de procedure tussengekomen met verzoek de vordering van mevrouw G.LC. toe te kennen.

Zowel mevrouw A.C. als de heer T.T. besloten tot de onontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering met veroordeling van mevrouw G.LC. tot de kosten van het geding.

Bij het bestreden vonnis werd de kwestieuze overeenkomst nietig verklaard en werd gezegd voor recht dat de heer T.T. tot de schuld vastgesteld bij de notariële akte van 14 januari 2008 en de afrekening van 16 oktober 2012 gehouden blijft alsook dat mevrouw A.C. als derde-hypotheeksteller gehouden is tot de “betalingen” opgenomen in de notariële akte van 14 januari 2008. De heren T.T. en A.C.M. en mevrouw A.C. werden hoofdelijk en solidair, de ene bij gebrek aan de andere, tot de kosten van het geding veroordeeld.

3. Eisen in hoger beroep
Mevrouw A.C. heeft hoger beroep ingesteld om het bestreden vonnis te horen hervormen, de vordering van mevrouw G.LC. onontvankelijk, minstens ongegrond te horen verklaren en haar tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen. Ondergeschikt vraagt zij te zeggen voor recht dat de nietigverklaring geen afbreuk aan haar rechten doet, minstens vraagt zij te worden toegelaten om door alle middelen van recht, in het bijzonder het getuigenverhoor van de heer V., het bewijs te leveren van de rechtsgeldigheid en context van de overeenkomst van 4/29 maart 2013. Zij besluit verder tot de ongegrondheid van het incidenteel hoger beroep van mevrouw G.LC.

De heer T.T. beoogt eveneens de hervorming van het bestreden vonnis en vordert de initiële vordering van mevrouw G.LC. onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren met haar veroordeling tot de kosten van beide aanleggen.

Mevrouw G.LC. besluit tot de ongegrondheid van dit hoger beroep en tot de onontvankelijkheid en ongegrondheid van het incidenteel hoger beroep van de heer T.T. alsook vraagt zij - desgevallend bij incidenteel hoger beroep - de verbetering van het bestreden vonnis in die zin dat mevrouw A.C. gehouden is tot de “bepalingen” van notariële akte van 14 januari 2008. Ondergeschikt vordert zij te zeggen voor recht dat het bestreden vonnis ten aanzien van de heren T.T. en A.C.M. onherroepelijk en definitief is, dat de overeenkomst van 4/29 maart 2013 nietig dan wel haar niet-tegenstelbaar is en dat mevrouw A.C. tot nakoming van haar hypothecaire zekerheid gesteld bij akte van 14 januari 2008 voor alle verbintenissen uit de overeenkomsten van lening en deze van de overeenkomst van 4/29 maart 2013 gehouden is. Zij beoogt verder de veroordeling van mevrouw A.C. en de heer T.T. tot de kosten van deze aanleg.

4. Beoordeling
4.1. Over de ontvankelijkheid
Het bestreden vonnis werd - naar partijen aangeven - op 14 augustus 2015 betekend. Het hoger beroep dat werd ingesteld met het verzoekschrift dat op 14 september 2015 ter griffie van dit hof werd neergelegd, is tijdig en regelmatig naar vorm. Het hoger beroep is ook ontvankelijk.

Het incidenteel hoger beroep van mevrouw G.LC. is eveneens regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.

Gezien de heer T.T. enkel in de zaak is opgeroepen zonder dat het hoger beroep tegen hem gericht is, is hij geen “gedaagde in hoger beroep” in de zin van artikel 1054 van het Gerechtelijk Wetboek die incidenteel hoger beroep kan instellen. Zijn “incidenteel” hoger beroep ingesteld bij conclusies neergelegd ter griffie op 18 maart 2016 maakt in wezen een hoofdberoep uit dat laattijdig ingesteld en onontvankelijk is.

4.2. Over de gegrondheid
4.2.1. Vooreerst handhaaft mevrouw A.C. in hoger beroep haar exceptie van onontvankelijkheid van de initiële vordering gezien één van de partijen, de heer G.T., bij de overeenkomst waarvan de nietigheid werd nagestreefd niet (tijdig) in de procedure betrokken werd.

Dat zij - zoals mevrouw G.LC. voorhoudt - geen belang bij het opwerpen van deze exceptie heeft, kan niet worden bijgetreden. Dat zij niet als partij bij de overeenkomst betrokken was, neemt niet weg dat zij in eerste instantie met het oog op gemeenverklaring in de procedure betrokken werd. Zij kan dus volstrekt onafhankelijk haar verweermiddelen aanvoeren en hieraan kan de inertie van de overige partijen geen afbreuk doen. Dat haar raadsman bij brief van 14 november 2013 stelde dat de hypotheek als waarborg blijft bestaan, kan bij gebrek aan enige duiding van de context in deze brief niet betekenen dat zij hoe dan ook als zakelijke zekerheidsteller gehouden blijft.

Daar waar mevrouw A.C. stelt dat de vordering tot nietigverklaring van een meerpartijenovereenkomst op straffe van onontvankelijkheid tegen alle contractpartijen ingesteld moet worden, blijkt dat mevrouw G.LC. de heren A.C.M. en T.T. hiertoe heeft gedagvaard en dat de heer G.T. in dit kader vrijwillig in de procedure is tussengekomen. Gezien de ontvankelijkheid bij de inleiding van de vordering beoordeeld moet worden, meent zij dat deze vrijwillige tussenkomst de initiële onregelmatigheid niet kan regulariseren.

Geen enkele bepaling van het Gerechtelijk Wetboek sanctioneert op zich het niet onmiddellijk betrekken in het geding van alle contractpartijen bij een vordering tot nietigverklaring van een overeenkomst met de onontvankelijkheid van de vordering. Een regularisatie behoort dan ook tot de mogelijkheden zodat de rechter zich in dit opzicht moet plaatsen op het moment waarop hij moet oordelen en niet op het moment dat het geding wordt ingeleid om na te gaan of de vordering al dan niet toelaatbaar is.

Gezien alle contractpartijen vóór de sluiting van de debatten in het geschil in eerste aanleg betrokken waren, kan de argumentatie van mevrouw A.C. niet leiden tot het besluit van de onontvankelijkheid of de ontoelaatbaarheid van de vordering.

Mevrouw G.LC. merkt verder op dat zij pas bij het verzet tegen het uitvoerend beslag op onroerend goed betekend op 28 februari 2014 van de kwestieuze overeenkomst kennisnam zodat haar vordering binnen de vervaltermijn van artikel 1423 van het Burgerlijk Wetboek ingesteld werd. Enige laattijdigheid op grond van deze bepaling wordt door mevrouw A.C. evenwel niet aangevoerd en er zijn evenmin elementen die op een eerdere kennisname wijzen.

Het hof is dan ook van oordeel dat de eerste rechter de initiële vordering terecht ontvankelijk verklaard heeft.

4.2.2. Mevrouw A.C. voert verder in hoger beroep geen enkel element aan dat van aard is om afbreuk te doen aan de oordeelkundige beslissing van de eerste rechter wat betreft de nietigverklaring van de overeenkomst op grond van de artikelen 1422, 1° en artikel 1418, 2°, b) van het Burgerlijk Wetboek. Het hof maakt zich de overwegingen van de eerste rechter dan ook eigen en wenst enkel nog het volgende op te merken.

Overeenkomstig artikel 1422 van het Burgerlijk Wetboek kan op verzoek van een der echtgenoten die bewijst dat hij een wettig belang heeft en onverminderd de rechten van te goeder trouw zijnde derden, elke handeling nietig verklaard worden die de andere echtgenoot heeft verricht: “1° in strijd met de bepalingen van de artikelen 1417, tweede lid, 1418 en 1419; de nietigverklaring van de handelingen genoemd in artikel 1418, 2° onderstelt bovendien een benadeling.” Artikel 1418, 2° van het Burgerlijk Wetboek vereist de toestemming van beide echtgenoten om onder meer: “b) de prijs van een vervreemd onroerend goed of de terugbetaling van een hypothecaire schuldvordering in ontvangst te nemen en opheffing te verlenen van hypothecaire inschrijvingen.”

Vooreerst handhaaft mevrouw A.C. haar stelling dat de kwestieuze overeenkomst een dadingsovereenkomst uitmaakt die niet opgenomen is in de limitatieve lijst van rechtshandelingen van artikel 1418, 2° van het Burgerlijk Wetboek die de toestemming van beide echtgenoten vereisen.

