-A +A

Vordering tot nietigverklaring van een borgstelling op grond van artikel 224 §1, 4° BW

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Op grond van artikel 224 §1, 4° BW kunnen de persoonlijke zekerheden, die door één van de echtgenoten zijn gesteld en die de belangen van het gezin in gevaar brengen, nietig verklaard worden. Het gevaar voor de gezinsbelangen moet worden beoordeeld op het ogenblik dat de zekerheid wordt gesteld en volgens de vergelijking van het bedrag waarvoor de zekerheid is gesteld met de financiële toestand van het gezin (Cass. 24 april 1998, R.W. 1998-99, 1189; Cass. 25 april 1985, Pas. 1985, I, 1053; Antwerpen 19 september 1990, Pas. 1991, II, 35; Rb. Gent 9 mei 1983, R.W. 1983-84, 1293).

De bevoegde rechtbank is de rechtbank van eerste aanleg.

Op grond van art. 224, § 1, eerste lid, B.W. moet de vordering in deze zaak door degenen die zich door de borgstelling benadeeld voelt.

De vordering moet worden ingesteld tegen de mede- echtgenoot, en tegen de begunstigde van de borgstelling, (K. Tobback, in Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Nietigverklarende handelingen).

De nietigheid van art. 224 B.W. is een relatieve nietigheid (K. Tobback, o.c., in Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Nietigverklaarbare handelingen).

Een akte van echtscheiding door onderlinge toestemming tussen de borgsteller en zijn echtgenote zou eventueel kunnen aantonen dat de nietigheid gedekt is.

Het gevolg van de nietigverklaring is dat de gehele borgstelling vernietigd wordt en geacht wordt nooit te hebben bestaan.

Eventueel verweer van de begunstigden van de borg: collusie tussen de echtgenoten.

De vordering tot nietigverklaring moet binnen het jaar ingesteld zijn. De bewijslast dat de vordering meer dan een jaar na de kennisname van de borgtocht is ingesteld, berust bij de schuldeiser.

Er kan niet zomaar worden aangenomen dat enkel door gehuwd te zijn en samen te wonen bewezen is dat een dame kennis had van de briefwisseling toegezonden aan haar echtgenoot.

Van de V.-C. brengen hun fiscale aangifte bij. Voor het aanslagjaar 1991 hadden zij een gezamenlijk belastbaar inkomen van 1.385.141 fr. In het aanslagjaar 1992 was het gezamenlijk belastbaar inkomen 1.492.955 fr.

Er is niet aangetoond dat zij kinderen hebben in die jaren.

De heer Van de V. is leraar. Mevrouw C. werkte in dienstverband bij een reclamebureau, zonder dat is gespecificeerd om welk werk het gaat.

...

Rechtspraak:

• Hof van Beroep Antwerpen 3 februari 2016, NJW 2016, 735

Samenvatting

Borgstelling is een eenzijdige verbintenis waardoor op de borgstelling de leer van de gekwalificeerde benadeling niet kan toegepast.

Een financieel zwakke positie van de hoofdschuldenaar, bewijst op zich geen onder druk, dwang of geweld afgedwongen zekerheidstelling.

Er kan geen sprake zijn van gekwalificeerde benadeling bij een eenzijdige verbintenis, zoals een borgstelling, waar een tegenprestatie per definitie ontbreekt.

Principieel is een echtgenoot bevoegd om zich borg te stellen, zonder dat hij de toestemming van de andere echtgenoot nodig heeft. De borgstellingen maken een persoonlijke zekerheid uit, zodat men zich kan beroepen op artikel 224 § 1 4° BW om de nietigheid ervan te vorderen, indien de belangen van het gezin erdoor in gevaar werden gebracht.

Een gezin kan door een borgstelling in gevaar gebracht wanneer een huwelijkspartner door het stellen van de borg niet meer in staat zal zijn op een degelijke wijze bij te dragen in de lasten van het huwelijk.

De bewijslast hiervan rust op de huwelijkspartner-eiser in nietigverklaring van de zekerheidstelling en moet beoordeeld worden op het ogenblik van het ontstaan van de persoonlijke zekerheid, dit is op de dag van het sluiten van de overeenkomst en niet op het ogenblik waarop een beroep wordt gedaan op de borg.

