-A +A

Voorrecht van rechtsmacht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Door het voorrecht van rechtsmacht worden in België magistraten en bepaalde (hoge) ambtenaren die een wanbedrijf of misdaad hebben gepleegd rechtstreeks voor het hof van beroep vervolgd en gevonnist, en niet voor de correctionele rechtbank die normaal bevoegd zou zijn. Dat geldt zowel voor misdrijven gepleegd binnen hun ambtsbediening als daarbuiten (artikelen 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering).

Voorrecht van rechtsmacht verschaft geen voordeel.

De term "voorrecht van rechtsmacht" klinkt gruwelijk elitair en wekt de perceptie op dat hooggeplaatsten het privilege zouden hebben met grote égards zouden ontvangen worden door speciaal voor hen ingerichte rechtbanken met zachtere kussens en coulantere rechtsregels. De term is hoe merkwaardig ook ingevoerd door het Franse revolutionaire recht in 1808, juist op een ogenblik dat voorrechten en privileges bij bosjes sneuvelden 

De procedure voorrecht van rechtsmacht werd ingevoerd als een procedure sui generis toegepast ondermeer op magistraten, met als doel de onafhankelijkheid va de magistraten te waarborgen. De straffen die met voorrecht van rechtsmacht worden uitgesproken, zijn vaak strenger dan deze uitgesproken door de gewone rechtsmachten, gelet op de veronderstelde voorbeeldfunctie van de magistraten. Een magistraat die voorrecht van rechtsmacht geniet, heeft tegenover de gewone beklaagde het belangrijk nadeel dat in de procedure voorrecht van rechtsmacht geen beroepssprocedure voorzien is en dat de procedure dus in eerste, laatste en dus enige aanleg verloopt.

Voorrecht van rechtsmacht wordt ook toegepast ten aanzien van plaatsvervangende magistraten, zelfs wanneer de plaatsvervangende magistraat de plaatsvervangende rechtsprekende functie de facto niet uitoefent. Meer dan eens doorstond deze afwijkende procedure de gelijkheidstoets door het Grondwettelijk hof.

Uittreksel uit het wetboek van strafvordering
 

AFDELING I. - VERVOLGING EN ONDERZOEK TEGEN RECHTERS WEGENS MISDADEN EN WANBEDRIJVEN DOOR HEN BUITEN HUN AMBT GEPLEEGD.

Art. 479.<W 10-10-1967, art. 156, § 3> Wanneer een vrederechter, een rechter in de politierechtbank, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank of in de rechtbank van koophandel, een raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof, een raadsheer in het Hof van cassatie, een magistraat van het parket bij een rechtbank of een hof, (een referendaris bij het Hof van Cassatie,) een lid van het Rekenhof, een lid van de Raad van State (van het auditoraat of van het coördinatiebureau) bij de Raad van State, (een lid van het [1 Grondwettelijk Hof]1, een referendaris bij dat Hof), (de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen), een provinciegouverneur, ervan beschuldigd wordt buiten zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, laat de procureur-generaal bij het hof van beroep hem dagvaarden voor dat hof, dat uitspraak doet, zonder dat beroep kan worden ingesteld. <W 1997-05-06/38, art. 27, 003; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 03-06-1971, art. 42, § 2> <W 28-06-1983, art. 109> <W 2003-04-10/59, art. 86, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <W 2006-09-15/71, art. 205, 007; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
----------
(1)<W 2010-02-21/03, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 08-03-2010>

Art. 480. Indien het een misdrijf betreft waarop een criminele straf is gesteld, wijst de procureur-generaal bij het hof van beroep de magistraat aan die het ambt van officier van gerechtelijke politie zal waarnemen en de eerste voorzitter van dat hof de magistraat die het ambt van onderzoeksrechter zal waarnemen.

Art. 481. Indien echter een lid van een hof van beroep of een ambtenaar die bij het hof het openbaar ministerie uitoefent, ervan verdacht wordt buiten zijn ambt een wanbedrijf of een misdaad te hebben gepleegd, is de ambtenaar die de aangiften of de klachten ontvangen heeft, gehouden daarvan dadelijk afschriften te doen toekomen aan de minister van Justitie, zonder enige vertraging van het onderzoek, dat voortgezet zal worden zoals in voorgaande bepalingen is geregeld, en hij zal eveneens aan de minister een afschrift zenden van de stukken.

Art. 482. De minister van Justitie zendt de stukken door aan het Hof van Cassatie, dat, indien daartoe grond bestaat, de zaak verwijst hetzij naar een correctionele rechtbank, hetzij naar een onderzoeksrechter, de ene zowel als de andere aan te wijzen buiten het rechtsgebied van het hof waartoe het verdachte lid behoort.
Indien een inbeschuldigingstelling moet worden uitgesproken, geschiedt de verwijzing naar een ander hof van beroep.

Art. 482bis. <Ingevoegd bij W 2001-07-04/40, art. 9; Inwerkingtreding : 03-08-2001> De mededaders van en de medeplichtigen aan het misdrijf waarvoor de ambtenaar van de hoedanigheid als vermeld in artikel 479 wordt vervolgd en de daders van samenhangende misdrijven worden samen met de ambtenaar vervolgd en berecht.
Het eerste lid is evenwel niet van toepassing op de daders van misdaden en van politieke misdrijven en drukpersmisdrijven die samenhangen met het misdrijf waarvoor de ambtenaar wordt vervolgd.

AFDELING II. - (VERVOLGING EN ONDERZOEK, WEGENS MISDADEN OF WANBEDRIJVEN IN VERBAND MET HUN AMBT, TEGEN SOMMIGE RECHTERS EN RECHTBANKEN.) <W 10-07-1967, art. 1, 188°>

Art. 483.<W 10-10-1967, art. 156, § 4> Wanneer een vrederechter, een rechter in politierechtbank, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank of in de rechtbank van koophandel, een raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof, een raadsheer in het Hof van cassatie, een magistraat van het parket bij een rechtbank of een hof, (een referendaris bij het Hof van Cassatie,) een lid van het Rekenhof, een lid van de Raad van State (van het auditoraat of van het coördinatiebureau) bij de Raad van State, (een lid van het [1 Grondwettelijk Hof]1, een referendaris bij dat Hof), (de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen), een provinciegouverneur, ervan beschuldigd wordt in zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, dan wordt dat misdrijf vervolgd en gevonnist zoals in artikel 479 is bepaald. <W 1997-05-06/38, art. 27, 003; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 03-06-1971, art. 42, § 2> <W 28-06-1983, art. 109> <W 2003-04-10/59, art. 86, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <W 2006-09-15/71, art. 205, 007; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
----------
(1)<W 2010-02-21/03, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 08-03-2010>

Art. 484. Wanneer ambtenaren van de hoedanigheid als vermeld in het vorige artikel ervan verdacht worden een misdaad te hebben gepleegd (...), worden de ambtsverrichtingen die in de regel behoren tot de bevoegdheid van de onderzoeksrechter en van de procureur des Konings, onmiddellijk waargenomen door de eerste voorzitter en de procureur-generaal bij het hof van beroep, ieder wat hem betreft, of door andere ambtenaren die zij onderscheidenlijk en bepaaldelijk daartoe aanwijzen. <W 10-07-1967, art. 1, 189°>
Totdat die opdracht is gegeven en ingeval er een voorwerp van het misdrijf aanwezig is, kan ieder officier van gerechtelijke politie dit vaststellen; voor de verdere rechtspleging worden de algemene bepalingen van dit wetboek toegepast.

Art. 485. Wanneer de misdaad die in de uitoefening van het ambt gepleegd is, (...) ten laste gelegd wordt hetzij aan een (gehele rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank of rechtbank van koophandel), hetzij individueel aan een of meer leden van de hoven van beroep en aan de procureurs-generaal en substituten bij de hoven, dan wordt gehandeld als volgt. <W 10-07-1967, art. 1, 190°> <W 10-10-1967, art. 156, § 5>

Art. 486. De misdaad wordt aangegeven bij de minister van Justitie, die, indien daartoe grond bestaat, aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie bevel geeft om ze op de aangifte te vervolgen.
De misdaad kan ook rechtstreeks bij het Hof van Cassatie aangegeven worden door de personen die beweren benadeeld te zijn, maar alleen dan wanneer zij een aanvraag tot verhaal op de rechtbank of op de rechter indienen of wanneer de aangifte incidenteel gedaan wordt in een zaak die voor het Hof van Cassatie aanhangig is.

Art. 487. Indien de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie in de stukken, hem door de minister van Justitie toegezonden of door de partijen overgelegd, niet alle inlichtingen vindt die hij nodig acht, wijst op zijn vordering de eerste voorzitter van dit hof een van de leden aan voor het verhoor van de getuigen en voor alle verdere daden van onderzoek die moeten worden verricht in de stad waar het Hof van Cassatie zijn zetel heeft.

Art. 488. Wanneer er getuigen moeten worden gehoord of daden van onderzoek verricht buiten de stad waar het Hof van Cassatie zijn zetel heeft, geeft de eerste voorzitter van dit hof dienaangaande alle nodige opdrachten aan een onderzoeksrechter, zelfs in (...) een ander arrondissement dan dat van de verdachte rechtbank of rechter. <W 10-07-1967, art. 1, 193°>

Art. 489. Nadat de in het vorige artikel vermelde onderzoeksrechter de getuigen heeft gehoord en het hem opgedragen onderzoek heeft voltooid, zendt hij de processen-verbaal en de andere akten, gesloten en verzegeld, terug aan de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie.

Art. 490. Nadat de eerste voorzitter inzage heeft genomen hetzij van de stukken die door de minister van Justitie zijn gezonden of door de partijen overgelegd, hetzij van de nadere inlichtingen die hij heeft ingewonnen, verleent hij, indien daartoe grond bestaat, het bevel tot bewaring.
Dit bevel wijst het huis van arrest aan waarin de verdachte zal worden opgenomen.

Art. 491. De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie geeft dadelijk bevel de processtukken mee te delen aan de procureur-generaal, (die zijn vordering, waarin de aangifte tegen de verdachte is opgenomen), binnen de vijf volgende dagen (indient bij de kamer die kennis neemt van het cassatieberoep in criminele, correctionele en politiezaken). <W 10-07-1967, art. 1, 195°>

Art. 492. Over de aangifte aangebracht bij (de kamer aangeduid in artikel 491), onverschillig of zij al dan niet door een bevel tot bewaring is voorafgegaan, beslist de kamer met voorrang boven alle andere zaken. <W 10-07-1967, art. 1, 196°>
Indien zij de aangifte afwijst, beveelt zij de invrijheidstelling van de verdachte.
Indien zij de aangifte aanneemt, verwijst zij de verdachte rechtbank of rechter naar de rechters van (de kamer die kennis neemt van het cassatieberoep in burgerlijke zaken), en die uitspraak zullen doen over de inbeschuldigingstelling. <W 10-07-1967, art. 1, 196°>

Art. 493. De aangifte die incidenteel gedaan wordt in een zaak die bij het Hof van Cassatie aanhangig is, wordt gebracht voor de kamer die van de zaak kennis heeft; wordt zij aangenomen, dan wordt zij (van de kamer die kennis neemt van het cassatieberoep in criminele, correctionele en politiezaken) verwezen (naar de kamer die kennis neemt van het cassatieberoep in burgerlijke zaken, en omgekeerd). <W 10-07-1967, art. 1, 197°>

Art. 494. Wanneer een van de kamers van het Hof van Cassatie, bij het onderzoek van een aanvraag tot verhaal op de rechter of enige andere zaak, een misdrijf ontdekt waarvoor een rechtbank of een rechter van de hoedanigheid in artikel 479 omschreven strafrechtelijk kan worden vervolgd, dan kan zij, zonder dat er een rechtstreekse of een incidentele aangifte bestaat, ambtshalve de verwijzing bevelen overeenkomstig het vorige artikel.

Art. 495. Wanneer het onderzoek van een voor de verenigde kamers gebrachte zaak aanleiding geeft tot de verwijzing van ambtswege, in het vorige artikel vermeld, geschiedt die verwijzing naar (de kamer, die kennis neemt van het cassatieberoep in burgerlijke zaken). <W 10-07-1967, art. 1, 199°>

Art. 496. De kamer waarnaar de verwijzing op aangifte of van ambtswege gedaan wordt, doet in alle gevallen uitspraak over de inbeschuldigingstelling.
Haar voorzitter vervult de taak die wettelijk tot de bevoegdheid van de onderzoeksrechter behoort.

Art. 497. Deze voorzitter kan het verhoor van de getuigen en de ondervraging van de verdachten opdragen aan een andere onderzoeksrechter, zelfs van buiten het rechterlijk arrondissement (...) waar de verdachte zich bevindt. <W 10-07-1967, art. 1, 201°>

Art. 498. Het bevel tot aanhouding, dat door de voorzitter gegeven wordt, wijst het huis van arrest aan waarin de verdachte zal worden opgenomen.

Art. 499. De kamer van het Hof van Cassatie, waarbij de zaak aanhangig is, beraadslaagt over de inbeschuldigingstelling in een niet openbare terechtzitting; de rechters moeten in oneven getal zijn.
Indien de meerderheid van de rechters oordeelt dat de inbeschuldigingstelling niet moet geschieden, wordt de aangifte bij arrest afgewezen, en de procureur-generaal doet de verdachte in vrijheid stellen.

Art. 500. Indien de meerderheid van de rechters oordeelt dat de inbeschuldigingstelling wel moet geschieden, wordt deze uitgesproken bij een arrest, dat tevens een beschikking tot gevangenneming inhoudt.
Ter uitvoering van dat arrest wordt de beschuldigde overgebracht naar het (huis van arresten) bij het hof van assisen dat door het Hof van Cassatie in het arrest zelf wordt aangewezen. <W 1999-05-07/61, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 01-07-1999>

Art. 501. Het onderzoek dat aldus voor het Hof van Cassatie gedaan wordt, kan niet worden bestreden wat de vorm betreft.
Dit onderzoek strekt zich uit tot de medeplichtigen van de vervolgde rechtbank of van de vervolgde rechter, zelfs wanneer die geen rechterlijk ambt vervullen.

Art. 502. De overige bepalingen van dit wetboek, die niet in strijd zijn met de procesvormen bij dit hoofdstuk voorgeschreven, worden bovendien nagekomen.

Art. 503. Indien er in (de kamer die kennis neemt van het cassatieberoep in criminele, correctionele en politiezaken), wanneer zij kennis moet nemen van het cassatieberoep tegen het arrest van het hof van assisen waarnaar de zaak is verwezen, rechters zijn die (in de andere kamer) deelgenomen hebben aan de inbeschuldigingstelling, moeten die rechters zich onthouden. <W 10-07-1967, art. 1, 204°>
In het geval van een tweede cassatieberoep, dat tot behandeling in verenigde kamers aanleiding geeft, kunnen evenwel alle rechters daarvan kennis nemen.

Art. 503bis. <Ingevoegd bij W 2001-07-04/40, art. 10; Inwerkingtreding : 03-08-2001> De mededaders van en de medeplichtigen aan het in deze afdeling bedoelde misdrijf waarvoor een ambtenaar van de hoedanigheid als vermeld in artikel 483 of een in artikel 485 bepaalde rechtbank wordt vervolgd, en de daders van samenhangende misdrijven worden samen met de ambtenaar of de rechtbank vervolgd en berecht.
Het eerste lid is evenwel niet van toepassing op de daders van misdaden en van politieke misdrijven en drukpersmisdrijven die samenhangen met het misdrijf waarvoor de ambtenaar of de rechtbank worden vervolgd.

Artikel 479 van het Wetboek van strafvordering bepaalt welke magistraten onder de bijzondere rechtspleging ressorteren die het « voorrecht van rechtsmacht » inhoudt, zoals geregeld in de artikelen 479 en volgende van dat Wetboek.

Ofschoon de plaatsvervangende raadsheren bij het hof van beroep niet uitdrukkelijk in die bepaling worden vermeld, wordt aangenomen dat het « voorrecht van rechtsmacht » van toepassing is op de plaatsvervangende magistraten onder dezelfde voorwaarden als op de in artikel 479 vermelde werkende magistraten (Cass., 7 april 1975, Arr. Cass., 1975, 2, p. 852; Cass., 29 november 2011, Arr. Cass., 2011, nr. 650; Cass., 12 maart 2013, Arr. Cass., 2013, nr. 174).

De artikelen 479 tot 503bis van het Wetboek van strafvordering voorzien in een van het gemeen strafprocesrecht afwijkende rechtspleging voor de misdrijven gepleegd door de magistraten en door bepaalde andere ambtsdragers. Die bijzondere rechtspleging die het zogenaamde « voorrecht van rechtsmacht » inhoudt, is ingesteld met het oog op het verzekeren van een onpartijdige en serene rechtsbedeling ten aanzien van die personen. De bijzondere regels op het gebied van onderzoek, vervolging en berechting beogen te vermijden dat, enerzijds, roekeloze, onverantwoorde of tergende vervolgingen jegens de betrokken personen op gang zouden worden gebracht en, anderzijds, diezelfde personen hetzij te streng, hetzij met te veel toegevendheid zouden worden behandeld.

Krachtens artikel 479 van het Wetboek van strafvordering is uitsluitend de procureur-generaal bij het hof van beroep bevoegd om de strafvordering op gang te brengen lastens de in die bepaling beoogde magistraten die ervan worden verdacht een wanbedrijf of een misdaad te hebben gepleegd.

Wanneer de procureur-generaal bij het hof van beroep een gerechtelijk onderzoek wenselijk acht, vordert hij de eerste voorzitter van het hof van beroep om de magistraat aan te wijzen die het ambt van onderzoeksrechter zal uitoefenen (artikel 480 van het Wetboek van strafvordering en Cass., 31 juli 1882, Pas., 1882, I, 332). Hoewel artikel 480 enkel de misdaden betreft, wordt aangenomen dat een gerechtelijk onderzoek onder dezelfde voorwaarden mogelijk is voor een wanbedrijf (Cass., 31 juli 1882, Pas., 1882, I, 332). Na afloop van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek beslist uitsluitend de procureur-generaal, zonder tussenkomst van een onderzoeksgerecht, over het gevolg dat aan de procedure moet worden gegeven. Hij kan daarbij een beslissing tot niet-vervolging nemen, dan wel, wanneer hij van mening is dat er voldoende bezwaren bestaan, de zaak bij rechtstreekse dagvaarding bij het hof van beroep aanhangig maken, dat uitspraak doet in eerste en laatste aanleg.

Enkel wanneer de procureur-generaal meent dat de zaak moet worden verwezen naar het Hof van Assisen, dient hij overeenkomstig het gemeen recht de regeling van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling te vorderen (de artikelen 217 en volgende van het Wetboek van strafvordering).

Er is voorzien in extra waarborgen voor de magistraten van de hoven van beroep.

Het artikel 481 van het Wetboek van strafvordering bepaalt aldus dat de aangiften of de klachten die worden ontvangen inzake een wanbedrijf of misdaad dat door een magistraat van het hof van beroep buiten de uitoefening van zijn ambt zou zijn gepleegd, dadelijk worden overgezonden aan de minister van Justitie. Afschriften van de reeds verrichte onderzoekshandelingen moeten eveneens aan de minister worden toegezonden.

Die laatste bezorgt de stukken vervolgens aan het Hof van Cassatie dat, uitspraak doende in raadkamer, beslist over het gevolg dat aan de procedure moet worden gegeven (artikel 482 van het Wetboek van strafvordering). Het kan aldus beslissen dat de zaak niet moet worden verwezen gelet op de ontstentenis van een misdrijf of van toereikende bezwaren (Cass., 5 februari 2002, Arr. Cass., 2002, nr. 88). Het kan eveneens beslissen dat bijkomend onderzoek noodzakelijk is en de zaak verwijzen naar de eerste voorzitter van een ander hof van beroep dan dat van het rechtsgebied van de betrokken magistraat, opdat die een magistraat aanwijst die het ambt van onderzoeksrechter zal uitoefenen (Cass., 21 juni 1995, Arr. Cass., 1995, nr. 320).

Ten slotte kan het Hof van Cassatie de zaak rechtstreeks verwijzen naar het hof van beroep van een ander rechtsgebied dan dat waartoe de betrokken magistraat behoort, of in voorkomend geval, naar de kamer van inbeschuldigingstelling van een ander hof van beroep wanneer de zaak wordt verwezen naar het Hof van Assisen.

Krachtens artikel 482bis van het Wetboek van strafvordering worden de mededaders en de medeplichtigen aan het misdrijf waarvoor een in artikel 479 van dat Wetboek beoogde magistraat wordt vervolgd, samen met die magistraat vervolgd en berecht. Bijgevolg zijn zij eveneens onderworpen aan de bijzondere rechtspleging, zoals die in het kader van het stelsel van het « voorrecht van rechtsmacht » is geregeld in de in het geding zijnde artikelen 479 tot 482 van het Wetboek van strafvordering.

De wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers en de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering (hierna : de gewone en bijzondere wet van 25 juni 1998) voorzien in een bijzondere rechtspleging voor de misdrijven gepleegd door ministers in de uitoefening van hun ambt dan wel buiten de uitoefening van hun ambt maar berecht tijdens de uitoefening daarvan.

Bij de aanneming van de regels inzake het « voorrecht van rechtsmacht » van de ministers heeft de wetgever het reeds bestaande stelsel van het « voorrecht van rechtsmacht » van de magistraten willen overnemen :

« Na de afweging van de alternatieven is men tot de conclusie gekomen dat het niet wenselijk is om uitsluitend voor de berechting van ministers een nieuw regime in het leven te roepen. Daarom wordt geopteerd voor het regime van voorrecht van rechtsmacht, dat vandaag reeds bestaat voor de rechters en andere personen, opgesomd in de artikelen 479 e.v. van het Wetboek van Strafvordering. De achterliggende filosofie van een dergelijk voorrecht van rechtsmacht lijkt immers perfect toepasbaar op ministers » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1258/1, p. 5).

« Het regime van het voorrecht van rechtsmacht [wordt] van toepassing op ministers, overeenkomstig de voor magistraten geldende regeling (artikelen 479 en volgende Wetboek van Strafvordering), wat erop neerkomt dat de betrokkenen rechtstreeks door het hof van beroep worden berecht » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1258/5, p. 6).

Hoewel de wetgever de stelsels van het « voorrecht van rechtsmacht » die van toepassing zijn op de magistraten en de ministers aldus op elkaar heeft willen afstemmen, bestaan er aanzienlijke verschillen tussen beide stelsels wat de regels inzake het strafrechtelijk onderzoek betreft.

Weliswaar wordt ook voor de ministers aan de procureur-generaal bij het hof van beroep de bevoegdheid voorbehouden om de strafvordering op gang te brengen, wordt het gerechtelijk onderzoek gevoerd door een magistraat die wordt aangewezen door de eerste voorzitter van het bevoegde hof van beroep en is uitsluitend dat hof van beroep bevoegd om de ministers in eerste en laatste aanleg te berechten (artikelen 103, vierde lid en 125, vierde lid, van de Grondwet en artikelen 3 en 4 van de gewone en bijzondere wet van 25 juni 1998).

Anders evenwel dan voor de magistraten, wordt voor de ministers na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek voorzien in een regeling van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling van het bevoegde hof van beroep, die kan beslissen dat er geen reden tot vervolging is, bijkomende onderzoekshandelingen kan bevelen of de zaak kan verwijzen naar het bevoegde hof van beroep (artikelen 9 en 16 van de gewone en bijzondere wet van 25 juni 1998).

Voorts dient de procureur-generaal bij het hof van beroep, zowel voor de vordering tot regeling van de rechtspleging als voor de rechtstreekse dagvaarding, het voorafgaandelijk verlof te verkrijgen van het parlement waaraan de minister verantwoording verschuldigd is of was (artikelen 10, 11 en 13 van de gewone en de bijzondere wet van 25 juni 1998).

Er zijn dus bepaalde verschillen in behandeling tussen de magistraten en de ministers. Aan het Grondwettelijk Hof werd gevraagd in hoeverre deze verschillen verenigbaar zijn met het gelijkheidsbeginsel en dus met de bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voor de magistraten en hun mededaders en medeplichtigen niet zouden voorzien in een tussenkomst van een onderzoeksgerecht, noch tijdens het te hunnen aanzien gevoerde strafrechtelijk onderzoek, om toezicht te houden op de regelmatigheid van de rechtspleging en om als beroepsinstantie uitspraak te doen over beslissingen van de als onderzoeksrechter aangewezen magistraat, noch bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, om de rechtspleging te regelen, terwijl de gewone en bijzondere wet van 25 juni 1998 voor de ministers en hun mededaders en medeplichtigen wel zouden voorzien in een dergelijke tussenkomst van een onderzoeksgerecht.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde in haar arrest van 20/10/2016, (GwH 20/10/2016, AR 131/2016, juridat en NJW 2016, 862 met noot Sofie Royer, Voorrang van Rechtsmacht) dat het in beginsel aan de wetgever vrij staat te beslissen voor welke openbare ambten regels moeten worden vastgesteld die afwijken van de gewone regels van de strafrechtspleging teneinde de doelstellingen van algemeen belang te bereiken.

