-A +A

voortdurende misdrijven

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het voortdurend misdrijf, is het misdrijf waarbij een wederrechtelijke toestand door de steeds herhaalde wilsuitdrukking van de dader in stand wordt gehouden;

Voor het voortdurend misdrijf is het vertrekpunt van de verjaring, de dag waarop de wederrechtelijke toestand een einde heeft genomen, zijnde dus het moment dat de delictuele toestand ophoudt te bestaan.

Door het onderscheid in de verjaring moet voor voortdurende misdrijven enkel het begin- en eindpunt van de periode worden vermeld.

Voor aflopende misdrijven moet elk strafbaar feit in de reeks worden vermeld.

Bij eenheid van opzet start de verjaring start vanaf het laatste feit.

vb. Misdrijf niet-afgifte van kinderen

Het Hof van Cassatie oordeelde dat het basismisdrijf «niet-afgifte van kinderen» behoort tot de categorie van de aflopende misdrijven en het verbergen van het kind gedurende meer dan vijf dagen of het onrechtmatig vasthouden van het kind in het buitenland een voortdurend misdrijf uitmaakt (Cass. 5 april 2005).

Rechtspraak:

•• Cass. 22 januari 2007:

Voor het bepalen van het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn van de strafvordering moet de datum waarop het misdrijf werd gepleegd in aanmerking worden genomen, met als gevolg dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen ogenblikkelijke, voortdurende en voortgezette misdrijven.

Bij een ogenblikkelijk misdrijf neemt de verjaringstermijn een aanvang op het ogenblik waarop het strafbare feit werd gepleegd, bij een voortdurend misdrijf op het ogenblik dat de strafbare toestand heeft opgehouden en bij een voortgezet misdrijf op het ogenblik dat het laatste strafbare feit werd gepleegd, op voorwaarde dat, behoudens stuiting of schorsing van de verjaring, de termijn tussen de verschillende feiten niet langer was dan de verjaringstermijn zelf. (De Nauw A., 'De verjaring van de rechtsvordering ex delicto in het sociaal recht' ; in Rigaux M., 'Actuele problemen van het arbeidsrecht 4' Antwerpen-Apeldoorn, Maklu uitgevers, 1994, 13 en de aldaar geciteerde rechtspraak).

Een voortgezet misdrijf is een misdrijf dat bestaat uit verschillende strafbare gedragingen, handelingen, of onthoudingen van dezelfde aard of van verschillende aard die geacht worden samen slechts één misdrijf uit te maken wegens de eenheid van misdadig opzet in hoofde van de dader, dit is wanneer zij onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking en in die zin door één feit, te weten één complexe gedraging, zijn opgeleverd.

Onder eenheid van misdadig opzet wordt daarbij niet bedoeld opzet in contrast tot onachtzaamheid, maar wel het plan, de bedoeling of de ingesteldheid van de dader waarvan de veelheid van strafbare gedragingen de uitdrukking is (vgl. Dupont L., 'Het begrip voortgezet misdrijf, de problematiek van de verjaring van de burgerlijke rechtsvordering ex delicto m.b.t. het arbeidsovereenkomstenrecht' ; Soc. Kron. 1988, 362).

Eenheid van opzet bestaat in het sociaal strafrecht uit een bepaald doel of een plan waarvan de veelheid van misdrijven de uitvoering vormen en kan bijvoorbeeld voortvloeien uit de mondelinge of schriftelijke overeenkomst of uit het betalingssysteem dat afwijkt van de wettelijke of reglementaire bepalingen waarvan de niet-naleving wordt gesanctioneerd.

(vgl. Verougstraete, W., 'De verjaring van de burgerlijke vordering die het gevolg is van een misdrijf', Soc. Kron. 1981, 49) .
Bovenstaande overwegingen m.b.t. het voorgezet misdrijf blijven onverkort gelden na de wijziging van artikel 65 van het Strafwetboek bij wet van 11 juni 1994. Bedoelde wetswijziging vormt immers een wettelijke grondslag voor en een bevestiging van de vroeger jurisprudentieel tot stand gekomen notie van het voortgezet misdrijf.

