-A +A

Vordering schadevergoeding van de vrijgesproken beklaagde tegen de burgerlijke partij.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De burgerlijke partij kan door de Kamer van Inbeschuldigingstelling worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding, als zij hoger beroep heeft aangetekend tegen een beschikking van de raadkamer van buitenvervolgingstelling. Een dergelijke schadevergoeding kan ook worden toegekend in het raam van het hoger hoger beroep voor de KI en in alle procedures waarin de Kamer van Inbeschuldigingstelling op grond van art. 136, 136bis, 235 en 235bis Sv. de regelmatigheid van de haar voorlegde rechtspleging onderzoekt.

- de onderzoeksgerechten zijn bevoegd om een schadevergoeding toe te kennen aan een buitenvervolginggestelde verdachte wegens een beroep van de burgerlijke partij;

- daarvoor moet een vordering zijn ingesteld door de buitenvervolginggestelde; een ambtshalve veroordeling is uitgesloten;

- het is daarvoor niet voldoende dat het beroep van de burgerlijke partij gewoon wordt afgewezen; vereist is dat het tergend en roekeloos is;

- enkel een schadevergoeding kan aan de buitenvervolginggestelde worden toegekend, maar geen boete op grond van art. 1072bis Ger. W.

De artikelen 159, 191, 212 en 240 Sv. zijn «van toepassing telkens wanneer de rechter in strafzaken oordeelt dat geen gevolg kan worden gegeven aan de klacht van een burgerlijke partij en geroepen wordt uitspraak te doen op een vordering van de inverdenkinggestelde of van de beklaagde tegen die burgerlijke partij».

Ook de raadkamer is bevoegd om uitspraak te doen omtrent een vordering van de vervolgde partij tegen de burgerlijke partij, omdat deze bv. een manifest tergende en roekeloze klacht met burgerlijke partijstelling heeft neergelegd, waardoor de strafvordering is op gang gebracht.

zie Luc Arnou, Tergende en Roekeloze proceshandelingen voan de burgerlijke partij, RW 2004-2005,726

De rechtsplegingsvergoeding geldt  in strafzaken voor alle strafgerechten met uitzondering van het Hof van Cassatie aangezien de artikelen 316 tot en met de 442 van het Wetboek van strafvordering niet werden gewijzigd.

art. 1022 laatste lid van het gerechtelijk wetboek stelt: "Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij".

De hele discussie die destijds gevoerd werd met betrekking tot de verhaalbaar  van de erelonen van de advocaat, waarbij deze erelonen een vergoedbaar schade-element uitmaakten volgens het Hof van Cassatie, wordt hierdoor achterhaald. Volgens bepaalde rechtsleer zou deze Cassatierechtspraak evenwel nog kunnen toegepast worden op uitgaven van een advocaat die buiten het geding werden gemaakt (Kris Beirnaert,  erelonen en kosten strafpleiters verhaalbaar via een rechtsplegingsvergoeding? In juristenkrant13 februari 2008 pagina 12).

De rechtsplegingsvergoeding toekomende aan de burgerlijke partij:

Wanneer de burgerlijke partij geheel of ten dele in het gelijk wordt gesteld dan dient de dader veroordeeld te worden tot de rechtsplegingsvergoeding. Niettegenstaande de wet niet bepaalt op welk bedrag deze rechtsplegingsvergoeding dient berekend, mag er vanuit gegaan worden dat de rechtsplegingsvergoeding alsdan begroot wordt op basis van het toegekende bedrag aan de burgerlijke partij en niet op basis van de initiële vordering (die gebeurlijk ten dele werd afgewezen of vermindert) zie K. Beirnaert, op. cit. p. 13.

Ook het hof van assisen veroordeelt de beschuldigde die in het ongelijk wordt gesteld ten aanzien van de burgerlijke partij tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

De rechtsplegingsvergoeding toekomende aan de vrijgesproken dader

Wanneer de dader rechtstreeks gedagvaard werd door de burgerlijke partij en op deze vordering van de burgerlijke partij wordt vrijgesproken maakt hij aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd door de burgerlijke partij.

Wanneer de burgerlijke partij de strafvordering op gang heeft gebracht door een burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter en er volgt een beschikking tot buitenvervolgingstelling, maakt de dader aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd door de burgerlijke partij.

Indien de burgerlijke partijstelling zich gewoon toevoegt aan een lopende onderzoek, zal een veroordeling tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding niet mogelijk zijn, gezien de burgerlijke partijen het onderzoek alsdan niet zelf heeft op gang gebracht.