Het feit dat is voorzien in verschillende procedureregels in het kader van het stelsel van het « voorrecht van rechtsmacht » voor de magistraten en de ministers, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld, vormt het feit dat de Staten doorgaans « voorrechten van rechtsmacht » aan de magistraten verlenen, sinds lang een praktijk die de goede werking van het gerecht moet verzekeren. Meer in het bijzonder betreffende de specifieke regels in België inzake het onderzoek, de vervolging en de berechting die het « voorrecht van rechtsmacht » impliceert, heeft het Europees Hof onderstreept dat die regels ertoe strekken te voorkomen dat, enerzijds, roekeloze, onverantwoorde of tergende vervolgingen zouden worden ingesteld tegen de personen op wie die regeling van toepassing is en, anderzijds, diezelfde personen te streng of met te veel toegevendheid zouden worden behandeld. Volgens het Europees Hof dienen dergelijke doelstellingen legitiem te worden bevonden (EHRM, 15 oktober 2003, Ernst en anderen t. België, § 50).

Het Europees Hof heeft overigens geoordeeld dat het « voorrecht van rechtsmacht » dat door de nationale overheden is geregeld, niet in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag op voorwaarde dat de gewaarborgde rechten, die de begunstigde worden ontzegd, op redelijke wijze worden gecompenseerd door andere middelen (EHRM, 15 oktober 2003, Ernst en anderen t. België, § 53; 30 april 2003, Cordova t. Italië, § 65).

In afwijking van het gemeen strafprocesrecht voorzien de wettelijke bepalingen voor de magistraten van de hoven van beroep niet in de tussnekomst van een onderzoeksgerecht om, in de loop van het gerechtelijk onderzoek, toezicht te houden op de regelmatigheid van de rechtspleging en als beroepsinstantie uitspraak te doen over beslissingen van de als onderzoeksrechter aangewezen magistraat en om, bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, de rechtspleging te regelen.

Gelet op de logica van het geldende stelsel, waarbij niet is voorzien in een mogelijkheid van beroep tegen de door het hof van beroep gewezen beslissing, is het niet zonder redelijke verantwoording dat de wetgever evenmin heeft voorzien in een mogelijkheid van beroep tegen de beslissingen genomen door de als onderzoeksrechter aangewezen magistraat op de aan hem gerichte verzoeken.

De wetgever vermocht ervan uit te gaan dat, wat de magistraten van de hoven van beroep betreft, voldoende waarborgen worden geboden door het feit dat het ambt van onderzoeksrechter wordt uitgeoefend door een magistraat die daartoe is aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep van een ander rechtsgebied dan het hunne, door het feit dat zij worden berecht door de hoogste feitenrechter die behoort tot een ander rechtsgebied dan het hunne, en door de tussenkomst van het Hof van Cassatie dat moet beslissen over het gevolg dat aan de procedure moet worden gegeven.

Het Hof van Cassatie kan, uitspraak doende in raadkamer, daarbij beslissen dat er geen reden tot vervolging is, dan wel de zaak rechtstreeks verwijzen naar het hof van beroep indien er voldoende bezwaren zijn, of nog, bijkomende onderzoekshandelingen vorderen.

Aldus wordt aan de magistraten bij de hoven van beroep de waarborg geboden dat het Hof van Cassatie, zoals een onderzoeksgerecht in de gemeenrechtelijke strafprocedure, overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt.

Wanneer het Hof van Cassatie bijkomend onderzoek heeft gevorderd en de zaak te dien einde heeft verwezen naar de eerste voorzitter van een ander hof van beroep dan dat van het rechtsgebied van de betrokken magistraat opdat die een onderzoeksmagistraat aanwijst, wordt de procureur-generaal bij dat hof van beroep bevoegd geacht om bij het afsluiten van het gevorderde onderzoek te beslissen of de zaak al dan niet naar het vonnisgerecht moet worden verwezen, zonder dat ter zake een nieuwe beslissing van het Hof van Cassatie vereist is.

In zoverre er aldus bij het afsluiten van het door het Hof van Cassatie gevorderde onderzoek geen tussenkomst is van een gerechtelijk orgaan dat in het kader van een tegensprekelijke procedure overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt, wordt op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de betrokken magistraten bij de hoven van beroep en hun mededaders en medeplichtigen.

Derhalve dienen de wettelijke bepalingen in die zin geïnterpreteerd, dat na het beëindigen van het door het Hof van Cassatie gevorderde onderzoek, de zaak aan dat Hof moet worden teruggezonden, waarvan de bevoegdheid in deze procedure vergelijkbaar is met die van een onderzoeksgerecht en dat in het kader van een tegensprekelijke procedure overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt.

De vervolgde magistraat bij het hof van beroep en zijn mededaders en medeplichtigen beschikken aldus en alsdan over de mogelijkheid om eventuele bezwaren, nietigheden of onregelmatigheden op te werpen en desgevallend het Hof van Cassatie te verzoeken om bijkomende rechtshandelingen te vorderen.

In die interpretatie zijn de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Arrest Hof van beroep Gent 26 juni 2007 (zaak Lernout & Hauspie):

1. Wat betreft het voorrecht van rechtsmacht

1.1. De wettelijke voorschriften

1.1.1. Het voorrecht van rechtsmacht, dat van toepassing is op de magistraten, met inbegrip van de plaatsvervangende magistraten, en op bepaalde andere ambtsdragers, werd door de wetgever ingesteld met het oog op het verzekeren van een onpartijdige en serene rechtsbedeling ten aanzien van die personen. De bijzondere regels op het gebied van onderzoek, vervolging en berechting die het voorrecht van rechtsmacht inhoudt, beogen te vermijden dat, enerzijds, ondoordachte, onverantwoorde of tergende vervolgingen jegens de ambtsdragers op wie dat stelsel van toepassing is, op gang zouden worden gebracht, anderzijds, die ambtsdragers hetzij te streng, hetzij met te veel toegevendheid zouden worden behandeld (vgl. Arbitragehof, 14/07/1994, BS, 27.7.1994).

1.1.2. Daarom werd krachtens de artikelen 479 en 483 van het Wetboek van strafvordering aan de procureur-generaal bij het hof van beroep de exclusieve bevoegdheid tot het instellen van de strafvordering toegekend ten aanzien van al degenen die voorrecht van rechtsmacht genieten, alsook ten aanzien van personen die wegens dezelfde of samenhangende feiten worden vervolgd.

1.1.3. Het instellen van de strafvordering impliceert het aanhangig maken van een zaak bij de strafrechter. Eens de strafvordering ingesteld kan het openbaar ministerie niet meer over de strafvordering beschikken; het openbaar ministerie oefent de strafvordering uit, stelt de strafvordering in, maar - eens de rechter (rechtscollege) gevat - dient er een rechterlijke beslissing tussen te komen betreffende het lot van de ingestelde strafvordering.

1.1.4. Bij voorrecht van rechtsmacht wordt de strafvordering door de procureur-generaal pas ingesteld door de dagvaarding ten gronde voor het hof van beroep (lees en vergelijk Cass. 03/09/1986, rolnummer 4918, en Cass. 01/04/1996, rolnummer P. 96.0171.F., www.cass.be).

1.1.5. De procureur-generaal kan de eerste voorzitter van het hof van beroep vorderen om een magistraat aan te wijzen die met het gerechtelijk onderzoek wordt belast.

1.1.6. De magistraat die het ambt van onderzoeksrechter uitoefent voert een gerechtelijk strafonderzoek conform de regels van het wetboek van strafvordering, doch met die restrictie dat alleen de wetsbepalingen die het prerogatief van de procureur-generaal tot het instellen van de strafvordering niet in het gedrang brengen van toepassing kunnen zijn.

Dit heeft tot gevolg:

§ dat de burgerlijke partij de strafvordering tegen een persoon die is onder-worpen aan het voorrecht van rechtsmacht niet kan in werking stellen door een rechtstreekse dagvaarding of door een klacht met burgerlijke partij-stelling bij de onderzoeksrechter;

§ dat de strafvordering bij voorrecht van rechtsmacht niet wordt ingesteld door de vordering van de procureur-generaal om een magistraat te laten aanwijzen die met het gerechtelijk onderzoek wordt belast; zoals hoger gesteld wordt de strafvordering pas ingesteld door de dagvaarding voor het hof van beroep; na voltooiing van het onderzoek heeft de procureur-generaal nog steeds het monopolie over de strafvordering en kan hij nog steeds beslissen of hij vervolgt dan wel seponeert;

§ dat de tussenkomst van de onderzoeksgerechten is uitgesloten behalve bij niet correctionaliseerbare misdaden en in geval de procureur-generaal de correctionalisering niet wenselijk acht; de verwijzing naar het hof van assisen gebeurt door de kamer van inbeschuldigingstelling op vordering van de procureur-generaal. In dit geval wordt de strafvordering ingesteld door de vordering tot verwijzing naar het hof van assisen; ook hier blijft de procureur-generaal bevoegd om te beslissen of hij vervolging al dan niet nodig acht. Men kan het zo voorstellen dat het optreden van de kamer van inbeschuldigingstelling in dit geval onontbeerlijk is om in het vonnisgerecht (het hof van assisen) ¿binnen¿ te geraken, niet om, als zodanig, ¿uit¿ het onderzoek te geraken. Een sepotbeslissing van de procureur-generaal moet hier volstaan, juist zoals de procureur-generaal, mocht er geen onderzoek gevorderd zijn, een misdaad kan seponeren (lees en vergelijk R. Declercq, Onderzoeksgerechten, APR, nr 53);

§ dat de wetsbepalingen van artikel 127 e.v. van het Wetboek van strafvordering met betrekking tot de regeling van de procedure bij het beëindigen van het gerechtelijk strafonderzoek niet van toepassing zijn; bij het afsluiten van het onderzoek deelt de onderzoeksrechter het dossier mee aan de procureur-generaal, die - zonder tussenkomst van de kamer van inbeschuldigingstelling - beslist welk gevolg hij aan de procedure wenst te geven; hij kan rechtstreeks dagvaarden voor het hof van beroep of seponeren (of een vordering nemen tot verwijzing naar het hof van assisen - cfr hoger);

§ immers: de procedureregeling overeenkomstig het artikel 127 van het Wetboek van strafvordering impliceert de tussenkomst van een onderzoeksgerecht (kamer van inbeschuldigingstelling), wat - zoals hoger gesteld - bij voorrecht van rechtsmacht is uitgesloten, nu dergelijke tussenkomst het prerogatief van de procureur-generaal in het gedrang brengt;

§ dat aan de inverdenkinggestelde en aan de burgerlijke partij derhalve niet het in artikel 127 §3 van het Wetboek van strafvordering vermelde recht wordt verleend om tot de onderzoeksrechter een verzoek te richten tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen; zij kunnen de onderzoeksrechter wel verzoeken tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen doch dit verzoek schept geen afdwingbaar recht in hoofde van de inverdenkinggestelde en van de burgerlijke partij zodat ze - bij afwijzing van hun vraag - geen hoger beroep kunnen instellen tegen een afwijzende beslissing van de onderzoeksrechter; ze kunnen zich wel nog steeds tot de bodemrechter wenden;

§ dat aan de inverdenkinggestelde en aan de burgerlijke partij geen beroeps-mogelijkheid voorzien in het artikel 61 quinquies van het Wetboek van strafvordering wordt geboden gezien dergelijke mogelijkheid het prerogatief van de procureur-generaal aantast;

immers: de procedure voorzien bij artikel 61 quinquies van het Wetboek van strafvordering voorziet in een beroepsmogelijkheid tegen de beschikking van de onderzoeksrechter zodat ook in dit geval het onderzoeksgerecht wordt gevat, wat het prerogatief van de procureur-generaal in het gedrang brengt; de procureur-generaal moet trouwens op elk ogenblik in de mogelijkheid zijn de strafvordering in te stellen wat impliceert dat geen enkele procedure, die dergelijke mogelijkheid kan in de weg staan, toepassing kan vinden.

§ dat bij ontstentenis van de onderzoeksgerechten er geen regeling van de procedure plaats vindt en het de procureur-generaal is, die beslist of en wanneer hij de strafvordering instelt, zoals dat trouwens ook het geval is bij de procedure op rechtstreekse dagvaarding door de procureur des Konings na een opsporingsonderzoek;

§ dat zulks impliceert dat de ontlasting van de raadsheer - onderzoeksrechter (of, zoals in voorliggend dossier, de kamervoorzitter-onderzoeksrechter), hetwelk niet kan gebeuren door een onderzoeksgerecht, plaats vindt op het ogenblik dat de procureur-generaal daartoe beslist;

§ dat het precieze ogenblik van de ontlasting in hoofde van de raadsheer - onderzoeksrechter afhangt van feitelijke elementen waaruit de beslissing van de procureur-generaal ondubbelzinnig blijkt; ongetwijfeld is dit zo wanneer de procureur-generaal overgaat tot rechtstreekse dagvaarding en aldus de strafvordering instelt; wanneer de procureur-generaal, na mededeling van het dossier door de onderzoeksrechter, geen bijkomende vorderingen meer neemt ten aanzien van de onderzoeksrechter dient geconcludeerd dat de onderzoeksrechter is ontlast van het onderzoek bij het meedelen van het dossier aan de procureur-generaal, die van dan af beslist over het verloop van de strafvordering;

§ dat de procedure overeenkomstig het artikel 136 van het Wetboek van strafvordering evenmin toepassing kan vinden gezien ook hier de tussenkomst van het onderzoeksgerecht (de kamer van inbeschuldigingstelling) is voorzien, wiens bevoegdheden het prerogatief van de procureur-generaal in het gedrang kunnen brengen.

1.1.7. Het lijdt geen twijfel dat de bepalingen van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek krachtens de bepalingen van het artikel 502 van het Wetboek van strafvordering ook toepassing dienen te vinden bij de procedure voorrecht van rechtsmacht nu de personen die titularis zijn van het voorrecht van rechtsmacht dezelfde rechten genieten als de rechtsonderhorigen op wie de gewone regels van strafvordering van toepassing zijn, met die beperking evenwel dat de wetsbepalingen van de wet van 12 maart 1998 slechts van toepassing zijn in zoverre niet strijdig met de procesvormen, voorgeschreven door de artikelen 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering.

De bepalingen van de wet van 12 maart 1998 dienen dan ook toegepast te worden in de procedure op basis van het voorrecht van rechtsmacht met inachtneming van het prerogatief van de procureur-generaal, hetgeen onder meer impliceert dat er geen regeling van de procedure door de onderzoeksgerechten plaats vindt.

1.2. Toepassing op de thans te beoordelen zaak

Vooreerst weze opgemerkt dat de procureur-generaal in de thans voorliggende zaak kennelijk de bepalingen van de wet van 12 maart 1998 heeft geïmplementeerd:

§ gelet op de aard en de omvang van het onderzoek werd reeds in een vroeg stadium van het gerechtelijk onderzoek - en dit voor wat betreft het onderzoek dat werd gevoerd op basis van de voorschriften inzake voorrecht van rechtsmacht - aan de partijen de mogelijkheid geboden het dossier in te zien en het verloop van het onderzoek op de voet te volgen;

§ de onderzoeksrechter werd de mogelijkheid geboden om - in de mate dat hij zulks mogelijk achtte in de context van het door hem gevoerde onderzoek en met respect van de rechten van alle betrokken partijen - in te gaan op verzoeken van de inverdenkinggestelden tot het uitvoeren van bijkomende onderzoeksverrichtingen;

§ de procureur-generaal heeft met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop hij de strafvordering zou instellen, alsook met betrekking tot de feiten die hij meende te moeten vervolgen, op transparante wijze gecommuniceerd met alle partijen;

§ bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek heeft de procureur-generaal de inverdenkinggestelden de mogelijkheid geboden om eventueel nog aanvullende onderzoekshandelingen te vragen aan de onderzoeksrechter die hiertoe het dossier tijdelijk ter beschikking kon behouden.

Het hof is van oordeel dat aldus enerzijds het prerogatief van de procureur-generaal en anderzijds de door de wet van 12 maart 1998 gecreëerde rechten werden gerespecteerd.

De hierboven geschetste principes met betrekking tot de procedure ¿voorrecht van rechtsmacht¿ laten toe de verder in dit arrest vermelde conclusies te trekken ten aanzien van de door de negende, de dertiende, de zestiende, de zeventiende, de achttiende en de negentiende beklaagde aangevoerde argumenten, die betrekking hebben op het voorrecht van rechtsmacht.

2. Wat betreft de conclusie die voor de beklaagde, [...], werd neergelegd op de terechtzitting van 31.05.2007

De beklaagde, [...], zet in zijn regelmatig ter terechtzitting dd. 31.05.2007 van het hof neergelegde conclusie uiteen dat hij voor de noodwendigheden van zijn verdediging zou dienen te beschikken over een exacte digitale kopie van de overtuigingsstukken neergelegd onder staat 01/895, en dat hiertoe een deskundige moet worden aangesteld met opdracht:

· contact op te nemen met de griffie en met de voornoemde beklaagde ten einde zich ervan te vergewissen welke tapes zoals neergelegd onder OS 01/895 men wenst te kopiëren en welke hardware-apparatuur hiervoor noodzakelijk is;

· de digitale gegevensdragers neergelegd onder nummer OS 01/895, waarvan een kopie wordt gewenst, uit te lezen met een gepast toestel;

· een exacte kopie van de gegevens over te schrijven op een digitale drager die door de voornoemde beklaagde wordt ter beschikking gesteld.

Ter zake acht het hof het aangewezen, vooraleer te oordelen omtrent het verzoek van de beklaagde [...], eerst zelf deskundig advies in te winnen nopens de haalbaarheid van de verrichtingen zoals beschreven in de hoger geciteerde opdracht; het hof verwijst naar de deskundigenopdracht zoals omschreven in het beschikkend gedeelte van dit arrest.

3. Wat betreft de conclusies die voor de beklaagde [...] werden neergelegd op de terechtzittingen van resp. 06.06.2007 (waarbij het hof opmerkt dat in de op 06.06.2007 neergelegde conclusie uitdrukkelijk wordt vermeld dat diezelfde conclusie een voorheen, namelijk op de terechtzitting van 23.05.2007, neergelegde conclusie vervangt) en 13.06.2007

3.1. Nopens het opgeworpen middel van onontvankelijkheid van de strafvordering ingevolge beweerde miskenning van de procedure van voorrecht van rechtsmacht

Het hof voegt de beoordeling omtrent dit middel bij de beslissing over de grond van de zaak.

3.2. Nopens de beweerde onrechtmatigheid van de huiszoeking dd. 21.04.2004

3.2.1. De aanwezigheid van stafhouder [...], zijnde een kantoorgenoot van een van de curatoren van de [...] (namelijk Meester [...]), bij de op 21.04.2004 uitgevoerde huiszoeking bij de beklaagde [...] is geenszins van aard een ¿schijn van partijdigheid¿ in hoofde van de onderzoekende gerechtelijke overheid op te wekken.

3.2.2. De aanwezigheid van een stafhouder bij een huiszoeking in het kantoor van een advocaat houdt immers niet in dat hij zelf daden van onderzoek of vervolging stelt ten laste van de betrokken advocaat gezien hij daartoe geen enkele bevoegdheid heeft; hij is geen betrokken overheid die kennis neemt van het onderzoek of een standpunt inneemt over de grond van de vervolging (lees en vgl. Cass., 18.05.2006, rolnummer D050015N, www.cass.be).

Van enige beweerde ¿actieve betrokkenheid¿ van de voornoemde stafhouder in de eigenlijke onderzoeksdaden is overigens manifest geen sprake, gelet op de inhoud van het proces-verbaal dd. 21.04.2004 van afstapping en huiszoeking (onderdeel II.I.6.08.b, kaft 157, stuk 10) en waarin overigens duidelijk blijkt dat de stafhouder Boedts aan de beklaagde [...] meedeelde dat zijn aanwezigheid er zich toe beperkte erop toe te zien dat vertrouwelijke stukken die door het beroepsgeheim zijn gedekt niet werden ingekeken.

3.2.3. Er zijn dan ook geen redenen om de huiszoeking dd. 21.04.2004 nietig te verklaren en het eventueel daaruit voortvloeiende bewijsmateriaal uit het dossier te weren.

4. Wat betreft de conclusies die voor de beklaagde, [...], werden neergelegd op de terechtzittingen van resp. 30.05.2007 en 13.06.2007

4.1. De argumenten van deze beklaagde worden afdoende beantwoord door wat hoger (onder rubriek 1 van dit arrest) werd gesteld nopens de procedure voorrecht van rechtsmacht. Tevens verwijst het hof naar zijn beslissing (zie verder onder rubriek 7 van dit arrest) omtrent de argumenten van [...] (argumenten waar de beklaagde [...] in zijn conclusies naar verwijst).

Op 26 juni 2006 deelde de kamervoorzitter-onderzoeksrechter het dossier mee aan de procureur-generaal waardoor het onderzoek werd afgesloten. Vanaf dat ogenblik berustte de beslissing nopens het al dan niet instellen van de strafvordering bij de procureur-generaal. De procureur-generaal heeft op dat ogenblik beslist om niet meteen tot dagvaarding over te gaan maar om de partijen de gelegenheid te geven om desgewenst de onderzoeksrechter om aanvullende onderzoekshandelingen te verzoeken. Tevens bepaalde de procureur-generaal een termijn binnen dewelke zulks kon geschieden en heeft de partijen tevens ingelicht van zijn voornemen om nadien tot dagvaarding over te gaan.

Het behoort tot de exclusieve beslissingsmacht en derhalve ook tot de verantwoordelijkheid van de procureur-generaal om het ogenblik te bepalen waarop hij tot dagvaarding wenst over te gaan zoals dat ook het geval is bij de procedure in gemeen recht waar de procureur des Konings rechtstreeks dagvaardt na een opsporingsonderzoek.

Een voorbarige dagvaarding kan mogelijk een afwijzing van de vordering van het openbaar ministerie tot gevolg hebben en zelfs tot vrijspraak van een beklaagde leiden, zo het opsporingsonderzoek ondeugdelijk of onvolledig is of werd gevoerd met miskenning van de rechten van de beklaagde.

Voormeld principe is ook op deze zaak toepasbaar, doch ter zake stelt het hof vast dat het feit dat sommige onderzoekshandelingen niet of nog niet volledig waren uitgevoerd op het ogenblik dat tot dagvaarding werd overgegaan de rechten van de beklaagden niet aantast vermits:

§ alle door de kamervoorzitter-onderzoeksrechter gevraagde onderzoeksdaden werden uitgevoerd en aan het dossier zijn toegevoegd, met uitzondering van 1 onderzoekshandeling waarvan de uitvoering thans nog lopende is en waarvan de resultaten eveneens nog aan het strafdossier zullen toegevoegd worden (cfr. de inhoud van de conclusies die op de terechtzitting van 13.06.2007 werden neergelegd door het openbaar ministerie);

§ het bevel tot dagvaarding geenszins verhindert dat partijen al hun vragen en opmerkingen aangaande de uitvoering en resultaten van de aanvullende onderzoekshandelingen zouden voorleggen aan de bodemrechter (dit hof), zoals dit trouwens ook het geval is wanneer de procureur des Konings vervolging instelt bij rechtstreekse dagvaarding in het gemeen recht waarbij er van een gerechtelijk onderzoek en een procedureregeling door het onderzoeksgerecht evenmin sprake is; evenmin verhindert het bevel tot dagvaarding dat de partijen aan dit hof eventuele vragen tot het laten uitvoeren van bijkomende onderzoekshandelingen zouden formuleren; het recht op een eerlijk proces voor de beklaagden komt in het licht van de voorgaande overwegingen dan ook manifest niet in het gedrang.

4.2. Wat de geformuleerde prejudiciële vragen betreft:

4.2.1. Nopens de eerste vraag (gesuggereerd in de ¿globaliserende eerste conclusie¿, pag. 14, bovenaan): gelet op wat hoger werd gesteld nopens de niet toepasselijkheid van het artikel 127 van het Wetboek van strafvordering in geval van voorrecht van rechtsmacht is deze vraag niet relevant nu het antwoord op die vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.

4.2.2. Nopens de tweede vraag (gesuggereerd in de ¿globaliserende eerste conclusie¿, p. 25, onder punt 15): verwijzend naar wat hoger werd gezegd nopens het verloop van het gerechtelijk strafonderzoek en de erop toepasselijke bepalingen in geval van voorrecht van rechtsmacht, waarbij enkel dient rekening gehouden met de restricties, bepaald bij het artikel 502 van het Wetboek van strafvordering, zoals vermeld, is er naar het oordeel van het hof geen twijfel of onduidelijkheid nopens de terzake toepasselijke procedureregels, zodat de artikelen 55 - 90 undecies, 127 en 479 - 482bis en 502 van het Wetboek van strafvordering de artikelen 12, 2° lid en 14 van de Grondwet, in samenhang met artikel 6 EVRM, artikel 7 van het BUPO-Verdrag en de artikelen 33, 108 en 159 van de Grondwet klaarblijkelijk niet schenden en er dan ook geen aanleiding is om deze vraag voor te leggen aan het grondwettelijk hof.