De vordering tot nietigverklaring of schadevergoeding moet op straffe van verval, worden ingesteld binnen een jaar na de dag waarop de handeling ter kennis is gekomen van de huwelijkspartner-eiser

Tekst arrest

[ ... ]

F.G., [ ... ] appellante

[ ... ]

tegen

Meester JefSCHEEPERS en

Meester Elke NATENS, advocaten [ ... ], handelend in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement NV KDM, eerste en tweede geïntimeerden

[ ... ]

F.T., [ ... ]

derde geïntimeerde

[ ... ]

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep van mevrouw F.G. (hierna: de vrouw, alsook appellante) strekt ertoe, bij hervorming van het bestreden vonnis, haar initiële vordering ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en, dienvolgens, de door de heer F.T. (hierna: de man, alsook appellant op incidenteel hoger beroep) gedane persoonlijke borgstelling overeenkomstig het bepaalde in artikel 224 § 1,4 BW nietig te verklaren.

3. Het incidenteel hoger beroep van de man strekt ertoe, bij hervorming van het bestreden vonnis, de oorspronkelijke vordering van de Mrs. Jef SCHEEPERS en Elke NATENS, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van de nv KDM (hierna: de curatoren), af te wijzen als ongegrond.

4. De curatoren concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep van de appellante en tot de onontvankelijkheid (ondergeschikt, tot de ongegrondheid) van het incidenteel hoger beroep van de man.

Alleszins vragen zij de bevestiging van het bestreden vonnis.

Feiten en retroacten

5. De man, die gedelegeerd bestuurder was van de nv PRODINAR, heeft op 28/06/2012 een borgstelling afgesloten voor schulden van deze vennootschap, voor een bedrag van€ 80.166,74.

De nv PRODINAR had immers schulden bij de curatoren, n.a.v. de overname van een machinepark en van voertuigen. Uit hoofde van deze onbetaalde schulden gingen de curatoren over tot dagvaarding van de nv PRO DINAR. Vervolgens is het faillissement tussengekomen van de nv PRODINAR.

De curatoren hebben de man in zijn hoedanigheid van borg gedagvaard voor de eerste rechter in betaling van zijn borgverbintenis.

De vrouw vorderde voor de eerste rechter, in een afzonderlijke procedure, de nietigverklaring van de borgstelling op grond van artikel 224 § l lid 4 BW. Beide procedures werden door de eerste rechter in het bestreden vonnis wegens samenhang gevoegd.

In het thans bestreden vonnis werd de vordering tot nietigverklaring van de borgstelling ongegrond verklaard; de vordering van de curatoren werd gegrond verklaard en dienvolgens werd de man veroordeeld in betaling van de som van€ 80.116,74, meer de verwijlsintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 14/12/2012 tot de dag van dagvaarding en vanaf dan de gerechtelijke intresten aan dezelfde rentevoet tot de dag van volledige betaling.

De curatoren benaarstigen de veroordeling van de man als borgsteller: zij vragen de bevestiging van het bestreden vonnis.

Ten gronde haalt de man aan dat:

zijn maandelijks inkomen destijds ca. € 3.400,00/maand bedroeg

het inkomen (pensioen) van zijn echtgenote destijds € 1.100,00/ maand bedroeg

de aflossing van het woonkrediet maandelijks€ 3.600,00 bedroeg

de nv PRODINAR onder ernstige druk stond, gelet op de overmatige schuldenlast bij leveranciers, de BTW,e.d.m.

de curatoren een persoonlijke borgstelling van hem hebben afgedwongen, aangezien hij met de rug tegen de muur stond

de persoonlijke borgstelling nietig is wegens vervulling van de ontbindende voorwaarde, met name dat er vóór 20/07/2012 geen uitvoeringsmaatregelen zouden worden getroffen tegen de nv PRODINAR, terwijl op 13/07/2012 op verzoek van de RSZ een dwangbevel (dat geldt als daad van tenuitvoerlegging) werd betekend.

