-A +A

voorlopig bewind

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

rechtsleer: 
• T. Delahaye, Het voorlopig bewind in Bibliotheek Burgerlijk Recht en Procesrecht Larcier
• K. Rotthier, Voorlopig bewind: praktische handleiding

Opgelet: Nieuwe wetgeving van kracht vanaf 1 juni 2014.(teksten worden onderaan op deze webpagina vermeld)

 

deze procedure staat volledig los van de procedure tot gedwongen opname (collocatie) maar in een procedure tot collocatie kan de vrederechter ambtshalve voorzien in het voorlopig bewind

 

 

Een voorlopige bewindvoerder kan aangesteld worden om het beheer van het inkomen en de goederen van een persoon geheel of ten dele waar te nemen, wanneer deze hiertoe niet meer zelf de nodige geestesvermogens heeft.

Indien u zelf geen lasthebber hebt aangesteld en niet meer in staat bent zelf uw eigen goederen te beheren, kan u zelf of kunnen derden de aanstelling van een dergelijke bewindvoerder vorderen.

Indien u een familielid of vriend wil beschermen tegen zichzelf of tegen andere inhalige familieleden kan u ook hiertoe het initiatief nemen.

wie kan onder voorlopige bewindvoering worden geplaatst:

Meerderjarige personen die wegens een blijvende of tijdelijke verzwakking van geestestoestand of lichaamstoestand niet meer in staat zijn om zelf hun goederen te beheren, kunnen onder voorlopige bewindvoering worden geplaatst.

Dit kan ondermeer het geval zijn bij wankele geestestoestand, vermindering van geheugen en concentratie, de ziekte van Alzheimer, dementie, bewustzijnsverlies, coma.

Deze procedure kan evenwel niet gebruikt worden om een louter ouder wordende persoon onder voogdij te stellen, b.v. uit vrees dat een nieuwe relatie of inwonende persoon een al te grote invloed zou hebben. Evenmin kan de procedure worden aangewend in geval van het verlies aan spraak, gehoor of zicht zonder dat de geestestoestand geschonden wordt.
 

wie kan het initiatief tot voorlopige bewindvoering nemen?

- de te beschermen persoon zelf
- familieleden
- vrienden of kennissen die een bescherming nastreven van de belangen van de te beschermen persoon
- de directeur of het personeel van het rustoord
- huwelijkspartner
- levenspartner
- huisdokter
- de procureur des konings
- iedere belanghebbende

welke rechter is bevoegd?

De vrederechter van de verblijfplaats van de te beschermen persoon.

hoe verloopt de procedure voorlopige bewindvoering?

De persoon die het initiatief wil nemen in deze procedure raadpleegt een geneesheer met verzoek de te beschermen persoon te onderzoeken met oog op het afleveren van een attest waaruit de gezondheidstoestand en vooral de geestestoestand blijkt voornamelijk inzake de mogelijkheden tot beheer van diens vermogen.

De geneesheer die dit attest opstelt mag geen dokter zijn die verbonden is aan de instelling alwaar de te beschermen persoon verblijft.  Wanneer de te onderzoeken persoon weigert zich door de geneesheer te laten onderzoeken die door de verzoeker wordt aanzocht, volstaat het dat de dokter vermeldt dat de patiënt weigert zich medisch te laten onderzoeken.  In dit geval zal de Vrederechter zelf een dokter aanstellen zonder dat hierbij dwang kan worden gebruikt. 

Het medisch attest dat niet ouder mag zijn dan 15 dagen wordt gevoegd bij een verzoekschrift dat dient te voldoen aan een reeks vereisten en dat daarom in de regel wordt opgesteld en ondertekend door een advocaat die instaat voor de neerlegging ter griffie.

Op grond van zijn innerlijke overtuiging zal de Vrederechter oordelen over de gevorderde maatregelen.  Hierbij zal hij alle dienstige inlichtingen inwinnen en zonodig iedereen horen die ter zake volgens de Vrederechter bijkomende gegevens kan verschaffen.

Eens het verzoek dus neergelegd zal de griffier de te beschermen persoon en diens huwelijkspartner oproepen bij gerechtsbrief.  De Vrederechter zal hen verhoren met gesloten deuren.  De persoon die het verzoek heeft neergelegd kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door zijn advocaat.  Ook de te beschermen persoon kan zich laten bijstaan door een advocaat.

Wanneer de Vrederechter meent dat rekening houdende met de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon en diens vermogen de aanstelling van een voorlopige bewindvoerder zich opdringt, zal deze een voorlopige bewindvoerder aanstellen.  Zijn keuze zal hierbij uitgaan zo mogelijk naar de echtgenote, een familielid of een vertrouwenspersoon.  In geval van discussie wordt vaak een advocaat door de Vrederechter aangesteld.

Niemand is verplicht de opdracht van de Vrederechter te aanvaarden.  De door de Vrederechter aangestelde bewindvoerder kan dus zonder problemen de opdracht weigeren.  Gelet op de nieuwe wetgeving ter zake is het ook begrijpbaar dat heel wat gewone burgers een dergelijke opdracht weigeren en verkiezen dat een advocaat die vertrouwd is met de wetgeving dit mandaat uitoefent.

opdracht van de voorlopige bewindvoerder

De voorlopige bewindvoerder beheert de goederen van de beschermde persoon te beheren als een goed huisvader. Deze bevoegdheid wordt omschreven door de vrederechter die in functie van het vermogen en de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon een deel van de bevoegdheden bij de te beschermen persoon kan laten. Om daden van beschikking te stellen (verkopen, lenen, nalatenschappen of legaten aanvaarden of verwerpen, afstand te doen van rechten, leningen aangaan, pachtovereenkomsten of handelshuurovereenkomsten af te sluiten...) dient de voorlopige bewindvoerder steeds de bijzondere machtiging te vragen aan de vrederechter.

De voorlopige bewindvoerder dient zich daadwerkelijk te bekommeren over het lot van de te beschermen persoon.  Dit vanzelfsprekend binnen de perken van de mogelijkheden.  De voorlopige bewindvoerder dient aldus de uitgaven te doen die op passende wijze de verzorging van de te beschermen persoon verzekeren.  De woning en de huisraad dienen zolang mogelijk ter beschikking te blijven van de te beschermen persoon.  Wanneer de woning van de te beschermen persoon dient verkocht te worden (b.v. bij een opname in een bejaardentehuis) zal de voorlopige bewindvoerder hiertoe de toestemming dienen te vragen aan de Vrederechter.

Bepaalde goederen zoals persoonlijke voorwerpen die geen patrimoniale waarde hebben mogen door de voorlopige bewindvoerder zelfs niet verkocht worden.

bevoegdheid van de voorlopige bewindvoerder maatwerk door de vrederechter

De voorlopige bewindvoerder heeft principieel een algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid voor alle vermogensrechtelijke aangelegenheden.

De vrederechter kan evenwel de beschermingsmaatregel moduleren en aldus aanpassen in functie van de ongeschiktheid van de belanghebbende.
In elk geval afzonderlijk bepaalt de vrederechter de bevoegdheden van de voorlopige bewindvoerder, waarbij hij rekening houdt niet alleen met de aard en de samenstelling van het te beheren vermogen, maar ook met de gezondheidstoestand van de beschermde persoon. Hiertoe beschikt de vrederechter over een allesomvattende appreciatiemarge zodat hij
telkens het voorlopig bewind op maat van de te beschermen persoon op maat kan "snijden". De Vrederechter kan aldus de rechtshandelingen
vaststellen waarvoor de beschermde persoon zelf bevoegd blijft, met een
residuaire bevoegdheid voor de voorlopige bewindvoerder.


controle van de jaarlijkse bewindvoering en verslag

Elk jaar en bij het beëindigen van zijn mandaat moet de voorlopige bewindvoerder rekenschap geven van zijn beheer aan de vrederechter én aan de beschermde persoon, ten ware diens gezondheidstoestand dit niet toelaat.

kosten en erelonen

De vrederechter kan aan de voorlopige bewindvoerder, bij een gemotiveerde beslissing, een vergoeding toekennen, waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan 3% van de inkomsten van de beschermde persoon.

toepasselijke wetgeving

de wet van 18 juli 1991 (art 488bis van het burgerlijk wetboek);
de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van artikel 488 bis burgerlijk wetboek.