Zoals de eerste rechter terecht oordeelde, moet artikel 1418 van het Burgerlijk Wetboek op functionele wijze geïnterpreteerd worden. Ook niet-vermelde rechtshandelingen, zoals dadingsovereenkomsten, kunnen onder het toepassingsgebied vallen wanneer hun draagwijdte of hun resultaat hetzelfde is als dat van de uitdrukkelijk vermelde verrichtingen.

Daar waar het toekennen van een lening niet onder het gezamenlijk bestuur valt en geen rechtshandeling geviseerd door artikel 1418, 2°, d) van het Burgerlijk Wetboek uitmaakt - zoals mevrouw G.LC. voorhoudt -, oordeelde de eerste rechter terecht dat de dadingsovereenkomst via de schuldvernieuwing tot de bevrijding van mevrouw A.C. als zakelijke zekerheidsteller leidt. Dat dit het resultaat van de dadingsovereenkomst is, wordt trouwens door mevrouw A.C. niet betwist nu zij zelf meent dat zij niet langer als derde- hypotheeksteller gehouden kan zijn.

Het hof treedt dan ook het standpunt van de eerste rechter bij dat hierdoor een opheffing van een hypothecaire inschrijving strekkend tot waarborg van een tot het gemeenschappelijk vermogen behorende schuldvordering wordt verleend waarvoor de toestemming van beide echtgenoten vereist is. De heer G.T. verrichtte bijgevolg een handeling in strijd met artikel 1418 van het Burgerlijk Wetboek.

Verder heeft de eerste rechter terecht geoordeeld dat er in hoofde van mevrouw G.LC. een wettig belang voorhanden is gezien de lening door de huwelijksgemeenschap werd toegestaan die zodoende over een hypothecair gewaarborgde schuldvordering beschikte. Het ongemotiveerd opperen van de mogelijkheid dat mevrouw G.LC. opzettelijk haar

toestemming weigerde om nadien de nietigverklaring te kunnen vorderen, doet hieraan geen afbreuk.

Ook heeft de eerste rechter terecht benadeling weerhouden. Mevrouw G.LC. lijdt ongetwijfeld effectief een nadeel door het verdwijnen van een zakelijke zekerheid bij de niet-terugbetaling van deze belangrijke schuld. Dat de heer T.T. zich hoofdelijk verbond is - anders dan mevrouw A.C. stelt - niet evenwaardig aan de initiële zekerheid van de hypotheekstelling. Daar waar het probleem van terugbetaling in zijn hoofde reeds gebleken is, biedt een hypotheekstelling bovendien hoe dan ook meer zekerheid. Dat de heer A.C.M. niet onvermogend zou zijn, doet geen afbreuk aan het feit dat hij zijn verbintenis nog steeds niet nakwam. Ook de initiële leningsovereenkomsten voorzagen interesten zodat de afgesproken interesten in de overeenkomst gedateerd 4 maart 2013 geen aanzienlijk materieel voordeel betekenen.

Ten slotte benadrukt mevrouw A.C. dat de nietigheidssanctie van artikel 1422 van het Burgerlijk Wetboek facultatief is en “onverminderd de rechten van derden te goeder trouw” geldt. Zij meent dat een eventuele nietigverklaring geen gevolgen kan hebben voor de rechten die uit de overeenkomst voor haar als “te goeder trouw zijnde derde” voortvloeien.

De uitdrukking “onverminderd de rechten van derden te goeder trouw” houdt enkel in dat derden te goeder trouw desgevallend recht hebben op schadevergoeding krachtens het gemeen recht. Dit betekent niet dat de rechter de nietigverklaring moet weigeren in het geval dat derden te goeder trouw zijn.

Gelet op alle in het geding zijnde belangen - en in het bijzonder het belang van mevrouw G.LC. om haar zakelijke waarborg te behouden - besloot de eerste rechter terecht tot de nietigverklaring van de overeenkomst. Voor zover de goede trouw van mevrouw A.C. al bewezen is, moet worden vastgesteld dat hierdoor enkel haar initiële zakelijke zekerheidstelling blijft bestaan. Als niet-betrokken partij bij de overeenkomst kan zij op basis van de goede trouw bezwaarlijk stellen niet meer als derde-hypotheeksteller gehouden te zijn nu dit precies de reden van de nietigverklaring uitmaakt.

Gezien de eerste rechter de overeenkomst terecht op grond van artikelen 1422 en 1418, 2°, b) van het Burgerlijk Wetboek nietig verklaarde, komt het overbodig voor verder in te gaan op de overige aangevoerde nietigheidsgronden en de ondergeschikt gevorderde niet- tegenstelbaarheid van de overeenkomst. Gezien het aangeboden getuigenverhoor in de subsidiair aangehaalde wilsgebreken kadert, is dit evenmin ter zake dienend.

4.2.3. Mevrouw G.LC. vordert een materiële verschrijving in het bestreden vonnis recht te zetten in de zin dat mevrouw A.C. gehouden is tot de “bepalingen” van de notariële akte van 14 januari 2008 daar waar het bestreden vonnis in het beschikkende gedeelte van “betalingen” spreekt. Minstens stelt zij in dit kader incidenteel hoger beroep is.

Daar waar de gegevens van de verbetering zich niet in de tekst zelf van het bestreden vonnis bevinden (art. 794 Ger.W.), kan worden vastgesteld dat mevrouw G.LC. in haar vordering steeds de gehoudenheid tot de “bepalingen” van de notariële akte van 14 januari 2008 vooropstelde. Ook mevrouw A.C. stelt dat zij niet tot de “betalingen” gehouden kan zijn.

Daar waar mevrouw A.C. een gebrek aan motivering aankaart, dient te worden vastgesteld dat een en ander het logisch en noodzakelijk gevolg is van de nietigverklaring van de overeenkomst gedateerd op 4 maart 2013 die met terugwerkende kracht werkt zodat de betwiste rechtshandeling geacht wordt nooit te hebben bestaan. Het incidenteel hoger beroep van mevrouw G.LC. is bijgevolg gegrond.

Gelet op het beschikkingsbeginsel komt het overbodig voor verder in te gaan op de in ondergeschikte gestelde vorderingen van mevrouw G.LC.

4.3. Over de kosten
Daar waar mevrouw A.C. in eerste instantie in gemeenverklaring van het tussen te komen vonnis gedagvaard werd, werd ook op basis hiervan haar gehoudenheid als derde- hypotheeksteller benaarstigd en bekomen. De beslissing van de eerste rechter omtrent de kosten kan dan ook worden bijgetreden.

De onontvankelijkheid van het “incidenteel” hoger beroep van de heer T.T. en de ongegrondheid van het hoger beroep van mevrouw A.C. verantwoorden hun veroordeling als de in het ongelijk gestelde partijen tot de kosten van deze aanleg. Gezien er van één geschil sprake is, kan evenwel slechts één rechtsplegingsvergoeding worden toegekend.

Partijen verzoeken het hof niet om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat door mevrouw G.LC. terecht op 1.440 EUR wordt begroot.

5. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Verklaart het “incidenteel” hoger beroep van T.T. onontvankelijk en het hoger beroep van A.C. ontvankelijk maar ongegrond.

Verklaart het incidenteel hoger beroep van G.LC. ontvankelijk en gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn bestreden beschikkingen met uitzondering waar wordt gezegd voor recht dat mevrouw A.C. “als derde-hypotheeksteller gehouden is tot de betalingen opgenomen in de voormelde authentieke akte van 14 januari 2008” en enkel op dit punt opnieuw rechtdoende.

Zegt voor recht dat mevrouw A.C. als derde-hypotheeksteller gehouden is tot de bepalingen in de voormelde authentieke akte van 14 januari 2008.

Veroordeelt A.C. en T.T. tot de kosten van deze aanleg, aan de zijde van G.LC. begroot zijnde en door het hof vereffend op 1.440 EUR rechtsplegingsvergoeding.

• Rb. Limburg (afd. Tongeren), 26/06/2015, R.A.B.G., 2018/3, p. 231-237

(G.LC. / T.T., A.C., A.C.M. - Rolnr.: AR14/500/A)

VOLGT HET VONNIS

Gelet op:

- het geregistreerd exploot van dagvaarding, op 20 maart 2014 betekend door plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder Paulissen loco gerechtsdeurwaarder Gemis te Genk;

- de besluiten en stukken van partijen;

- de behandeling van de zaak op de zitting van 5 juni 2015 waarop Nederlands werd gesproken.