Van haar zijde haalt de vrouw aan dat: zij en haar man thans geen onroerende goederen en geen spaartegoeden hebben

zij nooit enig mandaat heeft waargenomen in de nv PRODINAR

de borgstelling vanwege haar echtgenoot een eenzijdige rechtshandeling betreft, die op geen enkele wijze een handeling behelst van de nv PRODINAR

de nv PRODINAR sedert 31/10/2012 in WCO is, waarna vervolgens het faillissement is tussengekomen op 18/04/2013

het familiaal vermogen reeds was bezwaard ten tijde van de borgstelling, zodat de bijkomende kost van € 80.166,74 niet meer op dit vermogen verhaalbaar was, aangezien het netto-actief van dit vermogen op dat ogenblik reeds negatief was

Hun woning destijds werd verkocht voor € 638.000,00, zodat een verkoopprijs van € 1.000.000,00 niet realiseerbaar bleek.

Beoordeling

[ ... ]

Gegrondheid

9. In een - materieelrechtelijke - logische chronologie dient het Hof zich eerst te buigen over de eis tot nietigverklaring van de litigieuze borgstelling.

Een (gebeurlijke) nietige overeenkomst kan immers geen rechten en (hiermee corresponderende) plichten genereren. Ook de man roept, zo blijkt, een aantal nietigheden in tegen de bewuste borgstelling.

Meer bepaald is hij van oordeel dat de borgstelling nietig is wegens vervulling van de ontbindende voorwaarde; anderzijds roept hij ook wilsgebreken in, met name dwang (geweld) en gekwalificeerde benadeling.

10. Het Hof gaat eerst in op de grieven van de man, die a.h.w. aan de borgstelling zelf kleven, gelet op hun aard (vervulling van de ontbindende voorwaarde enerzijds en wilsgebreken anderzijds).

10a. Van de vervulling van een ontbindende voorwaarde is geen sprake.

De voorwaarde dat "vóór 20/07/12 geen uitvoeringsmaatregel getroffen worden tegen Prodinar NV, die het voortbestaan van de onderneming onmogelijk maken" is een voorwaarde die uit zijn aard slechts een verplichting oplegt aan de curatoren zelf. Het spreekt voor zich dat hiermee niet elke uitvoeringsmaatregel, ook deze uitgaande van derden, wordt bedoeld. Deze interpretatie kan worden afgeleid uit de dossierstukken (o.a. de briefwisseling van de curatoren dd. 16/01/2012, 27/03/2012 en 10/05/2012) en de context waarin de man de bewuste borgstelling aanging: voordien hadden de curatoren immers een aanvang genomen met uitvoering van het vonnis van de rechtbank van Koophandel te Tongeren bekomen tegen de nv Prodinar, gelet op de betekening van het bevel op 03/05/2012 (en de voorziene verkoopdatum ingevolge het roerend beslag op 06/07/2012). Het waren - enkel en alleen - deze uitvoeringsmaatregelen die de man bedoelde/beoogde in de bewuste borgstellingsakte.

10b. Ook de ingeroepen wilsgebreken kunnen niet worden weerhouden.

Van geweld of dwang is geen sprake: het is niet omdat de hoofdschuldenaar in een financiële precaire positie verkeerde dat hieruit besloten moet worden dat de zekerheidstelling onder druk werd afgedwongen.

Van ongeoorloofde druk blijkt niet het minste spoor in het dossier. De man beloofde overigens zelf een borgstelling, met de bedoeling de vennootschap ademruimte te bieden door uitvoeringsmaatregelen tegen te gaan. De borgstelling is kennelijk ook door de man zelf opgesteld (tevens op zijn briefhoofd) en bevat enkele genuanceerde voorbehouden en bedingen, in het voordeel van de man.

De aangehaalde gekwalificeerde benadeling kan evenmin een grond tot nietigverklaring van de borgstelling opleveren: er kan geen sprake zijn van gekwalificeerde benadeling bij een eenzijdige verbintenis, zoals een borgstelling, waar een tegenprestatie per definitie ontbreekt.

11. Rest nog de vordering van de vrouw strekkende tot nietigverklaring van de borgstelling op grond van de bepalingen van het primair stelsel.