Dat het ingevolge deze bepaling thans mogelijk is, niettegenstaande de vastgestelde samenloop van de strafbare gedragingen, meerdere straffen uit te spreken doet daaraan geen afbreuk.

 

• Cassatie 26/02/20A.R. P.11.1665.N, juridat, Saisine van een voortdurend misdrijf. Strafrechtelijke saisine ligt vast in de saisinebepalende verwijzingsbeslissing.

samenvatting

Indien de bij een strafrechter met een verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht aanhangig gemaakte feitelijke gedraging als een voortdurend misdrijf is te omschrijven, kan de door de rechter bepaalde tijdsperiode voor dit voortdurend misdrijf zich niet uitstrekken na de datum van de saisinebepalende verwijzingsbeslissing; dit sluit echter niet uit dat de rechter bij het bepalen van de juiste tijdsperiode van de bij hem aanhangige feitelijke gedraging, die als een voortdurend misdrijf is omschreven, rekening kan houden met gebeurtenissen die zich na de verwijzingsbeslissing hebben voorgedaan, voor zover de rechter zich daardoor niet uitspreekt over andere feitelijke gedragingen dan die welke regelmatig bij hem zijn aanhangig gemaakt.

tekst arrest:

Nr. P.11.1665.N
W G M S,
beklaagde,

eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 14 september 2011.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.
Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de hem ten laste gelegde feiten A.I.b)2), A.II.b), A.III.b), B.I.b)2), B.II.b), B.III.b), C.I.a (deels), C.I.c), C.III.a) en b) en C.VII.a) en f).

Het tegen die beslissing gerichte cassatieberoep is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 145, 189 en 211 Wet-boek van Strafvordering: met het oordeel dat het gebruik van de valse stukken niet heeft geduurd tot de door het openbaar ministerie en de met verwijzingsbeschikking van de raadkamer bepaalde datum van 1 april 2000, maar wel tot en met 16 januari 2008 verwerpen de appelrechters ten onrechte eisers verweer dat de strafvordering voor de hem verweten feiten was vervallen door verjaring; zij gronden het oordeel dat het gebruik van de valse stukken tot die datum heeft geduurd op de loutere vaststelling dat ingevolge de betwisting van de op 29 april 2009 en op 5 juni 2009 verstuurde berichten van wijziging van aangifte de verschuldigde belastingen nog steeds niet volledig en definitief zijn bepaald, zij het dat de vervolging niet kan slaan op feiten daterend van na het verwijzingsarrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 17 januari 2008; de appelrechters steunen zich aldus op feiten die dateren van na het verwijzingsarrest en na de door hen in acht genomen incriminatieperiode; zij preciseren bovendien geenszins de concrete daden van gebruik in de periode tussen 1 april 2000 en 16 januari 2008; zodoende verklaren zij de eiser schuldig aan feiten van het gebruik van valse stukken gepleegd na 1 april 2000 en derhalve aan feiten waarvoor zij niet waren geadieerd en verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.

3. De verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht maakt bij de strafrech-ter een bepaalde feitelijke gedraging aanhangig. Het staat aan de strafrechter om gelet op de bewoordingen van de verwijzingsbeslissing en in het licht van de ge-gevens van het strafdossier uit te maken welke feitelijke gedraging wordt bedoeld en daaraan de juiste omschrijving te geven met inbegrip van de datum of de tijds-periode. Hij dient daarbij zonodig de in de verwijzingsbeslissing voorlopig be-paalde datum of tijdsperiode voor de bij hem aanhangige gedraging aan te passen.

De strafrechter mag de datum of de tijdsperiode echter niet zodanig aanpassen dat bij hem een andere feitelijke gedraging wordt aanhangig gemaakt dan die welke met de verwijzingsbeslissing werd bedoeld. Bovendien moet bij een aanpassing het recht van verdediging van partijen in acht worden genomen.