1. Vorderingen
De vordering van eiseres, zoals gewijzigd bij conclusies neergelegd ter griffie op 3 november 2014 strekt ertoe bij een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis de overeenkomst gedateerd op 4 maart 2013 en ondertekend op 29 maart 2013, nietig, ondergeschikt, niet-tegenstelbaar te verklaren en dienvolgens te zeggen voor recht dat eerste verweerder gehouden blijft tot de oorspronkelijke schuld zoals vastgesteld in de authentieke akte van 14 januari 2008 verleden voor notaris Ivo Vrancken te Genk, alsook tot de afrekening d.d. 16 oktober 2012 en tweede verweerster als derde-hypotheeksteller gehouden is tot de betalingen opgenomen in de voormelde authentieke akte van 14 januari 2008.

Verweerders hoofdelijk en solidair, de ene bij gebrek aan de andere, te horen veroordelen tot de kosten van het geding.

2. Ontvankelijkheid van de vordering
Eerste verweerder houdt voor dat de vordering van eiseres niet ontvankelijk zou zijn, zonder hiertoe argumenten aan te brengen.

Tweede verweerster werpt eveneens op dat vordering van eiseres niet ontvankelijk zou zijn om reden dat de vordering zoals ingesteld middels exploot van dagvaarding van 20 maart 2013 niet gericht was tegen alle bij de overeenkomst betrokken contractpartijen en de navolgende vrijwillige tussenkomst van de heer G.T. geenszins van die aard zou zijn om de onregelmatigheid te remediëren.

De ontvankelijkheid wordt beoordeeld op het ogenblik dat de vordering bij de rechtbank wordt ingeleid.

De dagvaarding werd betekend op 20 maart 2014. De zaak werd ingeleid op de zitting van 20 juni 2013. Het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst werd op 31 maart 2014 neergelegd ter griffie.

De heer G.T. is vrijwillig in huidig geding tussengekomen nog voor de zaak werd ingeleid op de zitting van 20 juni 2014. Op ogenblik van de inleidingszitting was de vrijwillig tussenkomende partij in het geding betrokken en werd de procedure ook tegen hem gevoerd.

Tweede verweerster toont bovendien niet aan dat haar belangen op enige wijze geschonden zijn doordat de inleidende dagvaarding niet gericht was aan de vrijwillig tussenkomende partij. Aangezien de heer G.T. ingevolge de vrijwillige tussenkomst in het geding betrokken is, is de vordering van eiseres wel degelijk ontvankelijk.

3. Feiten
1. Eiseres is de echtgenote van de vrijwillig tussenkomende partij.

Eerste verweerder is de echtgenoot van tweede verweerster.

De vrijwillig tussenkomende partij is de broer van eerste verweerder.

2. Op 8 januari 2008 werd tussen eiseres en de vrijwillig tussenkomende partij enerzijds en de eerste verweerder anderzijds een onderhandse leningsovereenkomst afgesloten. Deze overeenkomst werd door tweede verweerster mee ondertekend als waarborggever.

Partijen kwamen hierin overeen dat eiseres en de vrijwillig tussenkomende partij een lening van maximum 200.000 EUR onder de vorm van een hypothecair krediet toestonden aan eerste verweerder en dit voor een termijn van één jaar, met een rentevoet van 5% per jaar en nalatigheidsinteresten van 12% per jaar.

Teneinde de kredietverlening te waarborgen, verklaarde tweede verweerster haar woning gelegen te Genk, (…), in eerste rang te hypothekeren ten voordele van eiseres en de vrijwillig tussenkomende partij.

Op 14 januari 2008 werd voor het ambt van notaris Ivo Vrancken te Genk, de notariële akte van hypotheekstelling verleden.

3. Naast het bedrag van 200.000 EUR ingevolge de kredietakte van 14 januari 2008, ontleenden eiseres en de vrijwillig tussenkomende partij aan eerste en tweede verweerders nog een bedrag van 126.784,19 EUR in totaal. Een en ander blijkt uit de door partijen ondertekende afrekening leningsovereenkomst van 16 oktober 2012.

Eerste en tweede verweerders waren op voormelde datum aldus een totaal bedrag van 395.483,65 EUR (hoofdsom en interesten) aan eiseres en haar echtgenoot verschuldigd.

Enige terugbetaling bleef echter uit.

4. Eiseres kreeg vervolgens kennis van een dadingsovereenkomst gedateerd op 4 maart 2013 en ondertekend door haar echtgenoot en eerste en derde verweerders, waarin onder andere werd gesteld dat:

- derde verweerder erkende een totale schuld van 488.305,69 EUR aan de vrijwillig tussenkomende partij verschuldigd te zijn;

- de totale schuld door derde verweerder betaald zou worden door de overdracht van de schuldvordering die derde verweerder had ten aanzien van M. NV (zijnde de vennootschap van eerste verweerder) voor eenzelfde bedrag;

- de vrijwillig tussenkomende partij deze overdracht van schuldvordering aanvaardde als betaling van de totale schuld, dit in de mate dat M. NV daadwerkelijk tot betaling overging uiterlijk op 14 december 2014;

- de nalatigheidsinterest herleid werd tot 10% en deze slechts tot 31 januari 2013 verschuldigd zoud zijn, niettegenstaande de betaling van de schuld uiterlijk tegen 14 december 2014 diende te gebeuren.

De leningscontracten ter staving van de schuld van derde verweerder werden aan de dading gehecht, zijnde de afrekening leningsovereenkomst opgesteld op 16 oktober 2012, ondertekend door eiseres en haar echtgenoot en eerste en tweede verweerders.

Eens deze feiten aan het licht waren gekomen, eiste eiseres de onmiddellijke terugbetaling van de ontleende bedragen. Eerste en tweede verweerders werden hiertoe per schrijven van 7 november 2013 van de raadsman van eiseres en haar echtgenoot in gebreke gesteld.

Er volgde nog briefwisseling tussen de raadslieden van partijen, doch enige minnelijke regeling bleef uit.

4. Beoordeling
1. Eiseres vordert de nietigverklaring van de overeenkomst van 4 maart 2013 en dit op grond van de artikelen 1418, 1419 en 1422 BW.

Overeenkomstig artikel 1422 BW kan de rechtbank op verzoek van een der echtgenoten die bewijst dat hij een wettig belang heeft, elke handeling nietig verklaren die de andere echtgenoot heeft verricht 1° in strijd met de bepalingen van de artikelen 1417, tweede lid, 1418 en 1419, waarbij de nietigverklaring van de handelingen genoemd in artikel 1418, 2° een benadeling onderstelt; 2° in strijd met een verbod of met de voorwaarden die de rechter heeft gesteld; 3° met bedrieglijke benadeling van de rechten van de eiser.

Artikel 1418 BW maakt melding van een aantal handelingen waarvoor de toestemming van beide echtgenoten vereist is.

Artikel 1419 BW stipuleert dat de ene echtgenoot zonder de toestemming van de andere niet onder levenden kan beschikken om niet over goederen die deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen.

2. Door tweede verweerster wordt opgeworpen dat de overeenkomst van 4 maart 2013 niet onder het toepassingsgebied van artikel 1418, 2° BW valt, gezien de voormelde overeenkomst een dadingsovereenkomst is en deze niet opgenomen is in de limitatieve lijst van artikel 1418 BW.

Evenwel dient artikel 1418 op functionele wijze te worden geïnterpreteerd, hetgeen betekent dat ook niet-vermelde rechtshandelingen zoals dadingsovereenkomsten, onder het toepassingsgebied kunnen vallen wanneer hun draagwijdte of resultaat hetzelfde is als dat van de uitdrukkelijk vermelde verrichtingen (F. Buyssens en P. De Decker, “Commentaar bij art. 1418 BW” in X, Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, I. Burgerlijk Wetboek, Boek III. Hoe eigendom verkregen wordt, Titel V. Huwelijksvermogensstelsels, Hfdst. II., Afd. III, (38 p.), 96).

3. Eiseres werpt in eerste instantie op dat de kwestieuze overeenkomst beschouwd dient te worden als een leningsovereenkomst en derhalve artikel 1418, 2°, d) van toepassing zou zijn.

