-A +A

Voorwaarden faillissement bij een vennootschap in vereffening

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
In overeenstemming met art. 2 Faillissementswet bevindt een koopman die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en wiens krediet is geschokt, zich in staat van faillissement. Ook een vennootschap in vereffening kan failliet worden verklaard.
 
Faillissement en vennootschap in vereffening
 
Er bestaat geen discussie over het feit dat een vennootschap in vereffening het statuut van handelaar behoudt gedurende de vereffening en dat verwerende partij op dit ogenblik nog steeds handelaar is. 
 
Bij de beoordeling van de toestand van staking van betaling en wankelen van krediet van de vennootschap in vereffening dient rekening te worden gehouden met de bijzondere situatie waarin de vennootschap in vereffening zich bevindt.
 
Het Hof van Cassatie heeft de voorwaarde van het geschokt krediet bij een vennootschap in vereffening als volgt omschreven: het krediet van de ontbonden en in vereffening gegane naamloze vennootschap is niet aan het wankelen, wanneer:
 
– enerzijds de ontbinding zonder bedrog heeft plaatsgevonden en in goede omstandigheden verloopt tot voldoening van de schuldeisers of van een aanzienlijke meerderheid van hen, wanneer hun toestemming niet verkregen is via een onvolledige of verkeerde informatie, wanneer de wijze waarop de vereffening is verlopen er niet toe kan leiden het krediet van de vennootschap bij de schuldeisers aan het wankelen te brengen, wanneer de regel van de gelijkheid van de schuldeisers is nagekomen, wanneer er tijdens de vereffening geen juridische constructies zijn opgezet die de schuldeisers kunnen benadelen en;
 
– anderzijds, een toereikende meerderheid van de schuldeisers haar vertrouwen in de vereffenaar behoudt (Cass. 6 maart 2003, RW 2003-04, 1106).
Het Hof van Cassatie vulde de specifieke faillissementsvoorwaarden verder in, in een arrest van 14 januari 2005:
 
– Het feit dat de schuldeisers of een significant deel daarvan het vertrouwen behouden in de vereffenaar en de vereffening, kan een element zijn om te oordelen dat de vennootschap in vereffening haar krediet behoudt.
 
– De vennootschap in vereffening waarvan de vereffenaar in de wettelijk toegelaten grenzen de eisbare schulden afbetaalt en die het vertrouwen van de schuldeisers behoudt, heeft evenmin opgehouden te betalen (Cass. 14 januari 2005, RW 2005-06, 429).
 
Quid wanneer de vereffenaars erkennen dat de vereffening een deficitaire vereffening betreft en dit zelfs blijkt uit een revisoraal verslag dat naar aanleiding van de ontbinding werd opgesteld (negatief eigen vermogen). 
 
Deficitaire vereffeningen leiden niet noodzakelijk tot een faillissement. Van belang is dat de vereffening in correcte omstandigheden verloopt en de schuldeisers of een significant deel daarvan, het vertrouwen behouden in de vereffenaar en de vereffening.
 
Essentieel is bij de vennootschap in vereffening de vraag of de meerderheid van de schuldeisers, die correct werden geïnformeerd, het vertrouwen behoudt in de vereffenaars en de vereffeningswerkzaamheden.
 
Verder stelt zich de vraag in heverre de eisende partij in een faillissementsvordering en de toekenning ervan enig voordeel heeft.
 
Rechtspraak
• Cass. 6 maart 2003, RW 2003-04, 1106; Cass. 14 januari 2005, RW 2005-06, 429.
 
Rechtsleer

zie Faillissement in de reeks Advocatenpraktijk

online databanken faillissementen
 
 

Rechtspraak:

• Rechtbank van Koophandel te Brugge, 1ebis Kamer – 6 mei 2013, RW 2013-2014, 392

NV X. t/ BVBA O.T.M.

...

7. In overeenstemming met art. 2 Faillissementswet bevindt een koopman die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en wiens krediet is geschokt, zich in staat van faillissement. Ook een vennootschap in vereffening kan failliet worden verklaard.