4. Indien de bij de strafrechter met een verwijzingsbeslissing van het onder-zoeksgerecht aanhangig gemaakte feitelijke gedraging als een voortdurend mis-drijf is te omschrijven, kan de door de rechter bepaalde tijdsperiode voor dit voortdurend misdrijf zich niet uitstrekken na de datum van de saisinebepalende verwijzingsbeslissing.

Dit sluit echter niet uit dat de rechter bij het bepalen van de juiste tijdsperiode van de bij hem aanhangige feitelijke gedraging, die als een voortdurend misdrijf is omschreven, rekening kan houden met gebeurtenissen die zich na de verwijzings-beschikking hebben voorgedaan, voor zover de rechter zich daardoor niet uit-spreekt over andere feitelijke gedragingen dan die welke regelmatig bij hem zijn aanhangig gemaakt.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. De strafrechter bepaalt onaantastbaar de datum of de tijdsperiode van de door hem omschreven strafbare gedraging, die de verwijzingsbeslissing bij hem heeft aanhangig gemaakt. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellin-gen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

6. De eiser werd met de telastlegging B, zoals verbeterd door de appelrechters wat betreft de opgesomde aanslagjaren, vervolgd voor het plegen van valsheid en het gebruik van valse stukken, met het bedrieglijk opzet de werkelijke door de vennootschappen Food Trade International nv (FTI) en International Price sa (IP) verwezenlijkte inkomsten en de daaruit voortvloeiende belastbare winst te verdoe-zelen, derhalve de belastbare basis minstens voor de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999 op bedrieglijke wijze te hebben verminderd teneinde aanzienlijke vennoot-schapsbelasting te ontduiken.

7. De appelrechters (arrest, ro 12-14) oordelen onder meer dat:

- indien bewezen, het gebruik van de valse stukken gebeurde met hetzelfde be-drieglijk opzet of oogmerk om te schaden als de valsheid zelf;

- het gebruik van valsheid in geschriften een voortdurend misdrijf is, waarvan de verjaring slechts een aanvang neemt op het ogenblik waarop de delictuele toe-stand die door het gebruik werd gecreëerd, heeft opgehouden te bestaan;

- het gebruik van valse stukken voortduurt zolang het door de dader van de vals-heid beoogde doel niet is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling, zonder verzet van zijn kant, het nuttige gevolg heeft gehad dat hij ervan ver-wachtte;

- de hierbij bedoelde valsheden onder meer tot doel hadden de verschuldigde belastingen te ontduiken, dit wil zeggen ze niet te betalen of minstens de betaling ervan uit te stellen;

- het gebruik van de valse stukken dus voortduurt totdat de door de valsheid ontdoken belastingen effectief en definitief betaald zijn;

- op 29 april 2009 berichten van wijziging werden verstuurd aan FTI met betrek-king tot de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999, de fiscale administratie voor de aanslagjaren 1997 en 1998 de boekhouding heeft verworpen en voor het aan-slagjaar 1999 de compensatie met vorige verliezen werd verworpen;

- de fiscale administratie op 29 mei 2009 vanwege de raadsman van FTI een antwoord van niet-akkoord heeft ontvangen;

- op 19 februari 2010 opdracht werd gegeven tot inkohiering van de vennoot-schapsbelasting en op 22 februari 2010 de aanslagen met betrekking tot deze aanslagjaren uitvoerbaar werden verklaard;

- er met betrekking tot de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999 nog geen betaling gebeurde;

- de vervolging niet kan slaan op feiten vanaf het verwijzingsarrest van 17 januari 2008.