Dit standpunt kan echter niet bijgetreden worden, nu het betreffende artikel handelt over het aangaan van een lening door echtgenoten en niet over het toekennen van een lening, hetgeen ter zake het geval is.

Eiseres haalt vervolgens aan dat door het aangaan van de dadingsovereenkomst eerste verweerder bevrijd is geworden van de lening als contractpartij en derde verweerder de nieuwe contractpartij is geworden. Zij stelt verder dat dit neerkomt op een terugbetaling van de hypothecaire schuldvordering en impliciet de opheffing van de hypotheek aangezien deze geen hoofdschuld meer treft. Voor een dergelijke handeling is eveneens de toestemming van beide echtgenoten vereist.

Er dient aldus nagegaan te worden wat de gemeenschappelijke bedoeling van partijen was bij het afsluiten van de dadingsovereenkomst.

4. Krachtens de onderhandse leningsovereenkomst van 8 januari 2008 hebben eiseres en de vrijwillig tussenkomende partij een schuldvordering ten overstaan van eerste verweerder.

In de dadingsovereenkomst erkent derde verweerder een schuld te hebben ten aanzien van de vrijwillig tussenkomende partij ten bedrage van 488.305,69 EUR, dit op basis van de afrekening leningsovereenkomst van 16 oktober 2012 waarbij eerste verweerder een van de contractpartijen was, doch derde verweerder evenwel niet. Er kan dus gesteld worden dat derde verweerder in de plaats is gekomen van eerste verweerder.

Verder blijkt uit de dadingsovereenkomst dat derde verweerder deze lening zal terugbetalen, door de schuldvordering die hij heeft opzichtens M. NV over te dragen aan de vrijwillig tussenkomende partij.

De dadingsovereenkomst bepaalt vervolgens dat de vrijwillig tussenkomende partij de overdracht van de schuldvordering door derde verweerder aanvaardt, waardoor de vrijwillig tussenkomende partij aldus de nieuwe schuldeiser wordt van M. NV, in die mate evenwel dat M. NV daadwerkelijk en uiterlijk op 14 december 2014 overgaat tot betaling van de schuld.

Tevens is voorzien dat bij gebrek aan tijdige betaling de vrijwillig tussenkomende partij kan handelen alsof de dadingsovereenkomst niet werd gesloten en hij zijn vordering opzichtens derde verweerder kan hernemen en de totale schuld op hem kan invorderen.

Uit het geheel van de voormelde handelingen kan gesteld worden dat het de bedoeling van partijen was een schuldvernieuwing tot stand te brengen waarbij de nieuwe schuldenaar, zijnde derde verweerder, in de plaats werd gesteld van de vorige, zijnde eerste verweerder, die door de schuldeiser, zijnde de vrijwillig tussenkomende partij, van zijn verbintenis ontslagen werd (art. 1271, 2° BW).

Het feit dat in geval van niet-betaling van de schuld, de vrijwillig tussenkomende partij de schuldvordering ten aanzien van derde verweerder “kan” hernemen en eerste verweerder alsdan samen met derde verweerder hoofdelijk en persoonlijk aansprakelijk is, doet hieraan geen afbreuk.

Opdat schuldvergelijking in de zin van artikel 1271, 2° BW geschiedt, zijn geen specifieke pleegvormen vereist. De bedoeling van partijen is determinerend. De feitenrechter beoordeelt op soevereine wijze het bestaan van de wil tot schuldvergelijking (Cass. 29 juli 1841, Pas. 1842, I, p. 15).

Er is sprake van een schuldvernieuwing wanneer de schuldeiser instemt met de indeplaatsstelling van schuldenaars. De wil om de novatio tot stand te brengen moet duidelijk uit de handeling blijken (Cass. 26 september 2003, Pas. 2003, I, p. 1487).

5. Vervolgens dient de vraag gesteld wat het gevolg van dit alles is voor de door tweede verweerster in eerste rang gevestigde hypotheek.

Artikel 1279 BW bepaalt dat wanneer een schuldvernieuwing tot stand komt doordat een nieuwe schuldenaar gesteld wordt in de plaats van de vorige schuldenaar, de oorspronkelijke voorrechten en hypotheken aan de schuldvordering verbonden, niet overgaan op de goederen van de nieuwe schuldenaar.

Schuldvernieuwing, ten aanzien van de hoofdschuldenaar tot stand gekomen, bevrijdt de borgen (art. 1281, tweede lid BW).

Door de dadingsovereenkomst is tweede verweerster als borg/derde-hypotheekverstrekker bevrijd van haar borgstelling. Aldus kan aangenomen worden dat opheffing werd verleend van de hypothecaire inschrijving waarvoor niet alleen de toestemming van de vrijwillig tussenkomende partij, doch ook deze van eiseres vereist was.

Het staat vast dat de vrijwillig tussenkomende partij een handeling heeft verricht in strijd met artikel 1418 BW.

6. Opdat de handeling in toepassing van artikel 1422 BW nietig kan worden verklaard, dient eiseres aan te tonen een wettig belang te hebben, alsook dat er sprake is van benadeling.

Eiseres houdt voor een wettig belang te hebben aangezien de lening toegestaan is geworden door de huwgemeenschap (het gemeenschappelijk vermogen) van eiseres en de vrijwillig tussenkomende partij en deze zodoende beschikt over een schuldvordering ten aanzien van eerste verweerder en via de hypotheekstelling ook over een vordering opzichtens tweede verweerster.

De rechtbank treedt dit standpunt bij. Eisers bewijst het bestaan van een wettig belang in haren hoofde.

Eiseres toont eveneens aan dat er sprake is van benadeling nu, zoals hoger reeds werd uiteengezet, tweede verweerster door het afsluiten van de dadingsovereenkomst bevrijdt werd van haar borgstelling. Door het wegvallen hiervan, verloor eiseres haar recht om uitwinning van het onroerend goed te bekomen indien het toegestane hypothecair krediet niet zou worden terugbetaald. Eiseres beschikt dus over geen enkele zekerheid meer om terugbetaling te bekomen van de aanzienlijke geldsom die zij samen met haar echtgenoot heeft ontleend. In de gegeven omstandigheden is er wel degelijk sprake van benadeling.

7. Gelet op het voorgaande, dient niet verder ingegaan te worden op de overige door eiseres in haar besluiten ontwikkelde argumentaties, noch op de in ondergeschikte orde opgeworpen niet-tegenstelbaarheid van de overeenkomst.

5. Kosten
Verweerders dienen als de in het ongelijk gestelde partijen, veroordeeld te worden tot betaling van de kosten van het geding.

6. Uitvoerbaarheid bij voorraad
Op het door eiseres niet-gemotiveerde verzoek om huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, kan niet worden ingegaan.

De schorsende werking van de gewone rechtsmiddelen vormt immers nog steeds de regel (art. 1397 BW) en hiervan mag slechts in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken (art. 1398 BW).

Eiseres toont niet aan dat haar een ernstig nadeel zou worden berokkend indien het vonnis niet onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.

De rechtbank ziet dan ook geen redenen om af te wijken van het basisprincipe vervat in artikel 1397 BW.

De voorschriften van de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

OM DEZE REDENEN

De rechtbank rechtdoende op tegenspraak en in eerste aanleg:

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond.

Verklaart de overeenkomst gedateerd op 4 maart 2013 en ondertekend op 29 maart 2013 nietig;

Zegt voor recht dat eerst verweerder gehouden blijft tot de oorspronkelijke schuld zoals vastgesteld in de authentieke akte van 14 januari 2008 verleden voor notaris Ivo Vrancken te Genk, alsook tot de afrekening d.d. 16 oktober 2012;

Veroordeelt verweerders hoofdelijk en solidair, de ene bij gebrek aan de andere, tot de kosten van het geding, door de rechtbank vereffend op 454,02 EUR kosten van dagvaarding en 1.320 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aanvullende rechtspraak

• Gent 5 juni 2003, NJW 2004, 125, noot R.d.C.
•  Gent 20 november 2014, RW 2015-16, 379, T.Not. 2015, 112 en T.Not. 2015, 719.
• Brussel 7 november 2003, RW 2004-05, 1266, noot G. Deknudt, NJW 2004, 454, noot G.V.
• Luik 3 september 1986, RNB 1989, 541.
• Antwerpen 13 september 2004, TBBR 2006, 467, noot C. Cuisinier; W. Pintens, Ch. Declerck en V. Allaerts, “Overzicht van rechtspraak. Huwelijksvermogensrecht (2003-2010)”, TPR 2010, 1465.
• Cass. 4 mei 2017, www.cass.be.
• Gent 20 november 2014, RW 2015-16, 379 en T. Not. 2015,112; J. Du Mongh, “Actualia relatievermogensrecht” in R. Barbaix en J. Du Mongh (eds.), Actualia vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2017, 8.
 