Principieel is een echtgenoot bevoegd om zich borg te stellen, zonder dat hij de toestemming van de andere echtgenoot nodig heeft. In een stelsel van scheiding van goederen bestuurt elke echtgenoot zijn eigen vermogen trouwens alleen (artikel 1466 BW).

Aangezien een borgstelling de gezinsbelangen ernstig in het gedrang kan brengen heeft de wetgever de niet-optredende echtgenoot/echtgenote daartegen willen beschermen door hem/haar de mogelijkheid te bieden om de borgstelling onder welbepaalde voorwaarden naderhand aan te vechten. Beoogd wordt namelijk te vermijden dat een echtgenoot door zijn onbezonnen- of onervarenheid de belangen van het gezin in gevaar brengt, door de materiële voorwaarden voor een effectieve gezinsbeleving in het gedrang te brengen.

De kwestieuze borgstellingen maken een persoonlijke zekerheid uit, zodat de vrouw zich kan beroepen op artikel 224 § 1 4° BW om de nietigheid ervan te vorderen indien de belangen van het gezin erdoor in gevaar werden gebracht.

Het bewuste artikel 224 § l, 4° BW bepaalt: "Op verzoek van de andere echtgenoot en onverminderd de toekenning van schadevergoeding, kunnen worden nietig verklaard: (. . .) de persoonlijke zekerheden door een der echtgenoten gesteld, die de belangen van het gezin in gevaar brengen.". Deze bepaling behoort tot het primair huwelijksvermogensstelsel en is daarom toepasselijk op alle gehuwden, ongeacht het stelsel waaronder zij gehuwd zijn.

 

12. Overeenkomstig artikel 224§ 2 BW moet de vordering tot nietigverklaring of schadevergoeding, op straffe van verval, worden ingesteld binnen een jaar na de dag waarop de handeling ter kennis is gekomen van de echtgenoot-eiser.

Er wordt in casu een exceptie van laattijdigheid of van verval van de vordering ingeroepen door de curatoren.

De vrouw stelt echter dat zij slechts op de hoogte is geraakt van het bestaan van de borgstelling, op het ogenblik dat deze werd gedagvaard door de curatoren.

De curatoren dragen de bewijslast van hun exceptie.

Zij falen evenwel afdoende te bewijzen dat de vrouw, appellante, ten tijde van de gedinginleidende dagvaarding strekkende tot nietigverklaring van de borgstelling, reeds meer dan een jaar kennis zou hebben gekregen van de bewuste borgstelling.

De curatoren suggereren en insinueren maar leveren geen deugdelijk positief bewijs. Er zijn geen stukken die tot de gevolgtrekking nopen dat de vrouw effectief wist van de borgstelling.

Het loutere feit dat zij was gehuwd met de borgsteller volstaat uiteraard niet: in die optiek zou de wettelijke vervaltermijn weinig of geen zin hebben en zou men kunnen stellen dat de eis tot nietigverklaring vervalt binnen het jaar na de borgstelling, wat strijdt met de tekst van de wet(telijke vervaltermijn).

De briefwisseling tussen de curatoren en de man zijn overigens ook nooit mede geadresseerd aan de vrouw.

Ook het gegeven dat de vrouw aandeelhouder was van de (hoofd)schuldenaar, de nv PRODINAR, volstaat niet: hoofdschuldenaar en borg staan los van elkaar. De borgschuld en de gewaarborgde schuld zijn toerekenbaar aan 2 verschillende rechtssubjecten.

De vordering van de vrouw is dienvolgens tijdig ingesteld.

13. De essentiële vraag is of de belangen van het gezin in gevaar worden gebracht door de bewuste zekerheid.

De belangen van het gezin kunnen in gevaar zijn wanneer de echtgenoot door de gestelde zekerheid niet meer in staat zal zijn op een degelijke wijze bij te dragen in de lasten van het huwelijk. Artikel 224 BW kadert immers in het geheel van verplichtingen van het primair stelsel en geldt als -curatieve- buffer om verstoorde evenwichten, o.a. tussen professionele autonomie en gezinsbelang, te herstellen.