8. Met die redenen passen de appelrechters de voor de telastlegging B in acht te nemen tijdsperiode aan, zonder dat zij bij hen een andere feitelijke gedraging aanhangig maken dan die welke met de verwijzingsbeslissing werd bedoeld. Met de redenen, eensdeels, dat op 29 april 2009 aan FTI berichten van wijziging wer-den toegestuurd, op 29 mei 2009 de administratie een bericht van niet-akkoord heeft ontvangen, op 19 februari 2010 opdracht werd gegeven tot inkohiering, op 22 februari 2010 de aanslagen werden uitvoerbaar verklaard en er nog geen beta-ling gebeurde, en, anderdeels dat de vervolging niet kan slaan op feiten vanaf het verwijzingsarrest van 17 januari 2008, oordelen de appelrechters bovendien dat de eiser ook tijdens de periode van 1 april 2000 tot en met 16 januari 2008, de valse belastingstukken is blijven gebruiken. Aldus verantwoorden zij hun beslissing dat de verjaring van de strafvordering voor de feiten der telastlegging B slechts een aanvang neemt op 16 januari 2008 en de verjaring van de strafvordering voor het geheel van de aan de eiser ten laste gelegde feiten nog niet is bereikt, naar recht.
Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 193, 196 en 197 Strafwetboek en de artikelen 449 en 450 WIB92: de appelrechters oordelen ten onrechte dat het gebruik van de valse stukken heeft geduurd tot en met 16 januari 2008; het gebruik van een vals stuk in fiscalibus eindigt wanneer het beoogde doel is bereikt, dit is de misleiding van de belastingadministratie met het oog op de berekening van de belasting, de ontwijking van die belasting of het uitstellen van de verplichting tot betaling van de belasting; het beoogde doel wordt bereikt bij een op de onjuiste aangifte en de valse stukken gesteunde onjuiste inkohiering; de mogelijkheid die de fiscus heeft om nadien een aanvullende aanslag te vestigen mag niet in rekening worden gebracht; deze aanvullende aan-slag is immers per definitie niet gesteund op de door de beklaagde gebruikte stukken; met het oordeel dat het gebruik voortduurt tot en met de vestiging van de aanvullende aanslag verwarren de appelrechters eensdeels het nuttig gevolg van het delictueel gebruik bestaande uit de geslaagde misleiding van de fiscus dat wordt bereikt bij de vestiging van de oorspronkelijke aanslag op grond van de onjuiste stukken (doel) en anderdeels het financieel voordeel dat uit een onjuiste aanslag voortvloeit en dat bestaat in de niet-betaling van de verschuldigde belasting (gevolg); de beslissing van de appelrechters is gesteund op de loutere vaststelling dat in 2009 door de fiscus berichten van wijziging van aangifte werden verstuurd en dat die berichten en de daaruit voortvloeiende fiscale procedure zich volledig na 16 januari 2008 en dus na de incriminatieperiode situeren; het strafbaar gebruik van de valse stukken kan dan ook onmogelijk betrekking hebben op het gebruik van deze stukken in een fiscale procedure die na 16 januari 2008 is gesitueerd; bovendien geven de appelrechters niet aan welke daden van gebruik van valse stukken de eiser zou hebben gesteld in de periode tussen 1 april 2000 en 16 januari 2008 noch wanneer de belasting op grond van de beweerde stukken werd ingekohierd en plaatsen ze aldus het Hof in de onmogelijkheid de wettigheid van het arrest te toetsen.

10. Wanneer een beklaagde wordt vervolgd wegens valsheid en het gebruik van het valse stuk, begint de verjaring van de strafvordering voor wat betreft beide misdrijven eerst te lopen vanaf het laatste gebruik.

Het gebruik duurt voort, zelfs zonder nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaalde tussenkomst, zolang het door hem beoogde doel niet volledig is bereikt en zolang de hem verweten oorspronkelijke handeling, zonder dat hij zich er tegen verzet, het nuttig gevolg blijft hebben die hij ervan verwachtte.