Indien de strafvordering wordt opgestart doordat men zich burgerlijke partij stelde in handen van de onderzoeksrechter en de raadkamer (of de Kamer van inbeschuldigingstelling) beslist om de zaak voor een rechtbank te verwijzen, zal de burgerlijke partij evenmin kunnen veroordeeld worden tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding indien ze door die rechtbank in het ongelijk wordt gesteld. Alhoewel in dat geval de burgerlijke partij aan de oorsprong ligt van de procedure, is het niet zij, maar een rechtbank die beslist over het voortzetten ervan.

Gelet op de bijzondere aard van het hof van assisen en de manier waarop het kan worden gevat, is evenmin voorzien dat men de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld bij dit Hof kan veroordelen tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding

Wanneer een dader wordt vrijgesproken (of buiten vervolging gesteld) in afwezigheid van een burgerlijke partij kan hij geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. Het parket of de staat kunnen nooit veroordeeld worden tot een rechtsplegingsvergoeding.

Indien de dader kan aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding bij vrijspraak of bij buitenvervolgingstelling wordt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding berekend op basis van het bedrag van de vordering van de burgerlijke partij. Indien de burgerlijke partij haar vordering nog niet heeft begroot op het ogenblik van de buitenvervolgingstelling of de vrijspraak,wordt door de rechtsleer voorgesteld om het bedrag te berekenen op basis van de rechtsplegingsvergoeding die toegekend wordt voor "niet in geld waardeerbare vorderingen" zie K. Beirnaert, op. cit. p. 13.

Minimumbedrag, maximumbedrag of basisbedrag

De complexiteit van de zaak speelt in strafzaken voor de burgerlijke partij geen rol wanneer zij zich louter beperkt heeft op strafrechtelijk gebied verklaring in haar conclusie: "Dat de feiten ten genoegen van rechte bewezen zijn door het strafbundel en uitgevoerde onderzoek". de complexiteit zou voor de burgerlijke partij wel een rol kunnen spelen wanneer de schade begroting complex is en de discussies dienaangaande uitvoerig en uitgesponnen plaatsvonden, al dan niet na meerdere expertises.

Het geringe vermogen van de dader of de burgerlijke partij (zo deze zou veroordeeld worden tot de rechtsplegingsvergoeding) zouden een rol kunnen spelen om eventueel het minimumbedrag toe te kennen.

rechtspraak:

• • Cass. 23 december 2008 : De rechtsplegingsvergoeding bepaald bij artikel 162bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, is verschuldigd, ook al is de rechtstreekse dagvaarding door de burgerlijke partij aan de beklaagde betekend vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet Zie I.Samoy en V. Sagaert, De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van advocaten, R.W., 2007-2008, 674 (nrs. 88 e.v.).

• Cass. 17 november 2010, RABG 2011/14, 972, met noot FFilip Van Volsem, Het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de strafrechter: de rechter mag bij opgeblazen vorderingen het bedrag bepalen in functie van het toegekende in plaats van het gevorderde.  Opgeblazen of overeven vorderingen kunnen niet als bais dienen ter bereking van de RPV:

samenvatting

Niettegenstaande wat in het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding is bepaald, kan de rechter de rechtsplegingsvergoeding berekenen op basis van het toegekende veeleer dan op basis van het gevorderde bedrag, als laatstgenoemd bedrag volgt ofwel uit een klaarblijkelijke overwaardering die de normaal bedachtzame en zorgvuldige justitiabele niet zou hebben begaan, ofwel uit een te kwader trouw verrichte verhoging die als enig doel had op artificiële wijze het bedrag van de vordering op te trekken tot de hogere schijf.

Tekst van het arrest

Nr. P.10.0863.F
K. A.,

tegen
D. J..

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 14 april 2010.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
Afdelingsvoorzitter ridder de Codt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvordering
Eerste middel
In zoverre het middel een onderzoek van de feiten van de zaak vereist, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
Voor het overige hebben de appelrechters zich niet ertoe beperkt te wijzen op één of verschillende ruzies tussen twee personen over een welbepaald onderwerp. Het arrest vermeldt immers dat de eiser het vertrek van zijn huurder eiste en dat hij, om hem te doen verhuizen, zich agressief, gewelddadig en dreigend heeft opgesteld tijdens de herhaalde twistgesprekken met betrokkene.
Belaging wordt door artikel 442bis Strafwetboek gestraft en kan bestaan in herhaalde agressiviteit, die blijkt uit gedragingen waarvan de dader weet of moet weten dat zij de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer kunnen aantasten en, bijgevolg, diens rust ernstig kunnen verstoren, zoals het arrest vaststelt.
Door de voormelde wetsbepaling toepasselijk te verklaren op de feiten, zoals zij door hen zijn omschreven, schenden de appelrechters bijgevolg die wetsbepaling niet.
Het middel kan niet worden aangenomen.
(...)
Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering
De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering

Derde middel
De eiser werd veroordeeld om de verweerder de bij artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek bepaalde rechtsplegingsvergoedingen te betalen, die het hof van beroep vaststelt op grond van de bedragen die de verweerder in eerste aanleg en in hoger beroep heeft gevorderd.