4.2.3. Nopens de derde vraag (gesuggereerd in de globaliserende eerste conclusie¿, p. 27 onder punt 17): ook hier dient verwezen naar wat hoger werd gesteld nopens de niet toepasselijkheid van het artikel 127 van het Wetboek van strafvordering in geval van voorrecht van rechtsmacht alsook naar wat het hof heeft gesteld met betrekking tot de vierde en de vijfde prejudiciële vraag van de beklaagde [...] (zie rubriek 7.6 van dit arrest).

Het hof is dan ook van oordeel dat de artikelen 127 en 479-482bis en 502 van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 EVRM en 14 BUPO-Verdrag klaarblijkelijk niet schenden zodat er geen aanleiding is om deze prejudiciële vraag aan het grondwettelijk hof voor te leggen.

4.3. Met betrekking tot de ¿tweede conclusie¿ van de beklaagde [...], zoals neergelegd op de terechtzitting dd. 30.05.2007, moet vastgesteld worden dat het daarin ontwikkelde middel dermate nauw verbonden is met het eerste middel zoals opgeworpen door de beklaagde, [...], (cfr. rubriek 3.1 van dit arrest) dat de beoordeling eveneens wordt gevoegd bij de beslissing over de grond van de zaak.

5. Wat betreft de conclusie die voor de beklaagden, [...], werd neergelegd op de terechtzitting van 23.05.2007

Het hof voegt de beslissing omtrent de middelen die door de beklaagden, [...], in hun regelmatig ter terechtzitting dd. 23.05.2007 neergelegde conclusie werden opgeworpen bij de beslissing over de grond van de zaak.

6. Wat betreft de conclusies die voor de beklaagde, [...], werden neergelegd op de terechtzittingen van resp. 06.06.2007 en 13.06.2007

6.1. De beklaagde, [...], sluit zich in hoofdorde aan bij de middelen die worden ontwikkeld in de conclusies neergelegd door de negende en de zestiende beklaagde en waarin wordt voorgehouden dat de strafvordering werd ingesteld op 14.04.2004 door de vordering van de procureur-generaal, derwijze dat het openbaar ministerie over die vordering niet meer kon beschikken.

Ter zake verwijst het hof naar de overwegingen zoals uiteengezet onder de rubrieken 1, 4 en 7 van dit arrest.

6.2. In ondergeschikte orde werpt de beklaagde [...] een ongelijkheid op binnen het toepassingsveld van het voorrecht van rechtsmacht.

In de overwegingen zoals uiteengezet onder de rubrieken 1 en 4 van dit arrest werd reeds afdoende geantwoord op het aangevoerde middel.

Duidelijkheidshalve herhaalt het hof dat - in tegenstelling tot de argumentatie van de voornoemde beklaagde - ook bij niet correctionaliseerbare misdaden, of bij misdaden waarvan het openbaar ministerie correctionalisatie niet aangewezen acht, het prerogatief van de procureur-generaal om al dan niet te vervolgen onverminderd geldt. Zelfs na een onderzoek wegens een niet correctionaliseer-bare misdaad heeft de procureur-generaal de mogelijkheid om de zaak alsnog te seponeren.

Er is enkel een verschil voor wat het instellen van de strafvordering betreft nu het hof van assisen slechts kan geadieerd worden door tussenkomst van de kamer van inbeschuldigingstelling, zodat in deze gevallen de strafvordering wordt ingesteld door de vordering van de procureur-generaal tot verwijzing naar het hof van assisen, gericht aan de kamer van inbeschuldigingstelling.

De voorgestelde prejudiciële vraag is derhalve irrelevant en berust op een verkeerde interpretatie van de geldende regels inzake voorrecht van rechtsmacht zodat ze niet dient voorgelegd aan het grondwettelijk hof nu het antwoord hierop niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.

7. Wat betreft de conclusies die voor de beklaagde, [...] werden neergelegd op de terechtzittingen van resp. 23.05.2007, 31.05.2007 en 13.06.2007

7.1. Door de voornoemde beklaagde wordt ten onrechte gesteld dat het openbaar ministerie de strafvordering zou hebben ingesteld door haar vordering dd. 14.04.2004 tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek.

Hoger (zie rubriek 1) werd uiteengezet dat bij voorrecht van rechtsmacht de strafvordering slechts wordt ingesteld door de rechtstreekse dagvaarding uitgaande van het openbaar ministerie, behoudens bij niet correctionaliseerbare misdaden waar de strafvordering wordt ingesteld door de vordering tot verwijzing naar het hof van assisen, uitgaande van de procureur-generaal en gericht tot de kamer van inbeschuldigingstelling.

Ten onrechte houdt de voornoemde beklaagde voor dat de strafvordering na 14.04.2004 bij de onderzoeksrechter ¿aanhangig¿ was.

De hiermee strijdige argumenten die de voornoemde beklaagde in conclusies ontwikkelt kunnen het hof niet tot een andere overtuiging brengen.

7.2. Nu het grondwettelijk hof, enerzijds, in zijn arrest van 04/11/1998 heeft geoordeeld dat het redelijkerwijze verantwoord is:

dat de personen op wie het voorrecht van rechtsmacht van toepassing is, op het gebied van het onderzoek, de vervolging en de berechting anders worden behandeld dan de rechtsonderhorigen op wie de gewone regels van strafvordering van toepassing zijn ¿ (onderlijning door het hof),

en, anderzijds, in zijn arresten van 07/11/1996 en 11/02/1998 heeft geoordeeld:

het is in overeenstemming met het grondbeginsel van het tegensprekelijk karakter van de debatten dat aan verschillende personen die voor dezelfde feiten worden vervolgd de mogelijkheid wordt geboden voor hetzelfde rechtscollege te verschijnen. Indien dat niet het geval zou zijn, zou de veelheid van de onderzoeken, en nadien van de debatten, kunnen verhinderen dat de gerechtelijke waarheid aan de dag wordt gebracht, met name wat de respectieve rol betreft die de verschillende vervolgde personen hebben gespeeld. Bovendien zouden de rechten van verdediging van zowel de in artikel 479 vermelde personen als van de andere personen die voor dezelfde feiten worden vervolgd, miskend kunnen zijn indien beklaagden zich voor een rechtscollege zouden moeten verdedigen, terwijl een ander rechtscollege reeds over de werkelijkheid, de aanrekenbaarheid en de strafrechtelijke omschrijving van de ten laste gelegde feiten uitspraak zou hebben gedaan. De aard van de in het geding zijnde beginselen laat dus niet toe het bekritiseerde verschil in behandeling als zonder verantwoording te beschouwen ¿, is het hof van oordeel dat de artikelen 480 en 482bis van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10, 11, 12 en 13 van de Grondwet, samen gelezen met de artikelen 6 §1 en 14 EVRM, klaarblijkelijk niet schenden zodat er geen aanleiding is om de eerste prejudiciële vraag zoals geformuleerd in de conclusies voor de beklaagde [...] neergelegd op de terechtzitting van 31.05.2007, p. 23, te stellen.

7.3. De tweede prejudiciële vraag (zoals geformuleerd in de conclusies voor de beklaagde, [...], neergelegd op de terechtzitting van 31.05.2007, p. 24) gaat uit van de verkeerde premisse dat bij een niet correctionaliseerbare misdaad de strafvordering - volgens de beklaagde - zou worden ingesteld door de vordering van de procureur-generaal, gericht aan de eerste voorzitter van het hof van beroep, om een magistraat aan te wijzen die het ambt van onderzoeksrechter zal waarnemen. Zoals hoger gesteld wordt de straf-vordering in voormeld geval (een niet correctionaliseerbare misdaad) ingesteld door de vordering tot verwijzing naar het hof van assisen door de procureur-generaal, gericht tot de kamer van inbeschuldigingstelling.

Er is dan ook geen aanleiding om de tweede prejudiciële vraag voor te leggen aan het grondwettelijk hof nu ze berust op een verkeerde interpretatie van de artikelen 480 en 482bis van het Wetboek van Strafvordering en het antwoord op deze vraag dan ook niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.

7.4. De derde prejudiciële vraag (zoals geformuleerd in de conclusie voor de beklaagde, [...], neergelegd op de terechtzitting van 31.05.2007, p. 25) gaat uit van de verkeerde premisse dat - in geval van vervolging van een lid van het hof van beroep of van een ambtenaar die bij het hof het openbaar ministerie uitoefent (artikel 481 van het Wetboek van Strafvordering) - de strafvordering zou worden ingesteld door het toezenden van de stukken door de minister van justitie aan het hof van cassatie bij toepassing van het artikel 482 van het Wetboek van Strafvordering, terwijl ook hier de strafvordering wordt ingesteld door de procureur-generaal bij het hof van beroep (lees en vergelijk de conclusie van advocaat-generaal Liekendael bij Cass. 1/04/1996, Pas. 1996, I., randnummer 30).

Er is dan ook geen aanleiding om de derde prejudiciële vraag voor te leggen aan het grondwettelijk hof nu ze berust op een verkeerde interpretatie van de artikelen 480 en volgende van het Wetboek van strafvordering en het antwoord op deze vraag dan ook niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.

7.5. Door de beschikking tot mededeling van de kamervoorzitter - onderzoeksrechter van 26 juni 2006 werd het strafonderzoek afgesloten. Vanaf dat ogenblik besliste de procureur-generaal over het verder gevolg van de strafprocedure.

De processen-verbaal van de misdrijfanaliste, waarnaar de beklaagde verwijst, hebben betrekking op het bijhouden van een ¿Tijdslijn¿ wat als een louter instrument van dossierbeheer geldt gezien deze stukken geen nieuwe politionele vaststellingen bevatten (cfr. de brief van de kamervoorzitter-onderzoeksrechter van 24/01/2007 aan de advocaten van de beklaagde - kaft 019, onderdeel L.G.3., stuk 86).

Gezien bij voorrecht van rechtsmacht het artikel 127 §3 van het Wetboek van Strafvordering geen toepassing kan vinden (zie hoger) heeft de procureur-generaal, ¿naar analogie met de artikelen 61quinquies en 127 van het Wetboek van Strafvordering¿ beslist alle partijen in de mogelijkheid te stellen om alsnog verzoeken te richten aan de onderzoeksrechter tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen.

Deze tegemoetkoming van het openbaar ministerie schept echter geen afdwingbare rechten in hoofde van de partij(en) die van de aldus geboden mogelijkheid gebruik hebben gemaakt, zodat een hoger beroep tegen een afwijzende beschikking van de onderzoeksrechter uitgesloten is. De kamer van inbeschuldigingstelling in het hof van beroep te Gent heeft trouwens in zijn arresten van 5 juni 2007 in die zin geoordeeld.

Gezien het gerechtelijk onderzoek was afgesloten op 26 juni 2006 en de beslissing over het verder verloop van het proces van dan af bij de procureur-generaal lag heeft de procureur-generaal het gerechtelijk onderzoek geenszins miskend en nog minder de beklaagde van haar natuurlijke rechter afgetrokken door de rechtstreekse dagvaarding, nu de beklaagde geen beroepsmogelijkheid had tegen de beschikking van de onderzoeksrechter (cfr K.I. Gent 5 juni 2007).

De rechtsgang geschiedde volgens de procedure, voorzien door de artikelen 479 e.v. van het Wetboek van Strafvordering, met inachtneming van de restricties vervat in het artikel 502 van het Wetboek van Strafvordering, zoals hoger uiteengezet. De omstandigheid dat het openbaar ministerie de partijen bijkomende mogelijkheden heeft geboden heeft niet tot gevolg gehad dat de rechtsgang niet voorspelbaar zou zijn gezien de procureur-generaal naar de partijen toe terzake duidelijk heeft gecommuniceerd over de door hem geboden mogelijkheden en over zijn intenties tot rechtstreekse dagvaarding.

De beklaagde is ten onrechte van oordeel dat de procedure inzake voorrecht van rechtsmacht, zoals hoger in rubriek 1 van dit arrest uiteengezet, de rechten van verdediging zou schenden. Het is niet omdat bij voorrecht van rechtsmacht het monopolie tot vervolging bij het openbaar ministerie berust en dat er geen tussenkomst is van de onderzoeksgerechten (tenzij bij niet correctionaliseerbare misdaden waar de procureur-generaal de verwijzing naar het hof van assisen vordert voor de kamer van inbeschuldigingstelling, die als enige bevoegd is om het hof van assisen te vatten) dat de beklaagden over minder rechten zouden beschikken.

Het stelsel dat de strafwet inricht t.a.v. de personen die voorrecht van rechtsmacht genieten, ontzegt hen het recht niet om aanvullende onderzoeksopdrachten te vorderen of voor de bodemrechter alle nuttige verweermiddelen aan te voeren (lees en vergelijk Cass. 13/06/2001, rolnummer P.010407Fv, www.cass.be).

Buiten die bijzondere context wordt de strafrechtspleging nog steeds volgens de gemeenrechtelijke regels gevoerd. Zij wordt evenwel aan de bijzondere situatie aangepast die, bvb., het gevolg is van het feit dat het hof van beroep in eerste en laatste aanleg uitspraak moet doen.

Maar voor het overige en zoals het de regel is in het gemeen recht van de strafrechtspleging, neemt de bodemrechter kennis van feiten en niet van de kwalificatie; hij moet de feiten kwalificeren zoals hij dat meent te moeten doen; hij beoordeelt de noodzaak om een aanvullend onderzoek te verrichten op onaantastbare wijze, enz.

De pertinentie van de aangevoerde middelen zal m.a.w. beoordeeld worden alsof het om een gewone verdachte ging, tenzij de specifieke rechtspleging specifieke oplossingen oplegt (lees en vergelijk de conclusie van advocaat-generaal du Jardin bij Cass. 13/06/2001, rolnummer 10407, www.cass.be).

7.6. De vierde en de vijfde prejudiciële vraag (zoals geformuleerd in de conclusies voor de beklaagde, [...], neergelegd op de terechtzitting van 31.05.2007, p. 32-33) hebben betrekking op het verschil in behandeling van een beklaagde naargelang hij al dan niet voorrecht van rechtsmacht geniet, meer bepaald met betrekking tot het gerechtelijk onderzoek en met betrekking tot de regeling van de rechtspleging en de mogelijkheid om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen aan de onderzoeksrechter (artikelen 61 quinquies en 127 §3 van het Wetboek van strafvordering).

Verwijzend naar wat hoger werd gesteld met betrekking tot de procedure voorrecht van rechtsmacht en gelet op eerdere arresten van het grondwettelijk hof, namelijk enerzijds het arrest van 4/11/1998 waarin werd geoordeeld dat het redelijkerwijze verantwoord is ¿ dat de personen op wie het voorrecht van rechtsmacht van toepassing is, op het gebied van het onderzoek, de vervolging en de berechting anders worden behandeld dan de rechtsonderhorigen op wie de gewone regels van strafvordering van toepassing zijn ¿ (onderlijning door het hof), en anderzijds de arresten van 7/11/1996 en 11/02/1998 waarbij werd geoordeeld dat de toepassing van de procedurele bepalingen van de artikelen 479 e.v. van het Wetboek van strafvordering op diegenen die bij samenhang worden gedagvaard met een titularis van het voorrecht van rechtsmacht, geen schending uitmaakt van artikel 10 van de Grondwet, hierbij tevens rekening houdend met het arrest van 4/11/1998 waarin het grondwettelijk hof van oordeel was dat het vanwege de wetgever niet klaarblijkelijk onredelijk is om de exclusieve bevoegdheid, om vervolging in te stellen tegen de personen op wie het voorrecht van rechtsmacht toepasselijk is, te hebben voorbehouden aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, is het hof van oordeel dat de artikelen 479, 480 en volgende van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10, 11, 12 en 13 van de Grondwet, samen gelezen met de artikelen 6 §1 en 14 EVRM, klaarblijkelijk niet schenden zodat er geen aanleiding is om de vierde en de vijfde prejudiciële vraag voor te leggen aan het grondwettelijk hof.

7.7. Met betrekking tot de door de procureur-generaal in de rechtstreekse dag-vaarding voorgestelde verzachtende omstandigheden werpt de beklaagde op dat zulks strijdig zou zijn met het artikel 2, tweede lid van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden omdat hierin bepaald wordt dat zulks slechts mogelijk is ¿ indien geen gerechtelijk onderzoek is gevorderd '.

De voormelde interpretatie van deze wetsbepaling is echter niet in overeenstemming met de ratio legis: bedoeld wordt de zaken waarin geen onderzoeksgerecht tussenkomt voor de regeling van de procedure, hetgeen onder meer het geval is bij voorrecht van rechtsmacht. Niets belet de procureur-generaal om verzachtende omstandigheden voor te stellen; het is uiteindelijk de rechter die ter zake beslist (lees en vergelijk Cass. 13/06/2001, rolnummer P.010407Fv, www.cass.be).

De beklaagde voert andermaal aan dat de strafvordering zou zijn ingesteld door de vordering van de procureur-generaal om een magistraat aan te duiden die het ambt van onderzoeksrechter zal waarnemen, waardoor het niet mogelijk zou zijn tot rechtstreekse dagvaarding over te gaan. Zoals hoger gesteld berust deze stelling op een verkeerde interpretatie van de artikelen 479, 480 en volgende van het Wetboek van strafvordering.

Met de invoeging van de bepaling van artikel 2 lid 2 van de wet van 4 oktober 1867 ingevolge artikel 47, 1° van de wet van 11 juli 1994 had de wetgever de bedoeling de rechtspleging te vereenvoudigen en te versnellen. Blijkens de parlementaire voorbereidende werkzaamheden was de destijds bestaande procedure, die de verplichte tussenkomst van de raadkamer vereiste om de dader van feiten die als misdaden worden gekwalificeerd voor de correctionele rechtbank te kunnen brengen, uitermate omslachtig. Daarom diende het openbaar ministerie zelf het bestaan van verzachtende omstandigheden en verschoningsgronden te kunnen vaststellen wanneer het o.m. ging over een onmiddellijke dagvaarding (Senaat, B.Z.1991-1992, verslag 209/02; Kamer van Volksvertegenwoordigers, 1993-1994, verslag 1480/3).

In de procedures bepaald bij artikel 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering behoort het enkel de procureur-generaal bij het hof van beroep, en niet de onderzoeksgerechten, te oordelen of de door het onderzoek vastgestelde bezwaren voldoende zijn om de vatting van de vonnisrechter te verantwoorden. In voorkomend geval dagvaardt de procureur-generaal rechtstreeks voor het hof van beroep. Het is derhalve volkomen in overeenstemming met de voormelde bedoeling van de wetgever dat het openbaar ministerie in de procedure voorrecht van rechtsmacht in de dagvaarding de verzachtende omstandigheden mededeelt ingevolge dewelke er volgens haar geen gronden zijn om een hogere straf te vorderen dan een correctionele straf aangezien de tussenkomst van de kamer van inbeschuldigingstelling, enkel om verzachtende omstandigheden vast te stellen, gelet op de bedoeling van de wetgever niet meer verantwoord is.

Indien het vonnisgerecht het over het bestaan van verzachtende omstandigheden of verschoningsgronden niet eens zou zijn met het openbaar ministerie moet het zich onbevoegd verklaren. Het hof is derhalve geenszins gebonden door de door het openbaar ministerie voorgestelde verzachtende omstandigheden. De rechten van verdediging blijven volkomen gevrijwaard. De gebruikte terminologie in de dagvaarding ontneemt het hof niet de bevoegdheid om zelf te oordelen of de door het openbaar ministerie vermelde verzachtende omstandigheden kunnen worden aanvaard, zodat er geen reden is om de dagvaarding nietig te verklaren.

De zesde prejudiciële vraag, zoals geformuleerd in de conclusies voor de beklaagde, [...], neergelegd op de terechtzitting dd. 31.05.2007, p. 37-38 en zoals aangepast door de beklaagde in haar ter terechtzitting dd. 13.06.2007 neergelegde conclusie, p. 43, vertrekt vanuit een verkeerde interpretatie en is derhalve zonder voorwerp zodat het antwoord op deze vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen en er geen aanleiding is om deze vraag voor te leggen aan het grondwettelijk hof.

7.8. Het hof voegt de beslissing omtrent het al dan niet voorleggen aan het grondwettelijk hof van de zevende en de achtste prejudiciële vraag (zoals geformuleerd in de conclusies voor de beklaagde [...] neergelegd op de terechtzitting van 31.05.2007, p. 41-42) bij de beslissing over de grond van de zaak.

7.9. De [...], optredend in haar hoedanigheid van burgerlijke partij, voert aan dat met betrekking tot de klachten met burgerlijke partijstelling die werden neergelegd na 14 april 2004 - zijnde de aanvang van de procedure volgens de regels van voorrecht van rechtsmacht - een rechter dient tussen te komen om over het lot van deze burgerlijke partijstellingen te oordelen.

Het hof kan enkel vaststellen dat het regelmatig gevat werd door de rechtstreekse dagvaarding, uitgaande van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent en aldus enkel kan oordelen over de erin omschreven feiten ten aanzien van de erin vermelde beklaagden:

§ de aanhangig makende akte begrenst de rechtsmacht van het vonnisgerecht zowel wat de persoon van de beklaagde betreft als de feiten die in die akte zijn voorzien;

§ het hof heeft bijgevolg enkel rechtsmacht om uitspraak te doen over de feiten die ingevolge de dagvaardingen van het openbaar ministerie, in toepassing van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering, regelmatig bij hem aanhangig zijn gemaakt en de daarin door het openbaar ministerie vervolgde personen en kan zich niet adiëren voor andere feiten dan deze die vervat zijn in die dagvaardingen noch over andere personen uitspraak doen die niet het voorwerp uitmaken van de vervolging door het openbaar ministerie in die dagvaardingen;

§ dienvolgens heeft het hof geen rechtsmacht om te oordelen welk gevolg moet worden gegeven aan,

1) de burgerlijke partijstelling van de [...] tegen personen die geen voorrecht van rechtsmacht genieten en die door het openbaar ministerie niet werden gedagvaard in de huidige zaak, of aan

2) andere burgerlijke partijstellingen tegen ¿X¿ in zoverre ¿X¿ niet werd geïdentificeerd als (één van) de personen die voor het hof door het openbaar ministerie worden vervolgd voor de feiten voorzien in de dagvaardingen.

De door de burgerlijke partij, [...], voorgestelde negende en tiende prejudiciële vragen (zoals geformuleerd in haar conclusie neergelegd op de terechtzitting van 31.05.2007, p. 44-45) zijn derhalve irrelevant gezien het antwoord op deze vragen niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen, zodat er geen aanleiding is om deze vragen voor te leggen aan het grondwettelijk hof.

7.10. In de ter terechtzitting van 13.06.2007 regelmatig neergelegde conclusie werpt de beklaagde de nietigheid op van de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling van Gent dd. 13.04.2004 waarbij het mandaat van de kamervoorzitter-onderzoeksrechter, aangesteld ingevolge een arrest van dezelfde kamer van inbeschuldigingstelling van 26.11.2002, werd opgeheven.

De beklaagde merkt terzake op dat het mandaat van de kamervoorzitter-onderzoeksrechter werd opgeheven op 13.04.2004, meer bepaald op een ogenblik dat er nog geen raadsheer-onderzoeksrechter was aangewezen door de eerste voorzitter om een gerechtelijk onderzoek te voeren in het kader van het voorrecht van rechtsmacht lastens de beklaagde [...]. De procureur-generaal vorderde pas op 14.04.2004 een gerechtelijk onderzoek in het kader van het voorrecht van rechtsmacht lastens [...] en op 15.04.2004 werd door de eerste voorzitter de magistraat aangewezen die het ambt van onderzoeksrechter diende waar te nemen.

De beklaagde stelt dat het ontslag van onderzoek in hoofde van de kamervoorzitter-onderzoeksrechter pas mogelijk was vanaf het ogenblik dat er voor dezelfde of samenhangende feiten als deze waarvoor de kamervoorzitter-onderzoeksrechter tot dan toe een onderzoek voerde, reeds een gerechtelijk onderzoek was ingesteld lastens de persoon die voorrecht van rechtsmacht geniet, nu aanhangigheid of samenhang vereist dat er twee strafvervolgingen hangende zijn en een voeging slechts kan gebeuren bij een reeds bestaand onderzoek dat er ten deze op het ogenblik van de opheffing van het mandaat van de kamervoorzitter-onderzoeksrechter nog niet was.

Het hof vermag als vonnisgerecht niet te oordelen over de beslissingen van de onderzoeksgerechten.

Geen enkele wettelijke bepaling vereist dat al een gerechtelijk onderzoek lastens de titularis van het voorrecht van rechtsmacht moet zijn gevorderd vooraleer de onderzoeksrechter in de andere zaak van het onderzoek kan worden ontlast.

De kamer van inbeschuldigingstelling mocht op 13.04.2004 trouwens - gelet op de termen waarin de vordering van de procureur-generaal tot ontlasting van de onderzoeksrechter was gesteld - geredelijk aannemen dat de procureur-generaal onverwijld de nodige vordering zou nemen om, in het onderzoek waarin de ontlasting van de onderzoeksrechter werd gevorderd, een gerechtelijk onderzoek inzake voorrecht van rechtsmacht lastens [...] in te stellen, vordering die op 14.04.2004 effectief werd genomen (zie kaft 018, subkaft I.I. ¿voorrecht van rechtsmacht¿, stuk 11).