11. Met artikel 450 WIB92 bestraft de wetgever de valsheid die tot doel heeft de belastingadministratie te misleiden met het oog op de berekening van de inkomstenbelastingen, deze te ontwijken en de verplichting tot betaling ervan uit te stellen.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het gebruik van een vals stuk in de zin van artikel 450 WIB92 zijn doel heeft bereikt bij de inkohiering en het gebruik op dat ogenblik noodzakelijk ophoudt, faalt het dan ook naar recht.

12. Het staat aan de strafrechter om in feite uit te maken of, naargelang het al dan niet verwezenlijkt zijn van het door de dader van het misdrijf nagestreefde doel en het nuttig gevolg dat hij van de valse belastingstukken verwachtte, aan het gebruik ervan een einde is gekomen. Hij kan daarbij feitelijke gebeurtenissen in aanmerking nemen die zich na de verwijzingsbeschikking hebben voorgedaan. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen naar recht heeft kunnen afleiden dat die valsheid al dan niet heeft opgehouden de door de vervalser ge-wenste uitwerking te hebben.

13. De eiser werd met de telastlegging B, zoals verbeterd door de appelrechters wat betreft de opgesomde aanslagjaren, vervolgd voor het plegen van valsheid en het gebruik van valse stukken, met het bedrieglijk opzet de werkelijke door de vennootschappen FTI nv en IP sa verwezenlijkte inkomsten en de daaruit voort-vloeiende belastbare winst te verdoezelen, derhalve de belastbare basis minstens voor de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999 op bedrieglijke wijze te hebben vermin-derd teneinde aanzienlijke vennootschapsbelasting te ontduiken.

14. Op grond van de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel konden de appelrechters oordelen dat het met de telastlegging B bedoelde gebruik heeft geduurd tot en met 16 januari 2008, dat de verjaring van de strafvordering voor die feiten slechts een aanvang heeft genomen op die datum en dat de verja-ring van de strafvordering voor het geheel van de aan de eiser ten laste gelegde feiten nog niet is bereikt.

Met de redenen, eensdeels, dat op 29 april 2009 aan FTI berichten van wijziging werden toegestuurd, op 29 mei 2009 de administratie een bericht van niet-akkoord heeft ontvangen, op 19 februari 2010 opdracht werd ge-geven tot inkohiering, op 22 februari 2010 de aanslagen werden uitvoerbaar ver-klaard en er nog geen betaling gebeurde, en, anderdeels dat de vervolging niet kan slaan op feiten vanaf het verwijzingsarrest van 17 januari 2008, oordelen de appel-rechters bovendien dat de eiser ook tijdens de periode van 1 april 2000 tot en met 16 januari 2008, de valse belastingstukken is blijven gebruiken. Aldus verant-woorden zij hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 246,02 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer



 

Nog dit: 

verdere voortdurende misdrijven na verorodeling

Cass.. 05/06/2012, juridat P.12.0555.N

Samenvatting

Geen enkele wetsbepaling belet de rechter om met betrekking tot feiten die een voortdurend misdrijf vormen eensdeels te oordelen dat die feiten deels de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van hetzelfde misdadig opzet als feiten waarvoor de beklaagde reeds bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing werd veroordeeld, en voor al deze feiten samen bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek en rekening houdende met de reeds opgelegde straf een bijkomende straf op te leggen en anderdeels om voor de feiten, daterend van na de in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing, een afzonderlijke straf op te leggen; aldus legt de rechter niet voor eenzelfde feit of dezelfde feiten twee afzonderlijke straffen op, maar bestraft hij twee afzonderlijke feiten.

Geen enkele wetsbepaling belet de rechter om met betrekking tot feiten die een voortdurend misdrijf vormen eensdeels te oordelen dat die feiten deels de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van hetzelfde misdadig opzet als feiten waarvoor de beklaagde reeds bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing werd veroordeeld, en voor al deze feiten samen bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek en rekening houdende met de reeds opgelegde straf een bijkomende straf op te leggen en anderdeels om voor de feiten, daterend van na de in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing, een afzonderlijke straf op te leggen; aldus legt de rechter niet voor eenzelfde feit of dezelfde feiten twee afzonderlijke straffen op, maar bestraft hij twee afzonderlijke feiten.