Rechtsleer:

• M. Govaerts,  « Het gemeenschappelijk vermogen besturen: het is niet hoe je het doet, maar wat je doet », R.A.B.G., 2018/3, p. 237-243

• F. Buyssens en P. De Decker, “Commentaar bij art. 1418 BW” in Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl., art. 1418-4.

• W. Pintens, Ch. Declerck, J. Du Mongh en K. Vanwinckelen, Familiaal Vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 213; R. Barbaix en J. Du Mongh, Actualia vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2017, 7.

• H. Casman en M. Van Look, Huwelijksvermogensrecht, Mechelen, Kluwer, losbl., III.10-10.

• G. Baeteman, J. Gerlo, W. Pintens, Ch. Declerck, G. Deknudt, J. Du Mongh, A. Maelfait en J.-L. Snyers, “Overzicht van rechtspraak. Huwelijksvermogensrecht (1996-2002)”, TPR 2003, 1687.

• F. Buyssens en P. De Decker, “Commentaar bij art. 1418 BW” in Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl., art. 1418-5.

• H. Casman en M. Van Look, Huwelijksvermogensrecht, Mechelen, Kluwer, III.10-14.

• W. Pintens, Ch. Declerck, J. Du Mongh en K. Vanwinckelen, Familiaal Vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 218; G. Deknudt, “De overdracht van een handelszaak en het sluiten van een handelshuurovereenkomst als bestuurshandeling en van het gemeenschappelijk vermogen” (noot onder Brussel 7 november 2003), RW 2004-05, 1271.

• F. Buyssens, “Bestuur van het gemeenschappelijk vermogen, bindende derdenbeslissing en arbitrage”, EJ 1997, 5; F. Buyssens en P. De Decker, “Commentaar bij art. 1418 BW” in Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl., art. 1418-10.

• M.A. Masschelein, “Commentaar bij art. 1422 BW” in Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl., art. 1422-4.

• W. Pintens, Ch. Declerck, J. Du Mongh en K. Vanwinckelen, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 235.

• M.A. Masschelein, “Commentaar bij art. 1422 BW” in Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl., art. 1422 -11.

• M.A. Masschelein, “Commentaar bij art. 1422 BW” in Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl., art. 1422-3.

• A. Verbeke, “Pand, borgstelling en lening aangegaan door één echtgenoot alleen: over de variatie aan huwelijksvermogensrechtelijke bestuursbeperkingen en sancties” (noot onder Gent 24 november 1994), AJT 1994-95, 487.

• M.A. Masschelein, “De borgstelling door één van de echtgenoten” (noot onder Antwerpen 15 mei 2007), TBBR 2008, 445.

• M.A. Masschelein, “Commentaar bij art. 1422 BW” in Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl., art. 1422-9.

Nog dit: 

Rechtspraak

• Hof van Beroep te Brussel, 3e Kamer – 28 februari 2012, RW 2013-2014, 1580

P.D. t/ C.B.

Antecedenten

Partijen zijn gehuwd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Zaventem op 28 juni 1986, onder het wettelijk huwelijksvermogensstelsel bij gebreke van huwelijkscontract.

Op 29 mei 2007 ging appellant over tot dagvaarding in echtscheiding en voorlopige maatregelen.

Ingevolge een niet-bestreden beschikking uitgesproken door de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 21 september 2007 werd onder meer:

– aan beide partijen verbod opgelegd de gemeenschappelijke roerende goederen te vervreemden, te verpanden of erover te beschikken;

...

Bij dagvaarding van 10 maart 2008 vorderde de heer P.D.:

– de handelingen van C.B. waarbij de effecten werden vervreemd en/of in pand gegeven te vernietigen krachtens art. 1422 BW en te bevelen dat deze tegoeden opnieuw op de gemeenschappelijke effectenrekening geplaatst dienen te worden;

– te zeggen voor recht dat C.B. met toepassing van art. 1448 BW haar aandeel in deze bedragen verliest.

Bij een niet-bestreden vonnis van 3 maart 2009 werd:

– de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welk vonnis inmiddels in kracht van gewijsde is getreden op 11 juli 2009 (ingevolge betekening op 10 juni 2009);

– de vereffening-verdeling bevolen van het huwelijksstelsel van partijen en werden er te dien einde twee notarissen aangesteld.

Bij een niet-bestreden tussenvonnis van 10 maart 2009 werd het debat heropend teneinde appellant de mogelijkheid te bieden zijn vorderingen te specificeren en in staat te stellen alsook te specificeren welk specifiek belang hij had bij het vorderen van de specifieke sanctie van de nietigverklaring.

Appellant heeft, naar aanleiding van het tussenvonnis, zijn vorderingen gespecificeerd, in de mate waarin hij in fine vorderde om de volgende handelingen van geïntimeerde te vernietigen op grond van art. 1422 BW en als herstelmaatregel te horen bevelen dat de betreffende tegoeden opnieuw op de gemeenschappelijke effectenrekening bij F. zouden worden geplaatst:

– de inning door geïntimeerde van 14 deelbewijzen K.M. op 12 maart 2007;

– de inningen (afkopingen) door geïntimeerde van kapitaal op een A.-rekening, gekend onder effectendossier nr. (...) in de periode tussen 17 februari 2006 en 30 juli 2007;

– de inningen (afkopingen) door geïntimeerde van kapitaal op een A.-rekening, gekend onder effectendossier nr. (...) in de periode tussen 3 augustus 2007 en 9 mei 2008;

– de inning door geïntimeerde van effecten P.V.O. op 6 juni 2008;

– de verplaatsing van de totale inhoud van de K.-portfolio.

Appellant vorderde geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een dwangsom van 2.500 euro per dag vertraging bij het in gebreke blijven om de betreffende waarden of de sommen die zij vertegenwoordigen te doen terugkomen op de gemeenschappelijke rekening van partijen.

Appellant vorderde dat geïntimeerde met toepassing van art. 1448 BW haar aandeel in de betreffende bedragen zou verliezen.

Vonnis a quo

Bij het bestreden vonnis:

– wordt vastgesteld dat de vorderingen van appellant, in de mate waarin zij betrekking hebben op de nietigverklaring van de handelingen gesteld voorafgaandelijk aan 10 maart 2007 verjaard zijn en derhalve niet ontvankelijk;

– worden de overige vorderingen van appellant ongegrond verklaard.

Voorwerp van het hoger beroep

Overeenkomstig zijn verzoekschrift tot hoger beroep en conclusie voor het hof vordert appellant met de hervorming van het bestreden vonnis, volgende handelingen van geïntimeerde te vernietigen op grond van art. 1422 BW en als herstelmaatregel te horen bevelen dat de betreffende tegoeden opnieuw op de gemeenschappelijke (effecten)rekening bij F. zouden worden geplaatst:

– het innen door geïntimeerde van 14 deelbewijzen K.M.I. 2 Kap voor een netto-bedrag van 15.872,09 euro op 12 maart 2007;

– de afkopen (inningen) door geïntimeerde van kapitaal op haar rekening bij A., gekend onder effectendossier nr. (...) in de periode tussen 17 februari 2006 en 30 juli 2007, voor een totale som van 26.405,12 euro;

– de afkopen (inningen) door geïntimeerde van kapitaal op haar rekening bij A., gekend onder effectendossier nr. (...) in de periode tussen 3 augustus 2007 en 9 mei 2008, voor een totale som van 19.185,18 euro;

– het innen door geïntimeerde van effecten P.V.O. voor een bedrag van 5.000 euro op 6 juni 2008;

– “te zeggen voor recht dat geïntimeerde de totale inhoud van de K.-portfolio met waarde op datum van 12 maart 2007 van 180.742,61 euro heeft verplaatst; deze handeling dient nietig verklaard te worden”.

Appellant vordert geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een dwangsom van 2.500 euro per dag vertraging vanaf de betekening van het te vellen arrest bij het in gebreke blijven om de betreffende waarden of de sommen die zij vertegenwoordigen te doen terugkomen op de gemeenschappelijke rekening van partijen, en de bedragen te vermeerderen met de moratoire en de gerechtelijke interest.