Help, mijn inhalige nichtje beheert het geld van mijn demente oom op inhalige wijze

De voorlopige bewindvoering wordt vaak aangewend in procedures waarbij een bepaald familielid bevreesd is dat een ander familielid die een volmacht of een mandaat heeft over een oudere persoon met diens centen gaat lopen. Evenzeer wordt de procedure aangewend wanneer familie vreest dat een oudere persoon met onvoldoende verstand omgaat met zijn vermogen.

De Vrederechter gaat omzichtig om met dit soort vorderingen en er zich van bewust dat de inhaligheid wel eens zou kunnen bestaan in hoofde van de persoon die de vordering instelt. De procedure kan namelijk nooit worden ingesteld om financiële belangen veilig te stellen van anderen dan de te beschermen persoon zelf. Vaak worden de vorderingen dan ook afgewezen wanneer de vrederechter oordeelt dan de te beschermen persoon nog over voldoende geestesvermogens beschikt. Een beetje trager worden, niet meer "alles" begrijpen, het soms moeilijk hebben en de kwaaltjes van de oude dag zijn niet voldoende om iemand onder voorlopige bewindvoering te plaatsen. Het gesprek met de te beschermen persoon en het eventuele verzet van diens advocaat wordt door de Vrederechter daarom steeds zeer ernstig genomen. Bovendien zal in geval van familietwist de vrederechter geen mandaat aan de ene ontnemen om een ander twistend familielid als bewindvoerder aan te stellen. In dit geval zal hoe dan ook een onafhankelijk advocaat worden aangesteld als bewindvoerder.

Kan een persoon die onder de voorlopige bewind is geplaatst een testament maken?

artikel 488 bis,h)§2 stelt uitdrukkelijk: "De beschermde persoon kan slechts geldig en uiterste wilsbeschikking maken na machtiging op zijn verzoek door de vrederechter"

in een vonnis van het Vredegerecht Lier d.d. 15 maart 2007, tijdschrift voor vrederechters,5-8, 230, verleende de vrederechter machtiging om een testament te maken door een beschermde persoon aan een specifieke genaamde persoon dit nadat de vrederechter uit zijn ondervraging vaststelde dat de betrokkene voldoende wilsgeschikt was. In een uitvoerige noot, voorafgegaan aan dit vonnis wordt deze uitspraak zwaar bekritiseerd. De vrederechter had namelijk in geen tijdsbepaling voorzien. Wat indien het testament maanden of jaren later werd opgesteld en waarom heeft de vrederechter zich ingelaten met de begunstigde van het testament. Het is een dergelijke gevallen aan te bevelen om enerzijds in een tijdsbepaling te voorzien en anderzijds de machtiging te vragen tot de opstelling van een testament door een notaris waarbij de testator dan  alle vrijheid behoudt.

Voor overige toepassingen inzake de testeermogelijkheid zie: Voor toepassingen: Vred. Aarschot 12 februari 2004, R.W. 2004-05, 516, noot W. Pintens; Vred. Brugge 7 november 2005, T.G.R. 2007, 170; Vred. Zelzate 21 november 2006, T. Not. 2007, 562; Vred. Lier 15 maart 2007, T. Vred. 2007, 230. Hierover: W. Pintens, «De testeerbekwaamheid van de onder bewind gestelde», R.W. 2004-05, 517 e.v.; A. Van Den Bossche, «Het testament van de meerderjarige waaraan een voorlopige bewindvoerder is toegevoegd. Toch een taak voor de notaris?», T. Vred. 2007, 221 e.v.; A. Van Den Bossche, «Om een testament te kunnen maken moet men gezond van geest zijn en zo nodig gemachtigd door de vrederechter», T. Not. 2007, 526 e.v.

Voor de toepassing van de wet van 3 mei 2003 was de rechtspraak en de rechtsleer verdeeld of een persoon die onder voorlopige bewindsvoering geplaatst werd een testament kon maken. Het Hof van Cassatie 1e Kamer – 10 januari 2008, RW 2008-2009, 496, met noot Pintens – Het testament onder het stelsel van voorlopig bewind van de wet van 18 juli 1991

, beslechtte de discussie definitief in voormeld arrest:

"Het voorlopig bewind onder het stelsel van de wet van 18 juli 1991 beoogt de bescherming van de goederen van de onder bewind gestelde tijdens zijn leven.

Het voorlopig bewind met algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft niet de volledige onbekwaamheid van de onder bewind gestelde tot gevolg.

De onder bewind gestelde was vóór de wijziging van het voorlopig bewind door de wet van 3 mei 2003 bekwaam om een testament te maken." 

Rechtsleer: Testeervrijheid van de beschermde persoon onder voorlopig bewind: grondwetsconform, noot onder het arrest van het grondwettelijk hof van 30 september 2009 van Frederrik Swennen. Tijdschrift voor familierecht 2010 pagina 30. Noot onder het belangrijke arresten van het grondwettelijk hof van 30 september 2009, gepubliceerd in het tijdschrift voor familierecht 2010 pagina 28 klik hier voor dit arrest
 

U bent gehuwd en uw huwelijkspartner is niet meer in staat zijn wil kenbaar te maken

Wanneer uw huwelijkspartner fysiek of geestelijk niet meer in de mogelijkheid verkeert om op geldige wijze zijn wil te uiten, kan u uw advocaat verzoeken een procedure in te stellen voor de Vrederechter van uw laatste echtelijke verblijfplaats.  De Vrederechter kan u dan machtigen om de geldsommen die derden aan u verschuldigd zijn geheel of ten dele te ontvangen ten behoeve van de huishouding en dit op grond van art. 220 § 3 B.W.

UW HUWELIJKSPARTNER IS NIET MEER IN STAAT ZIJN WIL TE KENNEN TE GEVEN EN U ZOU DE GEZINSWONING WILLEN VERKOPEN

Stel dat uw huwelijkspartner dement geworden is en u al dan niet samen met hem verkiest om verder verblijf te houden in een bijzondere instelling wat zeer hoge kosten met zich kan meebrengen.  In deze gevallen is het vaak noodzakelijk dat de gezinswoning kan verkocht worden.  De gezinswoning kan echter volgens de wet niet verkocht worden zonder de instemming van de andere echtgenoot.  Uw advocaat kan een procedure inleiden voor de Rechtbank van Eerste Aanleg op grond van art. 220 §1 B.W.  De Rechtbank van Eerste Aanleg kan u dan machtigen om deze handeling alleen te verrichten.

STEL DAT UW ECHTGENOOT NIET MEER IN STAAT IS OM ZIJN WIL TE KENNEN TE GEVEN EN U EEN ALGEMENE BEVOEGDHEID WENST TE BEKOMEN OM ZIJN RECHTEN UIT TE OEFENEN

Dit kan van belang zijn voor het beheer van het patrimonium, de ontvangst van gelden of welke andere burgerlijke verrichting ook.

In dit geval kan u uw advocaat verzoeken dat de rechtbank van eerste aanleg u aanstelt om in de plaats te worden gesteld voor de uitoefening van de bevoegdheden van uw huwelijkspartner.

Uzelf kan reeds een lasthebber aanduiden voor het geval u later ook niet meer in staat zou zijn om uw wil te uiten.  Raadpleeg hiertoe uw advocaat.  Let wel, een dergelijke volmacht kan u maar geldig verlenen op het ogenblik dat u zelf nog in staat bent om uw wil te kennen te geven.  De ouder wordende burger die geen huwelijkspartner meer heeft aan wie hij een dergelijke lastgeving kan geven heeft er derhalve alle belang bij om een tijdige lastgeving te verlenen.  Een advocaat kan perfect als uw lastgever optreden.