Het middel voert aan dat artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, de artikelen 6.1 EVRM en 13 Grondwet schendt, in zoverre eerstgenoemd artikel het aan de burgerlijke partij overlaat om het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen, aangezien die vergoeding per schijf wordt berekend, afhankelijk van de grootte van het gevorderde bedrag.
Het in artikel 13 Grondwet gewaarborgde recht impliceert alleen dat een ieder volgens objectief vastgestelde bevoegdheids- en procedureregels moet worden berecht en dat niemand voor een rechtscollege kan worden gedagvaard dat niet bij wet is bepaald. Die grondwettelijke bepaling vereist niet dat de rechtsplegingsvergoeding wordt berekend op basis van het door de rechter toegekende bedrag.

Niettegenstaande wat in het voormelde koninklijk besluit is bepaald kan de rechter de rechtsplegingsvergoeding berekenen op basis van het toegekende veeleer dan op basis van het gevorderde bedrag, als laatstgenoemd bedrag volgt ofwel uit een klaarblijkelijke overwaardering die de normaal bedachtzame en zorgvuldige justitiabele niet zou hebben begaan, ofwel uit een te kwader trouw verrichte verhoging die als enig doel had op artificiële wijze het bedrag van de vordering op te trekken tot de hogere schijf.
De straf op rechtsmisbruik beschermt degene die de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is, tegen een veroordeling die alleen ingegeven is door de vordering van de schuldeiser.

Het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 miskent bijgevolg niet het recht op een eerlijke behandeling van de zaak.
Het middel faalt naar recht.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel

 

Nog dit: 

Rechtspraak: 

• Arbitragehof, 12 mei 2004, RW 2004-2005, 738

samenvatting:

Het Hof zegt voor recht :
De artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat zij de kamer van inbeschuldigingstelling de bevoegdheid verlenen om kennis te nemen van de vordering van de buiten vervolging gestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de beschikking tot buitenvervolgingstelling van de raadkamer.

tekst arrest

Arrest nr. 84/2004

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij arrest van 24 juni 2003 heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld: «Schenden de artikelen 159, 191 en 212 Sv. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat deze artikelen bepalen dat de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van de buiten vervolging gestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van de burgerlijke partij, terwijl geen wettelijke bepaling uitdrukkelijke bevoegdheid verleent aan de kamer van inbeschuldigingstelling indien de vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van de inverdenkinggestelde die naar de feitenrechter wordt verwezen, uitgaat van de burgerlijke partij?»

...

In rechte

...

B.1. De prejudiciële vraag betreft de artikelen 159, 191 en 212 Sv. Die bepalingen luiden:

«Art. 159. Indien het feit noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, vernietigt de rechtbank de dagvaarding en alles wat erop gevolgd is, en zij beslist bij hetzelfde vonnis over de vorderingen tot schadevergoeding».

«Art. 191. Indien het feit noch een wanbedrijf noch een overtreding oplevert, vernietigt de rechtbank het onderzoek, de dagvaarding en alles wat erop gevolgd is, ontslaat de beklaagde van rechtsvervolging en beslist over de vorderingen tot schadevergoeding».

«Art. 212. Indien het vonnis wordt teniet gedaan omdat het feit door geen enkele wet wordt beschouwd als wanbedrijf of overtreding, ontslaat het hof de beklaagde van rechtsvervolging en beslist in voorkomend geval over de schadevergoeding te zijnen behoeve».

B.2. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of de artikelen 159, 191 en 212 Sv. bestaanbaar zijn met art. 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling invoeren tussen, enerzijds, de burgerlijke partij die tegen een beschikking van buitenvervolgingstelling van de verdachte hoger beroep heeft ingesteld en door de kamer van inbeschuldigingstelling, op grond van die bepalingen, in de interpretatie die het verwijzende rechtscollege eraan geeft, op vordering van de buiten vervolging gestelde verdachte, kan worden veroordeeld tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep, en, anderzijds, de verdachte die tegen een beschikking tot verwijzing naar de feitenrechter hoger beroep heeft ingesteld en door de kamer van inbeschuldigingstelling, bij ontstentenis van op soortgelijke wijze geïnterpreteerde wetsbepalingen, niet kan worden veroordeeld tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep.

