-A +A

Voorwaarden verbonden aan het dragen van de enkelband tijdens de uitvoering van de straf

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De rechter kan vanaf 1 mei 2016 rechtstreeks een straf onder elektronisch toezicht opleggen als een feit van die aard is om gestraft te worden met een gevangenisstraf van maximum 1 jaar. Hoe lang iemand een enkelband moet dragen, wordt bepaald door de rechter, dit is minimum 1 maand en maximum 1 jaar.

Voorwaarden verbondenn aan het dragen van de enkelband tijdens de uitvoering van de straf:

• zich houden aan de algemene voorwaarden die door de rechter opgelegd worden
• een strafbare feiten plegen;
• een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, de nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht (VCET) door te mailen naar vcet@wvg.vlaanderen.be of te bellen naar 02/557.52.52.
• ingaan op de oproepingen van de dienst voor het elektronisch toezicht en de concrete invulling van het elektronisch toezicht naleven.

De rechter kan eventueel ook nog individuele bijzondere voorwaarden opleggen in het belang van het slachtoffer. Deze voorwaarden hebben betrekking op het verbod om op bepaalde plaatsen te komen of met het slachtoffer contact op te nemen en/of op de vergoeding te betalen aan het slachtoffer.

Nog dit: 

Elektronisch toezicht bij wijze van alternatief voorlopie hechtenis en vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis:

De rechtspraak van de Commissie voor de onwerkzame voorlopige hechtenis met betrekking tot de procedureregels

is als volgt vastgelegd (bron: Commissie voor de onwerkzame voorlopige hechtenis :

Verzoeker werd bij beschikking van de raadkamer verwezen naar de correctionele rechtbank, die hem bij verstekvonnis d.d. 30 september 2004 veroordeelde tot een hoofdgevangenisstraf van 18 maanden met onmiddellijke aanhouding. Op 11 oktober 2004 stelde verzoeker hoger beroep in tegen het vonnis, en op 15 oktober 2004 tekende hij daartegen verzet aan .
Verzoeker onderging een vrijheidsberoving van 143 dagen. Hij werd van zijn vrijheid benomen op 7 november 2004 en op 21 februari 2005 onder elektronisch toezicht geplaatst.
Het verzet werd door de correctionele rechtbank op 3 december 2004 niet toelaatbaar verklaard gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep. Het hof van beroep heeft verzoeker op 29 maart 2005 vrijgesproken.

De vrijheidsberoving van verzoeker vanaf 7 november 2004 tot aan het arrest van het hof van beroep van 29 maart 2005 dat hem vrijsprak, is volgens de commissie van beroep een hechtenis in de zin van artikel 28 §1 van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis.


Voorlopige hechtenis via elektronisch toezicht

Sinds 01.01.2014 is het Koninklijk besluit houdende ten uitvoerlegging van titel 2 van de wet van 27.12.2012 van kracht betreffende de Justitie.

Ingevolge deze bepalingen kunnen verdachten die in voorlopige hechtenis worden genomen voortaan onder aanhoudingsmandaat worden geplaatst in de vorm van thuishechtenis onder elektronisch toezicht in plaats van in de gevangenisfase.

Wanneer de Onderzoeksrechter tot de maatregel van voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht wil overgaan, neemt hij contact met de directeur van het nationaal centrum voor elektronisch toezicht (NCET). Wellicht zal dit in de regel telefonisch gebeuren of zal dit per fax of per e-mail geschieden door toezending van het aanhoudingsbevel.

Hierop brengt de politie de betrokkene over naar een huis van arrest, alwaar de aangehoudene verblijft tot zijn enkelband in die gevangenis is geplaatst en geactiveerd.

Van zodra de enkelband lijkt te functioneren, gaat de betrokkene samen met iemand van de dienst van het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht naar de verblijfplaats van de betrokkene waar dan de bewakingsbox wordt geïnstalleerd.

De Onderzoeksrechter heeft de keuze om de plaats te kiezen (indien er verschillende mogelijkheden zijn bij wie de betrokkene zou verblijven) waar het elektronisch toezicht wordt uitgevoerd.

Men heeft er rekening mee gehouden dat het mogelijk is dat men de enkelband plaatst en de enkelband niet onmiddellijk in werking kan gesteld worden. In dit geval wordt de betrokkene vrijgelaten en zal hij zich opnieuw dienen aan te melden in de gevangenis.

Tijdens de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht mag de betrokkene onder geen enkel beding zijn verblijfplaats verlaten. Verplaatsingen kunnen wel worden toegestaan in het kader van de gerechtelijke procedure en in het kader van het onderzoek, zoals de verplaatsingen naar de politiediensten, bij een medisch spoedgeval of in geval van werkelijke overmacht (bvb het huis staat in brand).
De Onderzoeksrechter heeft de mogelijkheid om op elk ogenblik de aanhouding onder elektronisch toezicht om te zetten in de aanhouding met verblijf in de gevangenis.

De dienst van het Nationaal Centrum van Elektronisch Toezicht deelt de Onderzoeksrechter mee wanneer de betrokkene niet bereikbaar is via de telefoon, bij eventuele ontsnappingen en bij opzettelijke beschadiging van het bewakingsmateriaal of welk misbruik ook./

Wanneer een verdachte voor de Onderzoeksrechter wordt geleid en deze laat kennen dat hij een voorlopige aanhouding overweegt, kan de verdachte op eigen initiatief aan de Onderzoeksrechter vragen om de voorlopige hechtenis te laten geschieden onder elektronisch toezicht.

Hof van Cassatie, 2e Kamer – 28 januari 2014, RW 2014-2015, 1342

"Zolang aan de voorlopige hechtenis geen einde wordt gemaakt en het gerechtelijk onderzoek niet is afgesloten, oordeelt de raadkamer van maand tot maand over het handhaven van de voorlopige hechtenis en over de modaliteit van uitvoering ervan.

Krachtens art. 30, § 1, eerste zin Voorlopige Hechteniswet kunnen de verdachte, de beklaagde of de beschuldigde en het openbaar ministerie voor de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep instellen tegen de beschikkingen van de raadkamer gegeven in de gevallen bedoeld in art. 21, 22, 22bis en 28.

3. Krachtens art. 30, § 4, eerste lid Voorlopige Hechteniswet doet het gerecht dat over het hoger beroep beslist, uitspraak rekening houdend met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van zijn uitspraak. Indien de kamer van inbeschuldigingstelling, in de gevallen van art. 21, 22, 22bis en 28, beslist dat de voorlopige hechtenis gehandhaafd blijft, levert het arrest een titel van vrijheidsbeneming op voor een maand te rekenen van de beslissing, of voor drie maanden te rekenen van de beslissing, indien het hoger beroep wordt ingesteld tegen de bij art. 22, tweede lid en art. 22bis bedoelde beschikking.

Uit deze bepalingen volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling kennis kan nemen van het hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer die oordeelt dat de bevolen voorlopige hechtenis in de gevangenis verder uitgevoerd wordt door een hechtenis onder elektronisch toezicht.

De kamer van inbeschuldigingstelling, waarvan de rechtsmacht voortvloeit uit de devolutieve werking van het hoger beroep, heeft inzake voorlopige hechtenis dezelfde bevoegdheden als de raadkamer.

De uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hechtenis in de gevangenis dan wel onder elektronisch toezicht behoort tot het algemeen belang.

Daar het hoger beroep van het openbaar ministerie het algemeen belang betreft, is dit hoger beroep gericht tegen een dergelijke beslissing bijgevolg ontvankelijk."

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 04/01/2018 - 20:05
Laatst aangepast op: do, 04/01/2018 - 20:05

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.