Appellant vordert dat geïntimeerde met toepassing van art. 1448 BW haar aandeel in de betreffende bedragen zou verliezen.

...

Geïntimeerde vordert het hoger beroep als ongegrond af te wijzen (...).

Beoordeling

1. De vordering tot nietigverklaring (art. 1422 BW)

1.1. De rechtsgrond – het niet-bestreden tussenvonnis van 10 maart 2009

Overwegende dat appellant zijn vordering baseert op art. 1422, 2o en 3o BW, waarin wordt bepaald: “Op verzoek van een der echtgenoten die bewijst dat hij een wettig belang heeft en onverminderd de rechten van te goeder trouw zijnde derden, kan de rechtbank van eerste aanleg elke handeling nietig verklaren, die de andere echtgenoot heeft verricht:

1o (...)

2o in strijd met een verbod of met de voorwaarden die de rechter heeft gesteld;

3o met bedrieglijke benadeling van de rechten van de eiser”.

Overwegende dat de eerste rechter in het niet-bestreden tussenvonnis van 10 maart 2009 reeds overwoog dat art. 1422, 2o BW niet vereist dat er enige reeds verwezenlijkte benadeling wordt bewezen, terwijl art. 1422, 3o BW het bewijs van de bedrieglijke benadering onderstelt;

Dat hij oordeelde dat appellant duidelijk en op limitatieve wijze diende te specificeren van welke handelingen hij precies de nietigverklaring vorderde;

Dat de eerste rechter er in het tussenvonnis tevens op wees dat art. 1422 BW slechts een facultatieve nietigverklaring inhoudt, waarbij enerzijds de eisende partij moet aantonen dat zij een wettig, hetzij een materieel of moreel belang heeft bij de nietigverklaring en waarbij anderzijds bij de beoordeling rekening moet worden gehouden met de belangen van het gezin, met de belangen van de echtgenoot-eiser en zelfs met de belangen van de te goeder trouw zijnde derden;

Dat volgens de overwegingen in het tussenvonnis op grond van de op dat ogenblik voorhanden zijnde gegevens niet bleek dat de desbetreffende transacties – in de mate dat zij ten onrechte door geïntimeerde werden uitgevoerd – tot stand kwamen met de bedoeling de gemeenschap op een bedrieglijke wijze te benadelen, temeer daar de activa wel degelijk bekend waren, zodat appellant diende te specificeren welk specifiek belang hij had bij het vorderen van de specifieke sanctie van de nietigverklaring;

Dat de eerste rechter tevens wees op het voorschrift van art. 1433 BW dat bepaalt dat naar aanleiding van een vereffening-verdeling aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding kan worden toegekend ten belope van de schade die dat vermogen heeft geleden wegens één van de handelingen bedoeld in art. 1422 BW, zelfs indien de nietigverklaring niet werd gevraagd of verkregen;

Dat de eerste rechter dan ook oordeelde dat appellant ook met betrekking tot zijn belang bij het vorderen van de nietigverklaring bijkomend diende te argumenteren en zijn vordering verder in staat diende te stellen;

Dat wat de vordering van appellant met toepassing van art. 1448 BW betreft, de rechtbank het opportuun achtte ook de berechting van deze vordering op te schorten tot op het ogenblik waarop ten gronde uitspraak kon worden gedaan over de vorderingen tot nietigverklaring.

1.2. Beoordeling

1.2.1. Aangaande de precisering van de vordering

Overwegende dat appellant naar aanleiding van het tussenvonnis van de eerste rechter van 10 maart 2009 nader heeft gepreciseerd van welke handelingen hij de nietigverklaring vordert;

Dat geïntimeerde aanvoert dat de bewerkingen met de K.-portfolio zoals bedoeld in de gewijzigde vordering, niet verder onderzocht moeten worden daar de eerste rechter in het tussenvonnis van 10 maart 2009 reeds geoordeeld heeft dat deze onvoldoende gepreciseerd zijn;

Overwegende dat de eerste rechter terecht heeft vastgesteld dat appellant thans zijn vorderingen heeft gespecificeerd en de nietigverklaring vordert van welbepaalde handelingen.

1.2.2. Aangaande de termijn

Overwegende dat krachtens art. 1423 BW de vordering tot nietigverklaring op straffe van verval moet worden ingediend binnen het jaar na de dag waarop de handeling van de andere echtgenoot ter kennis is gekomen van de eiser, en uiterlijk vóór de definitieve vereffening van het stelsel;

Dat geïntimeerde van oordeel is dat, aangezien de dagvaarding slechts werd betekend op 10 maart 2008, de rechtshandelingen die werden gesteld vóór 10 maart 2007 niet meer nietig verklaard kunnen worden;

Dat appellant hierop terecht repliceert dat de termijn van art. 1423 BW pas begint te lopen na de dag waarop hij kennis had van de handelingen;

Overwegende dat appellant echter enkel vermeldt dat “bepaalde” financiële transacties hem pas bekend werden gemaakt door K. op 28 maart 2007, zodat de vordering diende te worden ingesteld ten laatste op 27 maart 2008;

Dat hij ten onrechte meent dat de handelingen gesteld één jaar vóór deze kennisname, namelijk vanaf 28 maart 2006, in aanmerking zouden komen voor nietigverklaring;

Dat art. 1423 BW enkel bepaalt dat de vervaltermijn begint te lopen vanaf de kennismaking van de betwiste handeling, ongeacht op welk tijdstip deze handeling zich heeft voorgedaan, en nergens wordt bepaald dat dit bovendien zou inhouden dat (enkel, of ook andere) handelingen gesteld tot één jaar voordien nietigverklaard kunnen worden;

Overwegende dat appellant bovendien niet concreet vermeldt welke transacties hem pas op die datum werden bekendgemaakt;

Dat hij verwijst naar zijn stuk 10, namelijk “overzicht transacties K. (laatste 12 maart 2007)”, dat hem werd meegedeeld bij brief van K. van 28 maart 2007;

Dat dit overzicht echter betrekking heeft op effectentransacties bij K. op naam van partijen uitgevoerd vanaf 1994, waarvan de laatste vermelde transactie dateert van 12 maart 2007, namelijk “uittreding 14 deelbewijzen K.M. ten bedrage van 15.872,09 euro”;

Dat deze uittreding echter geen transactie betreft die werd uitgevoerd vóór 10 maart 2007, en de vervaltermijn wat deze transactie betreft dan ook niet speelt en overigens niet wordt ingeroepen;

Dat appellant niet de nietigverklaring vordert van de overige op dit stuk vermelde transacties;

Overwegende dat appellant zelf niet vermeldt wanneer hij kennis heeft gekregen van de handelingen gesteld vóór 10 maart 2007 en dit ook niet opgemaakt kan worden uit de voorgelegde stukken;

Dat de eerste rechter terecht verwijst naar de beschikking in kort geding van 21 september 2007, waarin reeds melding wordt gemaakt van “heel wat transacties van een gemeenschappelijke rekening naar rekeningen van verweerster”, met verwijzing naar verschillende stukken van appellant, waaruit blijkt dat hij op dat ogenblik in ieder geval reeds van “heel wat” transacties op de hoogte was;

Overwegende dat de eerste rechter dan ook terecht heeft vastgesteld dat de vordering niet tijdig is ingesteld in de mate waarin deze betrekking heeft op de rechtshandelingen gesteld vóór 10 maart 2007;

Overwegende dat appellant thans nog aanvoert dat de betrokken handelingen ook na het verstrijken van de vervaltermijn nog getoetst kunnen worden aan het principe van de doelgebondenheid van het bestuur van art. 1415, tweede lid BW;

Dat evenwel art. 1415, tweede lid BW precies verwijst naar de navolgende regels waarop art. 1422 BW in een mogelijke sanctie voorziet, namelijk de – door appellant gevorderde – nietigverklaring, die gekoppeld is aan de vermelde vervaltermijn;

Dat dit argument van appellant dan ook geen steek houdt.