De bewijslast van het in gevaar brengen van de belangen van het gezin rust op de echtgenoot-eiser in nietigverklaring van de zekerheidstelling en moet beoordeeld worden op het ogenblik van het ontstaan van de persoonlijke zekerheid, dit is op de dag van het afsluiten van de overeenkomst en niet op het ogenblik waarop een beroep wordt gedaan op de borg. Latere gebeurtenissen blijven in principe buiten beschouwing, tenzij zij voorspelbaar en kenbaar waren ten tijde van de borgstelling. Ook feiten van kort na de borgstelling kunnen gebeurlijk in aanmerking worden genomen, indien zij doen blijken wat de financiële toestand van betrokkenen was op het ogenblik van de zekerheidstelling.

Het komt de rechter toe om een oordeel te vellen, in elk geval afzonderlijk, over het gevaar en dit zowel op grond van intrinsieke gegevens (die verband houden met de economie van het contract) als van extrinsieke gegevens (inkomsten van het huishouden, lasten en vroegere al dan niet eis bare verbintenissen, risico voor de gezinswoning, levensstandaard van het gezin). Bij de beoordeling van het gevaar voor de gezinsbelangen van een persoonlijke zekerheid dient een intrinsiek element (bedrag, doelstelling en opportuniteit van de zekerheid, waarbij het risico van de zekerheidsstelling dient te worden beoordeeld aan de hand van de kansen op terugbetaling van het gewaarborgde krediet door de hoofdschuldenaar) te worden afgewogen met een extrinsiek element (vermogenstoestand van het gezin op dat ogenblik). In concreto moet de rechter een vergelijking maken tussen de financiële omvang van de last die zou kunnen ontstaan door het beroep op de borg, rekening houdend met de inkomsten en kapitalen waarover het gezin van de borgsteller beschikte op het ogenblik van het aangaan van de borgtocht en in acht genomen de globale toestand van de schuldenlast van het voornoemde gezin.

14. Dat de man gedelegeerd bestuurder was van de vennootschap-hoofdschuldenaar is niet doorslaggevend. Overigens maakt artikel 224 BW geen onderscheid tussen persoonlijke zekerheden in verband met een beroepsactiviteit en andere (zie tevens Cass. 27 november 1987, RW 1988-89, 297). Het feit dat de borgstelling beroepshalve of met het oog op het verkrijgen van inkomsten wordt verleend doet niets af aan het mogelijkerwijze riskante karakter van de operatie (zie ook: N. Geelhand, "De borgstelling (art. 224, § 1 en sub 4, B.W.) of de confrontatie tussen gezinsbelang, autonomie en derdenbescherming - Beschouwingen bij het arrest van het Hof van Cassatie van 27 november 1987", RW 1988-89, p. 277, nr. 10; S. Mosselmans, "De appreciatiebevoegdheid van de rechter in het kader van art. 224 B.W." noot onder Rb. Gent 25 januari 1996, RW 1996-97, (1092), 1093, nr. 5).

15. In het bestreden vonnis heeft de eerste rechter, op grond van een oordeelkundige motivering, die, voor zover niet tegengesproken door wat hierna gesteld wordt, door het Hof wordt bijgetreden en overgenomen, terecht geoordeeld dat de vordering tot nietigverklaring van de borgstelling ongegrond is.

Ter aanvulling van de redengeving van de eerste rechter en ter beantwoording van de besluiten in hoger beroep kan daar nog het volgende aan toegevoegd worden.

15.1. Aan de hand van de feitelijke elementen, aangetroffen in de onderscheiden stukkenbundels van partijen, kan niet worden geconcludeerd dat de kansen op terugbetaling van de gewaarborgde hoofdschuld door de hoofdschuldenaar irreëel waren.

De schuldenaar is slechts ca. 10 maand na datum van de laatste borgstellingsakte failliet verklaard.

Er zijn bovendien onvoldoende redenen voorhanden om aan te nemen dat het faillissement van de schuldenaar (van de gewaarborgde hoofdschuld) reeds ten tijde van de borgstelling onafwendbaar of voorspelbaar was, zodat de borgstelling zelf niet ipso facto als risicovol kan gekwalificeerd worden. De man geloofde zelf nog in het voortbestaan van deze vennootschap, waar o.a. ook een kapitaalverhoging in het vooruitzicht werd gesteld.