Voorlopig bewind en hoger beroep:

Hoger beroep is wel degelijk mogelijk in de procedure voorlopig bewind. De wetgever is stilzwijgend in verband met uitvoerbare kracht van de beschikking ten opzichte van de partijen. De wetgever is echter nalatig geweest om te bepalen op welke wijze het hoger beroep dient ingesteld. Maar het hoger beroep is niet uitdrukkelijk uitgesloten, waardoor het principieel mogelijk is. Indien de artikelen 1029 lid 1 en 1031 gerechtelijk wetboek toepasbaar zijn, moet het hoger beroep op straffe van verval worden ingesteld binnen de maand te rekenen vanaf de kennisgeving. Wordt de procedure evenwel als een tegensprekelijke procedure beschouwd, dan moet de beschikking worden betekend aan alle partijen door middel van een gerechtsdeurwaardersexploot en dient het hoger beroep was ingesteld te worden binnen de maand na de betekening van het vonnis conform artikel 1051 gerechtelijk wetboek.

Ook derdenverzet zou mogelijk zijn tegen de beschikking. Een en ander brengt een nieuwe procedure op gang. De dagvaarding waarbij derdenverzet wordt aangetekend is onderworpen aan de artikelen vier alinea 1 tweede lid van de wet van 15e juni 1935.

Derdenverzet wordt aangetekend voor dezelfde rechtbank, maar niet noodzakelijk voor de rechter die de beschikking velden waartegen het verzet wordt aangetekend.

Voor de wet van 3 mei 2003 hadden procedure een eenzijdig karakter waardoor enkel derdenverzet kan worden ingesteld door de betrokken partij of door een vrijwillig verschijnende partijen binnen de maand van de beschikking. Door het nieuwe artikel 488 bis, b, paragraaf laatste lid van het burgerlijk wetboek wordt voorzien dat de artikelen 1034 en volgende van het gerechtelijk wetboek van overeenkomstige toepassing zijn op het gedinginleidend verzoekschrift.


Artikel 488 bis, C. paragraaf 1 ten negende en ten 10e hernemen nagenoeg tekstueel de bepalingen van artikel 1030 gerechtelijk wetboek wat aangeeft dat de wetgever als doel had de procedure zoals voorzien in artikel 1031 gerechtelijk wetboek te handhaven. Het is de partijen aldus toegestaan de rechtsmiddelen van gemeen recht uit te oefenen, dat wil zeggen verzet en hoger beroep. Voor het overige blijft de wet in het duister. Het is niet duidelijk of het hoger beroep door de procespartijen moet worden ingesteld binnen de maand na de kennisgeving van de beschikking door de griffier overeenkomstig artikel 1031, dan wel binnen de maand na de betekening van het vonnis.

Het hoger beroep ontneemt de vrederechter zijn rechtsmacht waardoor deze geen kennis kan nemen van vorderingen tot wijziging van de beschikking en dit zolang het hoger beroep niet werd beëindigd.

Er bestaat geen discussie of de benadeelden, bijvoorbeeld een algemeen lasthebber derdenverzet,  kunnen aantekenen binnen de maand na de betekening van de beschikking.

De vertrouwenspersoon is geen procespartij en kan geen rechtsmiddelen aanwenden want deze geen titularis van een mandaat ad litem.

De beschermde persoon kan vrijwillig tussenkomen in de beroepsprocedure, zelfs als hij voordien had geweigerd om in de procedure tussen te komen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande voorziening conform artikel 1029 tweede lid gerechtelijk wetboek.

In de mate dat de beschermde persoon gerechtigd is derdenverzet aantekenen, moet het ook mogelijk zijn dat hij vrijwillig tussenkomt in het hoofdgeding al werd het eenzijdig aanhangig gemaakt. Dergelijke vrijwillige tussenkomst kan in concreto eenvoudigweg bestaan in het neerleggen van de conclusies de griffie van het vredegerecht.

Het belang en de hoedanigheid zijn voorwaarden om in rechte op te treden. De beschermde persoon heeft geen hoedanigheid want beschikt niet over de vereiste bekwaamheid om een rechtsvordering in te stellen, tenminste voor wat de rechten betreft waarvan hij wel titularis is, maar waarvan de vertegenwoordigingsbevoegdheid werd overgedragen aan zijn voorlopige bewindvoerder. Het bewijs van ontbreken van toestemming op het ogenblik van het verrichten van de rechtshandeling kan met alle middelen van recht worden geleverd. Het is bovendien toegelaten dat de beschermde persoon alleen in rechte kan optreden maar dan uitsluitend onder bewarende titel of indien vertegenwoordiging is uitgesloten en het verzoek een absolute noodzaak heeft.

Maar de beschermde persoon kan niet uitgesloten worden van het toepassingsgebied van de waarborgen voorzien in artikel zes van het Europees verdrag van de rechten van de mens.

Meer informatie: zie: “Het voorlopig bewind, T. Delahaye, Larcier 2007

 

voorlopig bewind en kennisgeving van de betekening aan de voorlopig bewindvoerder:

rechtspraak:

•• Vredegerecht te Leuven 25 juli 2006, RW 2008-2009, 1663


«Verwerende partij voert aan dat de dagvaarding aan haar betekend op 10 november 2003, onontvankelijk is, omdat zij op 7 november 2002 onbekwaam werd verklaard tot goederenbeheer en kennisgeving en betekening dient te gebeuren aan het adres van de voorlopige bewindvoerder (art. 488bis, k), B.W.).

«Zoals aan de gefailleerde gerichte post rechtstreeks aan de curator wordt verzonden (art. 50 Faillissementswet), is het de bedoeling van de wetgever geweest de voorlopige bewindvoerder inzake goederenbeheer kennis te laten nemen van de stroom aanmaningen die toekomen, kennis te nemen van bepaalde activa die misschien gewild of ongewild niet door de beheersonbekwame zijn gemeld.

«De bezorgdheid van de wetgever blijkt ook nog uit de beschermende werking van art. 57, derde lid, Ger. W., dat de termijnen voor het aanwenden van een rechtsmiddel pas doet lopen vanaf de betekening aan de wettelijke vertegenwoordiger van de onbekwame.

«De bekwaamheid is de regel, de onbekwaamheid kan enkel uit de wet voortvloeien en raakt de openbare orde (art. 1123 B.W.). De wilsonbekwaamheid beoogt alleen de onbekwame te beschermen, derde-medecontracten, kunnen zich niet beroepen op de onbekwaamheid als nietigheidsgrond.

«In concreto roept de voorlopige bewindvoerder de nietigheid in van de dagvaarding betekend aan de beschermde persoon.

«Eisende partij voert aan dat er geen sanctie bepaald is op het niet naleven van art. 488bis, k), B.W., de betekening enkel nietig kan worden verklaard wanneer de wet de onregelmatigheid ervan uitdrukkelijk met nietigheid bestraft (art. 860 Ger. W.), het normdoel bereikt werd (art. 867 Ger. W.) en geen belangenschade is aangetoond.

«Sommige rechtsleer en rechtspraak is op deze grondslag van oordeel dat de beschermde persoon onbekwaam is kennisgevingen en betekeningen te ontvangen zodat de nietigheidstheorie ter zake niet aan bod komt (E. Vieujean, T.B.B.R. 1993, p. 134; «Le majeur inapte à gerer ses biens», in Protection des malades mentaux et incapables majeurs: le droit belge après les réformes, p. 264 en 265; Chronique de Droit à l‘usage des juges de paix et de police, cahier nr. 24 van 16 oktober 1999, p. 13; Beslagr. Luik 14 oktober 1996, J.L.M.B. 1997, 993).

«Terecht voert eisende partij evenwel aan dat de betekenig slechts nietig kan worden verklaard wanneer de wet de onregelmatigheid ervan uitdrukkelijk met nietigheid bestraft (art. 860 Ger. W.) (W. Pintens en A. Verbeke, «Voorlopig bewind over goederen toebehorend aan meerderjarigen», R.W. 1991-92, p. 178, nr. 43).

«Daarenboven dient de voorlopige bewindvoerder de nietigheid in te roepen daar de wilsonbekwaamheid enkel beoogt de onbekwame te beschermen.