B.3.1. Ingevolge de vervanging van art. 136 Sv. bij art. 31 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek (B.S., 2 april 1998, eerste uitgave) is de kamer van inbeschuldigingstelling niet langer verplicht de burgerlijke partij die in het ongelijk werd gesteld in het hoger beroep (« verzet ») dat zij op grond van het vroegere art. 135 Sv. had ingesteld tegen de beschikkingen van de raadkamer die het voortzetten van de strafvordering in de weg stonden, te veroordelen tot schadevergoeding jegens de verdachte.

Het vroegere art. 136 Sv., waarop die verplichting was gebaseerd, werd door het Hof bestaanbaar verklaard met art. 10 en 11 van de Grondwet in de arresten nr. 43/95 van 6 juni 1995, nr. 76/95 van 9 november 1995 en nr. 34/99 van 17 maart 1999. In het raam van de hervorming van de strafrechtspleging die zou leiden tot de voormelde wet van 12 maart 1998, werden de voordelen van het behoud van de mogelijkheid daartoe weliswaar erkend, maar onvoldoende geacht om een wettelijke handhaving ervan te overwegen. In dat verband vermeldt de parlementaire voorbereiding van die wet het volgende:

«Het huidige art. 136 heeft zijn belang, namelijk het besparen van een afzonderlijke procedure in het geval waarin een persoon die buiten vervolging wordt gesteld, van de burgerlijke partij die zich als tegenpartij opwerpt en die in het ongelijk wordt gesteld, een schadevergoeding wil vorderen. Aanvankelijk werd door de Commissie Strafprocesrecht beoogd deze mogelijkheid te behouden, maar facultatief te maken opdat de burgerlijke partij die in het ongelijk werd gesteld niet meer, proprio motu, veroordeeld zou moeten worden door de kamer van inbeschuldigingstelling. Dit gebeurt in de praktijk trouwens nu reeds lang niet meer automatisch.

«Zoals de Raad van State in zijn advies terecht opmerkte, rijst echter de vraag of met deze wijziging in het raam van het wetsontwerp het verschil in behandeling tussen de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij – die wel veroordeeld kan worden tot een schadevergoeding aan de verdachte, enerzijds, maar geen aanspraak kan maken op een schadevergoeding van de verdachte, anderzijds – nog wel verantwoord is. Dat het Arbitragehof in het verleden oordeelde dat dit verschil in behandeling zoals het nu in de wet staat ingeschreven, wel degelijk verantwoord is (zie Arbitragehof, 6 juni 1995, nr. 43/95; Arbitragehof 9 november 1995, nr. 76/95), vormt geen garantie voor de toekomst, aangezien met het huidige wetsontwerp de mogelijkheden van beroep aanzienlijk verruimd zouden worden.

«In deze omstandigheden lijkt het de Commissie strafprocesrecht dan ook verkieslijk de mogelijkheid tot veroordeling van de burgerlijke partij tot schadevergoeding wegens onwerkdadig hoger beroep in zijn geheel af te schaffen, eerder dan eenzelfde mogelijkheid in te voeren ten nadele van de verdachte» (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 857/1, p. 65-66).

B.3.2. Het verwijzende rechtscollege heeft de artikelen 159, 191 en 212 Sv. evenwel aldus geïnterpreteerd dat zij de kamer van inbeschuldigingstelling niettemin de bevoegdheid verlenen de burgerlijke partij wier hoger beroep tegen een beschikking tot buitenvervolgingstelling van de verdachte ongegrond wordt verklaard, op vordering van de buiten vervolging gestelde verdachte te veroordelen tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep.

Het Hof dient die bepalingen, in de interpretatie die het verwijzende rechtscollege eraan geeft, te toetsen aan art. 10 en 11 van de Grondwet.

B.4. Het verschil in behandeling van de burgerlijke partij en de in verdenking gestelde verdachte berust op een objectief criterium, namelijk hun hoedanigheid als procespartij en de onderscheiden gronden waarop zij thans op basis van de §§ 1 en 2 van art. 135 Sv. hoger beroep kunnen instellen tegen de beschikkingen van de raadkamer. Anders dan de burgerlijke partij, vermag de in verdenking gestelde verdachte slechts op een beperkt aantal gronden een beschikking van de raadkamer in hoger beroep te betwisten, wat het verschil in behandeling tussen de beide partijen op het vlak van de mogelijkheid tot veroordeling wegens tergend en roekeloos hoger beroep kan verantwoorden.