Tekst arrest

Nr. P.12.0555.N
G. P. D. C. A.,
beklaagde,
eiser,

tegen
1. C. M.,
burgerlijke partij,
2. M. D. S.,
burgerlijke partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 2 maart 2012.
In een memorie en een aanvullende memorie die aan dit arrest zijn gehecht, voert de eiser respectievelijk vier middelen en een middel aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
1. Het arrest ontslaat de eiser van rechtsvervolging voor de telastleggingen C1, C2 en C3, telkens wat betreft de periode van 10 maart 2007 tot 4 juni 2008. Het zegt dat er geen wettelijke herhaling is wat betreft de feiten voorwerp van de te-lastleggingen A, B1 en B2, wat betreft de telastlegging C1 voor de periode van 6 april 2001 tot en met 29 juni 2005 en wat betreft de telastlegging C2 voor de peri-ode van 1 januari 2003 tot en met 29 juni 2005.
Het tegen die beslissingen gerichte cassatieberoep is bij gebrek aan belang in zo-verre niet ontvankelijk.
Cassatieberoep tegen de beslissing tot onmiddellijke aanhouding

2. Het cassatieberoep tegen de beslissing tot onmiddellijke aanhouding heeft geen bestaansreden meer aangezien de eiser bij arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 8 maart 2012 in vrijheid werd ge-steld.
De middelen, in zoverre ze met die beslissing verband houden, behoeven geen antwoord.

Vierde middel
3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14 IVBPR, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter: een van de magistraten die het arrest heeft gewezen, maakte deel uit van de zetel die het vonnis van 14 juni 2005 heeft gewezen; het arrest steunt zich voor het aannemen van de wettelijke herhaling en de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek op dit vonnis; aangezien een van de raadsheren reeds kennis heeft genomen van de feiten die hebben geleid tot het vonnis van 14 juni 2005, is erbij de beoordeling van de voorliggende strafzaak een schijn van partijdigheid gewekt.

4. Geen schijn van partijdigheid kan worden afgeleid uit de enkele omstandig-heid dat de rechter bij een strafvervolging een rechterlijke beslissing in aanmerking neemt als grondslag voor wettelijke herhaling of voor de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, die hij zelf heeft gewezen of mede heeft gewezen.
Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Middel van de aanvullende memorie

5. Het middel voert schending aan van artikel 14.7 IVBPR en artikel 65 Strafwetboek, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem: de appelrechters hebben voor de telastlegging C1, C2 en C3, feiten van ge-bruik van valse stukken, twee afzonderlijke straffen opgelegd, eensdeels voor de periode voorafgaand aan 26 juni 2006, anderdeels voor de periode tussen 27 juni 2006 en 9 maart 2007, terwijl dergelijk voortdurend misdrijf een strafbaar feit uitmaakt zolang er aan het gebruik geen einde is gesteld door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak, door de wil van de dader of ten gevolge van uitwendige omstandigheden.

6. Geen enkele wetsbepaling belet de rechter om met betrekking tot feiten die een voortdurend misdrijf vormen:
- eensdeels te oordelen dat die feiten deels de opeenvolgende en voortgezette uit-voering zijn van hetzelfde misdadig opzet als feiten waarvoor de beklaagde reeds bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing werd veroordeeld, en voor al deze feiten samen bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek en reke-ning houdende met de reeds opgelegde straf een bijkomende straf op te leggen;
- anderdeels om voor de feiten, daterend van na de in kracht van gewijsde getre-den rechterlijke beslissing, een afzonderlijke straf op te leggen.
Aldus legt de rechter niet voor eenzelfde feit of dezelfde feiten twee afzonderlijke straffen op, maar bestraft hij twee afzonderlijke feiten.
Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 97,88 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: zo, 09/08/2015 - 18:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.