7.11. De middelen van de beklaagde, [...], in haar conclusie neergelegd op de terechtzitting van 23 mei 2007 wat betreft de niet-toelaatbaarheid en ontvankelijkheid van de strafvordering worden afdoende beantwoord onder rubriek 4.1. van dit arrest. Het hof verwijst naar zijn beslissing aldaar.

8. Wat betreft de conclusie die voor de beklaagde, [...], werd neergelegd op de terechtzitting van 30.05.2007

8.1. De beklaagde, [...], houdt op de blz. 4 t.e.m. 7 van zijn regelmatig ter terechtzitting dd. 30.05.2007 van het hof neergelegde conclusie voor dat de strafvordering onontvankelijk zou zijn, minstens dat de zaak niet in staat van wijzen is, en hij verwijst hierbij naar het (op 30.05.2007 nog hangende) hoger beroep dat [...] bij de kamer van inbeschuldigingstelling had ingesteld tegen de afwijzende beschikking dd. 30.03.2007 van kamervoorzitter-onderzoeksrechter Heimans, beroepsprocedure waarvan de beklaagde [...] beweert dat hij bij de afloop ervan belang heeft.

Het hof verwijst naar wat hoger werd gesteld met betrekking tot de procedure voorrecht van rechtsmacht alsmede naar wat dienaangaande werd geantwoord op de bemerkingen van de beklaagde [...]; voorts merkt het hof op dat de kamer van inbeschuldigingstelling zich bij arrest van 05.06.2007 zonder rechtsmacht heeft verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep van de [...]: er zijn dan ook geen redenen om de strafvordering onontvankelijk te verklaren noch om minstens te zeggen dat de zaak niet in staat van wijzen zou zijn.

8.2. In tweede instantie houdt de beklaagde [...] voor dat hij geen eerlijk proces zou krijgen wegens beweerde ¿onzekerheid¿ met betrekking tot de toepasselijke procedurele voorschriften inzake voorrecht van rechtsmacht, waardoor zijn rechten van verdediging onherstelbaar geschonden zouden zijn (zie de conclusie voor de beklaagde [...] zoals neergelegd ter terechtzitting dd. 30.05.2007, p. 8 t.e.m. 18).

Het hof is ter zake van oordeel dat er inzake voorrecht van rechtsmacht van enige ¿onzekerheid¿ of ¿onduidelijkheid¿ nopens de van toepassing zijnde voorschriften geen sprake is, en verwijst hierbij naar de geldende principes zoals deze hoger onder de rubriek 1 - inzonderheid sub 1.1.7 en 1.2 - werden uiteengezet.

8.3. Wat de door de beklaagde [...] geformuleerde prejudiciële vragen (conclusie neergelegd op de terechtzitting van 30.05.2007, p. 18-19, onder A en B) aan het grondwettelijk hof betreft verwijst het hof naar wat hoger werd gesteld ten aanzien van de beklaagde [...] en meer bepaald met betrekking tot het antwoord van het hof ten aanzien van de vierde en vijfde prejudiciële vraag, door [...] geformuleerd.

Het hof is dan ook van oordeel dat de artikelen 479 en volgende, alsook artikel 482bis van het Wetboek van strafvordering, in samenlezing met artikel 127 van het Wetboek van strafvordering, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet klaarblijkelijk niet schenden zodat er geen aanleiding is om de prejudiciële vragen voor te leggen aan het grondwettelijk hof.

8.4. De beklaagde stelt ten onrechte dat zijn rechten van verdediging zijn geschonden omdat het openbaar ministerie weigerde zijn verzoek tot buitenvervolgingstelling te beantwoorden:

§ geen enkele wettelijke bepaling verplicht het openbaar ministerie om, wanneer het rechtstreeks tot dagvaarding kan overgaan, zoals ter zake in de procedure voorrecht van rechtsmacht, voorafgaand aan de dagvaarding te motiveren waarom zij desgevallend tot vervolging wenst over te gaan noch het verzoek tot een buitenvervolgingstelling te beantwoorden;

§ het openbaar ministerie kan zijn motieven om te vervolgen op grond van de in de dagvaarding omschreven feiten uiteenzetten bij de behandeling ten gronde en de beklaagde kan op dat ogenblik zijn verweer organiseren, zodat zijn rechten van verdediging ten volle zijn gewaarborgd.

De door de beklaagde geformuleerde prejudiciële vraag onder C van zijn conclusie neergelegd op 30.05.2007, p. 19, berust op een verkeerde interpretatie van de bepalingen van de artikelen 28 quater en 479 e.v. van het Wetboek van strafvordering, zodat het antwoord op de vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen en er geen aanleiding is om de prejudiciële vraag voor te leggen aan het grondwettelijk hof.

8.5. Tenslotte voert de beklaagde, [...], aan dat zijn recht op inzage van het strafdossier in de voorliggende zaak in het gedrang zou komen, in die zin dat hij zich in conclusies niet beklaagt over een gebrekkig inzagerecht in het originele papieren strafdossier, maar wel over het gegeven dat hij zich niet kan verzoenen met bepaalde voorwaarden die (kennelijk door de Federale Overheidsdienst Justitie) gekoppeld worden aan de toegang tot de bestaande elektronische versie van het strafdossier.

In de huidige stand van de Belgische wetgeving kan het hof slechts vaststellen dat enkel de papieren versie van een strafdossier (zoals dit op de correctionele griffie wordt bewaard) mag aangezien worden als het eigenlijke en originele strafdossier waarop de beklaagde vrijelijk zijn inzagerecht kan en mag uitoefenen: de bepalingen van de wet dd. 10.07.2006 op de elektronische proces-voering (BS, 07.09.2006) voorzien onder hoofdstuk III weliswaar in de invoering van een officieel elektronisch strafdossier alsook in een regeling betreffende het recht op inzage en kopie, doch diezelfde bepalingen zijn bij gebrek aan de nodige uitvoeringsbesluiten nog niet in werking getreden.

Het inzagerecht van de beklaagden is als fundamenteel onderdeel van het recht op verdediging en op een eerlijk proces in deze zaak dan ook genoegzaam gewaarborgd door de mogelijkheid om het (papieren) dossier in te zien ter


griffie, en bijkomend door de mogelijkheid om van het strafdossier ook een gewoon afschrift te bekomen; dit inzagerecht geldt eveneens voor de proces-stukken die er sedert de inleidingszitting dd. 21.05.2007 aan toegevoegd worden (zoals de akten en stavingstukken van de burgerlijke partijen).

9. Wat betreft de conclusies die voor de beklaagde [...] (in faling) werden neergelegd op de terechtzittingen van resp. 31.05.2007 en 13.06.2007

Ter zake verwijst het hof naar de overwegingen zoals uiteengezet onder rubriek 1 van dit arrest, overwegingen die de middelen van de voornoemde beklaagde afdoende weerleggen.

Het hof besluit dan ook dat de artikelen 479 tot 503bis, 61 quinquies en 127 van het Wetboek van strafvordering de artikelen 12, 2° lid en 14 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 EVRM, artikel 7 BUPO-Verdrag en de artikelen 33, 108 en 159 van de Grondwet klaarblijkelijk niet schenden zodat er geen aanleiding is om de door de voornoemde beklaagde geformuleerde prejudiciële vraag voor te leggen aan het grondwettelijk hof.

10. Wat betreft de conclusies die voor de beklaagde, [...], werden neergelegd op de terechtzittingen van resp. 21.05.2007 en 31.05.2007

10.1. Wat betreft de beweerde schorsende werking van de voorziening in cassatie zoals door de beklaagde, [...], ingesteld tegen het arrest dd. 15.05.2007 van de kamer van inbeschuldigingstelling

Het voorwerp van het verzoek, dat door de beklaagde, [...], op 04.04.2007 aan de kamer van inbeschuldigingstelling werd gericht, behoort op zich onbetwistbaar tot de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling, namelijk de controle op langdurige onderzoeken.

Ten deze kon de kamer van inbeschuldigingstelling echter geen kennis nemen van het verzoek gelet op de aard van het onderzoek; het betrof immers een onderzoek inzake voorrecht van rechtsmacht, waarbij de tussenkomst van de onderzoeksgerechten is uitgesloten (zie hoger, rubriek 1).

Met betrekking tot de bevoegdheid dient nog het volgende te worden opgemerkt:

§ het woord ¿bevoegdheid¿ zoals bepaald in artikel 416 lid 2 van het Wetboek van strafvordering moet volgens de recente rechtspraak van het hof van cassatie strikt worden geïnterpreteerd; het moet gaan om een uitspraak die inhoudt dat de rechter zich de bevoegdheid van een andere rechtsinstantie heeft aangematigd;

§ artikel 416 lid 2 van het Wetboek van strafvordering is, wat de onmiddellijke mogelijkheid tot het instellen van een voorziening in cassatie betreft ingeval van een opgeworpen of ambtshalve verklaarde onbevoegdheid, van toepassing wanneer de beslissing met zich meebrengt dat daaruit een conflict van rechtsmacht kan ontstaan waaraan enkel met een regeling van een rechtsgebied een einde kan worden gesteld; het voorzien in de wet van een onmiddellijke voorziening in cassatie strekt er immers toe bevoegdheidsconflicten en gevallen van regeling van rechtsgebied te vermijden;

§ om uit te maken of werkelijk een beslissing inzake bevoegdheid in de zin van artikel 416 lid 2 van het Wetboek van strafvordering voorligt moet worden gekeken naar het werkelijk voorwerp van de beslissing en moet worden voorbijgegaan aan de termen die door de bestreden beslissing worden gehanteerd;

§ de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling van 15 mei 2007 is naar het oordeel van het hof geen beslissing inzake bevoegdheid zoals bedoeld bij artikel 416 lid 2 van het Wetboek van strafvordering; die beslissing is geen verwijzingsbeslissing; dit hof, eerste kamer, is bij toepassing van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering bevoegd om kennis te nemen van de zaak; de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling heeft geen gevolgen voor de bevoegdheid van dit hof: zij brengt geen bevoegdheidsconflict met zich mee dat enkel door een regeling van de rechtspleging kan worden opgelost;

§ zoals hoger werd uiteengezet hebben de onderzoeksgerechten geen bevoegdheid om te oordelen over een gerechtelijk onderzoek gevoerd in het kader van de procedure inzake voorrecht van rechtsmacht aangezien de strafvordering niet in werking wordt gesteld door de vordering tot het aanstellen van een raadsheer-onderzoeksrechter; artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering is derhalve in het kader van de procedure voorrecht van rechtsmacht niet van toepassing;

§ de door de beklaagde, [...], ingestelde voorziening in cassatie komt bijgevolg manifest onontvankelijk voor, zodat er geen redenen zijn om de verdere behandeling van de zaak voor het hof te schorsen; de goede rechtsbedeling vereist een dergelijke schorsing evenmin.

10.2. Wat betreft de beweerde nietigheid van de rechtstreekse dagvaarding

Het hof verwijst naar wat hoger werd gesteld met betrekking tot de procedure voorrecht van rechtsmacht en de restricties ingevolge het prerogatief van de procureur-generaal, waaruit voortvloeit dat de onderzoeksgerechten niet tussen-komen; het middel dat uitgaat van een zogenaamde schending van het verbod tot onttrekking van de zaak aan een rechter faalt dan ook naar recht.

Om dezelfde redenen is er geen aanleiding om de strafvervolging lastens de beklaagde [...] af te splitsen, zoals door deze laatste gevraagd in zijn regelmatig ter terechtzitting dd. 31.05.2007 van het hof neergelegde conclusie.

10.3. Wat betreft de beweerde onherstelbare schending van de rechten van verdediging wegens laattijdigheid van de inverdenkingstelling

Het hof voegt de beoordeling omtrent dit middel bij de beslissing over de grond van de zaak.

11. Wat betreft de conclusie die voor de beklaagde, [...], werd neergelegd op de terechtzitting van 21.05.2007

11.1. De voornoemde beklaagde houdt in zijn regelmatig ter buitengewone en openbare terechtzitting dd. 21.05.2007 van dit hof neergelegde conclusie voor dat hij de in de dagvaarding weerhouden samenhang tussen de betichtingen lastens hemzelf en de betichtingen lastens de beklaagde [...] (drager van het voorrecht van rechtsmacht) betwist.

Bevoegdheid op grond van samenhang wordt niet beoordeeld op het ogenblik waarop de zaak wordt aanhangig gemaakt; de vraag naar het al dan niet bestaan van samenhang tussen misdrijven raakt immers de grond van de zaak zodat het thans voorbarig is om er reeds - op een ogenblik dat het debat ten gronde nog geen aanvang heeft genomen - over te beslissen.

De beslissing met betrekking tot dit onderdeel van de betwisting wordt door het hof dan ook bij de beslissing over de grond van de zaak gevoegd.

11.2. Tenslotte verzoekt de beklaagde [...] om de zaak voor behandeling ten gronde uit te stellen voor een periode van twee jaar teneinde zichzelf en zijn raadslieden de mogelijkheid te geven het strafdossier in zijn totaliteit te kunnen lezen.

Er zijn echter geen redenen om op dergelijke vraag in te gaan:

§ de beklaagde, [...], werd door de Kamervoorzitter-onderzoeksrechter op 20.03.2003 in verdenking gesteld; op datum van 30.03.2004 werd dezelfde beklaagde uit hoofde van een aantal bijkomende tenlasteleggingen aanvullend in verdenking gesteld (onderdeel I.C.2.B, kaft 009, farde ¿inverdenkingstelling [...]¿);

§ het openbaar ministerie wijst er terecht op dat de beklaagde, [...], reeds vanaf 20.03.2003 in de mogelijkheid werd gesteld om toelating tot inzage in het strafdossier te vragen, maar steeds heeft nagelaten (in tegenstelling tot verschillende van zijn medebeklaagden) dergelijk verzoek in te dienen;

§ het openbaar ministerie wijst er verder terecht op dat de beklaagde [...] ten laatste eind oktober 2006 in de mogelijkheid werd gesteld om zich een kopie van het eigenlijke strafdossier te doen bezorgen doch dat hij van dergelijke mogelijkheid pas in april 2007 heeft gebruik gemaakt, hetgeen door de voornoemde beklaagde overigens niet wordt tegengesproken.

Waar de beklaagde, [...], zodus tijdens een periode van 4 jaar (met aanvang vanaf datum van zijn eerste inverdenkingstelling) heeft nagelaten om inzage in het strafdossier te vragen en zodoende zelf de voorbereiding van zijn verdediging op de lange baan heeft geschoven is hij thans slecht geplaatst om aan dit hof een langdurig uitstel van behandeling te vragen teneinde alsnog kennis te kunnen nemen van het strafdossier.

Bovendien houdt het hof bij zijn beslissing rekening met het gegeven dat het procesverloop - gelet op de complexiteit van de zaak - kennelijk nog verschillende maanden in beslag zal nemen zodat de beklaagde, [...], hoe dan ook voldoende mogelijkheid zal bekomen om zijn verdediging naar behoren voor te bereiden.

12. Wat betreft de conclusies die door het openbaar ministerie werden neergelegd op de terechtzitting van 13.06.2007 en die betrekking hebben op bepaalde overtuigingsstukken die thans berusten onder strafrechtelijk beslag bij KPMG

De zaak is wat deze vordering betreft nog niet in staat van wijzen vermits partijen nog in de mogelijkheid moeten gesteld worden om ter zake standpunt in te nemen tijdens een tegensprekelijk debat.

Dit arrest is er geen van veroordeling, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging noch een over de burgerlijke vordering. Teneinde de verdere afhandeling van de strafvordering niet nodeloos te vertragen komt het noodzakelijk voor het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niettegenstaande iedere voorziening.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF, rechtdoende op tegenspraak ten aanzien van alle beklaagden,

Gelet op:

- de artikelen 14, 25, 37, 40 en 41 van de Wet van 15 juni 1935,

Al deze wetsbepalingen ter terechtzitting van heden aangehaald.

Verbetert de dagvaarding zoals hiervoor vermeld wat de voornaam van de 19° beklaagde, [...], betreft.

Vooraleer ten gronde te oordelen:

- wat betreft het verzoek tot aanstelling van een deskundige zoals geformuleerd in de conclusie voor de beklaagde [...]:

stelt, vooraleer te oordelen over het voormeld verzoek, aan als deskundige:

dhr.X,

met opdracht:

· de beklaagde, [...], en zijn raadslieden, alsook het openbaar ministerie, minstens acht dagen op voorhand, bij aangetekend schrijven te verwittigen van plaats, datum en uur waarop de verrichtingen zullen worden aangevat, en hen alsdan ter zake te horen;

· meer bepaald de beklaagde, [...], en/of zijn raadslieden te horen omtrent de precieze en concrete aard van de technische verrichtingen en/of bewerkingen die de eerst genoemde wenst uitgevoerd te zien op de verschillende onderdelen van het overtuigingstuk 01/895, en voorts deskundig advies te verlenen nopens de concrete haalbaarheid van die verrichtingen en/of bewerkingen en alle dienstige inlichtingen ter zake te verstrekken;

· van zijn besluitvorming een voorverslag op te stellen en dit mee te delen aan de raadslieden van de beklaagde, [...], en aan het openbaar ministerie, met verzoek hun nuttige opmerkingen op de inhoud van dit voorverslag te willen formuleren;

· de opmerkingen van de in de vorige alinea vernoemde partijen op zijn voorverslag op te tekenen en te beantwoorden in een met redenen omkleed en van de eed (artikel 44 van het Wetboek van strafvordering) voorzien eindverslag, welk in twee ondertekende exemplaren tegen uiterlijk 1 oktober 2007 zal worden neergelegd ter correctionele griffie van het Hof van Beroep te Gent;

. wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusies voor de beklaagde [...]:

· voegt de beslissing over het opgeworpen middel van onontvankelijkheid van de strafvordering ingevolge beweerde miskenning van de procedure van voorrecht van rechtsmacht bij de beslissing over de grond van de zaak (zie rubriek 3.1 van dit arrest);

· wijst het opgeworpen middel van onrechtmatigheid van de huiszoeking dd. 21.04.2004 af als ongegrond (zie rubriek 3.2 van dit arrest);

. wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusies voor de beklaagde [...]:

· wijst de opgeworpen middelen af als ongegrond (zie rubrieken 4.1 en 4.2 van dit arrest), ter uitzondering van de middelen zoals ontwikkeld in de ¿tweede conclusie¿ neergelegd op de terechtzitting dd. 30.05.2007 en waaromtrent de beoordeling wordt gevoegd bij de beslissing over de grond van de zaak;

. wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusie voor de beklaagden [...]:

· voegt de beoordeling bij de beslissing over de grond van de zaak (zie rubriek 5 van dit arrest);

. wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusies voor de beklaagde [...]:

· wijst de opgeworpen middelen af als ongegrond (zie rubriek 6 van dit arrest);

. wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusies voor de beklaagde/burgerlijke partij [...]:

· voegt de beoordeling omtrent het al dan niet voorleggen van de door de voornoemde beklaagde (in haar ter zitting dd. 31.05.2007 neergelegde conclusie, p. 41-42) geformuleerde zevende en achtste prejudiciële vraag aan het grondwettelijk hof, bij de beslissing over de grond van de zaak (zie rubriek 7.8 van dit arrest);

· wijst de overige opgeworpen middelen af als ongegrond (zie de rubrieken 7.1 t.e.m. 7.7, alsook 7.9 t.e.m. 7.11 van dit arrest);

. wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusie voor de beklaagde [...]:

· wijst de opgeworpen middelen af als ongegrond (zie rubriek 8 van dit arrest);

. wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusies voor de beklaagde [...] (in faling):

· wijst de opgeworpen middelen af als ongegrond (zie rubriek 9 van dit arrest);

. wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusies voor de beklaagde [...]:

· voegt de beoordeling over de opgeworpen middelen met betrekking tot de beweerde onherstelbare schending van de rechten van verdediging wegens beweerde laattijdigheid van de inverdenkingstelling bij de beslissing over de grond van de zaak (zie rubriek 10.3 van dit arrest);

· wijst de overige opgeworpen middelen af als ongegrond (zie rubrieken 10.1 en 10.2 van dit arrest) en zegt dan ook voor recht dat er geen aanleiding is om de behandeling van de zaak te schorsen in afwachting van de uitspraak van het hof van cassatie over de voorziening die de beklaagde, [...], heeft ingesteld tegen het arrest dd. 15.05.2007 van dit hof, kamer van inbeschuldigingstelling;

. wat betreft de exceptionele verweermiddelen zoals ontwikkeld in de conclusie voor de beklaagde [...]:

· zegt dat er geen reden is om de behandeling van de zaak op lange termijn uit te stellen (zie rubriek 11.2 van dit arrest);

· voegt de beoordeling over het middel zoals door de voornoemde beklaagde ontwikkeld onder de rubriek 1 van zijn ter zitting dd. 21.05.2007 neer-gelegde conclusie bij de beslissing over de grond van de zaak (zie rubriek 11.1 van dit arrest).

. wat betreft de vordering van het openbaar ministerie nopens bepaalde overtuigingsstukken die thans berusten onder strafrechtelijk beslag bij KPMG, zoals geformuleerd in de conclusies neergelegd ter zitting dd. 13.06.2007:

· zegt voor recht dat de zaak op dit punt niet in staat van wijzen is (zie rubriek 12 van dit arrest);

Houdt de beslissing over de kosten aan.

Stelt de verdere behandeling van de zaak uit naar de buitengewone en openbare terechtzitting van maandag 1 oktober 2007, om 09.00 uur, in het International Convention Center (ICC), Citadelpark te Gent.

Verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande iedere voorziening.

Nog dit: 

Voorrecht van rechtsmacht beschermt ambt en niet de persoon

• Cassatie 7 mei 2014, P.14.0248.F, RW 2015-2016, 264

samenvatting:

De grondwetgever en de wetgever hebben niet de persoon van de minister maar het ministerieel ambt willen beschermen en, meer nog dan het ambt, de hele regering als instelling. Het in het gedrang brengen van de ministeriële verantwoordelijkheid is aan voorwaarden onderworpen die rechtstreeks met die doelstelling verband houden. Zoals voor elke van het gemene recht afwijkende regeling dienen die voorwaarden strikt te worden uitgelegd.

De rechter beoordeelt in feite of de misdrijven al dan niet in de uitoefening van het ministerieel ambt zijn gepleegd (en bovendien verband houden met het ambt: Cass. 13 juni 1910, Pas. 1910, I, 341; Cass. 4 november 1959, Pas. 1960, I, 266; Cass. 12 januari 1988, Arr.Cass. 1987-88, nr. 288; Cass. 19 februari 1883, Pas. 1883, I, 40; J. Constant, o.c., nrs. 106, 112 en 125).

tekst arrest:

J.-Cl.V.C., F.L. en NV S.B.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Bergen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 december 2013.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

A. Cassatieberoep van J.-Cl.V.C.

Middel

Ingevolge eisers aanhangigmaking van de zaak met toepassing van art. 136, 235 en 235bis Sv. bij de kamer van inbeschuldigingstelling, verklaart het arrest dat de strafvordering regelmatig is ingesteld. Het beslist dat de feiten die de eiser ten laste zijn gelegd, gesteld dat ze bewezen zouden zijn, niet in de uitoefening van zijn ambt van minister-president van het Waalse Gewest werden gepleegd en dat de strafvordering tegen hem werd ingesteld nadat hij dat ambt uitoefende.

Het middel voert de schending aan van art. 103 en 125 Gw. en art. 2 en 3 van de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering.

...

Art. 125 Gw. en art. 2 en 3 van de voormelde bijzondere wet regelen de berechting van de leden van een gemeenschaps- of gewestregering. Daartoe maken ze een onderscheid tussen misdrijven die in dan wel buiten de uitoefening van hun ambt zijn gepleegd.

Het middel verwijt het arrest dat het het begrip uitoefening van het ambt van minister te eng interpreteert. Het voert aan dat de activiteit van een minister verder reikt dan zijn louter regelgevende of wetgevende taak en met name een vertegenwoordigende opdracht en beheersopdracht en zelfs het nemen van zuiver politieke beslissingen omvat. Volgens de eiser moet de minister aldus onderworpen zijn aan de specifieke regeling van strafrechtelijke verantwoordelijkheid telkens als hij tussenbeide komt in het beheer en het bestuur van de Staat.

De grondwetgever en de wetgever hebben niet de persoon van de minister maar het ministerieel ambt willen beschermen en, meer nog dan het ambt, de hele regering als instelling. Het in het gedrang brengen van de ministeriële verantwoordelijkheid is aan voorwaarden onderworpen die rechtstreeks met die doelstelling verband houden. Zoals voor elke van het gemene recht afwijkende regeling dienen die voorwaarden strikt te worden uitgelegd.

De rechter beoordeelt in feite of de misdrijven al dan niet in de uitoefening van het ministerieel ambt zijn gepleegd. Het Hof is niet bevoegd om de door het middel aangevoerde feitelijke gegevens te onderzoeken. Het vermag alleen na te gaan of de conclusie die de rechter uit zijn vaststellingen trekt, het begrip uitoefening van het ministerieel ambt in de zin van de voormelde grondwettelijke bepaling en wetsbepaling niet miskent.