«In concreto gaat het eigenlijk enkel over het bepalen van de geadresseerde in het exploot, in concreto geactualiseerd van de wilsonbekwame naar de voorlopige bewindvoerder.

«Ingevolge art. 43, 3o, Ger. W. dient het exploot op straffe van nietigheid, de naam, de voornaam, de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats, en in voorkomend geval de hoedanigheid van de persoon voor wie het exploot bestemd is, te vermelden. Ingevolge art. 488bis, k), B.W. is dit de voorlopige bewindvoerder aan diens woon- of verblijfplaats.

«Belangenschade dient in elk geval aangetoond te worden en verwerende partij en haar voorlopige bewindvoerder kunnen dit niet hard maken (art. 861 Ger. W.). Tenslotte is het normdoel bereikt (art. 867 Ger. W.), de voorlopige bewindvoerder heeft de verdediging opgenomen van haar beschermeling (Hof Antwerpen 17 mei 2000, A.J.T., p. 697, nr. 29)».



De wetgeving: art. 488 bis van het burgerlijk wetboek

HOOFDSTUK Ibis. - VOORLOPIG BEWIND OVER DE GOEDEREN TOEBEHOREND AAN EEN MEERDERJARIGE. <W 18-07-1991, art. 2>
Art. 488bis. <Ingevoegd bij W 18-07-1991, art. 3 tot 13> A. De meerderjarige die, geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, wegens zijn gezondheidstoestand, niet in staat is zijn goederen te beheren, kan met het oog op de bescherming ervan, een voorlopige bewindvoerder toegevoegd worden, als hem nog geen wettelijke vertegenwoordiger werd toegevoegd.
B. (§ 1. Op zijn verzoek, op verzoek van elke belanghebbende of van de procureur des Konings kan aan de te beschermen persoon een voorlopige bewindvoerder worden toegevoegd door de vrederechter van zijn verblijfplaats, of bij gebreke daarvan, van zijn woonplaats.
De vrederechter kan die maatregel ambtshalve nemen, wanneer bij hem een verzoek werd ingediend als bedoeld in de artikelen 5, § 1, en 23 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke of wanneer bij hem een omstandig verslag wordt ingediend als bedoeld in artikelen 13, 14 en 25 van dezelfde wet. Artikel 7, § 1, van dezelfde wet is in dit geval eveneens van toepassing.
§ 2. Eenieder kan ten overstaan van de vrederechter van zijn verblijfplaats en subsidiair van zijn woonplaats of ten overstaan van een notaris een verklaring afleggen waarin hij zijn voorkeur te kennen geeft omtrent een aan te wijzen voorlopige bewindvoerder indien hijzelf niet meer in staat zou zijn om zijn goederen te beheren. Van deze verklaring wordt (een proces-verbaal of een authentieke akte) opgesteld. Het proces-verbaal wordt medeondertekend door de persoon die de verklaring heeft afgelegd. De vrederechter kan zich op verzoek en op kosten van de verzoeker naar diens verblijfplaats en in voorkomend geval, naar diens woonplaats begeven om een verklaring op te nemen. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
Binnen vijftien dagen na het afleggen van voormelde verklaring laat de griffier of de notaris deze verklaring opnemen in een centraal register dat wordt bijgehouden door de Koninklijke Federatie van het Belgisch notariaat.
De Koning bepaalt de nadere regels inzake oprichting, beheer en raadpleging van het centraal register. De Koning bepaalt welke autoriteiten gratis toegang hebben. (De Koning bepaalt het tarief van de kosten voor de opneming van de verklaringen.) <W 2003-12-22/42, art. 382, 019; ED : 31-12-2003>
Vooraleer de vrederechter kennis neemt van een verzoekschrift, moet de griffier nagaan of in het tweede lid bedoeld register een verklaring werd opgenomen. In dat geval, laat hij door de notaris of de vrederechter, bij wie de verklaring werd afgelegd, een eensluidend verklaard uittreksel overzenden.
Eenieder kan op ieder moment op dezelfde wijze als bepaald in het eerste en tweede lid de verklaring herroepen en desgevallend een nieuwe voorkeur uitdrukken. Er wordt voorts gehandeld zoals bepaald in de vorige leden. De vrederechter of notaris voor wie de herroeping plaatsheeft, stelt de vrederechter of notaris voor wie de oorspronkelijke verklaring werd afgelegd, hiervan in kennis. Deze laatste vermeldt de wijziging op de oorspronkelijke akte.
De vrederechter kan om ernstige redenen, gemotiveerd afwijken van de in het eerste lid, uitgedrukte wil.
§ 3. De vader (en/of de moeder, de echtgenoot,) de wettelijk samenwonende, de persoon met wie de beschermde persoon een feitelijk gezin vormt, de vertrouwenspersoon of een lid van de naaste familie die als voorlopige bewindvoerder werd aangesteld, kan ten overstaan van de vrederechter een verklaring afleggen waarin de voorkeur te kennen wordt gegeven over de aan te wijzen voorlopige bewindvoerder indien het mandaat door hem of haar niet zelf verder kan worden uitgeoefend. Van deze verklaring wordt een proces-verbaal opgesteld, dat onmiddellijk bij het dossier bedoeld in artikel 488bis, c), § 4 wordt gevoegd. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
Telkens wanneer de vrederechter een voorlopige bewindvoerder aanstelt ter vervanging of opvolging van de voorlopige bewindvoerder bedoeld in het voorgaande lid, moet hij vooraf nagaan of in het dossier een verklaring werd opgenomen. De vrederechter kan om een ernstige reden, bij gemotiveerde beschikking afwijken van de in het eerste lid bedoelde verklaring.
§ 4. De te beschermen persoon heeft het recht zich, voor de duur van het voorlopig bewind, te laten bijstaan door een door hemzelf of, als hij er zelf geen aanwijst en indien nodig, door de vrederechter aangewezen vertrouwenspersoon, zoals bedoeld in § 7, (en in de artikelen) 488bis, c), § 2 en § 3, 488bis, d), en 488bis, f), § 1 en § 5. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
De aanwijzing gebeurt door een verzoek daartoe gericht aan de vrederechter door de te beschermen persoon of door een derde in het belang van de te beschermen persoon bij de aanvang of tijdens de duur van het voorlopig bewind.
Indien de vertrouwenspersoon vaststelt dat de voorlopige bewindvoerder tekort schiet in de uitoefening van zijn taak, moet hij, als belanghebbende, de vrederechter verzoeken de beschikking te herzien, overeenkomstig artikel 488bis, d).
§ 5. Het verzoek tot aanwijzing van een voorlopige bewindvoerder vermeldt, op straffe van nietigheid :
1. de dag, maand en het jaar;
2. de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker, alsook de graad van verwantschap of de aard van de betrekkingen die er bestaan tussen de verzoeker en de te beschermen persoon;
3. het voorwerp van de vordering en in het kort de gronden ervan;
4. de naam, voornaam, de verblijf- of woonplaats van de te beschermen persoon en in voorkomend geval van zijn vader en/of zijn moeder, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt;
5. de aanwijzing van de rechter die ervan kennis moet nemen.
Het verzoekschrift moet worden ondertekend door de verzoeker of zijn advocaat en vergezeld zijn van een attest van verblijfplaats, of, bij ontstentenis, van woonplaats van de te beschermen persoon dat ten hoogste vijftien dagen oud is.
Het verzoekschrift vermeldt bovendien en voor zover mogelijk :
1. de plaats en datum van geboorte van de te beschermen persoon;
2. de aard en de samenstelling van de te beheren goederen;
3. de naam, de voornaam en de woonplaats van de meerderjarige familieleden in de dichtste graad, doch niet verder dan de tweede graad.
Als het verzoekschrift onvolledig is, vraagt de vrederechter de verzoeker om het binnen acht dagen aan te vullen.
Het verzoekschrift kan tevens suggesties vermelden betreffende de keuze van de aan te stellen voorlopige bewindvoerder, alsook betreffende de aard en de omvang van diens bevoegdheden.
De artikelen 1034bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 6. Op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt, behoudens in spoedeisende gevallen, een omstandige geneeskundige verklaring bij het verzoekschrift gevoegd, die ten hoogste vijftien dagen oud is, en de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon beschrijft.
De verklaring vermeldt of de te beschermen persoon zich kan verplaatsen, en in het bevestigend geval, indien zulks gelet op zijn toestand, aangewezen is. Tevens vermeldt deze verklaring (of de te beschermen persoon nog kennis kan nemen) van de rekenschap van het beheer. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
Deze geneeskundige verklaring mag niet worden opgesteld door een geneesheer die een bloed- of aanverwant is van de te beschermen persoon of van de verzoeker, of op enigerlei wijze verbonden is aan de instelling waar de te beschermen persoon zich bevindt.
Indien er om redenen van dringendheid geen geneeskundige verklaring bij het verzoekschrift is gevoegd, gaat de vrederechter na of het aangevoerde motief van dringendheid gerechtvaardigd is.
In bevestigend geval, vraagt de vrederechter binnen acht dagen na de datum waarop het verzoekschrift is ontvangen dat de verzoeker een omstandige geneeskundige verklaring bezorgt, die voldoet aan de vereisten bepaald in het eerste tot derde lid.
§ 7. De vrederechter wint alle dienstige inlichtingen in; hij kan een geneesheer-deskundige aanstellen die advies moet uitbrengen over de gezondheidstoestand en de wilsafhankelijkheid van de te beschermen persoon.
De te beschermen persoon en desgevallend, zijn vader en/of zijn moeder, de echtgenoot, de wettelijke samenwonende, voor zover (de te beschermen persoon met hen samenleeft,) of de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt, worden door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om door de vrederechter in raadkamer te worden gehoord, desgevallend in aanwezigheid van hun advocaten en de vertrouwenspersoon van de te beschermen persoon. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
Bij de gerechtsbrief wordt een afschrift van het verzoekschrift en desgevallend een uittreksel van de verklaring bedoeld in artikel 488bis, b), § 2 gevoegd.
In de gerechtsbrief wordt vermeld dat de te beschermen persoon het recht heeft een advocaat en een vertrouwenspersoon aan te wijzen.