B.5. Het rechtsmiddel dat op grond van art. 135 Sv. door de burgerlijke partij wordt aangewend tegen de beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling van de verdachte, is, zelfs na de wijziging van art. 135 en 136 Sv. bij de voormelde wet van 12 maart 1998, een uitzondering op de regel volgens welke het openbaar ministerie de toepassing van de strafwet vordert. Het gevolg van het hoger beroep van de burgerlijke partij is identiek aan dat van het hoger beroep van het openbaar ministerie, omdat de kamer van inbeschuldigingstelling zich niet uitspreekt over de burgerlijke vordering, maar wel over de strafvordering. Het valt daarbij niet uit te sluiten dat burgerlijke partijen misbruik zouden maken van hun recht van hoger beroep en de verdachte zouden schaden door het gerechtelijk onderzoek te verlengen, om redenen die geen verband houden met het algemeen belang, door ongepast hoger beroep in te stellen en aldus de strafvordering aan te houden.

In de interpretatie van het verwijzende rechtscollege bieden de in het geding zijnde bepalingen dan ook de mogelijkheid – maar geenszins de verplichting – de burgerlijke partij tot schadevergoeding te veroordelen wanneer zij op haar hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling van de verdachte in het ongelijk wordt gesteld. Op die wijze wordt de buiten vervolging gestelde verdachte beschermd en de burgerlijke partij gewaarschuwd tegen het onverantwoord aanwenden van het rechtsmiddel van het hoger beroep tegen een beschikking van buitenvervolgingstelling. Het onderscheid is dan ook pertinent om de doelstelling te verwezenlijken.

B.6. De maatregel, in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege, is ook niet onevenredig met de beoogde doelstelling.

De maatregel staat het instellen van hoger beroep, dat volkomen rechtmatig is wanneer het rechtsmiddel strekt tot vrijwaring van een beschermenswaardig belang, namelijk de hervorming of vernietiging van een nadelige rechterlijke uitspraak, op grond van ernstige grieven, geenszins in de weg. Alleen kennelijk misbruik van de mogelijkheid om de beschikking tot buitenvervolgingstelling voor de kamer van inbeschuldigingstelling te betwisten, kan tot veroordeling tot schadevergoeding aanleiding geven, overigens niet ambtshalve, maar op vordering van de buiten vervolging gestelde partij en nadat hierover een debat is gevoerd. Het komt de kamer van inbeschuldigingstelling toe, op grond van de concrete elementen van het dossier, te oordelen of het hoger beroep dient te worden gekwalificeerd als tergend en roekeloos en of de vordering tot schadevergoeding gegrond is.

De maatregel beperkt evenmin op buitensporige wijze de rechten van burgerlijke partijen, die hun vorderingen nog steeds voor de burgerlijke rechter kunnen brengen. Het is daarentegen vanuit proceseconomische overwegingen niet onverantwoord de vordering tot schadevergoeding van de buiten vervolging gestelde, die uitsluitend voortvloeit uit het tergend en roekeloos karakter van het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer waarbij hij buiten vervolging wordt gesteld, te laten beoordelen door het rechtscollege dat het meest aangewezen moet worden geacht om daarover te oordelen.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

• Cassatie 4 september 2001

samenvatting

Krachtens de artikelen 159, 191 en 212 Sv. zijn de onderzoeksgerechten bevoegd om kennis te nemen van de vordering van de buitenvervolginggestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van de burgerlijke partij.

arrest

C. / H. en H.

Gelet op het bestreden arrest, op 8 maart 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling;

...

B. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvorderingen:

Over het middel:

Overwegende dat de onderzoeksgerechten krachtens de artikelen 159, 191 en 212 Sv. bevoegd zijn om kennis te nemen van de vordering van de buitenvervolginggestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van de burgerlijke partij;

Dat het middel in zoverre faalt naar recht;

Overwegende dat, voor het overige, art. 1072bis Ger. W. niet van toepassing is op de beslissingen van de strafgerechten;

...

Commentaar: 

Rechtsleer

CLIJMANS, N., ‘Artikel 128 lid 2 Sv. getoetst aan de artikelen 10 en 11 Gw’, RABG 2009, afl. 17, 1209-121. Deze noot werd via een link ook gepubliceerd op de website van http://www.clijmansadvocaten.be/

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 19/05/2016 - 14:02
Laatst aangepast op: do, 19/05/2016 - 14:11

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.