Met overneming van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie stelt het arrest met name vast dat bij de onderzoeksrechter feiten van valsheid en verduistering aanhangig waren gemaakt, gepleegd door mede in verdenking gestelde ambtenaren, en vervolgens feiten van corruptie van laatstgenoemden, bij de toekenning van een overheidsopdracht door de stad waarvan de eiser gemeenteraadslid was. Het arrest vermeldt ook dat het gerechtelijk onderzoek eveneens betrekking heeft op onregelmatigheden bij de betaling van een van de aanbestedende overheid gevorderde vergoeding met betrekking tot de uitvoering van die opdracht. Met overneming van de redenen van die vordering heeft het hof van beroep voorts verwezen naar het optreden van de eiser die, ofschoon hij vaak als minister-president werd vermeld, namelijk zijn hoogste ambtstitel, destijds ook gemeenteraadslid en voorzitter van een politieke vereniging van de betreffende stad was. De appelrechters hebben ten slotte, in navolging van het openbaar ministerie, vastgesteld dat noch het Waalse Gewest noch de Waalse Regering in het litigieuze dossier zijn tussengekomen.

De kamer van inbeschuldigingstelling, die aldus heeft geoordeeld dat de ten laste gelegde feiten, gesteld dat ze bewezen zijn, voortvloeien uit het bijkomend door de eiser uitgeoefende gemeentelijk mandaat, verantwoordt haar beslissing naar recht dat laatstgenoemde er te dezen nooit van werd verdacht enig strafbaar feit te hebben gepleegd in zijn hoedanigheid van minister en dat het hem betreffende gerechtelijk onderzoek bijgevolg regelmatig was.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

...


Voorrang van rechtsmacht bijzondere regels t

1. Teneinde roekeloze, onverantwoorde of tergende vervolgingen tegen magistraten op gang te zien brengen

2. Vermijden dat zij te streng of met te veel toegevendheid worden berecht.

Grondwettelijk Hof 20 oktober 2016, NJW 352, 862

In zake: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 479 tot 482bis, 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel.

[ ... ]

1. ONDERWERP VAN DE PREJUDICIËLE VRAGEN EN RECHTSPLEGING

Bij arrest van 31 maart 2015 in zake het openbaar ministerie tegen O.L. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 april 2015, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld:

« 1. Schenden de artikelen 479 tot 482bis van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de daarin beoogde magistraten en hun mededaders en medeplichtigen het recht ontzeggen om de regelmatigheid van het te hunnen aanzien gevoerde onderzoek in de loop van dat onderzoek te laten controleren door de kamer van inbeschuldigingstelling, alsook het recht om, voor de kamer van inbeschuldigingstelling, beroepen in te stellen tegen beslissingen die zijn gewezen door de onderzoeksmagistraat op verzoekschriften die zij aan hem hebben gericht, terwijl de artikelen 6 en 29 van elk van beide wetten van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van [federale] ministers, enerzijds, en van die van leden van een gemeenschaps- of gewestregering, anderzijds, die rechten toekennen aan die laatstgenoemden, hun mededaders en hun medeplichtigen?

2. Schenden de artikelen 479, 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij bepalen dat, na afloop van een onderzoek dat is gevoerd ten aanzien van de daarin beoogde magistraten en hun mededaders en medeplichtigen, enkel de procureur-generaal, zonder optreden van de kamer van inbeschuldigingstelling, beslist over het gevolg dat moet worden gegeven aan de procedure, waardoor die magistraten, mededaders en medeplichtigen het voordeel wordt ontzegd van de regel op grond waarvan elk onderzoek aanleiding geeft tot een beoordeling van de bezwaren door een onderzoeksgerecht (regeling van rechtspleging), terwijl, voor de [federale] ministers en de leden van een gemeenschaps- of gewestregering, hun mededaders en medeplichtigen, de wetten van 25 juni 1998 tot regeling van hun strafrechtelijke verantwoordelijkheid, in de artikelen 9, 16 en 29 ervan, in een dergelijke regeling van rechtspleging voorzien? ».

[ ... )

III. IN RECHTE

[ ... )

Ten aanzien van de excepties

B.3.1. De Ministerraad voert aan dat de tweede prejudiciële vraag geen antwoord behoeft in zoverre zij bepalingen beoogt die kennelijk niet van toepassing zijn op het voor de verwijzende rechter hangende geschil. Hij voert eveneens aan dat het antwoord op de prejudiciële vragen kennelijk niet nuttig is om het geschil op te lossen in zoverre zij de andere magistraten dan die van het hof van beroep beogen.

B.3.2. Het staat aan de verwijzende rechter de bepalingen vast te stellen die op het aan hem voorgelegde geschil van toepassing zijn; de partijen zijn niet ertoe gemachtigd die keuze ter discussie te stellen voor het Hof. Het Hof zou zich overigens enkel van een antwoord op de gestelde vraag kunnen onthouden indien het antwoord op die vraag klaarblijkelijk niet nuttig zou zijn voor de oplossing van dat geschil.

B.3.3. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt duidelijk dat de misdrijven die de plaatsvervangende magistraat worden verweten, betrekking hebben op handelingen die zijn verricht buiten de uitoefening van zijn ambt. Aangezien de artikelen 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering de procedure betreffen die van toepassing is op de magistraat, evenals op zijn mededaders en medeplichtigen, die ervan wordt beschuldigd tijdens de uitoefening van zijn ambt een misdrijf te hebben gepleegd, staan die bepalingen los van de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten.

Het blijkt dus dat de in de tweede prejudiciële vraag in het geding zijnde artikelen 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering niet van toepassing zijn op het voor de verwijzende rechter hangende geschil, zodat het antwoord op die vraag, in zoverre zij die bepalingen beoogt, kennelijk niet nuttig is voor de oplossing van dat geschil.

B.3.4. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord in zoverre zij de artikelen 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering beoogt.

B.3.5. Zoals de Ministerraad overigens opmerkt, betreft het voor de verwijzende rechter hangende geschil een plaatsvervangende raadsheer van een hof van beroep. Op de leden van de hoven van beroep zijn echter specifieke regels van toepassing. Het Hof beperkt het onderzoek van de in het geding zijnde bepalingen derhalve tot die magistraten.

B.4.1. De betrokken plaatsvervangende raadsheer bij het hof van beroep, zevende beklaagde voor de verwijzende rechter, merkt in zijn memorie op dat de plaatsvervangende magistraten niet zijn opgenomen in de exhaustieve opsomming van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering, zodat het daarin bepaalde « voorrecht van rechtsmacht » niet van toepassing zou zijn op die categorie van magistraten en, bijgevolg, de twee prejudiciële vragen zonder voorwerp zouden moeten worden verklaard.

B.4.2. Artikel 479 van het Wetboek van strafvordering bepaalt welke magistraten onder de bijzondere rechtspleging ressorteren die het « voorrecht van rechtsmacht » inhoudt, zoals geregeld in de artikelen 479 en verder van dat Wetboek.

Ofschoon de plaatsvervangende raadsheren bij het hof van beroep niet uitdrukkelijk in die bepaling worden vermeld, wordt aangenomen dat het « voorrecht van rechtsmacht » van toepassing is op de plaatsvervangende magistraten onder dezelfde voorwaarden als op de in artikel 479 vermelde werkende magistraten (Cass., 7 april 1975, Arr.Cass., 1975, 2, p. 852; Cass., 29 november 2011, Arr.Cass., 2011, nr. 650; Cass., 12 maart 2013, Arr.Cass., 2013, nr. 174).

[ ... ]

Ten gronde

B.5.1. De artikelen 479 tot 503bis van het Wetboek van strafvordering voorzien in een van het gemeen strafprocesrecht afwijkende rechtspleging voor de misdrijven gepleegd door de magistraten en door bepaalde andere ambtsdragers. Die bijzondere rechtspleging die het zogenaamde « voorrecht van rechtsmacht » inhoudt, is ingesteld met het oog op het verzekeren van een onpartijdige en serene rechtsbedeling ten aanzien van die. personen. De bijzondere regels op het gebied van onderzoek, vervolging en berechting beogen te vermijden dat, enerzijds, roekeloze, onverantwoorde of tergende vervolgingen jegens de betrokken personen op gang zouden worden gebracht en, anderzijds, diezelfde personen hetzij te streng, hetzij met te veel toegevendheid zouden worden behandeld.

B.5.2. Krachtens het in het geding zijnde artikel 479 van het Wetboek van strafvordering is uitsluitend de procureurgeneraal bij het hof van beroep bevoegd om de strafvordering op gang te brengen lastens de in die bepaling beoogde magistraten die ervan worden verdacht een wanbedrijf of een misdaad te hebben gepleegd.

Wanneer de procureur-generaal bij het hof van beroep een gerechtelijk onderzoek wenselijk acht, vordert hij de eerste voorzitter van het hof van beroep om de magistraat aan te wijzen die het ambt van onderzoeksrechter zal uitoefenen (artikel 480 van het Wetboek van strafvordering en Cass., 31 juli 1882, Pas. 1882, I, 332). Hoewel artikel 480 enkel de misdaden betreft, wordt aangenomen dat een gerechtelijk onderzoek onder dezelfde voorwaarden mogelijk is voor een wanbedrijf(Cass., 31 juli 1882, Pas. 1882, I, 332). Na afloop van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek beslist uitsluitend de procureur-generaal, zonder tussenkomst van een onderzoeksgerecht, over het gevolg dat aan de procedure moet worden gegeven. Hij kan daarbij een beslissing tot niet-vervolging nemen, dan wel, wanneer hij van mening is dat er voldoende bezwaren bestaan, de zaak bij rechtstreekse dagvaarding bij het hof van beroep aanhangig maken, dat uitspraak doet in eerste en laatste aanleg. Enkel wanneer de procureur-generaal meent dat de zaak moet worden verwezen naar het Hof van Assisen, dient hij overeenkomstig het gemeen recht de regeling van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling te vorderen (de artikelen 217 en volgende van het Wetboek van strafvordering).

B.5.3. Er is voorzien in extra waarborgen voor de magistraten van de hoven van beroep.

Het in het geding zijnde artikel 481 van het Wetboek van strafvordering bepaalt aldus dat de aangiften of de klachten die worden ontvangen inzake een wanbedrijf of misdaad dat door een magistraat van het hof van beroep buiten de uitoefening van zijn ambt zou zijn gepleegd, dadelijk worden overgezonden aan de minister van Justitie. Afschriften van de reeds verrichte onderzoekshandelingen moeten eveneens aan de minister worden toegezonden.

Die laatste bezorgt de stukken vervolgens aan het Hof van Cassatie dat, uitspraak doende in raadkamer, beslist over het gevolg dat aan de procedure moet worden gegeven (artikel 482 van het Wetboek van strafvordering). Het kan aldus beslissen dat de zaak niet moet worden verwezen gelet op de ontstentenis van een misdrijf of van toereikende bezwaren (Cass., 5 februari 2002, Arr.Cass., 2002, nr. 88). Het kan eveneens beslissen dat bijkomend onderzoek noodzakelijk is en de zaak verwijzen naar de eerste voorzitter van een ander hof van beroep dan dat van het rechtsgebied van de betrokken magistraat, opdat die een magistraat aanwijst die het ambt van onderzoeksrechter zal uitoefenen (Cass., 21 juni 1995, Arr. Cass., 1995, nr. 320). Ten slotte kan het Hof van Cassatie de zaak rechtstreeks verwijzen naar het hof van beroep van een ander rechtsgebied dan dat waartoe de betrokken magistraat behoort, of in voorkomend geval, naar de kamer van inbeschuldigingstelling van een ander hof van beroep wanneer de zaak wordt verwezen naar het Hof van Assisen.

[ ... )

B.6.1. De wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers en de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering (hierna: de gewone en bijzondere wet van 25 juni 1998) voorzien in een bijzondere rechtspleging voor de misdrijven gepleegd door ministers in de uitoefening van hun ambt dan wel buiten de uitoefening van hun ambt maar berecht tijdens de uitoefening daarvan.

Bij de aanneming van de regels inzake het « voorrecht van rechtsmacht » van de ministers heeft de wetgever het reeds bestaande stelsel van het « voorrecht van rechtsmacht » van de magistraten willen overnemen:[ ... )

B.6.2. Hoewel de wetgever de stelsels van het « voorrecht van rechtsmacht » die van toepassing zijn op de magistraten en de ministers aldus op elkaar heeft willen afstemmen, bestaan er aanzienlijke verschillen tussen beide stelsels wat de regels inzake het strafrechtelijk onderzoek betreft.

Weliswaar wordt ook voor de ministers aan de procureur-generaal bij het hof van beroep de bevoegdheid voorbehouden om de strafvordering op gang te brengen, wordt het gerechtelijk onderzoek gevoerd door een magistraat die wordt aangewezen door de eerste voorzitter van het bevoegde hof van beroep en is uitsluitend dat hof van beroep bevoegd om de ministers in eerste en laatste aanleg te berechten (artikelen 103, vierde lid en 125, vierde lid, van de Grondwet en artikelen 3 en 4 van de gewone en bijzondere wet van 25 juni 1998). Anders evenwel dan voor de magistraten, wordt voor de ministers na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek voorzien in een regeling van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling van het bevoegde hof van beroep, die kan beslissen dat er geen reden tot vervolging is, bijkomende onderzoekshandelingen kan bevelen of de zaak kan verwijzen naar het bevoegde hof van beroep (artikelen 9 en 16 van de gewone en bijzondere wet van 25 juni 1998). Voorts dient de procureurgeneraal bij het hof van beroep, zowel voor de vordering tot regeling van de rechtspleging als voor de rechtstreekse dagvaarding, het voorafgaandelijk verlof te verkrijgen van het parlement waaraan de minister verantwoording verschuldigd is of was (artikelen 10, 11 en 13 van de gewone en de bijzondere wet van 25 juni 1998).

[ ... )

B.8. Het staat in beginsel aan de wetgever te beslissen voor welke openbare ambten regels moeten worden vastgesteld die afwijken van de gewone regels van de strafrechtspleging teneinde de doelstellingen van algemeen belang te bereiken zoals die welke in B.5.1 zijn vermeld.

Het feit dat is voorzien in verschillende procedureregels in het kader van het stelsel van het « voorrecht van rechtsmacht » voor de magistraten en de ministers, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.9. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld, vormt het feit dat de Staten doorgaans « voorrechten van rechtsmacht » aan de magistraten verlenen, sinds lang een praktijk die de goede werking van het gerecht moet verzekeren. Meer in het bijzonder betreffende de specifieke regels in België inzake het onderzoek, de vervolging en de berechting die het « voorrecht van rechtsmacht » impliceert, heeft het Europees Hof onderstreept dat die regels ertoe strekken te voorkomen dat, enerzijds, roekeloze, onverantwoorde of tergende vervolgingen zouden worden ingesteld tegen de personen op wie die regeling van toepassing is en, anderzijds, diezelfde personen te streng of met te veel toegevendheid zouden worden behandeld. Volgens het Europees Hof dienen dergelijke doelstellingen legitiem te worden bevonden (EHRM, 15 oktober 2003, Ernst en anderen t. België, § 50).

Het Europees Hof heeft overigens geoordeeld dat het « voorrecht van rechtsmacht» dat door de nationale overheden is geregeld, niet in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag op voorwaarde dat de gewaarborgde rechten, die de begunstigde worden ontzegd, op redelijke wijze worden gecompenseerd door andere middelen (EHRM, 15 oktober 2003, Ernst en anderen t. België, § 53; 30 april 2003, Cordovat. Italië, § 65). Bijgevolg onderzoekt het Hof beide prejudiciële vragen tesamen.

B.10.1. In afwijking van het gemeen strafprocesrecht voorzien de in het geding zijnde bepalingen voor de magistraten van de hoven van beroep niet in de tussenkomst van een onderzoeksgerecht om, in de loop van het gerechtelijk onderzoek, toezicht te houden op de regelmatigheid van de rechtspleging en als beroepsinstantie uitspraak te doen over beslissingen van de als onderzoeksrechter aangewezen magistraat en om, bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, de rechtspleging te regelen.

B.10.2. Gelet op de logica van het geldende stelsel, waarbij niet is voorzien in een mogelijkheid van beroep tegen de door het hof van beroep gewezen beslissing, is het niet zonder redelijke verantwoording dat de wetgever evenmin heeft voorzien in een mogelijkheid van beroep tegen de beslissingen genomen door de als onderzoeksrechter aangewezen magistraat op de aan hem gerichte verzoeken.

De wetgever vermocht ervan uit te gaan dat, wat de magistraten van de hoven van beroep betreft, voldoende waarborgen worden geboden door het feit dat het ambt van onderzoeksrechter wordt uitgeoefend door een magistraat die daartoe is aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep van een ander rechtsgebied dan het hunne, door het feit dat zij worden berecht door de hoogste feitenrechter die behoort tot een ander rechtsgebied dan het hunne, en door de tussenkomst van het Hof van Cassatie dat moet beslissen over het gevolg dat aan de procedure moet worden gegeven. Zoals is vermeld in B.5.3, kan het Hof van Cassatie, uitspraak doende in raadkamer, daarbij beslissen dat er geen reden tot vervolging is, dan wel de zaak rechtstreeks verwijzen naar het hof van beroep indien er voldoende bezwaren zijn, of nog, bijkomende onderzoekshandelingen vorderen.

Aldus wordt aan de magistraten bij de hoven van beroep de waarborg geboden dat het Hof van Cassatie, zoals een onderzoeksgerecht in de gemeenrechtelijke strafprocedure, overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en

de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt.

B.11.1. Uit de rechtspleging in de zaak voor het verwijzende rechtscollege blijkt evenwel dat, wanneer het Hof van Cassatie bijkomend onderzoek heeft gevorderd en de zaak te dien einde heeft verwezen naar de eerste voorzitter van een ander hof van beroep dan dat van het rechtsgebied van de betrokken magistraat opdat die een onderzoeksmagistraat aanwijst, de procureur-generaal bij dat hof van beroep bevoegd wordt geacht om bij het afsluiten van het gevorderde onderzoek te beslissen of de zaak al dan niet naar het vonnisgerecht moet worden verwezen, zonder dat ter zake een nieuwe beslissing van het Hof van Cassatie vereist is.

In zoverre er aldus bij het afsluiten van het door het Hof van Cassatie gevorderde onderzoek geen tussenkomst is van een gerechtelijk orgaan dat in het kader van een tegensprekelijke procedure overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt, wordt op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de betrokken magistraten bij de hoven van beroep en hun mededaders en medeplichtigen.

B.11.2. In de in B.11.1 vermelde interpretatie zijn de in het geding zijnde bepalingen niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en dienen de prejudiciële vragen bevestigend te worden beantwoord.

B.12. De in het geding zijnde bepalingen kunnen het voorwerp uitmaken van een andere interpretatie volgens welke de zaak, na het beëindigen van het door het Hof van Cassatie gevorderde onderzoek, aan dat Hof moet worden teruggezonden, waarvan de bevoegdheid in deze procedure vergelijkbaar is met die van een onderzoeksgerecht en dat in het kader van een tegensprekelijke procedure overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt.

De vervolgde magistraat bij het hof van beroep en zijn mededaders en medeplichtigen beschikken dus over de mogelijkheid om eventuele bezwaren, nietigheden of onregelmatigheden op te werpen en desgevallend het Hof van Cassatie te verzoeken om bijkomende rechtshandelingen te vorderen.

In die interpretatie zijn de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en dienen de prejudiciële vragen ontkennend te worden beantwoord.

OM DIE REDENEN, HET HOF

zegt voor recht:

1. - De artikelen 479 tot 4S2bis van het Wetboek van strafvordering schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die interpretatie dat de zaak, na het beëindigen van het door het Hof van Cassatie gevorderde onderzoek, niet aan dat Hof moet worden teruggezonden maar de procureur-generaal bij het hof van beroep alsdan bevoegd is om te beslissen of de zaak al dan niet naar het vonnisgerecht moet worden verwezen.

De artikelen 479 tot 4S2bis van het Wetboek van strafvordering schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in die interpretatie dat de zaak, na het beëindigen van het door het Hof van Cassatie gevorderde onderzoek, aan dat Hof moet worden teruggezonden dat in het kader van een tegensprekelijke procedure zal overgaan tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging zal beoordelen.

2. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord in zoverre zij de artikelen 483 en 503bis van het Wetboek van strafvordering beoogt.

[ ... ]

 

Franse term: 
privilège de juridiction
Commentaar: 

Cassatie 13/03/2012, juridat, AR P.10.1786.N

Samenvatting

Niet ontvankelijk bij gebrek aan belang is het hoger beroep van de inverdenkinggestelden tegen de beschikking van de raadkamer die zich onbevoegd verklaart ingevolge het voorrecht van rechtsmacht van één van de inverdenkinggestelden, verschillende dossiers wegens samenhang samenvoegt, een beschikking tot ontlasting van de onderzoeksrechters voor de wegens samenhang gevoegde dossiers neemt en deze overmaakt aan de procureur des Konings om te handelen als naar recht; ingevolge deze beschikking wordt een einde gesteld aan de strafvordering, maar de inverdenkinggestelden worden niet verwezen naar de rechter ten gronde en evenmin veroordeeld, zodat zij geen belang hebben tegen die beschikking op te komen.

Niet ontvankelijk bij gebrek aan belang is het cassatieberoep van de inverdenkinggestelden tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat het hoger beroep van de inverdenkinggestelden tegen de beschikking van de raadkamer, die zich onbevoegd verklaart ingevolge het voorrecht van rechtsmacht van één van de inverdenkinggestelden, verschillende dossiers wegens samenhang samenvoegt, een beschikking tot ontlasting van de onderzoeksrechters voor de wegens samenhang gevoegde dossiers neemt en deze overmaakt aan de procureur des Konings om te handelen als naar recht, onontvankelijk verklaart omdat die beschikkingen geen verwijzingsbeschikkingen zijn (1). (1) Zie de conclusies van het O.M.

Tekst arrest

Nr. P.10.1786.N
I F. F. A. T. D. C., inverdenkinggestelde, eiser,
II L. N. D. D. C., inverdenkinggestelde,eiser,
III S. M. E. C., inverdenkinggestelde, eiser.
IV. S. M. E. C., burgerlijke partij, eiser,
tegen
1. J. F. Y. S.,
2. B. V. D. B.,
3. J. J. N. I. D. C.,
verweerders.
V H. A. K.,
burgerlijke partij,
eiser,
tegen
1. J. J. N. I. D. C., inverdenkinggestelde,
2. M. M.-J. Y. C. V. D. W., inverdenkinggestelde,
3. R. M. C. V., inverdenkinggestelde, verweerders.
VI H. A K.,inverdenkinggestelde, eiser,
VII S. K., inverdenkinggestelde,eiser,
VIII. N. K., inverdenkinggestelde,eiser,.
IX
ARAM KHATCHADOURIAN GROUP, vennootschap in vereffening, met zetel te Beiroet (Libanon) Nahr Street 231,burgerlijke partij, eiseres,
tegen
1. J J. N. I. D. C., inverdenkinggestelde,
2. M. M.-J. Y. C. V. D. W.,inverdenkinggestelde,
3. R. M. Cl. V.,inverdenkinggestelde,verweerders.
X R. I. J. H., inverdenkinggestelde, eiser,
met als raadsman mr. Jean-Pierre Vande Maele, advocaat bij de balie te Brussel.
XI N. D.,  burgerlijke partij, eiser.
XII N. D., inverdenkinggestelde, eiser,
XIII N. D.,  burgerlijke partij, eiser.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest nr. 4165 (KI/2470/10) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 oktober 2010.
Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest nr. 4166 (KI/2471/10) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 oktober 2010.
Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest nr. 4170 (KI/2475/10) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 oktober 2010.
Het cassatieberoep IV is gericht tegen het arrest nr. 4171 (KI/2476/10) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 oktober 2010.
Het cassatieberoep V is gericht tegen het arrest nr. 4169 (KI/2474/10) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 oktober 2010.
Het cassatieberoep VI is gericht tegen het arrest nr. 4168 (KI/2473/10) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 oktober 2010.
Het cassatieberoep VII is gericht tegen het arrest nr. 4174 (KI/2479/10) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 oktober 2010.
Het cassatieberoep VIII is gericht tegen het arrest nr. 4175 (KI/2480/10) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 oktober 2010.
Het cassatieberoep IX is gericht tegen het arrest nr. 4176 (KI/2481/10) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 oktober 2010.
Het cassatieberoep X is gericht tegen het arrest nr. 4158 (KI/2463/10) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 oktober 2010.
Het cassatieberoep XI is gericht tegen het arrest nr. 4159 (KI/2464/10) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 oktober 2010.
Het cassatieberoep XII is gericht tegen het arrest nr. 4160 (KI/2465/10) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 oktober 2010.
Het cassatieberoep XIII is gericht tegen het arrest nr. 4164 (KI/2469/10) van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 oktober 2010.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen van de eisers I, II, III, VI, VII, VIII, X en XII

1. Bij beschikkingen van 30 november 2009 heeft de raadkamer negen dossiers wegens samenhang samengevoegd, zich onbevoegd verklaard ingevolge het voorrecht van rechtsmacht van één van de inverdenkinggestelden, een beschikking tot ontlasting van de onderzoeksrechters voor de wegens samenhang gevoegde dossiers genomen en deze overgemaakt aan de procureur des Konings om te handelen als naar recht.