Daarenboven verwittigt de griffier bij gerechtsbrief de in het verzoekschrift vermelde familieleden dat er een verzoekschrift werd ingediend, van de plaats en het tijdstip van het verhoor van de te beschermen persoon.
De personen die bij gerechtsbrief worden opgeroepen, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk worden aldus partij in het geding tenzij verzet hiertegen ter zitting. Van deze bepaling geeft de griffier kennis in de gerechtsbrief.
Deze familieleden kunnen persoonlijk op de zitting verschijnen en vragen gehoord te worden. Zij kunnen hun opmerkingen ook schriftelijk vóór de dag van de zitting aan de vrederechter meedelen.
Er wordt overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid gehandeld indien de vrederechter overweegt ambtshalve een maatregel te nemen. Deze laatste mag zich eveneens begeven naar de verblijfplaats van de persoon of naar de plaats waar hij zich bevindt. Hiervan wordt een proces-verbaal opgesteld.
De vrederechter kan daarnaast eenieder horen die hij geschikt acht om hem in te lichten. De oproeping gebeurt door de griffier bij gerechtsbrief.) <W 2003-05-03/62, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003 behalve § 2 waarvan Inwerkingtreding : 03-01-2005>
C. (§ 1. Bij gemotiveerde beschikking wijst de vrederechter een voorlopige bewindvoerder aan met inachtneming van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen, de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon en zijn gezinstoestand.
Onverminderd de artikelen 488bis, b), §§ 2 en 3, kiest de vrederechter bij voorkeur als voorlopige bewindvoerder desgevallend zijn vader en/of zijn moeder, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie of in voorkomend geval, de vertrouwenspersoon van de te beschermen persoon. In voorkomend geval, houdt hij hierbij rekening met de suggesties die in het verzoekschrift worden vermeld.
De voorlopige bewindvoerder mag niet gekozen worden onder de bestuurs- of personeelsleden van de instelling waarin de te beschermen persoon zich bevindt.
De Koning kan de uitoefening van de functie van voorlopige bewindvoerder afhankelijk maken van bepaalde voorwaarden onder meer om het aantal personen te beperken waarvoor een voorlopige bewindvoerder de goederen dient te beheren.
De aanwijzing geschiedt bij afzonderlijke beschikking wanneer bij de vrederechter een verzoekschrift ingediend is, bepaald in artikel 5, § 1, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke of wanneer bij hem een omstandig verslag wordt ingediend, als bedoeld in de artikelen 13 en 25, § 1, van dezelfde wet.
Binnen drie dagen na de uitspraak geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van de beschikking aan de aangestelde voorlopige bewindvoerder. De voorlopige bewindvoerder laat binnen acht dagen na zijn aanwijzing schriftelijk weten of hij die aanvaardt. Dit stuk wordt gevoegd bij het dossier.
Wordt de aanwijzing, bedoeld in het vorige lid, niet aanvaard, dan stelt de vrederechter ambtshalve een andere voorlopige bewindvoerder aan.
Na de aanvaarding door de voorlopige bewindvoerder wordt een afschrift van de beschikking van aanwijzing van de voorlopige bewindvoerder medegedeeld aan de procureur des Konings.
Binnen drie dagen na de ontvangst van de aanvaarding geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van de beschikking aan de verzoeker, aan de tussenkomende partijen, aan de te beschermen persoon en desgevallend aan de vertrouwenspersoon. Een niet ondertekend afschrift wordt, in voorkomend geval, bij gewone brief aan hun advocaten gezonden.
Een uitgifte van de beslissing kan onderaan op een exemplaar van het verzoekschrift worden gesteld.
§ 2. Uiterlijk één maand na de aanvaarding van zijn aanwijzing moet de voorlopige bewindvoerder een verslag opstellen met betrekking tot de vermogenstoestand en de inkomstenbronnen van de beschermde persoon en dit overzenden aan de vrederechter, aan de beschermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon. Daarenboven kan de vrederechter hem ervan ontslaan om dit verslag aan de beschermde persoon over te zenden, voorzover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
§ 3. De voorlopige bewindvoerder geeft jaarlijks en binnen dertig dagen na het einde van zijn mandaat rekenschap aan de personen vermeld in § 2. In dit schriftelijk verslag worden minstens de volgende gegevens vermeld :
1. de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de voorlopige bewindvoerder;
2. de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de beschermde persoon en, in voorkomend geval, van zijn vertrouwenspersoon;
3. een overzicht van de inkomsten en uitgaven tijdens de voorbije periode en een overzicht van de stand van het beheerde vermogen bij de aanvang en op het einde van deze periode;
4. de data waarop de voorlopige bewindvoerder in de loop van het jaar persoonlijk contact heeft gehad met de beschermde persoon of diens vertrouwenspersoon;
5. de materiële levensvoorwaarden en de leefsituatie van de beschermde persoon alsmede de wijze waarop de voorlopige bewindvoerder daarop heeft ingespeeld.
In geval van overlijden van de beschermde persoon tijdens de duur van het voorlopig bewind legt de voorlopige bewindvoerder binnen dertig dagen zijn eindverslag neer ter griffie. Hiervan kan ter griffie kennis genomen worden door de erfgenamen van de beschermde persoon en de notaris die belast wordt met de aangifte en de verdeling van de nalatenschap. Dit geldt onverminderd de toepassing van artikel 1358 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
Indien hij zulks nodig acht, kan de vrederechter van de voorlopige bewindvoerder waarborgen eisen, hetzij bij zijn aanwijzing, (hetzij gedurende de uitoefening) van zijn opdracht. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
De voorlopige bewindvoerder brengt de beschermde persoon op de hoogte van de handelingen die hij verricht. In bijzondere omstandigheden kan de vrederechter hem vrijstellen van deze verplichting. In dit geval brengt de voorlopige bewindvoerder de vertrouwenspersoon van de beschermde persoon (op de hoogte) Bij ontstentenis van een vertrouwenspersoon, kan de vrederechter een andere persoon of instelling aanwijzen die door de voorlopige bewindvoerder op de hoogte moet worden gebracht. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
§ 4. De schriftelijke verslagen opgemaakt met toepassing van §§ 2 en 3, worden op de griffie van het vredegerecht bewaard in een dossier op naam van de beschermde persoon.
Het dossier omvat eveneens :
1. een afschrift van de oorspronkelijke beschikking tot aanstelling van een voorlopige bewindvoerder;
2. de naam en het adres van de door de beschermde persoon aangewezen vertrouwenspersoon;
3. de naam en het adres van de andere persoon of instelling die door de vrederechter werd aangewezen met toepassing van de bepalingen van § 3;
4. een afschrift van alle beschikkingen getroffen met toepassing van de artikelen 488bis, d), tot 488bis, h);
5. de door de vrederechter gevoerde briefwisseling met betrekking (tot het voorlopige bewind.)) <W 2003-05-03/62, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003> <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
D. (De vrederechter kan te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de beschermde persoon of van elke belanghebbende evenals van de procureur des Konings of de voorlopige bewindvoerder, bij een gemotiveerde beschikking, een einde maken aan de opdracht van deze laatste, de bevoegdheden wijzigen die hem werden opgedragen of hem vervangen.
De vorderingen vermeld in het voorgaande lid worden bij eenzijdig verzoekschrift ingediend en worden door de verzoeker of zijn advocaat ondertekend. De vrederechter kan verder eenieder horen die hij geschikt acht om hem in te lichten. De voorlopige bewindvoerder behoort in alle gevallen te worden gehoord of opgeroepen.
De opdracht van de voorlopige bewindvoerder eindigt van rechtswege zodra de wettelijke vertegenwoordiger, benoemd in geval van onbekwaamverklaring of verklaring van verlengde minderjarigheid van de beschermde persoon, zijn taak aanvat, ingeval van aanstelling van een voorlopige bewindvoerder krachtens artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek en in geval van overlijden van de beschermde persoon.
Door een aan de vrederechter en aan de voorlopige bewindvoerder gerichte gewone brief kan de beschermde persoon op elk ogenblik afzien van de bijstand van de door hem aangewezen vertrouwenspersoon of een andere vertrouwenspersoon aanwijzen. Er bestaat tevens de mogelijkheid dit mondeling te doen, waarvan akte wordt opgesteld door de rechter met bijstand van de griffier, waarvan afschrift gezonden wordt aan de voorlopige bewindvoerder. Deze melding wordt opgenomen in het dossier.
De vrederechter kan, in het belang van de te beschermen persoon te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de voorlopige bewindvoerder of de procureur des Konings, bij een gemotiveerde beschikking beslissen dat de vertrouwenspersoon zijn functie niet meer kan uitoefenen.) <W 2003-05-03/62, art. 4, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
E. § 1. Elke beslissing houdende aanwijzing van een voorlopige bewindvoerder of wijziging van diens bevoegdheden wordt, door toedoen van de griffier, bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad opgenomen.
Hetzelfde geldt voor de beslissingen van opheffing of van vernietiging.
De bekendmaking moet geschieden binnen vijftien dagen na de uitspraak; de ambtenaren aan wie het verzuim of de vertraging te wijten zou zijn, zijn aansprakelijk jegens de betrokkenen indien bewezen wordt dat de vertraging of het verzuim het gevolg is van collusie.
(Binnen dezelfde termijn wordt de beslissing door de griffier betekend aan de burgemeester van de woonplaats van de beschermde persoon teneinde te worden aangetekend in het bevolkingsregister. De burgemeester verstrekt een uittreksel uit het bevolkingsregister met vermelding van de naam, het adres en de staat van bekwaamheid van een persoon aan de persoon zelf of aan elke derde die een belang aantoont.) <W 2003-05-03/62, art. 5, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