1.2.3. Aangaande de handelingen gesteld tijdens de echtscheidingsprocedure

Overwegende dat partijen definitief gescheiden zijn ingevolge het echtscheidingsvonnis dat in kracht van gewijsde is getreden op 11 juli 2009;

Dat overeenkomstig art. 1278 Ger.W. het vonnis van echtscheiding ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terugwerkt tot op de dag waarop de vordering is ingesteld, dit is in casu 29 mei 2007;

Overwegende dat tot die datum het gemeenschappelijk vermogen overeenkomstig art. 1415 en 1416 BW wordt bestuurd door de ene of de andere echtgenoot, die de bestuursbevoegdheden alleen kan uitoefenen, onder gehoudenheid van ieder van hen om de bestuurshandelingen van de andere echtgenoot te eerbiedigen, behoudens de mogelijkheid om de nietigverklaring te vorderen op grond van art. 1422 BW of vergoeding te vorderen op grond van art. 1433 BW ten belope van de schade die het gemeenschappelijk vermogen heeft geleden wegens een van de handelingen bedoeld in art. 1422 BW (vgl. Cass. 29 mei 2008, T.Fam. 2008, 139, noot F. Buyssens, TBBR 2009, 424, noot M. Masschelein);

Overwegende dat de ontbinding van het wettelijk stelsel het gemeenschappelijk vermogen omzet in een postcommunautaire onverdeeldheid, die bestaat uit de goederen en de schulden die aanwezig waren op het ogenblik van de ontbinding;

Dat het bestuur van de onverdeeldheid wordt geregeld door art. 577-2, §§ 5-7 BW betreffende de mede-eigendom;

Dat na de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel de echtgenoten bijgevolg rekenschap verschuldigd zijn voor de onverdeelde gelden waarover zij beschikten, overeenkomstig het gemene recht inzake de onverdeeldheden vervat in art. 577-2 BW;

Dat de echtgenoot die het beheer van de onverdeeldheid heeft uitgeoefend, hierover verantwoording verschuldigd is, en over de inkomsten en uitgaven een beheersrekening zal moeten worden opgesteld in het raam van de vereffening en verdeling;

Overwegende dat de eerste rechter er dan ook terecht op wijst dat de gewraakte transacties thans mede het voorwerp zullen uitmaken van de werkzaamheden van vereffening en verdeling en geïntimeerde rekenschap zal moeten afleggen van haar beheer van de postcommunautaire onverdeeldheid;

Dat partijen er overigens ter zitting melding van hebben gemaakt dat de vereffening en verdeling momenteel hangende is voor notaris De S. te S. en dat in het raam hiervan een inventaris werd opgemaakt, die ondertussen werd afgesloten met de eedaflegging door beide partijen;

Dat art. 1433 BW uitdrukkelijk bepaalt dat in het raam van de vereffening en verdeling aan het gemeenschappelijk vermogen vergoeding verschuldigd is ten belope van de schade die het heeft geleden wegens een van de handelingen bedoeld in art. 1422 BW, indien de schade niet geheel is hersteld door de nietigverklaring of indien de nietigverklaring niet is gevraagd of verkregen;

Overwegende dat dit echter, in tegenstelling tot wat geïntimeerde meent, niet belet dat appellant, die wat de handelingen gesteld vanaf 10 maart 2007 betreft zijn vordering tijdig heeft ingesteld, nog steeds gerechtigd is de nietigverklaring op grond van art. 1422 BW te vorderen van handelingen die tijdens de echtscheidingsprocedure werden gesteld; dat immers ook gedurende de echtscheidingsprocedure iedere echtgenoot verder de bestuursbevoegdheden uitoefent die hem door het huwelijksvermogensrecht worden toegekend, en het principe van de terugwerkende kracht van de ontbinding van het huwelijk m.b.t. de goederen van de echtgenoten hieraan geen afbreuk aan doet;

Dat de echtscheidingsprocedure in principe geen wijzigingen meebrengt aan de bestuursbevoegdheden van de echtgenoten noch aan de rechten van derden, en het pas achteraf is dat deze handelingen opnieuw worden beoordeeld op grond van het gemene recht en aanleiding zullen kunnen geven tot het opmaken van rekeningen en desgevallend schadevergoeding;

Dat krachtens art. 1423 BW de vordering tot nietigverklaring uiterlijk moet worden ingediend vóór de vereffening van het stelsel, wat te dezen het geval is; dat het stelsel nog niet definitief is vereffend, zoals partijen ter zitting hebben bevestigd.

1.2.4. Aangaande de toepassing van art. 1422, 2o BW

Overwegende dat de eerste rechter in het tussenvonnis van 10 maart 2009 reeds overwoog dat art. 1422, 2o BW voorziet in de mogelijkheid van een nietigverklaring van bepaalde bestuurshandelingen die werden verricht in strijd met een preventief verbod, zoals dit onmiskenbaar in voormelde kortgedingbeschikking werd gegeven;

Overwegende dat geïntimeerde ten onrechte meent dat art. 1422, 2o BW niet de eventuele miskenning van de kortgedingbeschikking zou beogen, daar het gaat om de “overtredingen van de preventieve maatregelen op grond van art. 1421 BW inzake bestuurshandelingen over het gemeenschappelijk vermogen, en anderzijds de overtredingen van de bestuursbeperkingen op grond van art. 1426 BW die zowel op het bestuur van het gemeenschappelijk als van het eigen vermogen van toepassing zijn”;

Dat art. 1421 BW bepaalt dat iedere echtgenoot aan de vrederechter kan vragen dat aan de andere echtgenoot verbod wordt opgelegd om enige bestuurshandeling te verrichten die hem nadeel kan berokkenen of de belangen van het gezin kan schaden;

Dat tijdens de echtscheidingsprocedure de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, rechtsprekend in kort geding, bevoegd is om kennis te nemen van een geschil op grond van art. 1421 BW, en het verbod om de gemeenschappelijke roerende goederen te vervreemden, te verpanden of erover te beschikken, dat aan beide partijen werd opgelegd in de kortgedingbeschikking van 21 september 2007, wel degelijk een preventief verbod is zoals bedoeld in art. 1422, 2o BW, zoals in het tussenvonnis van de eerste rechter overigens reeds werd vastgesteld;

Overwegende dat echter enkel de inning door geïntimeerde van de som van 6.144,78 euro op het effectendossier nr. (...) op 9 mei 2008 en het innen door geïntimeerde van effecten P.V.O. voor een nettobedrag van 5.000 euro op 6 juni 2008 werden verricht na de datum van de kortgedingbeschikking, en dus beschouwd kunnen worden als overtreding van het verbod en de door de kortgedingrechter opgelegde voorwaarden, bedoeld in art. 1422, 2o BW;

Overwegende dat m.b.t. de transacties verricht in overtreding van het vervreemdings- en beschikkingsverbod geen benadeling moet worden bewezen; dat appellant wel moet aantonen dat hij een “wettig belang” heeft;

Overwegende dat de rechter niet verplicht is de nietigheid van de rechtshandeling uit te spreken; dat rekening moet worden gehouden met de belangen van het gezin, van de echtgenoot-eiser of van derden die te goeder trouw zijn, zoals de eerste rechter reeds terecht in het niet-bestreden tussenvonnis overwoog;

Overwegende dat, zoals hierboven vermeld, in het tussenvonnis werd beslist dat appellant diende te specificeren welk specifiek belang hij had bij het vorderen van de specifieke sanctie van de nietigverklaring, waarbij de eerste rechter er tevens op wees dat de activa in kwestie wel degelijk bekend waren;

Dat in het tussenvonnis eveneens werd overwogen dat de nietigverklaring inhoudt dat de transacties als niet-bestaande worden beschouwd en dat partijen teruggeplaatst worden in de toestand waarin zij zich bevonden bij ontstentenis van de nietige transactie, en dat, in zoverre het de verhandeling van effecten betreft, de nietigverklaring zou inhouden dat de verkopen worden geannuleerd en dat de verkochte effecten terug in de portefeuille worden geplaatst;

Overwegende dat appellant aanvoert dat geïntimeerde tot heden nog steeds geen uitleg heeft verstrekt over de bestemming van de door haar geïnde gelden;

Dat geïntimeerde beweert dat de huwgemeenschap door de verrichte rechtshandelingen niet verarmd wordt, “wat ongetwijfeld zal verduidelijkt worden in het raam van de vereffening-verdeling, in het raam waarvan tijdens de maanden juli en augustus 2010 de inventaris zal opgesteld worden door notaris De S. met eedaflegging”;

Overwegende dat partijen ter zitting hebben bevestigd dat de inventaris werd opgemaakt en de eedaflegging heeft plaatsgehad, maar deze inventaris niet wordt voorgelegd;

Overwegende dat appellant, zoals reeds vermeld, terecht aanvoert dat hij voor de toepassing van art. 1422, 2o BW geen bedrieglijke benadeling dient te bewijzen;

Dat geïntimeerde, wat de verrichtingen gesteld na 21 september 2007 betreft, duidelijk en bewust heeft gehandeld in strijd met het verbod opgelegd door de kortgedingrechter, zonder hierover zelf openheid te verstrekken;

Dat appellant, gelet op het bovenstaande, onder meer het feit dat geïntimeerde niets meedeelt over de bestemming van deze gelden, er wel degelijk belang bij heeft dat de inningen van de effecten, gedaan in strijd met de kortgedingbeschikking, worden tenietgedaan en dat de tegoeden terugkeren op een gemeenschappelijke (onverdeelde) rekening, in afwachting van de vereffening-verdeling in het raam waarvan verder over het lot van deze gelden zal worden beslist.