De kamer van inbeschuldigingstelling verklaart het hoger beroep van de eisers-inverdenkingestelden tegen die beschikkingen onontvankelijk omdat die beschikkingen geen verwijzingsbeschikkingen zijn.

2. Ingevolge voormelde beschikkingen van de raadkamer wordt een einde gesteld aan de strafvordering. De eisers worden niet verwezen naar de rechter ten gronde en evenmin veroordeeld. Zij hebben geen belang tegen die beslissing op te komen.

Hun cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Middelen van de eisers I, II, VI, VII, VIII, X en XII

3. De middelen van de eisers gaan ervan uit dat de eisers belang hebben tegen die beslissingen cassatieberoep in te stellen. Zij behoeven geen antwoord.

4. De prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof waarom verzocht wordt, gaan eveneens ervan uit dat de eisers belang hebben tegen die beslissingen cassatieberoep in te stellen. Het Hof is bijgevolg niet gehouden deze vragen te stellen.

Middel van de eisers V en IX

5. Het middel heeft enkel betrekking op de beslissing waarbij het hoger beroep van de eisers, burgerlijke partijen, tegen de beschikking van de raadkamer van 30 november 2009 onontvankelijk wordt verklaard.

Derde onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 128, 129, 130, 229 en 231 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de tegenspraak: het arrest beantwoordt eisers' verweer betreffende de ontvankelijkheid van het hoger beroep niet.

7. Artikel 135, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het openbaar ministerie en de burgerlijke partij hoger beroep kunnen instellen tegen alle beschikkingen van de raadkamer.

Daartoe volstaat het dat de burgerlijke partij een rechtmatig belang heeft.

8. De eisers hebben in hun appelconclusie op uitvoerige wijze aangevoerd dat de onbevoegdverklaring door de raadkamer wel degelijk hun belangen en rechten als burgerlijke partij had geschaad.

Met de enkele overweging dat "de belangen van de burgerlijke partij (...) niet [kunnen] geschaad worden door de beschikkingen van de bestreden beslissing, die wegens samenhang negen van de tien dossiers samenvoegt en zich hierover onbevoegd verklaart ingevolge de voorrang van rechtsmacht van de 25e inverdenkinggestelde V. C.", beantwoorden de appelrechters eisers' verweer niet.

Het onderdeel is gegrond.

Overige onderdelen

9. De overige onderdelen kunnen niet tot een ruimere cassatie noch tot een cassatie zonder verwijzing leiden. Ze behoeven geen antwoord.

Middel van de eiser IV

10. Het middel heeft enkel betrekking op de beslissing waarbij het hoger beroep van de eiser, burgerlijke partij, tegen de beschikking van de raadkamer van 30 november 2009 onontvankelijk wordt verklaard.

Eerste onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 127, 135, § 1 en § 3, 223 en 235bis, § 3 en § 4, Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de motiveringsverplichting als onderdeel van het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft en het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht op tegenspraak: met de loutere overweging dat de belangen van de eiser niet kunnen worden geschaad door de beschikking van de raadkamer die wegens samenhang negen van de tien dossiers samenvoegt en zich onbevoegd verklaart ingevolge de voorrang van rechtsmacht van inverdenkinggestelde V. C., laat de bestreden beslissing de precieze grief van de eiser onbeantwoord dat zijn belangen als burgerlijke partij werden geschaad omdat de beslissing van onbevoegdheid van de raadkamer een einde had gesteld aan het gerechtelijk onderzoek en de eiser het recht werd ontnomen op een tegensprekelijk debat voor het onderzoeksgerecht over de strafvordering.

12. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het derde onderdeel van het middel van de eisers V en IX.

Het is om dezelfde redenen gegrond.

Overige onderdelen
13. De overige onderdelen kunnen niet tot een ruimere cassatie noch tot een cassatie zonder verwijzing leiden.
Ze behoeven geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt de arresten nrs. 4171 (KI/2476/10), 4169 (KI/2474/10) en 4176 (KI/2481/10) van 28 oktober 2010, in zoverre zij het hoger beroep van de eisers IV, V en IX niet ontvankelijk verklaren.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde arresten.

Verwerpt de cassatieberoepen van de eisers IV, V en IX voor het overige.

Verwerpt de cassatieberoepen van de eisers I, II, III, VI, VII, VIII, X, XI, XII en XIII.

Veroordeelt de eisers I, II, III, VI, VII, VIII, X, XI, XII en XIII in de kosten van hun cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers IV, V en IX in de helft van de kosten van hun cassatieberoep en veroordeelt de verweerders IV, V en IX in de overige helft van die kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaken naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Bepaalt de kosten in het geheel op 1570,63 euro, waarvan op het cassatieberoep I 133,14 euro is verschuldigd, op het cassatieberoep II 133,14 euro, op het cassatieberoep III 133,14 euro, op het cassatieberoep IV 130,01 euro, op het cassatieberoep V 97,01 euro, op het cassatieberoep VI 133,14 euro, op het cassatieberoep VII 133,14 euro, op het cassatieberoep VIII 133,14 euro, op het cassatieberoep IX 97,01 euro, op het cassatieberoep X 133,14 euro, op het cassatieberoep XI 97,01 euro, op het cassatieberoep XII 133,14 euro en op het cassatieberoep XIII 84,47 euro is verschuldigd.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, op de openbare rechtszitting van 13 maart 2012 uitgesproken.

PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE
_____
P.10.1786.N
Conclusie van advocaat-generaal Duinslaeger:

1. In deze zaak, die betrekking heeft op feiten van belastingfraude, besliste de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel bij beschikking van 30 november 2009:

- dat er geen aanleiding was om de samenhang te weerhouden voor een aantal telastleggingen, die betrekking hadden op thans niet in zake zijnde beklaagden, en dat voor die telastleggingen de strafvordering vervallen was door verjaring;

- dat voor een aantal andere, thans niet meer in zake zijnde inverdenkinggestelden, de strafvordering vervallen was door hun overlijden;

- dat acht andere gerechtelijke onderzoeken (geheel of gedeeltelijk) dienden gevoegd te worden aan het oorspronkelijk dossier;

- dat er samenhang was tussen de verschillende resterende telastleggingen van de verschillende samengevoegde dossiers;

- dat zij onbevoegd was om kennis te nemen van de strafvordering voor de in de bedoelde samenhangende feiten vernoemde verdachten en dat de onderzoeksrechters dienden ontlast te worden van hun respectievelijke onderzoeken omwille van het voorrecht van rechtsmacht waarvan één van de inverdenkinggestelden genoot;

- dat de verschillende gevoegde bundels aan de procureur des Konings dienden te worden overgemaakt opdat door hem zou gehandeld worden als naar recht;

- en, ten slotte, dat een negende gerechtelijk onderzoek niet diende te worden gevoegd.

2. De arresten met de nummers 2470/10, 2471/10, 2475/10, 2473/10, 2479/10, 2480/10, 2463/10 en 2465/10, die gewezen werden ingevolge de hogere beroepen tegen de beschikking van de raadkamer van 30 november 2009 van de eisers I, II, III, VI, VII, VII, X, en XII, telkens in hun hoedanigheid van inverdenkinggestelde, zijn inhoudelijk volledig gelijkluidend.

De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt in al deze arresten dat de beroepen beschikking van 30 november 2009, die wegens samenhang negen dossiers samenvoegt, zich hiervoor onbevoegd verklaart ingevolge het voorrecht van rechtsmacht waarvan één van de inverdenkinggestelden geniet en het verval van de strafvordering vaststelt voor enkele telastleggingen wegens verjaring of wegens het overlijden van sommige inverdenkinggestelden, geen verwijzingsbeschikking is in de zin van de artikelen 129 of 130 Wetboek van Strafvordering, zodat het hoger beroep ertegen onontvankelijk is, nu artikel 135, §2 van dit wetboek, dat het recht op hoger beroep van de inverdenkinggestelden regelt, enkel melding maakt van "verwijzingsbeschikkingen" bedoeld in de artikelen 129 en 130 Wetboek van Strafvordering.

De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt verder dat de bevoegdheden, die haar krachtens de artikelen 136, 136bis, 235 en 235bis Wetboek van Strafvordering zijn verleend, ophouden te bestaan van zodra het gerechtelijk onderzoek afgesloten is, wat hier het geval was door de beroepen beschikking, waartegen geen ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld.

De kamer van inbeschuldigingstelling wijst ook de door de eisers I en II voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, met betrekking tot de artikelen 135 en 539 Wetboek van Strafvordering, af, omdat deze wetsbepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, samen gelezen met artikel 6 EVRM, klaarblijkelijk niet schenden en omdat het antwoord op deze vraag bovendien niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.

3. De arresten met de nummers 2476/10, 2474/10, 2481/10 en 2464/10, die gewezen werden ingevolge de hogere beroepen tegen de beschikking van de raadkamer van 30 november 2009 van de eisers IV, V, IX en XIII, telkens in hun hoedanigheid van burgerlijke partij, zijn eveneens inhoudelijk volledig gelijkluidend.

In deze arresten oordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling telkens dat, hoewel de burgerlijke partij krachtens artikel 135, §1 Wetboek van Strafvordering, hoger beroep kan instellen tegen alle beschikkingen van de raadkamer, zij, conform artikel 17 Gerechtelijk Wetboek, ook een belang moet hebben om dit hoger beroep in te stellen, wat hier niet het geval is omdat de belangen van de burgerlijke partij niet kunnen worden geschaad door de beroepen beschikking van de raadkamer van 30 november 2009, die wegens samenhang negen dossiers samenvoegt en zich hiervoor onbevoegd verklaart ingevolge het voorrecht van rechtsmacht waarvan één van de inverdenkinggestelden geniet.

De kamer van inbeschuldigingstelling verklaart voor het overige het hoger beroep, in zoverre het gericht is tegen de beslissing van de raadkamer waarbij het verval van de strafvordering wordt vastgesteld wegens verjaring of wegens het overlijden van de inverdenkinggestelde, wel ontvankelijk, maar niet gegrond.

De kamer van inbeschuldigingstelling beslist hetzelfde in het arrest 2469/10 ingevolge het hoger beroep van de eiser XI, dat gericht was tegen de vaststelling door de raadkamer dat de strafvordering voor één van de telastleggingen (waarvoor er geen samenhang werd vastgesteld) vervallen was door verjaring.

4. In zijn memorie voert de eiser I aan dat zijn cassatieberoep ontvankelijk is omdat het bestreden arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 28 oktober 2010 een rechterlijke beslissing is die in laatste aanleg is gewezen en die geen (loutere) beslissing van inwendige aard is. Volgens de eiser I werden zijn belangen geschonden omdat hij in conclusie had aangevoerd dat het hoger beroep wel degelijk ontvankelijk was en omdat de kamer van inbeschuldigingstelling, door dit standpunt van de eiser I te verwerpen, de argumenten ten gronde van de eiser I niet meer heeft behandeld.

Nog volgens de eiser I was de beslissing van de raadkamer een "geschil inzake bevoegdheid", zodat hiertegen, in toepassing van artikel 539 Wetboek van Strafvordering, hoger beroep mogelijk is, net zoals er ook een (onmiddellijk) cassatieberoep mogelijk is tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat het hoger beroep niet ontvankelijk verklaart.

Volgens de eiser I, kon de raadkamer immers, eens zij oordeelde dat zij in één van de gerechtelijke onderzoeken niet bevoegd was omwille van het voorrecht van rechtsmacht waarvan één van de inverdenkinggestelden genoot, niet meer de samenhang vaststellen tussen de feiten van dit ene gerechtelijk onderzoek en de feiten van de andere gerechtelijke onderzoeken: de raadkamer heeft zich dus onterecht de bevoegdheid toegemeten om nog de samenhang vast te stellen.

Indien het Hof er anders zou over oordelen, stelt de eiser I voor dat het Hof prejudiciële vragen zou stellen aan het Grondwettelijk Hof betreffende de bestaanbaarheid van artikel 539 Wetboek van Strafvordering, in samenhang met artikel 135, §2 Wetboek van Strafvordering, met de artikelen 10 en 11 Grondwet, samen gelezen met artikel 6 EVRM.

5. In zijn eerste middel voert de eiser I de schending aan van artikel 26, §2, derde lid, Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof en van de artikelen 127 en 223 Wetboek van Strafvordering evenals de miskenning van het contradictoir karakter van de regeling van de rechtspleging voor de onderzoeksgerechten en de motiveringsplicht voor de onderzoeksgerechten.

In het eerste onderdeel van dit middel voert de eiser I aan dat de kamer van inbeschuldigingstelling niet heeft geantwoord op zijn argumenten (en die van een mede-inverdenkinggestelde waarbij hij zich had aangesloten) dat zijn hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer ontvankelijk was en dat hij belang had bij dit hoger beroep.

In het tweede onderdeel wordt aangevoerd dat het bestreden arrest, door het hanteren van stijlformules, niet afdoende gemotiveerd heeft waarom de door hem en door een mede-inverdenkinggestelde voorgestelde prejudiciële vragen niet moesten worden gesteld en dat de kamer van inbeschuldigingstelling, zelfs zonder een prima facie onderzoek, onterecht de voorgestelde prejudiciële vragen niet heeft gesteld.

6. In zijn tweede middel voert de eiser I de schending aan van de artikelen 135, §2 en 539 Wetboek van Strafvordering: een betwisting van samenhang tussen verschillende zaken, die bevoegdheidsimplicaties heeft, is een exceptie van bevoegdheid, zodat, in toepassing van artikel 539 Wetboek van Strafvordering, en voor zover de eiser I door de beroepen beslissing gegriefd was en dus een belang had, hoger beroep mogelijk was. De eiser stelt opnieuw voor een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof betreffende de bestaanbaarheid van artikel 539 Wetboek van Strafvordering, in samenhang met artikel 135, §2 Wetboek van Strafvordering, met de artikelen 10 en 11 Grondwet, samen gelezen met artikel 6 EVRM.

7. De eiser II voert in zijn memorie twee middelen aan die, weze het in andere bewoordingen, inhoudelijk precies dezelfde strekking hebben als de middelen aangevoerd door de eiser I.

8. De eisers VI, VII en VIII voeren (in afzonderlijke maar gelijkluidende memories) in hun eerste middel eveneens een schending van de artikelen 135, §2 en 539 Wetboek van Strafvordering aan: volgens deze eisers heeft de raadkamer in haar beroepen beschikking van 30 november 2009 een uitspraak inzake bevoegdheid gedaan, omdat zij zich de bevoegdheid van een andere instantie zou toe-eigenen indien zij de persoon die geniet van het voorrecht van rechtsmacht naar de correctionele rechtbank zou hebben verwezen. Dat is volgens de eisers VI, VII en VIII des te meer het geval wanneer de raadkamer oordeelt over het bestaan van samenhang, wanneer voor minstens één van de dossiers een probleem van onbevoegdheid rijst wegens het feit dat één van de inverdenkinggestelden van het voorrecht van rechtsmacht geniet en de raadkamer in principe voor de andere dossiers wel bevoegd zou zijn. Volgens de eisers VI, VII en VIII is er weliswaar geen sprake van een verwijzingsbeschikking, noch van een maatregel van inwendige aard, maar wel van een beslissing inzake bevoegdheid die deze eisers kon grieven en die bijgevolg, in toepassing van artikel 539 Wetboek van Strafvordering, vatbaar was voor hoger beroep.

Ook deze eisers verzoeken het Hof een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof betreffende de bestaanbaarheid van artikel 539 Wetboek van Strafvordering, in samenhang met artikel 135, §2 Wetboek van Strafvordering, met de artikelen 10 en 11 Grondwet, samen gelezen met artikel 6 EVRM en 14 IVBPR.

9. In hun tweede middel voeren de eisers VI, VII en VIII de schending aan van de artikelen 128, 129, 130, 229, 231 en 226 Wetboek van Strafvordering evenals de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de tegenspraak.

In het eerste onderdeel wordt aangevoerd dat de kamer van inbeschuldigingstelling de verschillende dossiers eerst samen heeft behandeld op de zittingen van 25 mei 2010, 22 juni 2010 en 14 september 2010, maar dat zij op 19 oktober 2010 is overgegaan tot een afzonderlijke behandeling per partij, om uiteindelijk op 28 oktober 2010 ten aanzien van elke partij een afzonderlijk arrest te wijzen: aangezien volgens het bestreden arrest de samenhang op definitieve wijze was vastgesteld door de raadkamer, kon de kamer van inbeschuldigingstelling met betrekking tot de verschillende wegens samenhang gevoegde dossiers, geen uitspraak meer doen middels verschillende arresten en door dit toch te doen schendt het bestreden arrest artikel 226 Wetboek van Strafvordering.

In het tweede onderdeel voeren de eisers VI, VII en VIII aan dat het bestreden arrest aangetast is door een tegenstrijdigheid en het algemeen rechtsbeginsel van de tegenspraak miskent door, enerzijds, afzonderlijk uitspraak te doen over de verschillende hogere beroepen en daardoor het bestaan van de samenhang te beoordelen en, anderzijds, te stellen dat de beroepen beschikking, waarin de samenhang tussen de verschillende dossiers werd beoordeeld, definitief is.

10. In hun derde middel voeren de eisers VI, VII en VIII de schending aan van de artikelen 136, 136bis, 235 en 235bis Wetboek van Strafvordering, doordat de bestreden beslissing oordeelt dat de bevoegdheden die deze artikelen aan de kamer van inbeschuldigingstelling verlenen, ophouden te bestaan zodra het gerechtelijk onderzoek is afgesloten, wat hier het geval was door de beroepen beschikking waartegen geen ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld.

In het eerste onderdeel wordt aangevoerd dat in de mate dat het Hof zou oordelen dat de beschikking van de raadkamer van 30 november 2009 een voorbereidend vonnis en een maatregel van inwendige aard is, waardoor het gerechtelijk onderzoek niet is beëindigd, de hiervoor aangehaalde overweging van de kamer van inbeschuldigingstelling hiermee in strijd zou zijn.

In het tweede onderdeel wordt aangevoerd dat de kamer van inbeschuldigingstelling in elk geval toepassing kon maken van artikel 235 Wetboek van Strafvordering en dat zij, door het tegenovergestelde te beslissen, dit artikel schendt.

11. De eiser X voert in zijn enig middel de schending aan van artikel 539 Wetboek van Strafvordering: volgens deze eiser heeft de raadkamer in haar beschikking van 30 november 2009 uitspraak gedaan over een bevoegdheidsexceptie en aangezien de artikelen 416, tweede lid, en 539 Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid voorzien van een hoger beroep tegen beslissingen die uitspraak doen over een geschil inzake bevoegdheid, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling onterecht het hoger beroep onontvankelijk verklaard.

12. De eiser XII voert in zijn enig middel, weze het in andere bewoordingen, hetzelfde aan.

13. Het lijkt nuttig, in het licht van de ontvankelijkheid van het hoger beroep, vooreerst de precieze draagwijdte en de aard van de beroepen beschikking van de raadkamer van 30 november 2009 te onderzoeken, evenals de gevolgen ervan voor de verschillende eisers die cassatieberoep aantekenden in hun hoedanigheid van inverdenkinggestelden.

Zoals hiervoor uiteengezet, besliste de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel bij beschikking van 30 november 2009 dat er geen aanleiding was om de samenhang te weerhouden voor een aantal telastleggingen, die betrekking hadden op thans niet in zake zijnde beklaagden en dat voor die telastleggingen de strafvordering vervallen was door verjaring, dat voor een aantal andere, thans niet meer in zake zijnde inverdenkinggestelden de strafvordering vervallen was door hun overlijden, dat acht andere gerechtelijke onderzoeken (geheel of gedeeltelijk) dienden gevoegd te worden aan het oorspronkelijk dossier, dat er samenhang was tussen de verschillende resterende telastleggingen van de verschillende samengevoegde dossiers, dat zij onbevoegd was om kennis te nemen van de strafvordering voor de in de bedoelde samenhangende feiten vernoemde verdachten en dat de onderzoeksrechters dienden ontlast te worden van hun respectievelijke onderzoeken omwille van het voorrecht van rechtsmacht waarvan één van de inverdenkinggestelden genoot, dat de verschillende gevoegde bundels aan de procureur des Konings dienden te worden overgemaakt opdat door hem zou gehandeld worden als naar recht en, ten slotte, dat een negende gerechtelijk onderzoek niet diende te worden gevoegd.

15. De beschikking tot ontslag van onderzoek wordt niet door de wet geregeld, maar is ontstaan uit de praktijk als oplossing voor die gevallen waar er noch een buitenvervolgingstelling, noch een verwijzing naar het vonnisgerecht kan worden gewezen, maar waar het strafrechtelijk onderzoek toch moet worden afgesloten(1) om de rechtspleging nadien op het juiste spoor voort te zetten(2).

De appelrechters oordelen dat deze beschikking geen verwijzingsbeschikking is in de zin van de artikelen 129 en 130 Wetboek van Strafvordering.

16. Deze analyse lijkt mij correct te zijn: een verwijzingsbeslissing heeft als gevolg dat het gerechtelijk onderzoek wordt afgesloten, dat de onderzoeksrechter van zijn gerechtelijk onderzoek wordt ontlast(3) door de beslissing waardoor de raadkamer haar rechtsmacht met betrekking tot de strafvordering uitput(4) en dat door de beschikking van de raadkamer de zaak, voor de erin vermelde feiten en personen, bij de rechtbank wordt aanhangig gemaakt, wat op zijn beurt voor effect heeft dat het openbaar ministerie niet meer vrij is te kiezen tussen de vervolging of de niet-vervolging(5).

17. De beroepen beschikking van de raadkamer van 30 november 2009 heeft weliswaar tot gevolg dat het onderzoek wordt afgesloten en dat de onderzoeksrechters van hun respectievelijke gerechtelijke onderzoeken zijn ontlast, aangezien de raadkamer haar rechtsmacht over de strafvordering heeft uitgeput, maar deze beschikking maakt de zaak niet bij enige rechtbank aanhangig. Wel integendeel, de beroepen beschikking beslist dat de zaken dienen te worden overgemaakt aan de procureur des Konings teneinde te handelen als naar recht. Het feit dat de samengevoegde zaken "verwezen" worden naar de procureur des Konings doet geen afbreuk aan het feit dat wij hier niet staan voor een verwijzingsbeschikking in de zin van artikel 129 en 130 Wetboek van Strafvordering.

18. De beschikking van de raadkamer, waarbij een zaak aan de onderzoeksrechter wordt onttrokken op grond dat de verdachte een in artikel 479 Wetboek van Strafvordering vermelde hoedanigheid bezit, kan niet worden gelijkgesteld met een beschikking van buitenvervolgingstelling(6).

19. Het Hof besliste meermaals dat een dergelijke beschikking tot ontslag van onderzoek een voorbereidend vonnis, een maatregel van "inwendige orde"(7) of een louter administratieve maatregel is, waartegen bijgevolg geen ontvankelijk hoger beroep (en dus evenmin, in een later stadium, ontvankelijk cassatieberoep) mogelijk is.

Deze zienswijze wordt in de rechtsleer op kritiek onthaald, wanneer de genomen beslissing een partij kan grieven, bijvoorbeeld als er sprake is van onbevoegdheid of van voorrecht van rechtsmacht(8).

20. De procedure die de wet in de artikelen 479 en volgende Wetboek van Strafvordering instelt inzake voorrecht van rechtsmacht, is een specifieke procedure "sui generis", waarbij in belangrijke mate wordt afgeweken van de gewone regels van de rechtspleging: enkel het hof van beroep is bevoegd, er wordt uitspraak gedaan in eerste en in laatste aanleg, de aanhangigmaking gebeurt uitsluitend door de procureur-generaal bij het hof van beroep en de benadeelde zelf heeft noch de mogelijkheid van rechtstreekse dagvaarding, noch van burgerlijkepartijstelling bij de onderzoeksrechter.

21. Er lijken bijgevolg argumenten te bestaan om een beschikking tot ontslag van onderzoek wegens de vaststelling van het bestaan van een voorrecht van rechtsmacht, die noodzakelijk is om de procedure van de artikelen 479 en volgende Wetboek van Strafvordering op te starten en aldus de rechtspleging (weer) op het juiste spoor te zetten, en die, zoals hiervoor uiteengezet, noch een verwijzingsbeschikking, noch een beschikking tot buitenvervolgingstelling is, maar anderzijds, ook niet (altijd) geheel gedekt kan worden door het begrip "maatregel van inwendige orde", eveneens te beschouwen als een beschikking "sui generis", met eigen gevolgen, met name de beëindiging van het gerechtelijk onderzoek en de overzending van de zaak naar het openbaar ministerie.

22. De vraag of de raadkamer bij haar beschikking van 30 november 2009 ook een uitspraak heeft gedaan over een "geschil inzake bevoegdheid" in de zin van artikel 539 Wetboek van Strafvordering, lijkt veel delicater. Wanneer dit inderdaad het geval zou zijn, dan zou in principe hoger beroep (en later cassatieberoep) mogelijk zijn.

Tegen een beschikking van de raadkamer waarbij, in toepassing van artikel 539 Wetboek van Strafvordering, uitspraak wordt gedaan over een exceptie van onbevoegdheid hebben immers zowel het openbaar ministerie, als de inverdenkinggestelde als de burgerlijke partij het recht om hoger beroep in te stellen(9).