§ 2. Rekening houdend met de beperkte opdracht van de voorlopige bewindvoerder, kan de vrederechter bepalen dat de beslissingen bedoeld in § 1, door toedoen van de griffier, uitsluitend ter kennis zullen worden gebracht van de personen die hij aanwijst.
§ 3. De Koning kan andere maatregelen van openbaarmaking in het belang van derden voorschrijven.
F. (§ 1. De voorlopige bewindvoerder heeft tot taak de goederen van de beschermde persoon als een goed huisvader te beheren of de beschermde persoon in dat beheer bij te staan.
Bij de uitvoering van zijn opdracht pleegt hij op regelmatige tijdstippen overleg met de beschermde persoon of diens vertrouwenspersoon.
Hij kan zich in zijn beheer laten bijstaan door een of meer personen die onder zijn verantwoordelijkheid optreden.
Wanneer zijn belangen in strijd zijn met die van de beschermde persoon kan hij slechts optreden krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter.
Deze machtiging wordt verleend bij gemotiveerde beschikking op verzoek van de voorlopige bewindvoerder. De procedure van artikel 488bis, b), § 7, tweede en derde lid, is van toepassing.
§ 2. De rechter bepaalt, met inachtneming van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen evenals met de gezondheidstoestand van de beschermde persoon, de omvang van de bevoegdheden van de voorlopige bewindvoerder.
De vrederechter kan de handelingen of categorieën van handelingen aanwijzen die de beschermde persoon maar kan stellen met bijstand van zijn voorlopige bewindvoerder.
§ 3. Bij gebreke van aanwijzingen in de in artikel 488bis, c), bedoelde beschikking, vertegenwoordigt de voorlopige bewindvoerder de beschermde persoon in alle rechtshandelingen en procedures als eiser en als verweerder.
Evenwel kan hij slechts krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter :
a) de beschermde persoon in rechte vertegenwoordigen als eiser bij de andere rechtsplegingen en handelingen dan die bedoeld in de artikelen 1150, 1180-1°, 1187, tweede lid, en 1206, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek (en andere dan die met betrekking tot) huurcontracten, tot bewoning zonder akte of bewijs, tot sociale wetgeving ten gunste van de beschermde persoon en tot de burgerlijke partijstelling; <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
b) de roerende en onroerende goederen van de beschermde persoon vervreemden;
c) leningen aangaan en hypotheken toestaan alsook toestemming geven tot het doorhalen van een hypothecaire inschrijving, met of zonder kwijting, en van de overschrijving van een bevel tot uitvoerend beslag zonder betaling;
d) berusten in een vordering betreffende onroerende rechten;
e) een nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving verwerpen;
f) een schenking of een legaat aanvaarden;
g) een pachtovereenkomst of een handelshuurovereenkomst sluiten alsook een handelshuurovereenkomst hernieuwen en een huurovereenkomst voor een duur van meer dan negen jaar sluiten;
h) een dading aangaan;
i) een onroerend goed aankopen.
De vrederechter wordt geadieerd bij eenvoudig verzoekschrift. Hij wint alle dienstige inlichtingen in; hij kan onder meer de mening vragen van de beschermde persoon en van eenieder die hij geschikt acht om hem in te lichten, onverminderd de artikelen 1186 en 1193bis van het Gerechtelijk Wetboek, inzake verkopingen van onroerende goederen.
Indien de vrederechter dat nuttig acht, wordt de handelszaak van de beschermde persoon voortgezet door zijn voorlopige bewindvoerder onder de door de vrederechter vastgestelde voorwaarden. Het bestuur ervan kan worden opgedragen aan een bijzondere bewindvoerder onder het toezicht van de voorlopige bewindvoerder. De bijzondere bewindvoerder wordt aangewezen door de rechtbank van koophandel op verzoek van de vrederechter.
§ 4. De woning van de beschermde persoon en het huisraad waarmeer deze woning gestoffeerd is, moeten zo lang mogelijk te zijner beschikking blijven.
Als het, in het bijzonder bij langdurige opneming of verblijf, noodzakelijk wordt of in het belang is van de beschermde persoon dat over de rechten in verband (daarmee wordt beschikt,) moet daartoe de machtiging bedoeld in § 3 verleend worden door de vrederechter. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
Deze machtiging wordt verleend krachtens de rechtspleging bepaald in artikel 488bis, f), § 3.
Souvenirs (en andere persoonlijke voorwerpen) worden niet vervreemd, tenzij dit strikt noodzakelijk is, en moeten door toedoen van de voorlopige bewindvoerder ter beschikking gehouden worden van de beschermde persoon. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
§ 5. Binnen de perken van de inkomsten die hij ontvangt betaalt de voorlopige bewindvoerder de kosten van onderhoud en behandeling die ten laste zijn van de beschermde persoon en stelt hij hem, na daarover met hem of met de vertrouwenspersoon te hebben overlegd, de sommen ter beschikking die hij nodig acht voor de verbetering van diens lot, een en ander onverminderd hetgeen bij wet en verordening bepaald is omtrent de vergoeding van de kosten van onderhoud van de zieken, gehandicapten en bejaarden. (Bovendien moet hij de toepassing) van de sociale wetgeving vorderen in het belang van de beschermde persoon. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
§ 6. De gelden en de goederen van de beschermde persoon worden volledig en duidelijk afgescheiden van het persoonlijk vermogen van de voorlopig bewindvoerder. De banktegoeden van de beschermde persoon worden op zijn naam ingeschreven.) <W 2003-05-03/62, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
G. (De verkoop van de roerende en onroerende goederen van de beschermde persoon vindt plaats overeenkomstig de bepalingen van de hoofdstukken IV en V van het vierde boek van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek.) <W 2003-05-03/62, art. 7, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
H. (§ 1. De vrederechter kan aan de voorlopige bewindvoerder, bij een gemotiveerde beslissing, na de overlegging door de voorlopige bewindvoerder van het verslag bedoeld in artikel 488bis, c), § 3, een bezoldiging toekennen waarvan het bedrag niet hoger (mag zijn dan drie procent) van de inkomsten van de beschermde persoon. Naast de bezoldiging worden de gemaakte kosten vergoed, na door de vrederechter behoorlijk te zijn nagezien. Hij kan hem nochtans, na overlegging van met redenen omklede staten, een bezoldiging toekennen in verhouding tot de vervulde buitengewone ambtsverrichtingen. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
Het is de voorlopige bewindvoerder verboden, buiten de in het eerste lid vermelde bezoldigingen, enige bezoldiging of voordeel, van welke aard ook of van wie ook, te ontvangen met betrekking tot het uitoefenen (van het gerechtelijk mandaat) van voorlopige bewindvoerder. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
§ 2. De beschermde persoon kan slechts geldig schenken onder levenden of een uiterste wilsbeschikking maken na machtiging, op zijn verzoek, door de vrederechter. De vrederechter oordeelt over de wilsgeschiktheid van de beschermde persoon.
De vrederechter mag de machtiging om te schenken weigeren indien de beschermde persoon of zijn onderhoudsgerechtigden door de schenking behoeftig dreigen te worden.
De bepalingen van de artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. In afwijking van artikel 1026, 5°, van hetzelfde Wetboek, volstaat de handtekening van de verzoeker.
De vrederechter kan een geneesheer-deskundige aanstellen die advies moet uitbrengen over de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon.
De vrederechter wint alle dienstige inlichtingen in (en kan eenieder) die hij geschikt acht om hem in te lichten, oproepen bij gerechtsbrief om door hem in raadkamer te worden gehoord. Hij roept in ieder geval de voorlopige bewindvoerder op in geval van schenking. <Erratum, zie B.St. 13.04.2004, p. 20488>
De procedure van artikel 488bis, b), § 6, is van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Onverminderd § 2 is de beschermde persoon bekwaam om een huwelijkscontract aan te gaan en zijn huwelijksvermogensstelsel te wijzigen met bijstand van de voorlopige bewindvoerder, na machtiging door de vrederechter op basis van het door de notaris opgestelde ontwerp.
In bijzondere gevallen kan de vrederechter de voorlopige bewindvoerder machtigen alleen op te treden.
De rechtspleging van artikel 488bis, f), § 3, tweede lid, is van toepassing.) <W 2003-05-03/62, art. 8, 018; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
I. Alle handelingen die door de beschermde persoon zijn verricht in strijd met de bepalingen van artikel 488bis, f), zijn nietig. Deze nietigheid kan uitsluitend door de beschermde persoon of de voorlopige bewindvoerder worden ingeroepen.
Het eerste lid is toepasselijk op de handelingen verricht na de indiening van het verzoekschrift tot aanstelling van een voorlopige bewindvoerder.
J. De vordering tot nietigverklaring op grond van het voorgaand artikel verjaart door verloop van vijf jaren.
Deze termijn loopt, tegen de beschermde persoon, vanaf het tijdstip waarop hij van de betwiste handeling kennis heeft gekregen, of vanaf de betekening die hem ervan is gedaan na afloop van de opdracht van de voorlopige bewindvoerder.
Hij loopt, tegen zijn erfgenamen, vanaf het tijdstip waarop zij kennis ervan hebben gekregen of vanaf de betekening die hun ervan is gedaan na het overlijden van hun rechtsvoorganger.
De verjaring die tegen deze laatste is beginnen lopen, loopt verder tegen de erfgenamen.
De beschermde persoon of zijn erfgenamen kunnen echter, ook na verloop van die termijn, vergoeding voor geleden schade vorderen van een medecontractant die te kwader trouw was.
K. Betekeningen en kennisgevingen aan personen aan wie een voorlopige bewindvoerder is toegevoegd, worden gedaan aan diens woonplaats of verblijfplaats.