8. Er bestaat geen discussie over het feit dat een vennootschap in vereffening het statuut van handelaar behoudt gedurende de vereffening en dat verwerende partij op dit ogenblik nog steeds handelaar is. Dit blijkt overigens uit de statuten van verwerende partij die een handelsvennootschap met rechtspersoonlijkheid is, en de inschrijving in de kruispuntbank van ondernemingen.

9. Bij de beoordeling van de toestand van staking van betaling en wankelen van krediet van de vennootschap in vereffening dient rekening te worden gehouden met de bijzondere situatie waarin de vennootschap in vereffening zich bevindt.

Het Hof van Cassatie heeft de voorwaarde van het geschokt krediet bij een vennootschap in vereffening als volgt omschreven: het krediet van de ontbonden en in vereffening gegane naamloze vennootschap is niet aan het wankelen, wanneer:

– enerzijds de ontbinding zonder bedrog heeft plaatsgevonden en in goede omstandigheden verloopt tot voldoening van de schuldeisers of van een aanzienlijke meerderheid van hen, wanneer hun toestemming niet verkregen is via een onvolledige of verkeerde informatie, wanneer de wijze waarop de vereffening is verlopen er niet toe kan leiden het krediet van de vennootschap bij de schuldeisers aan het wankelen te brengen, wanneer de regel van de gelijkheid van de schuldeisers is nagekomen, wanneer er tijdens de vereffening geen juridische constructies zijn opgezet die de schuldeisers kunnen benadelen en;

– anderzijds, een toereikende meerderheid van de schuldeisers haar vertrouwen in de vereffenaar behoudt (Cass. 6 maart 2003, RW 2003-04, 1106).

Het Hof van Cassatie vulde de specifieke faillissementsvoorwaarden verder in, in een arrest van 14 januari 2005:

– Het feit dat de schuldeisers of een significant deel daarvan het vertrouwen behouden in de vereffenaar en de vereffening, kan een element zijn om te oordelen dat de vennootschap in vereffening haar krediet behoudt.

– De vennootschap in vereffening waarvan de vereffenaar in de wettelijk toegelaten grenzen de eisbare schulden afbetaalt en die het vertrouwen van de schuldeisers behoudt, heeft evenmin opgehouden te betalen (Cass. 14 januari 2005, RW 2005-06, 429).

10. De vereffenaars erkennen dat de vereffening een deficitaire vereffening betreft. Dit blijkt ook uit het revisoraal verslag dat naar aanleiding van de ontbinding werd opgesteld (negatief eigen vermogen – 558.390,96 euro). De bedrijfsrevisor oppert dat een achterstelling van de vordering van de vennoot-schuldeiser (971.579,66 euro) tot de mogelijkheden behoort in de mate dat de vereffening de terugbetaling ervan niet mogelijk maakt.

Deficitaire vereffeningen leiden niet noodzakelijk tot een faillissement. Van belang is dat de vereffening in correcte omstandigheden verloopt en de schuldeisers of een significant deel daarvan, het vertrouwen behouden in de vereffenaar en de vereffening.

De rechtbank stelt geen onregelmatigheden vast bij de ontbinding van de vennootschap. Klaarblijkelijk was de stopzetting van de activiteiten noodzakelijk doordat de bank het exploitatiekrediet op 2 augustus 2012 niet meer wenste te verlengen. Verwerende partij had dan de optie om aangifte van staking van betaling te doen dan wel om over te gaan tot vrijwillige ontbinding. Tussen beide liquidatieprocedures bestaat er geen hiërarchie in zoverre de ontbinding niet gebeurt met bedrog en de goedkeuring wegdraagt van een aanzienlijk deel van de schuldeisers.

Bedrog dient te worden bewezen door eisende partij, die dit bewijs niet levert. Het enkele feit dat de oprichter een vordering in rekening-courant heeft op de vennootschap, wijst niet op bedrog. Deze vordering is een gewone schuldvordering en dient de regels van de samenloop te ondergaan, zoals de andere gewone en algemeen bevoorrechte schuldeisers. Er zijn geen aanwijzingen dat de vereffenaars op dit punt het gelijkheidsbeginsel zouden miskennen.