Deze specifiek door de wet voorziene mogelijkheid van hoger beroep (of cassatieberoep) heeft enkel als bedoeling bevoegdheidsconflicten te vermijden, waaraan enkel door een regeling van rechtsgebied een einde kan worden gemaakt(10).

23. De exceptie van onbevoegdheid wordt door de rechtspraak zeer strikt geïnterpreteerd(11) en bovendien is vereist dat de onbevoegdheid voor de raadkamer zelf werd aangevoerd en niet alleen tot staving van een tegen de beschikking van de raadkamer ingesteld hoger beroep(12).

Een geschil inzake bevoegdheid in de zin van artikel 416, tweede lid, en 539 Wetboek van Strafvordering, bestaat alleen wanneer wordt aangevoerd dat een rechter zich de bevoegdheid van een andere rechter heeft toegeëigend(13), zodat daaruit een geschil over rechtsmacht kan ontstaan dat alleen door een regeling van rechtsgebied kan worden beëindigd: het antwoord op de vraag of een exceptie van onbevoegdheid in die zin werd aangevoerd, hangt niet af van de benaming die de partij aan het verweermiddel heeft gegeven, maar van het werkelijk voorwerp van de betwisting(14).

24. De rechtspraak ter zake lijkt evenwel niet helemaal eenduidig.

Zo werd door het Hof beslist dat de verdachte een geschil inzake bevoegdheid in de zin van artikel 539 Wetboek van Strafvordering opwerpt, wanneer hij bij de regeling van de rechtspleging voor de raadkamer aanvoert dat de correctionele rechtbank "ratione loci" onbevoegd is om kennis te nemen van de hem ten laste gelegde misdrijven wegens het niet bestaan van samenhang tussen die misdrijven en de andere misdrijven die aan de kennisneming van die rechtbank onderworpen zijn en waarvoor zij bevoegd is(15) of wanneer de inverdenkinggestelde aanvoert dat de raadkamer territoriaal niet bevoegd is omdat het feit niet in het gerechtelijk arrondissement gepleegd werd, hij er zijn verblijfplaats niet had en er niet werd aangetroffen en omdat de samenhang met andere feiten die wel in het arrondissement gepleegd werden niet bestaat(16).

Het Hof besliste ook dat wanneer de inverdenkinggestelde het bestaan van samenhang betwist dat zijn verwijzing naar het hof van assisen zou wettigen, hij een geschil inzake bevoegdheid opwerpt, in de zin van de artikelen 416, tweede lid, en 539, Wetboek van Strafvordering(17).

Als exceptie van onbevoegdheid wordt door sommigen ook beschouwd het middel dat aanvoert dat de regeling van voorrecht van rechtsmacht geldt(18) of dat het misdrijf een misdrijf van douane en accijnzen betreft(19).

Anderzijds besliste het Hof ook reeds dat een geschil over de samenhang geen geschil is over de bevoegdheid(20), wat aanleiding gaf tot kritiek in de rechtsleer(21).

25. Terloops weze opgemerkt dat de regel van artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, volgens dewelke (onmiddellijk) cassatieberoep openstaat tegen beslissingen inzake bevoegdheid, een algemene strekking heeft, in die zin dat hij voor alle vonnissen en arresten en voor alle partijen geldt: wat de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling die betrekking hebben op de regeling van de procedure betreft, is hij van toepassing, ongeacht de beginselen inzake het recht van de partijen om hoger beroep in te stellen tegen de beschikkingen van de raadkamer(22).

26. Het Hof hoeft zich vandaag evenwel niet uit te spreken, noch over de precieze aard en draagwijdte van de beschikking van de raadkamer van 30 november 2009, noch over de vraag of deze beschikking nu al dan niet uitspraak doet over een "geschil inzake bevoegdheid" in de zin van artikel 539 Wetboek van Strafvordering, want naast de door de wet(23) uitdrukkelijk te voorziene theoretische mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel, moet er in elk geval voldaan zijn aan de voorwaarde dat degene die het rechtsmiddel instelt, daarbij belang heeft.

27. De vereiste dat degene die een rechtsmiddel instelt hierbij een belang moet hebben is een regel met algemene strekking: het enkele feit dat de wet in algemene termen een mogelijkheid tot hoger beroep of tot cassatieberoep voorziet, volstaat op zich niet. Ongeacht de wettelijke grond waarop een partij zich steunt om hoger beroep of cassatieberoep in te stellen, zal dus telkens moeten worden nagegaan of die partij, op het ogenblik van het instellen van het rechtsmiddel, effectief over een belang beschikte.

Zo kan een beklaagde of een inverdenkinggestelde, precies wegens het gebrek aan belang, geen ontvankelijk hoger beroep instellen tegen een beslissing van vrijspraak of ontslag van onderzoek en evenmin tegen een beslissing van onbevoegdheid(24).

Zo heeft een beklaagde evenmin een cassatieberoep tegen een vrijspraak(25), tegen een beslissing tot buitenvervolgingstelling(26), tegen een ontslag van rechtsvervolging wegens verjaring(27), tegen een beslissing van onbevoegdheid op strafgebied(28) of tegen een beslissing waardoor de strafvordering niet ontvankelijk wordt verklaard(29).

Dit belang moet op objectieve wijze worden beoordeeld(30): subjectieve beschouwingen of persoonlijke wensen komen daarbij niet in aanmerking(31).
28. De beschikking van de raadkamer van 30 november 2009, waarbij de respectievelijke onderzoeksrechters van de zaak worden ontlast op grond dat één van de verdachten een in artikel 479 Wetboek van Strafvordering vermelde hoedanigheid bezit, heeft tot gevolg dat het gerechtelijk onderzoek wordt beëindigd.

Er is evenwel niet alleen geen gerechtelijk onderzoek meer, er is al evenmin een verwijzing naar de rechtbank, noch een veroordeling of enige andere uitspraak over de strafvordering.

Meer nog: door deze beschikking is aan de strafvordering een einde gekomen, aangezien enkel nog de procureur-generaal bij het hof van beroep bevoegd is om hetzij de verdachten, eventueel na een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek, rechtstreeks te dagvaarden of, ingeval van niet-correctionaliseerbare misdaad of een misdaad waarvan de correctionalisatie niet gewenst wordt, de kamer van inbeschuldigingstelling te vorderen de verdachte naar het hof van assisen te verwijzen, hetzij om de zaak te seponeren.

29. Een dergelijke beslissing, waarbij een einde wordt gesteld wordt aan de strafvordering tot op het ogenblik dat de procureur-generaal de strafvordering (opnieuw) instelt, kan de inverdenkinggestelde niet grieven: de inverdenkinggestelde heeft dan ook geen ontvankelijk hoger beroep tegen een dergelijke beschikking van de raadkamer, noch een ontvankelijk cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat deze beschikking bevestigt door het hoger beroep ertegen onontvankelijk te verklaren, en dit ongeacht of bij deze beslissingen nu al dan niet uitspraak werd gedaan over een geschil inzake bevoegdheid.

30. Zoals hiervoor uiteengezet, voeren een aantal eisers, die cassatieberoep aantekenden in hun hoedanigheid van inverdenkinggestelde, aan dat hun belang erin bestaat dat de kamer van inbeschuldigingstelling hun argumenten niet heeft ontmoet, omdat daardoor hun recht op een tegensprekelijk debat omtrent de ontvankelijkheid van hun hoger beroep werd miskend en het bovendien niet zeker is dat, na cassatie, de rechter op verwijzing, het standpunt van de eisers niet zou volgen.

Deze argumenten zijn irrelevant in het licht van het onderzoek naar het actueel belang dat deze eisers moeten hebben om hoger beroep of cassatieberoep in te stellen: wat ook de reden van hun ontevredenheid of misnoegdheid is, de beschikking van de raadkamer van 30 november 2009 en het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 28 oktober 2010 doen een situatie ontstaan die voor de eisers-inverdenkinggestelden geen nadelige gevolgen meebrengt en hen bijgevolg niet kan grieven.

Hun cassatieberoep is in zoverre bijgevolg niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

31. Hun cassatieberoep is uiteraard eveneens niet ontvankelijk bij gebrek aan belang, in zoverre het betrekking zou hebben op het niet ontvankelijk verklaren van het hoger beroep tegen de beslissing van de raadkamer waarbij voor een aantal telastleggingen, waarbij zij zelf niet betrokken zijn, het verval van de strafvordering wordt vastgesteld door verjaring of door overlijden of waarbij werd geoordeeld dat er geen aanleiding was om de samenhang te weerhouden voor een aantal telastleggingen, die betrekking hadden op thans niet in zake zijnde beklaagden.

32. Verschillende middelen van de eisers I, II, VI, VII, VIII, X en XII gaan ervan uit dat de eisers een belang hadden bij hun hoger beroep en bij hun cassatieberoep.

Dit standpunt is, om de hiervoor uiteengezette redenen, verkeerd gebleken.

Deze middelen behoeven bijgevolg geen verder antwoord meer.

De overige middelen, aangevoerd door de eisers VI, VII en VIII, hebben geen betrekking op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en behoeven bijgevolg evenmin een antwoord.

33. Volledigheidshalve kan erop gewezen worden dat er evenmin aanleiding bestaat om de voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen: deze vragen vertrekken steeds van het standpunt van een mogelijke schending van artikel 10 en 11 van de Grondwet, samen gelezen met de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR, door artikel 539 Wetboek van Strafvordering. Uit het voorgaande blijkt evenwel dat de vastgestelde niet-ontvankelijkheid van de cassatieberoepen niet gegrond is op de toepasselijkheid of niet-toepasselijkheid van artikel 539 Wetboek van Strafvordering, zodat de vragen niet moeten gesteld worden.

34. De eisers IV en V, eiseres IX en de eisers XI en XIII tekenden cassatieberoep aan, in hun hoedanigheid van burgerlijke partij tegen de verschillende arresten van 28 oktober 2010, waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling telkens oordeelde dat, hoewel de burgerlijke partij krachtens artikel 135, §1 Wetboek van Strafvordering, hoger beroep kan instellen tegen alle beschikkingen van de raadkamer, zij, conform artikel 17 Gerechtelijk Wetboek, ook een belang moet hebben om dit hoger beroep in te stellen, wat hier niet het geval is omdat de belangen van de burgerlijke partij niet kunnen worden geschaad door de beroepen beschikking van de raadkamer van 30 november 2009, die wegens samenhang negen dossiers samenvoegt en zich hiervoor onbevoegd verklaart ingevolge het voorrecht van rechtsmacht waarvan één van de inverdenkinggestelden geniet en waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling, voor het overige, verklaarde dat het hoger beroep, in zoverre het gericht is tegen de beslissing van de raadkamer waarbij het verval van de strafvordering wordt vastgesteld wegens verjaring of wegens het overlijden van sommige inverdenkinggestelden, wel ontvankelijk, maar niet gegrond is. De kamer van inbeschuldigingstelling beslist hetzelfde in het arrest 2469/10 ingevolge het hoger beroep van de eiser XI, dat gericht was tegen de vaststelling door de raadkamer dat de strafvordering voor één van de telastleggingen (waarvoor er geen samenhang werd vastgesteld) vervallen was door verjaring.

35. In zijn memorie voert de eiser IV in zijn enig middel de schending aan van de artikelen 135, §1 en 539 Wetboek van Strafvordering, artikel 2 juncto 17 en 18, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek en de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak, zoals neergelegd in de artikelen 127, 135, §§1 en 3, 223, 235bis, §§3 en 4, Wetboek van Strafvordering.

In het eerste onderdeel voert de eiser IV aan dat niet geantwoord werd op zijn conclusies dat zijn belangen als burgerlijke partij werden geschaad door de beschikking van de raadkamer van 30 november 2009 omdat zodoende een einde werd gesteld aan het gerechtelijk onderzoek en hem het recht werd ontnomen op een tegensprekelijk debat over de strafvordering voor het onderzoeksgerecht.

In het tweede onderdeel van zijn enig middel voert de eiser IV aan dat de burgerlijke partij hoger beroep kan aantekenen tegen een door de raadkamer gewezen beslissing waarin uitspraak wordt gedaan over de bevoegdheid van de onderzoeksrechter en over haar eigen bevoegdheid, op voorwaarde dat zij daartoe een wettig, reeds verkregen en dadelijk belang kan gelden.

In casu ligt dat belang, volgens de eiser IV, in het gegeven dat de ontlastingsbeschikking van 30 november 2009 een einde stelt aan het gerechtelijk onderzoek, waardoor de rechten van de burgerlijke partij worden aangetast omdat haar het recht op een tegensprekelijk debat met betrekking tot het al dan niet voorhanden zijn van voldoende bezwaren voor het onderzoeksgerecht, wordt ontnomen.

36. De eisers V en IX voeren in afzonderlijke memories één enkel gelijkluidend middel met drie onderdelen aan op grond van een schending van artikel 135, §1 Wetboek van Strafvordering, artikel 2 juncto 17 en 18, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 128, 129, 130, 229 en 231 Wetboek van Strafvordering, evenals een miskenning van het beginsel van tegenspraak.

In het eerste onderdeel voeren de eisers aan dat, aangezien de onderzoeksgerechten geen bevoegdheid hebben om uitspraak te doen over de burgerlijke rechtsvordering en artikel 135, §1 Wetboek van Strafvordering een algemeen recht op hoger beroep aan de burgerlijke partij heeft toegekend, de beoordeling van het "belang" in hoofde van de burgerlijke partij om hoger beroep aan te tekenen tegen de beschikking van de raadkamer, niet getoetst kan worden aan de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek, maar dit belang moet voldoen aan de eigen regels inzake de mogelijke rechtsmiddelen van een burgerlijke partij tegen beschikkingen van de raadkamer: door de toetsing van het belang te doen aan artikel 17 Gerechtelijk Wetboek schendt het bestreden arrest volgens de eisers de aangehaalde wetsbepalingen en miskent het tevens het aangehaalde algemeen rechtsbeginsel.

Het tweede onderdeel komt inhoudelijk geheel overeen met het tweede onderdeel van het enig middel van de eiser IV, met de bijkomende precisering dat door de beschikking tot ontslag van onderzoek de strafvordering niet langer is ingesteld en de instelling en de benaarstiging van de strafvordering uitsluitend in handen van het openbaar ministerie ligt, tegen wiens beslissing geen rechtsmiddel openstaat, en de burgerlijke partij bovendien de hoedanigheid van burgerlijke partij en alle daarmee gepaard gaande procedurele mogelijkheden verliest.

Het derde onderdeel komt geheel overeen met het eerste onderdeel van het eerste middel van de eiser IV.

37. De eisers XI en XIII, die eveneens cassatieberoep aantekenden in hun hoedanigheid van burgerlijke partij, voeren geen middel aan.

38. Artikel 135, §1 Wetboek van Strafvordering voorziet een mogelijkheid van hoger beroep voor het openbaar ministerie en voor de burgerlijke partij tegen alle beschikkingen van de raadkamer.

Het gevolg van het hoger beroep van de burgerlijke partij is hier inderdaad hetzelfde als dat van het openbaar ministerie: de kamer van inbeschuldigingstelling spreekt zich immers niet uit over de burgerlijke rechtsvordering, maar enkel over het lot van de strafvordering. Het doel en het gevolg van het hoger beroep van de burgerlijke partij hebben betrekking op het (doen) voortzetten van de strafvordering(32).

39. Zoals hoger uiteengezet, heeft de beschikking tot ontslag van onderzoek van de raadkamer van 30 november 2009, volgens de rechtspraak van het Hof, het gerechtelijk onderzoek afgesloten en beëindigd(33). Ook de rechtsleer en de lagere rechtspraak delen dit standpunt(34).

Er wordt aangenomen dat tegen een dergelijke beschikking in principe hoger beroep openstaat voor de burgerlijke partij(35).

Het recht tot hoger beroep van de burgerlijke partij tegen een beschikking van de raadkamer wordt inderdaad niet beperkt tot het geval dat geen vervolging wordt ingesteld: er is vereist maar het volstaat dat deze partij een rechtmatig belang heeft bij het instellen van het rechtsmiddel van hoger beroep(36).

Men mag de gelijkschakeling van de burgerlijke partij met het openbaar ministerie in artikel 135, §1, Wetboek van Strafvordering echter niet op die wijze uitleggen dat de burgerlijke partij ook hoger beroep zou kunnen instellen in gevallen waarin niet het minste nadeel wordt toegebracht aan de belangen van de door haar nagestreefde burgerlijke vordering: de burgerlijke partij moet dus in elk geval ook een belang hebben bij het rechtsmiddel(37).

40. De vraag is of dat hier inderdaad het geval is: volstaat het feit alleen dat de burgerlijke partij een einde ziet stellen aan het gerechtelijk onderzoek en aan de strafvordering en bijgevolg haar hoedanigheid van burgerlijke partij en dus van procespartij verliest door de beschikking van 30 november 2009 op zich als een afdoende "belang" om over een ontvankelijk hoger beroep en een ontvankelijk cassatieberoep te beschikken?

Dit "belang" wordt door de eisers V en IX immers als volgt nader omschreven: door het hoger beroep van de eisers tegen de beschikking van de raadkamer onontvankelijk te verklaren, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling geen uitspraak gedaan over de argumentatie die door de eisers schriftelijk tegen de bestreden beschikking was opgebouwd en indien het Hof het bestreden arrest zou verbreken, zouden de eisers, na verwijzing, voor een anders samengestelde kamer van inbeschuldigingstelling, de mogelijkheid krijgen om hun argumentatie (opnieuw) uiteen te zetten en desgevallend een beslissing van ontvankelijkheid en eventueel gegrondheid van hun hoger beroep kunnen bekomen.

41. De eisers gaan daarbij uit van het standpunt dat de beoordeling van het bestaan van een "belang" in hoofde van een burgerlijke partij om tegen een beschikking van de raadkamer hoger beroep aan te tekenen, niet mag geapprecieerd worden in het licht van (de) artikel(en) 17 (en 18) Gerechtelijk wetboek, maar in het licht van "de eigen regels inzake de mogelijke rechtsmiddelen van een burgerlijke partij tegen beschikkingen van de raadkamer". De eisers geven daarbij evenwel niet aan hoe en in welke mate deze "eigen regels" verschillen van de algemene voorwaarden waaraan het instellen van een rechtsvordering of een rechtsmiddel moet voldoen of in welke mate het "belang", bij het instellen door een burgerlijke partij van een rechtsmiddel tegen een beschikking van de raadkamer, aan minder stringente eisen zou onderworpen zijn dan deze bedoeld in (de) artikel(en) 17 (en 18) Gerechtelijk Wetboek.

42. Artikel 17 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "De rechtsvordering kan niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen".

Dit belang dient rechtstreeks en persoonlijk te zijn.

Artikel 18 Gerechtelijk Wetboek preciseert verder: "Het belang moet een reeds verkregen en dadelijk belang zijn. De rechtsvordering kan worden toegelaten indien zij, zelfs tot verkrijging van een verklaring van recht, is ingesteld om schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen".

43. Het Wetboek van Strafvordering voorziet met betrekking tot de vereiste van het belang geen specifieke modaliteiten die zouden afwijken van het begrip "belang" in de zin van de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek of die hiermee in strijd zouden zijn of die, zoals de eisers lijken voor te houden, minder streng zouden zijn.

De burgerlijke vordering is bijgevolg, naast andere specifieke voorwaarden, ook onderworpen aan de algemene voorwaarden voor het instellen van een rechtsvordering, bepaald in artikel 17 Gerechtelijk Wetboek, dat toepasselijk is in strafzaken(38).

44. Het instellen van een rechtsmiddel is bovendien een rechtshandeling, waarop de voorwaarde van het bestaan van een rechtstreeks, reeds verkregen, dadelijk en persoonlijk belang eveneens van toepassing is, aangezien artikel 1042 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "Voor zover de bepalingen van dit boek er niet van afwijken, zijn de regels van het geding toepasselijk op de rechtsmiddelen."

Er bestaan in het Wetboek van Strafvordering geen wettelijke bepalingen die, wat betreft het instellen door de burgerlijke partij van hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer of het aantekenen door de burgerlijke partij van cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling die dit hoger beroep onontvankelijk verklaart, afwijkende regels voorzien voor de voorwaarden waaraan het "belang", bedoeld in de artikelen 17, 18 en 1042 Gerechtelijk Wetboek, moet voldoen.

De appelrechter en de cassatierechter zullen uiteraard respectievelijk moeten nagaan of de appellant of de eiser in cassatie door de beslissing van de eerste rechter of door het bestreden arrest werd gegriefd, maar zij zullen dus tevens moeten nagaan of het "belang" dat een partij al dan niet heeft bij het instellen van een rechtsmiddel voldoet aan de algemene voorwaarde van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek(39).

45. In zoverre het eerste onderdeel van het enig middel van de eisers V en IX aanvoert dat het bestreden arrest, door de beroepsmogelijkheden van een burgerlijke partij tegen een beschikking van de raadkamer afhankelijk te stellen van een belang "conform artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek", artikel 135, §1 Wetboek van Strafvordering evenals artikel 2 juncto de artikelen 17 en 18, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek schendt, vertrekt het van een verkeerde rechtsopvatting en faalt het naar recht.

46. Het gegeven dat een rechterlijke beslissing een tegen een eerdere rechterlijke beslissing ingesteld rechtsmiddel onontvankelijk verklaart, raakt uiteraard aan de positie en dus aan de belangen van de partij die dit rechtsmiddel instelde, omdat die partij zijn verhoopte "gelijk" niet krijgt. De vraag is evenwel of dergelijke "invloed" op of "aantasting" van de positie van een partij een "belang" in de zin van de artikelen 17, 18 en 1042 Gerechtelijk Wetboek in hoofde van die partij doet ontstaan.

Dit belang moet, zoals hiervoor uiteengezet, rechtstreeks, reeds verkregen, dadelijk en persoonlijk en dus actueel en concreet zijn: een louter theoretisch, hypothetisch, virtueel of schijnbaar belang volstaat niet.

47. Allereerst kan in abstracto worden opgemerkt dat de wijze waarop dit "belang" door de eisers wordt voorgesteld op zijn minst eigenaardig lijkt: door het zo voor te stellen alsof de kamer van inbeschuldigingstelling door het hoger beroep van de eisers tegen de beschikking van de raadkamer onontvankelijk te verklaren, geen uitspraak (meer) heeft gedaan over de argumentatie die door de eisers schriftelijk tegen de bestreden beschikking was opgebouwd, met de precisering dat indien het Hof het bestreden arrest zou verbreken, de eisers, na verwijzing, voor een anders samengestelde kamer van inbeschuldigingstelling, de mogelijkheid zouden krijgen om hun argumentatie (opnieuw) uiteen te zetten en desgevallend een beslissing van ontvankelijkheid en eventueel gegrondheid zouden kunnen bekomen, geven de eisers aan het begrip "belang" een invulling die neerkomt op een veronderstelde mogelijkheid om na het verkrijgen van een tweede kans (door verwijzing na cassatie) alsnog een beslissing te kunnen bekomen die voor hen gunstiger uit zou vallen.

Het "belang" dat de eisers naar voor schuiven als een afdoend belang om te kunnen beschikken over het rechtsmiddel van een ontvankelijk hoger beroep en van een ontvankelijk cassatieberoep is een belang waarvan het bestaan rechtstreeks afgeleid wordt uit de uiteindelijke slaagkans van datzelfde rechtsmiddel: het bestaan van het belang zal pas gerealiseerd en geconcretiseerd worden en zal dan pas aan het licht komen en geverifieerd kunnen worden wanneer het cassatieberoep door het Hof ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en de bestreden beslissing wordt vernietigd én wanneer bovendien de rechter op verwijzing navolgend het hoger beroep eveneens ontvankelijk en gegrond verklaart.

Het aangevoerde "belang" bestaat dus niet op zichzelf, maar wordt rechtstreeks en geheel afhankelijk gesteld van de uitkomst van de rechtspleging: kunnen wij in die omstandigheden dan nog wel spreken van een rechtstreeks, reeds verkregen, dadelijk en persoonlijk en dus actueel en concreet belang in de zin van de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek, of betreft het hier inderdaad veeleer een zuiver theoretisch, hypothetisch, verondersteld, virtueel (schijn)belang? Dit "belang" valt wel in te passen in de ruime definitie die de eisers zelf van dit begrip geven, namelijk "ieder voordeel dat door de persoon die de vordering instelt mag worden verwacht en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd zou kunnen worden" - wat in feite geldt voor elke vordering of elk rechtsmiddel dat ingesteld wordt in de hoop op een voordelige beslissing -, maar niet in de notie van een juridisch erkend belang in de zin van de artikelen 17, 18 en 1042 Gerechtelijk Wetboek.

Door aan te nemen dat de kamer van inbeschuldigingstelling door het hoger beroep van de eisers tegen de beschikking van de raadkamer onontvankelijk te verklaren, geen uitspraak (meer) heeft gedaan over de argumentatie die door de eisers schriftelijk tegen de bestreden beschikking was opgebouwd en dat, na cassatie, hun hoger beroep door de rechter op verwijzing eventueel gegrond zou kunnen worden verklaard, stellen de eisers hun "belang" gelijk met een "gemiste kans", waarvan, op het ogenblik van het instellen van het cassatieberoep, allerminst duidelijk is of deze "kans" enige mogelijkheid van slagen had.