15.2. Het officieel, fiscaal gedeclareerd, gezinsinkomen bedroeg ca. € 4.500,00/ maand, wat op zich al meer dan gemiddeld kan worden genoemd.

Ten tijde van de bewuste borgstelling waren de man en de vrouw bovendien nog eigenaar van een waardevol pand. De verkoopprijs van € 638.000,00 waaraan het pand naderhand werd verkocht reflecteert niet noodzakelijk de marktwaarde ten tijde van de borgstelling. Gelet op de hoeveelheid van zakelijke zekerheden (hypotheken), rustend op deze woning, mag worden aangenomen dat de woning alsdan in gedwongen verkoopwaarde minstens zoveel bedroeg als het bedrag van de leningen, waarvoor hypotheek op deze woning was genomen.

Ten slotte zij opgemerkt dat ook de zoon van de man en de vrouw (R.F.) alsdan nog inwoonde bij zijn ouders, zodat ook diens inkomsten (waaromtrent evenwel duidelijke stukken ontbreken) in beginsel onder de gezinsinkomsten moeten worden gerekend.

15.3. Het Hof deelt bovendien de mening van de eerste rechter dat de inkomsten van de man en de vrouw conform het fiscaal aanslagbiljet een vertekend beeld opleveren.

Een aanslagbiljet in de personenbelasting levert geen overzicht op van een volledig patrimonium en geldt evenmin als een soort van legger van een vermogenskadaster, dat op heden trouwens niet bestaat in België.

De man verklaarde zelf ter zitting dd. 12/01/2016 van dit Hof dat hij en zijn vrouw in het verleden zeer goed hadden kunnen leven, met een bloeiend bedrijf in de sector van het hout/meubelen: er bestaat derhalve een vermoeden dat er spaartegoeden/financiële reserves zijn gerealiseerd geweest.

Het is immers volstrekt ongeloofwaardig dat de man en de vrouw een zware hypothecaire last konden dragen met een inkomen dat nagenoeg volledig werd opgeslorpt door de hypothecaire afbetaling. Na de bewuste borgstelling van de man werd tot augustus 2013, zijnde nog ca. gedurende 13 maanden, een maandelijks bedrag afbetaald van € 3.699,20, zo leert het nazicht van de aflossingstabellen.

Zij konden zich zelfs nog dienstencheques veroorloven, zo blijkt uit het aanslagbiljet in de personenbelasting. Overigens dient opgemerkt dat het fiscale aanslagbiljet niets zegt over spaartegoeden, aandelenbezit, e.d.m.

Op vraag van het Hof ter zitting dd. 12/01/2016 heeft de man verklaard dat hij nog aandelen bezit in de nv MERON, die op heden nog steeds bestaat alsook dat hij een R.C.-vordering heeft op deze vennootschap, voor meer dan een miljoen EUR. Dat deze schuldvordering niet werd geïnd en niet onmiddellijk opeisbaar is doet aan het voorgaande geen afbreuk: het is en blijft een vermogensbestanddeel, waarvan niet afdoende is aangetoond dat deze vordering onherroepelijk verloren, c.q. definitief oninbaar zou zijn.

De schulden die de man en de vrouw ten tijde van de borgstelling hadden waren bovendien geen opeisbare schulden.

Uit het voorgaande blijkt niet afdoende dat de borgstelling de belangen van het gezin ontegensprekelijk in gevaar bracht.

16. Het bestreden vonnis dient te worden bevestigd.

[ ... ]

Beslissing

[ ... ]

Verwerpt de door de curatoren opgeworpen excepties.

Verklaart het principaal hoger beroep van de vrouw en het incidenteel hoger beroep van de man toelaatbaar. Verklaart beide beroepen echter ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

[ ... ]

Noot: Johanna Waelkens, Nietigheid borgstelling, NJW 2016, 349

zie ook:

• Hof Gent 24 september 2007, RW 2007-2008, 29,

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: wo, 23/05/2018 - 18:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.