 

uitgebreide informatie voorlopig bewind

kan een persoon die onder voorlopig bewind staat nog schenkingen doen?

rechtspraak:

• Rb. Leuven 18/02/05, RABG, 18/022005, 1205. Het voorlopig bewind is een uitzonderingsregime. Zij kan niet worden aangewend ten aanzien van een alcohol of drugproblematiek zonder bijkomende tekenen van desoriëntatie die erop wijzen dat de betrokkene niet meer in staat is tot het beheer van zijn vermogen.

•• Vredegerecht te Westerlo, 15 mei 2008, RW 2008-2009, 593

Over de waarde en de inhoud van de medische verklaring

Gezien het inleidend verzoekschrift, strekkende tot de aanstelling van een voorlopige bewindvoerder over de hiervoor genoemde te beschermen persoon. Gelet op de verklaring afgeleverd door de Steundienst voor het Notariaat & Derden, RVB administratie, waaruit blijkt dat het Centraal Register van Verklaringen houdende aanwijzing van een voorlopige bewindvoerder, op datum van 23 april 2008 geen enkele opname bevat met de gegevens van de te beschermen persoon.

Gelet op Ons proces-verbaal van verhoor te beschermen persoon van 9 mei 2008.

Overwegende dat verzoekende partij samen met het verzoekschrift een geneeskundige verklaring van dokter M. heeft neergelegd, die luidt als volgt:

«Hierbij bevestig ik als huisarts dat patiënte niet over de noodzakelijke geestelijke vermogens beschikt om zelfstandig haar vermogens te beheren. Haar psycho-medische voorgeschiedenis (die onder het beroepsgeheim valt), heb ik voor dit attest als leidraad gebruikt».

 

Overwegende dat mevrouw V.R.J., voor wie de bewindvoering wordt aangevraagd en de door deze laatste aangeduide vertrouwenspersoon formeel betwisten dat eerstgenoemde geheel of gedeeltelijk al dan niet tijdelijk, niet in staat zou zijn haar goederen te beheren, en zij leggen een geneeskundige verklaring voor van dokter D.P. van 30 april 2008 met navolgende inhoud: «Ik, ondergetekende onderzocht heden, 30 april 2008, V.R.J., geboren op (...), wonende te (...), en verklaar dat zij goed gezond is en vrij van besmettelijke ziektes. Patiënte beschikt over voldoende capaciteiten om voor zichzelf in te staan en haar eigen goed/vermogen te beheren».

Overwegende dat uit het proces-verbaal van verhoor van 9 mei 2008 genoegzaam blijkt dat bij de persoon wie bewindvoering wordt aangevraagd, geen enkel uiterlijk kenmerk werd vastgesteld dat er eventueel toe zou kunnen leiden te besluiten dat er zich bij haar enigerlei onmogelijkheid van zelfstandig goederenbeheer zou voordoen.