Voorts neemt de rechtbank aan dat de vereffenaars op dit ogenblik de nodige transparantie bieden aan de schuldeisers over het verloop van de vereffeningswerkzaamheden.

Op 29 maart 2013 legden zij een eerste gedetailleerd verslag van de vereffenaar neer conform art. 189bis W.Venn., samen met een lijst van de schuldeisers. Dit verslag is consulteerbaar door elke schuldeiser. In het verslag staat een toelichting betreffende het personeelsbestand, het actief en passief, de realisatie van de activa en de reeds verrichte uitgaven en uitkeringen. Hieruit blijkt dat er enkel uitkeringen werden gedaan aan de vereffenaar, de bevoorrechte schuldeisers en de factoringsmaatschappij.

De bijzonder bevoorrechte schuldeisers zijn ten belope van hun onderpand niet aan de samenloop onderworpen. De vereffenaar kan hen bij voorrang uitbetalen met de opbrengst van het goed waarop het voorrecht betrekking heeft en een pandhouder, zoals de bank, kan zijn rechten ongestoord uitoefenen. Betalingen aan deze schuldeisers schenden dan ook geenszins het gelijkheidsbeginsel. Tussentijdse dividenduitkeringen zijn ook voordelig voor de massa, omdat de interesten ten aanzien van deze schuldeisers niet worden geschorst door de ontbinding, in tegenstelling tot de interesten op de schuldvorderingen in de samenloop.

De gewone schuldeisers in de samenloop, zoals eisende partij, ontvingen geen dividend. De vereffenaars kunnen terecht beslissen dat zij nog geen uitbetalingen doen aan de gewone schuldeisers zolang de activa nog niet werden gerealiseerd. Zij kunnen immers pas uitsluitsel geven over een dividend na realisatie van de activa en de samenstelling van het passief. Ter zitting deelde de vereffenaar in dit opzicht mee dat de realisatie van de voorraad ten einde zal zijn tegen de zomer van 2013. Het is dan ook voorbarig om de vereffenaars te verwijten dat zij nog geen dividend hebben uitgekeerd aan de gewone schuldeisers.

Uit de stukken blijkt ook dat de vereffenaars de door eisende partij opgevraagde informatie hebben bezorgd (...).

...

Toch dreigde de raadsman van eisende partij reeds op 14 november 2012, zijnde nauwelijks twee maanden na de invereffeningstelling en amper twee dagen na hun aangifte van schuldvordering, met een vordering in faillissement.

Deze houding is onbegrijpelijk en dient geenszins de belangen van de vereffening en haar schuldeisers. Eisende partij gebruikt de faillissementsvordering als drukkingsmiddel om een voortijdig dividend af te dwingen. Dat eisende partij de vierde grootste schuldeiser zou zijn, verleent haar niet meer rechten dan een andere gewone schuldeiser.

De rechtbank stelt vast dat de meerderheid van de schuldeisers, die correct werden geïnformeerd, het vertrouwen behoudt in de vereffenaars en de vereffeningswerkzaamheden.

Eisende partij toont overigens niet aan welk voordeel zij bij het faillissement zou hebben. Zij uit verwijten als zou de vereffening er enkel toe strekken om de oprichter van verwerende partij te beschermen, zonder deze kritiek te staven. Zij toont geen malversaties aan bij de bestuurders van verwerende partij, noch zijn er op dit ogenblik aanwijzingen dat vóór de invereffeningstelling de faillissementsvoorwaarden al vervuld zouden zijn geweest en er toen handelingen zouden hebben plaatsgevonden die afbreuk doen aan het gelijkheidsbeginsel.

In deze omstandigheden meent de rechtbank dat eisende partij niet bewijst dat de faillissementsvoorwaarden van de vennootschap in vereffening vervuld zijn.

De vordering tot faillietverklaring is ongegrond.

...

Vergelijk

• Cass. 6 maart 2003, RW 2003-04, 1106; Cass. 14 januari 2005, RW 2005-06, 429.

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: za, 30/11/2013 - 20:26
Laatst aangepast op: di, 11/03/2014 - 00:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.