Het valt overigens niet goed in te zien hoe aan de kamer van inbeschuldigingstelling kan verweten worden niet te hebben geantwoord op het in conclusie aangevoerd verweer betreffende de nietigheid van de beschikking van de raadkamer omtrent het bestaan van samenhang en omtrent het al dan niet bestaan van voldoende bezwaren, wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling onmiddellijk de plano de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep moet vaststellen, wat meebrengt dat zij niet meer gerechtigd was zich uit te spreken over het al dan niet gegrond zijn ervan.

Het volstaat in elk geval niet enkel aan te voeren dat men van oordeel is dat de kamer van inbeschuldigingstelling het hoger beroep onterecht onontvankelijk heeft verklaard om uit deze louter persoonlijke en eigen appreciatie een belang te puren dat zou kunnen leiden tot een ontvankelijk cassatieberoep.

Het vereiste "belang" om hoger beroep aan te tekenen en om cassatieberoep in te stellen, in de zin van de artikelen 17, 18 en 1042 Gerechtelijk Wetboek, lijkt dus te ontbreken.

48. Ook een nadere analyse in concreto van het precieze verloop van de rechtspleging leidt tot dezelfde conclusie.

49. De bijzondere regels die dienen te worden gevolgd inzake voorrecht van rechtsmacht werden door de wetgever gewild om, enerzijds de leden van de rechterlijke macht te behoeden voor beledigende of onbezonnen vervolgingen, ingesteld door personen die zij berecht hebben en, anderzijds, te vermijden dat magistraten beoordeeld worden door hun naaste collega's, die zich in een dubbelzinnige situatie bevinden(40).

De artikelen 479 tot en met 503 Wetboek van Strafvordering hebben dus als doel de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te waarborgen en tegelijkertijd de buitensporigheden van hen die een voorbeeld van correctheid zouden moeten zijn op krachtdadige wijze te beteugelen(41).

50. Deze specifieke procedure wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beschouwd als een geheel van regels die, omdat zij de goede werking van Justitie (moeten) waarborgen, een legitiem doel hebben. Het EHRM preciseert dat de regels inzake voorrecht van rechtsmacht weliswaar de bescherming van de fundamentele rechten kunnen aantasten, maar dat niet kan gesteld worden dat het voorrecht van rechtsmacht, als zodanig, dient beschouwd te worden als een onevenredige beperking van het recht (van de benadeelde) op de toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM. Om tot dit besluit te komen onderzocht het EHRM meer bepaald in concreto of de benadeelde, wiens rechten door het voorrecht van rechtsmacht worden beperkt, over andere redelijke alternatieve mogelijkheden beschikt om zijn door het EVRM gewaarborgde rechten op een doeltreffende wijze te beschermen(42).

51. Ook het Grondwettelijk Hof sprak zich meermaals uit over de verzoenbaarheid van de artikelen 479 en volgende Wetboek van Strafvordering met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

In zijn arrest van 7 november 1996(43) oordeelde het Grondwettelijk Hof: "B.3. Het voorrecht van rechtsmacht, dat van toepassing is op de magistraten, met inbegrip van de plaatsvervangende magistraten (...), is ingesteld met het oog op het verzekeren van een onpartijdige en serene rechtsbedeling ten aanzien van die personen. De bijzondere regels op het gebied van onderzoek, vervolging en berechting die het voorrecht van rechtsmacht inhoudt, strekken ertoe te vermijden dat, enerzijds, ondoordachte, onverantwoorde of tergende vervolgingen jegens de ambtsdragers op wie dat stelsel van toepassing is, op gang zouden worden gebracht en, anderzijds, die ambtsdragers hetzij te streng, hetzij met teveel toegevendheid zouden worden behandeld."

Het Grondwettelijk Hof vervolgt wat de samenhang betreft: "B.7. De bepalingen van het Wetboek van Strafvordering betreffende de samenhang leiden ertoe dat op de rechtsonderhorigen die gelijktijdig met de in artikel 479 van hetzelfde Wetboek vermelde personen voor een hof van beroep worden opgeroepen, toepassing wordt gemaakt van die bepaling, zodat zij bijgevolg van het recht op hoger beroep worden verstoken. Aldus wordt een verschil in behandeling in het leven geroepen tussen die rechtsonderhorigen en de rechtsonderhorigen die gedagvaard worden voor de rechter die hun door het gemeen recht met betrekking tot de rechtspleging wordt toegewezen. (...)

B.8. Het in B.7 vastgestelde verschil in behandeling is niet discriminerend."

Het Grondwettelijk Hof herhaalde dit standpunt in zijn arrest van 11 februari 1998(44).

In zijn arrest van 4 november 1998 spreekt het Grondwettelijk Hof zich voornamelijk uit over de positie van de benadeelde partij en over de exclusieve bevoegdheid waarover de procureur-generaal bij het hof van beroep beschikt om vervolging in te stellen tegen een magistraat, zijnde een beslissing waartegen geen hoger beroep mogelijk is.

Het Grondwettelijk Hof oordeelt:

"B.5.1. Vermits de legitieme doelstellingen die de wetgever heeft nagestreefd, verantwoorden dat hij aan de hoven van beroep de bevoegdheid heeft toevertrouwd om kennis te nemen van de wanbedrijven ten laste van de personen op wie het voorrecht van rechtsmacht toepasselijk is, is het niet klaarblijkelijk onredelijk de exclusieve bevoegdheid om tegen die personen vervolging in te stellen, te hebben voorbehouden aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, zonder toe te
staan dat de vervolging, die een roekeloos of kwaadwillig karakter kan hebben, rechtstreeks wordt uitgeoefend door een persoon die zich door het misdrijf benadeeld acht.

De wetgever vermocht, in de logica van het geldende stelsel, naar het voorbeeld van de door het hof van beroep gewezen beslissing, waartegen evenmin hoger beroep mogelijk is, voor de partij die zich benadeeld acht niet te voorzien in een beroep tegen de beslissing van de procureur-generaal om de vermeende dader van het misdrijf niet te vervolgen.

B.5.2. Die maatregelen beperken de rechten van de persoon die zich benadeeld acht niet op buitensporige wijze: die persoon, die slechts een particulier belang kan nastreven, zelfs wanneer hij de strafvordering op gang brengt, beschikt over de mogelijkheid om voor de burgerlijke rechter een vordering tot schadevergoeding in te stellen, afgezien van het feit dat hij het misdrijf kan aanklagen opdat een initiatief kan worden genomen door de Minister van Justitie of door het hof van beroep".

52. Deze rechtspraak van het EHRM en van het Grondwettelijk Hof is hier in zoverre relevant dat, zowel bij het onderzoek van de verzoenbaarheid van de procedure van voorrecht van rechtsmacht met de beperking van het recht van de benadeelde partij op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, als bij het onderzoek van de bestaanbaarheid van deze procedure met de artikelen 10 en 11 Grondwet voor wat betreft de beperking van de rechten van de benadeelde, die zelf de strafvordering niet kan instellen, maar afhankelijk is van de beslissing dienaangaande van de procureur-generaal bij het hof van beroep, waartegen hij zelfs geen rechtsmiddel kan aanwenden, steeds nagegaan wordt of die beperking niet gecompenseerd wordt door voldoende redelijke alternatieve oplossingen om de burgerlijke rechtsvordering van die benadeelde partij veilig te stellen.

Een dergelijke "voldoende redelijke alternatieve oplossing" bestaat inderdaad: zowel het EHRM als het Grondwettelijk Hof verwijzen hierbij naar de mogelijkheid om voor de burgerlijke rechter een vordering tot schadevergoeding in te stellen.

53. Deze laatste mogelijkheid moet bijgevolg ook in rekening gebracht worden bij de beoordeling van het "belang" dat de burgerlijke partijen hadden om hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de raadkamer of om cassatieberoep in te stellen tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij dit hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.

54. De beschikking van de raadkamer tot ontlasting van de onderzoeksrechters en de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling om het hoger beroep tegen deze beschikking niet ontvankelijk te verklaren, hebben als uiteindelijk gevolg dat het gerechtelijk onderzoek beëindigd wordt, dat de onderzoeksgerechten niet langer bevoegd zijn om te beslissen over de eventuele doorverwijzing van de zaak naar het vonnisgerecht, en dat, minstens voorlopig, een einde gesteld wordt aan de strafvordering, die alleen nog kan ingesteld worden door de procureur-generaal bij het hof van beroep.

De onderzoeksgerechten doen hierbij enkel uitspraak over de strafvordering: hun rechtsmacht reikt niet verder. Over de burgerlijke rechtsvordering wordt geen enkele uitspraak gedaan en die burgerlijke rechtsvordering wordt bijgevolg ook niet afgewezen.

De wettelijke voorschriften inzake het voorrecht van rechtsmacht, die overigens van openbare orde zijn(45), ontnemen de benadeelden evenwel niet het recht om zich te wenden tot de burgerlijke rechter teneinde alsnog de door hen gevorderde (zelfde) schadevergoeding te bekomen.

55. Overigens, zelfs wanneer de benadeelden, die door de tussengekomen beslissingen hun formele positie als burgerlijke partij en als procespartij hebben verloren, ervoor opteren om toch niet de alternatieve weg van de vordering tot schadevergoeding voor de burgerlijke rechter te volgen, staan zij nog niet met lege handen.

56. In de eerste plaats is het, gelet op de bedoeling zelf van artikel 479 Wetboek van Strafvordering, om de personen die van een voorrecht van rechtsmacht genieten te beschermen tegen lichtzinnige en kwaadwillige aanklachten, voor de hand liggend dat werd aangenomen dat, in afwijking van het gemeenrecht, hij die beweert benadeeld te zijn, niet de mogelijkheid heeft om via een burgerlijkepartijstelling(46) voor de onderzoeksrechter de strafvordering op gang te brengen of rechtstreeks te dagvaarden(47).

Toch wordt aangenomen dat indien een burgerlijkepartijstelling wordt ingediend bij de onderzoeksrechter en (naderhand) de onbevoegdheid van deze onderzoeksmagistraat wordt vastgesteld en ontslag van onderzoek door de raadkamer wordt bevolen, het initiatief van de benadeelde op dat ogenblik de waarde heeft van een "klacht", die ter beschikking overgemaakt zal worden aan de procureur-generaal(48). Het staat de benadeelde bovendien uiteraard vrij te trachten de procureur-generaal te overtuigen van de noodzaak of de wenselijkheid om tot vervolging over te gaan.

57. Voorts blijven de vóór het ontslag van onderzoek door de onderzoeksrechter gestelde of bevolen onderzoekshandelingen overigens geldig(49) en zij kunnen desgevallend later in de rechtspleging zonder meer in aanmerking genomen worden.

58. Bovendien heeft het Hof beslist(50): "De toepassing van de bijzondere bevoegdheids- en procedureregels die bij de artikelen 479 en volgende Wetboek van Strafvordering zijn bepaald ontneemt het slachtoffer niet het recht om correct en gewetensvol te worden bejegend, in het bijzonder door terbeschikkingstelling van de nodige informatie, noch het recht om de burgerlijke rechtsvordering tezelfdertijd en voor dezelfde rechter te vervolgen, noch het recht om de hoedanigheid van benadeelde persoon te verkrijgen, noch het recht om de bevoegde onderzoeksmagistraat om inzage van het dossier te verzoeken, noch het recht om die magistraat te verzoeken een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten, noch ten slotte het recht om zich bij hem burgerlijke partij te stellen".

Ook hierin kan de benadeelde partij bijgevolg waarborgen vinden die zijn positie beschermen.

59. Tenslotte dient er ook gewezen te worden op het feit dat de eisers, in de zaak die thans voorligt, door de toevalligheden van het concrete verloop van de rechtspleging, waarin pas op een later tijdstip gebleken is dat toepassing diende gemaakt te worden van de regels inzake voorrecht van rechtsmacht, vanaf hun formele burgerlijkepartijstelling tot aan de beschikking tot ontlasting van de onderzoeksrechters door de raadkamer van 30 november 2009, hebben kunnen "genieten" van hun statuut van burgerlijke partij met alle daaraan volgens hen beweerdelijk verbonden voordelen. Het is inderdaad pas bij de beschikking van 30 november 2009 dat gebleken is dat de procedure van artikel 479 en volgende Wetboek van Strafvordering, die zoals hiervoor uiteengezet van openbare orde is, diende te worden toegepast.

De wet bepaalt dat wanneer deze procedure dient gevolgd te worden, geen burgerlijkepartijstelling mogelijk is om de strafvordering in te stellen of op gang te brengen. De laattijdige ontdekking van het feit dat één van de bij de misdrijven betrokken personen één van de hoedanigheden bezat als bedoeld in artikel 479 Wetboek van Strafvordering, creëert als dusdanig geen "belang" in hoofde van de benadeelde partijen, nu zij enkel een hoedanigheid (van burgerlijke partij) verliezen die zij, wettelijk gezien, in feite niet (of nooit) hadden mogen hebben. De eisers puren dus eigenlijk een zogenaamd "belang" uit een voordeel (de burgerlijkepartijstelling) waarop zij, volgens de wet, geen recht hadden.

60. Het eigenlijke belang van de eisers-burgerlijke partijen ligt evenwel elders: dit belang vertaalt zich immers uiteindelijk als de mogelijkheid waarover de burgerlijke partijen beschikken om een rechterlijke uitspraak te bekomen over hun burgerlijke rechtsvordering, zijnde hun rechtsvordering tot herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade(51).

61. Uit de voorgaande elementen kan dan ook als belangrijkste vaststelling worden onthouden dat de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling, die als onderzoeksgerecht enkel uitspraak kunnen doen over de strafvordering, door de beroepen beschikking en door het bestreden arrest geen enkele uitspraak hebben gedaan (en ook niet mochten of konden doen) over (de ontvankelijkheid, noch over de gegrondheid van) deze burgerlijke rechtsvordering. Doordat zij geen enkele uitspraak hebben gedaan over de burgerlijke rechtsvordering van de burgerlijke partijen hebben zij dan ook geen enkele hypotheek gelegd op deze vordering, die nog steeds kan ingesteld worden.

De burgerlijke partijen beschikken bijgevolg nog steeds over alle mogelijkheden om een uitspraak over hun burgerlijke rechtsvordering te bekomen. Zij beschikken evenzeer nog over alle mogelijkheden om omtrent deze burgerlijke rechtsvordering elk dienstig verweer te voeren voor de rechter.

Zij zullen deze mogelijkheden eventueel nog kunnen aanwenden voor de strafrechter, die de zaak uiteindelijk als vonnisrechter zal behandelen, wanneer de procureur-generaal bij het hof van beroep alsnog beslist de strafvordering in te stellen. Wanneer zij daarentegen geconfronteerd zouden worden met een "stilzitten" vanwege de procureur-generaal bij het hof van beroep of met een sepotbeslissing(52), staat niets eraan in de weg dat zij diezelfde burgerlijke rechtsvordering instellen voor de burgerlijke rechter.

De beschikking van de raadkamer laat de rechten van de burgerlijke partijen dus onverkort bestaan en kan hen bijgevolg niet grieven, zodat het hoger beroep tegen deze beschikking niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang. Hetzelfde geldt evenzeer voor het bestreden arrest dat het recht van de burgerlijke partijen om voor de rechter de gegrondverklaring van hun burgerlijke rechtsvordering na te streven, onverlet laat en hen dus niet benadeelt: het cassatieberoep tegen het bestreden arrest is bijgevolg eveneens niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

62. Enkel en alleen al de hiervoor aangehaalde redenen moeten leiden tot het besluit dat de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling dat "ofschoon de burgerlijke partij krachtens artikel 135, §1 van het Wetboek van Strafvordering hoger beroep kan instellen tegen alle beschikkingen van de raadkamer, (...) zij evenwel conform artikel 17 van het gerechtelijk Wetboek belang (dient) te hebben om dit hoger beroep in te stellen" en dat "(d)e belangen van de burgerlijke partij (...)niet geschaad (kunnen) worden door de beschikkingen van de bestreden beslissing die wegens samenhang negen van de tien dossiers samenvoegt en zich hierover onbevoegd verklaart ingevolge de voorrang van rechtsmacht van de 25e inverdenkinggestelde V." en "het hoger beroep van de burgerlijke partij (...), wat dit betreft, onontvankelijk (is) bij gebrek aan belang", naar recht verantwoord is.

Het cassatieberoep van de eisers IV, V, IX, XI en XIII, in hun hoedanigheid van burgerlijke partij, is derhalve, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

63. Hoewel uit het voorgaande volgt dat het eerste onderdeel van het enig middel van de eisers V en IX, dat betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, faalt naar recht in zoverre het artikel 17 Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing acht (randnummer 45) en dat het tweede onderdeel van het enig middel van de eisers IV, V en IX, dat eveneens betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, niet kan worden aangenomen, nu de hiervoor aangehaalde beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling betreffende het gebrek aan belang, naar recht verantwoord is (randnummer 62), moeten deze onderdelen toch niet meer beantwoord worden, nu zij, zoals hiervoor gebleken is, onterecht ervan uitgaan dat de eisers-burgerlijke partijen er belang bij hadden om tegen de beschikking van de raadkamer hoger beroep in te stellen en om tegen het bestreden arrest cassatieberoep aan te tekenen.

64. Het eerste onderdeel van de eiser IV en het derde onderdeel van de eisers V en IX, die geen betrekking hebben op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, maar op een motiveringsgebrek, behoeven evenmin nog een antwoord.

Conclusie: verwerping van alle cassatieberoepen.
_______________
(1) Cass. 19 jan. 1903, Pas., 1903, I, 87.
(2) DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 5de Ed., 2010, p. 400, nr. 821.
(3) DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 5de Ed., 2010, p. 371, nr. 752.
(4) DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 5de Ed., 2010, p. 371, nr. 753.
(5) DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 5de Ed., 2010, p. 372, nr. 754.
(6) Cass. 22 okt. 1985, AR 8793, AC 1985-86, nr. 111.
(7) Cass. 8 maart 1965, Pas., I, 702 met concl. Adv.-gen. Mahaux; 16 sept.1998, AR 94.0001.F, J.T., 1998, p. 656; 23 dec. 1998, AR 94.0001.F, AC 1998, nr. 534; 10 dec. 2002, AR P.02.1146.N, AC 2002, nr. 664.
(8) DECLERCQ, R., Onderzoeksgerechten, A.P.R., p. 133, nr. 345; DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 5de Ed., 2010, p. 402, nr. 832 en p. 403, nr. 834.
(9) DECLERCQ, R., Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer uitgevers, 5° Ed., 2010, p. 421, nr. 885.
(10) Cass. 30 jan. 1991, AC 1990-91, nr. 286; 23 juli 1991, AC 1990-91, nr. 567.
(11) DECLERCQ, R., Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer uitgevers, 5° Ed., 2010, p. 427, nr. 900; VERSTRAETEN, R., . Handboek Strafvordering, 4de uitgave, 2005, nr. 1279.
(12) Cass. 9 mei 1972, AC 1972, 840; 22 april 2008, AR P.07.1863.N, AC 2008, nr. 240: DECLERCQ, R., Beginselen van strafrechtspleging, 5e Editie 2010, p. 427, nr. 902.
(13) De eisers VI, VII en VIII menen dat aan deze vereiste is voldaan, maar de redenering die zij daarbij volgen lijkt op zijn minst eigenaardig: volgens deze eisers heeft de raadkamer in haar beroepen beschikking van 30 november 2009 een uitspraak inzake bevoegdheid gedaan, omdat zij zich de bevoegdheid van een andere instantie zou toe-eigenen indien zij de persoon die geniet van het voorrecht van rechtsmacht naar de correctionele rechtbank zou hebben verwezen. De raadkamer doet hier evenwel het omgekeerde, zodat de door de eisers naar voor geschoven hypothese hier niet is gerealiseerd.
(14) Cass. 9 juni 1999, AR P.99.0510.F, AC 1999, nr. 343; 30 okt. 2001, AR P.01.1259.N, AC 2001, nr. 584; 4 dec. 2007, AR P.07.1207.N, AC 2007, nr. 612.
(15) Cass. 1 juni 1994, AR P.94.0577.F, AC 1994, nr. 561.
(16) DECLERCQ, R., Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer uitgevers, 5° Ed., 2010, p. 430, nr. 906.
(17) Cass. 2 sept. 2009, AR P.09.0960.F, AC 2009, nr. 469; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2007, p. 447 en 448.
(18) VERSTRAETEN, R., . Handboek Strafvordering, 4de uitgave, 2005, nr. 1279.
(19) Cass. 10 feb. 1987, AC 1986-87, nr. 347 en de noot R.D..
(20) Cass. 30 jan. 1991, AR 8773, AC 1990-91, nr. 286.
(21) VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, 4de uitgave, 2005, nr. 1279; DECLERCQ, R., Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer uitgevers, 5° Ed., 2010, p. 430, nr. 906.
(22) Cass. 26 juni 1996, AR P.96.0561.F, AC 1996, nr. 261.
(23) Art. 20 Ger. W.
(24) Cass. 22 jan. 1973, AC 1973, nr. 520; 15 maart 1983, AR 7917, AC 1982-83, nr. 396; 17 aug. 1992, AR 6888, AC 1991-92, nr. 582.
(25) Cass. 24 sept. 2008, AR P.08.1234.F, AC 2008, nr. 504 en concl. Adv.-gen. Vandermeersch.
(26) Cass. 22 april 2008, AR P.07.1867.N, AC 2088, nr. 242.
(27) Cass. 26 april 2006, AR P.06.0214.F, AC 2006, nr. 241.
(28) Cass. 30 april 2003, AR P.03.0445.F, AC 2003, nr. 272.
(29) Cass. 16 mei 2006, AR P.06.0116.N, AC 2006, nr. 275.
(30) Cass. 22 mei 1991, AR 8864-9130, AC 1990-91, nr. 483.
(31) DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 5de Ed., 2010, p. 1539, nr. 3815.
(32) DECLERCQ, R., Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer uitgevers, 5° Ed., 2010, p. 423, nr. 889.
(33) Cass. 22 okt. 1985, RW, 1985-86, 2830.
(34) VERSCHUEREN, C., Buitenvervolgingstelling, Strafrecht en Strafvordering, Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 5; K.I. Brussel, 22 juni 1995, JT, 1995, 828.
(35) K.I. Antwerpen, 27 nov. 2000, RW, 2003-2004, 587; VANDROMME, S., "Het hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de beschikking van de raadkamer tot ontheffing van het onderzoek aan de onderzoeksrechter met het oog op de verwijzing van de zaak naar een ander taalgebied", RW, 2003-2004, 588, VERSTRAETEN, R., De burgerlijke partij en het gerechtelijk onderzoek", 1989, 360; DECLERCQ, R. Beginselen van Strafrechtspleging, 5de Ed., 2010, p. 403, nr. 834; DE CODT, J., "Les nullités de l'instruction préparatoire et le droit de la preuve. Tendances récentes". R.D.P., 2000, 61.
(36) Cass. 9 maart 2004, AR P.04.0199.N, AC 2004, nr. 135: zie ook Parl. St., Kamer, 1996-97, nr. 857/1, 60; DECLERCQ, R., Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer uitgevers, 5° Ed., 2010, p. 421, nr. 881.
(37) VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, 4de uitgave, 2005, nr. 1270.
(38) VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, 4de ed., 2005, p. 181, nr. 307; DECLERCQ, R., "Raakvlakken gerechtelijk privaatrecht - strafprocesrecht" in "Procesrecht vandaag", Kluwer, 1980, p. 33, nr. 2.
(39) Ibid.
(40) CONSTANT, J., "Crimes commis par les juges", Les Novelles, Procédure pénale, II, Bruxelles, 1949, nr. 3.
(41) de CODT, J., "De vervolging van magistraten" in Statuut en Deontologie van de magistraat, die Keure 2000, p. 152, nr. 2.
(42) EHRM, 15 juli 2003, Ernst e.a. t./ België.
(43) GwH, 7 nov. 1996, nr. 60/96.
(44) GwH, 11 feb. 1998, nr. 13/98.
(45) de CODT, J., "De vervolging van magistraten" in Statuut en Deontologie van de magistraat, die keure 2000, p. 152, nr. 3.
(46) VERSTRAETEN, R., "Voorrecht van rechtsmacht", in Strafrecht voor Rechtspractici - IV (ed. DUPONT, L. en SPRIET, B.), p. 111, nr. 28.
(47) Cass. 1 april 1996, AR P.96.0171.F, Pas., 1996, nr. 108, met concl. Adv.-gen. Liekendael.
(48) VERSTRAETEN, R., "Voorrecht van rechtsmacht", in Strafrecht voor Rechtspractici - IV (ed. DUPONT, L. en SPRIET, B.), p. 111, nr. 29.
(49) Cass. 6 jan. 1998, AR C.95.0467.N, AC 1998, nr. 3.
(50) Cass. 28 juni 2006, AR P.06.0427.F, AC 2006, nr. 362.
(51) DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 5de ed., 2010, p. 1203, nr. 2914.
(52) Cass. 23 okt. 1984, AR 8966, AC 1984-85, nr. 138.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: zo, 20/08/2017 - 14:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.