1.2.5. Aangaande de toepassing van art. 1422, 3o BW

Overwegende dat wat de overige rechtshandelingen betreft, die werden gesteld tussen 10 maart en 21 september 2007, appellant krachtens art. 1422, 3o BW dient te bewijzen dat geïntimeerde heeft gehandeld met bedrieglijke benadeling van zijn rechten;

Overwegende dat de eerste rechter in het bestreden vonnis terecht heeft overwogen dat uit de door partijen verstrekte gegevens wel degelijk blijkt dat geïntimeerde heeft beschikt over de activa van de huwgemeenschap;

Dat de eerste rechter het ook “volstrekt begrijpelijk” achtte dat appellant door het optreden van geïntimeerde ernstig gegriefd is en dat hij daardoor wellicht tijdelijk niet heeft kunnen beschikken over zijn aandeel in de gemeenschappelijke activa van de huwgemeenschap, terwijl geïntimeerde deze (ten onrechte) heeft kunnen aanwenden voor haar persoonlijk gebruik, maar de eerste rechter toch van oordeel was dat appellant naliet te bewijzen dat geïntimeerde zou hebben gehandeld met bedrieglijke inzichten en met de bedoeling de kwestieuze activa aan de huwgemeenschap te onttrekken, aldus met de uitdrukkelijke bedoeling appellant schade te berokkenen;

Overwegende dat het bedrieglijk inzicht moet worden beoordeeld op het ogenblik waarop de handelingen werden gesteld;

Dat de transacties ondertussen wel gekend zijn, maar niet omdat geïntimeerde deze uit eigen beweging heeft bekendgemaakt;

Dat appellant geïntimeerde meermaals in gebreke heeft gesteld wegens het niet uitvoeren van de beschikking in kort geding, waarbij werd bevolen dat alle tegoeden op welbepaalde rekeningnummers gestort dienden te worden op een bankrekeningnummer op naam van beide partijen, onder gezamenlijk beheer; dat geïntimeerde integendeel nog gelden heeft geïnd in weerwil van het rechterlijke verbod;

Overwegende dat geïntimeerde tot op heden geen uitleg verstrekt over de bestemming van de afgehaalde gelden en louter verwijst naar de inventaris in het raam van de vereffening-verdeling, die evenwel niet wordt voorgelegd;

Overwegende dat, gelet op deze elementen en rekening houdend met het tijdstip van de transacties, namelijk kort vóór en tijdens de echtscheidingsprocedure, in een periode van echtelijke spanningen, geconcludeerd moet worden dat geïntimeerde wel degelijk heeft gehandeld met de bedoeling appellant op bedrieglijke wijze te benadelen;

Dat ook de vordering zoals gebaseerd op art. 1422, 3o BW gegrond moet worden verklaard.

1.2.6. Conclusie

Overwegende dat uit het bovenstaande blijkt dat de vordering van appellant gegrond is voor wat betreft de nietigverklaring van de transacties verricht vanaf 10 maart 2007;

Dat het hoger beroep met betrekking tot dit onderdeel dan ook gedeeltelijk gegrond is.

2. De dwangsom

Overwegende dat, gelet op de houding van geïntimeerde in het verleden, en het niet nakomen van de beschikking in kort geding, er reden is om in te gaan op de vordering tot veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een dwangsom aan appellant in geval van het niet naleven van huidig arrest;

Dat deze dwangsom kan worden bepaald op 500 euro per dag vertraging inzake het terugplaatsen van de gelden zoals in het dispositief bepaald vanaf de betekening van huidig arrest;

Dat, gelet op het feit dat niet wordt gespecificeerd op welk rekeningnummer de gelden teruggeplaatst moeten worden, het behoort dat deze gelden worden gestort op een door de notaris-vereffenaar op naam van beide partijen te openen rubriekrekening.

3. De toepassing van art. 1448 BW

Overwegende dat volgens art. 1448 BW de echtgenoot die enig goed uit het gemeenschappelijk vermogen heeft weggemaakt of verborgen gehouden, zijn aandeel in dit goed verliest;

Overwegende dat alle handelingen die de wegmaking of verberging van een goed tot gevolg hebben en zo de te verdelen massa verminderen of de verdeling vermijden, heling kunnen uitmaken overeenkomstig art. 1448 BW;

Overwegende dat de rechtsvordering wegens heling niet alleen gelijktijdig met de verdeling kan worden ingesteld, maar ook reeds vóór of zelfs na de verdeling (vgl. Cass. 12 december 1996, RW 1996-97, 1414);

Dat de sanctie van heling toegepast kan worden op elke daad te kwader trouw, waarbij de ene echtgenoot, ten nadele van de andere, op de goederen van het gemeenschappelijke vermogen een ongeoorloofd voordeel nastreeft; dat deze daad reeds vóór de ontbinding van het huwelijksstelsel een aanvang kan hebben genomen;

Overwegende dat, opdat van heling sprake zou kunnen zijn, vereist is dat de echtgenoot met bedrieglijk opzet handelde en derhalve te kwader trouw is;

Dat de bedrieglijke bedoeling ligt in het beroven van de deelgenoten van wat hen toekomt in de verdeling, in het doorbreken van de gelijkheid van de deelgenoten;

Dat de kwade trouw bestaat in het wetens en willens verrichten van de schadeverwekkende handelingen en niet enkel in het louter verzwijgen als gevolg van een onzorgvuldigheid of zware nalatigheid;

Overwegende dat naar analogie met wat geldt bij heling van erfgoederen, ook bij heling van gemeenschapsgoederen de sanctie kan komen te vervallen, als de helende echtgenoot spontaan en tijdig berouw toont van zijn handeling;

Dat vooraleer een echtgenoot schuldig kan worden bevonden aan het kwaadwillig wegmaken of verborgen houden van gemeenschapsgoederen, in de persoon van die echtgenoot allereerst de plicht moet bestaan de nodige meldingen te verrichten;

Dat de verplichting tot het afleggen van verklaringen in beginsel ontstaat bij het opmaken van de boedelbeschrijving en bij gebreke daarvan bij de aanvang van de verrichtingen van de vereffening en verdeling, in het bijzonder wanneer een echtgenoot door de notaris wordt ondervraagd over de activa en passiva van het gemeenschappelijk vermogen;

Dat wanneer hierbij te kwader trouw bepaalde zaken worden verzwegen of leugenachtig voorgesteld, de heling een feit is;

Dat de sanctie van heling door de echtgenoot-heler alleen kan worden ontlopen indien hij uiterlijk vóór het afsluiten van de boedelbeschrijving op zijn leugenachtige verklaringen is teruggekomen (vgl. Cass. 23 mei 1991, Pas. 1991, I, 833); dat er tot op dat ogenblik slechts sprake kan zijn van een poging tot heling en het misdrijf niet voltrokken is (zie o.m.: K. Boone, “Commentaar bij art. 1448 BW” in Comm.Pers., 10 p.; Brussel 31 januari 2008, Not.Fisc.M. 2009, 149, noot J. Du Mongh en C. Declerck);

Overwegende dat bijgevolg op grond van deze principes in het raam van huidige procedure niet kan worden geoordeeld over de toepassing van art. 1448 BW, omdat het hof er niet van in kennis is gesteld welke meldingen en verklaringen door partijen werden gedaan bij het afsluiten van de inventaris, die ondertussen heeft plaatsgevonden;

Dat het dan ook behoort dat deze verdeling wordt beoordeeld in het raam van de vereffening-verdeling;

...
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: di, 03/06/2014 - 16:02
Laatst aangepast op: zo, 11/03/2018 - 22:28

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.