Overwegende dat art. 488bis, b, § 6, eerste lid, B.W. onder meer het volgende bepaalt: «Op straffe van niet- ontvankelijkheid wordt (...) een omstandige geneeskundige verklaring bij het verzoekschrift gevoegd die ten hoogste vijftien dagen oud is en de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon beschrijft».

Overwegende dat het voorhanden zijn van een omstandige geneeskundige verklaring die ten hoogste vijftien dagen oud is, derhalve een ontvankelijkheidsvereiste is. In casu is evenwel aan geen van beide onderdelen voldaan.

A. Onderdeel «omstandig»

1. De enkele vaststelling – zoals in casu – dat de patiënt niet in staat is zijn goederen te beheren, maakt geen omstandige verklaring uit (zie: Vred. Roeselare 16 september 1993, R.W. 1993-94, 683).

2. De verwijzing naar het beroepsgeheim om het uitermate summier karakter van de geneeskundige verklaring te rechtvaardigen, kan niet worden gevolgd. De geneesheer had in overeenstemming met het advies van de Nationale Orde van Geneesheren van 19 mei 1992 (zie Bulletin van de Nationale Orde van Geneesheren 1992, afl. 1, nr. 97, 24; Advies Nationale Raad van de Orde van Geneesheren 21 oktober 2006, Tijdschrift Nationale Raad, nr. 114, december 2006) onder gesloten omslag uitsluitend ter attentie van de vrederechter, een verklaring kunnen afleveren die de gezondheidstoestand van de «patiënt» op de door de wet vereiste omstandige wijze beschrijft. Een dergelijke verklaring maakt géén schending uit van het beroepsgeheim (T. Delahaye en C. Castelein, Het voorlopig bewind, Gent, Larcier 2007, p. 28, nr. 36, met in voetnoot 116 verwijzing naar art. 458 Sw. en art. 59, g, van de deontologische code zoals gewijzigd op 22 september 1993).

B. Onderdeel «tijdstip»

1. In onderhavig geval werd het inleidende verzoekschrift neergelegd ter griffie op 22 april 2008 en de erbij gevoegde geneeskundige verklaring draagt 17 april 2008 als datum, zodat prima facie aan het vijftien dagenvereiste is voldaan.

2. Uit het feitenrelaas en de verhoren (zie proces- verbaal van verhoor van 9 mei 2008) blijkt in casu evenwel dat dokter M., die de hierboven geciteerde geneeskundige verklaring redigeerde, de «te beschermen persoon» op 17 april 2008 geenszins heeft gezien of onderzocht, dat deze arts de huisarts was van de kort voordien overleden vader van de «te beschermen persoon» (deze laatste woonde toen nog bij haar vader in) en dat zij dokter M. voor het laatst zag rond oktober-november 2007 (toen deze voor wijlen vader V.R. op huisbezoek kwam). Dokter M. erkent een en ander, daar hij in zijn verklaring ook niet vermeldt dat hij de «te beschermen persoon» op 17 april 2008 persoonlijk gezien, ondervraagd en onderzocht heeft: hij vermeldt nominatim dat hij «haar psycho- medische voorgeschiedenis als leidraad» voor zijn attest gebruikte.

3. Uit de woordelijke tekst van art. 488bis, b, § 6, eerste lid, B.W. blijkt niet onomstotelijk dat de wetgever heeft willen voorschrijven dat het onderzoek enerzijds en het opstellen van het verslag anderzijds tegelijkertijd moeten gebeuren, in tegenstelling tot wat is bepaald in art. 5, § 2, eerste lid, van de Wet Bescherming Persoon Geesteszieke van 26 juni 1990, waarin expliciet wordt bepaald dat het omstandig geneeskundig verslag moet worden geredigeerd «op basis van een onderzoek dat ten hoogste vijftien dagen oud is».

4. De rechtsvraag ligt derhalve voor hoe het vijftien dagenvereiste van art. 488bis, b, eerste lid, B.W. precies dient te worden geïnterpreteerd.

5. Aan te nemen valt dat, naar analogie met de Wet Persoon van 26 juni 1990 ook de Wet Goederen van 18 juli 1991 niet anders kan hebben bedoeld dan dat het onderzoek van de persoon en het opstellen van de omstandige geneeskundige verklaring, tegelijkertijd moeten gebeuren (T. Delahaye en C. Castelein, o.c., p. 26, nr. 33).

Met toepassing van beide wetsvoorschriften moet de omstandige geneeskundige verklaring worden opgesteld volgens de gewone medische praktijk, dit wil zeggen dat het onderzoek en het opstellen van het verslag tegelijkertijd moeten gebeuren (Rb. Turnhout 22 november 2004, R.W. 2006-07, 1247, met noot M.- N. Veys en T. Vred. 2005, 441). Er anders over oordelen zou betekenen dat het is toegestaan aan de vrederechter een attestatie over te leggen, gebaseerd op een effectief onderzoek dat maanden of zelfs jaren daarvóór heeft plaatsgevonden, wat niet kan worden aangenomen, daar de gezondheidstoestand van een menselijk wezen per definitie een actueel-evolutief en geen onveranderlijk-statisch gegeven is.

Overwegende dat bij gebreke van een omstandige geneeskundige verklaring van ten hoogste vijftien dagen oud, het onderhavige verzoek onontvankelijk is. Ons Ambt dient deze onontvankelijkheid ambtshalve vast te stellen (T. Delahaye en C. Castelein, o.c., p. 29, nr. 37).

•

voorafgaande machtigingen door de vrederechter

De vraag stelt zich in hoeverre een voorlopig bewindvoerder zonder voorafgaandelijke machtiging van de vrederechter een huurvordering kan instellen omdat “huur” sowieso tot de bevoegdheid van de vrederechter. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord in de praktische handleiding
van K. rotthiers, uitgave roularta Books, 2006, hoofdstuk 19, blz. 65.

Dit praktisch standpunt wordt bekritiseerd door W. Pintens en T. Wuyts om reden dat de vrederechter van de bewindvoering niet noodzakelijk de territoriaal bevoegde vrederechter van de huurzaak is en dat de “bewindrechter” de (huur)- procedure moet toetsen aan het belang van de beschermde persoon, terwijl de “huurrechter” daarmee in geen geval rekening mag houden (W. Pintens, “Hervorming van het voorlopig bewind”, in Actualia ouderlijk gezag, voogdij en voorlopig bewind, Brugge, die Keure, 2004, 26, randnr. 64; T. Wuyts, Vermogensbeheer door ouders, voogd en voorlopig bewindvoerder, Intersentia, 2004, 118, randnr. 220).

De Vrederechter te Veurne bantwoordt deze vraag in een vonnis van 9 augustus 2007 (T. Vred 2009 01-02, 80 als volgt:

Artikel 488bis-F § 3 B.W. stelt dat de bijzondere machtiging noodzakelijk is voor een ganse reeks bijzondere rechtshandelingen, vermeld in b) tot i), en in het algemeen om de beschermde persoon in rechte te vertegenwoordigen als eiser (= a) evenwel met uitsluiting van de rechtsplegingen voorzien in de artikelen 1150, 1180, 1°, 1187 en 1206 Ger. W., en met uitsluiting van procedures die betrekking hebben op huurcontracten of bewoning zonder akte of bewijs, procedures van sociale wetgeving ten gunste van de beschermde persoon en burgerlijke partijstelling.

op grond van deze wettelijke uitzondering, voorzien in artikel 488bis-F § 3, a) van het Burgerlijk Wetboek is bijgevolg geen bijzondere machtiging vereist omn als eiser in huurzaken op te treden.




 

Nog dit: 

 

DE NIEUWE WET VAN 3 MEI 2003 INZAKE HET VOORLOPIG BEWIND
(ref. 1709 NR)
 
 
De regels met betrekking tot het voorlopig bewind zijn bij wet gewijzigd op verschillende belangrijke punten dat we als volgt kunnen klasseren :
-    wijziging van de procedure van aanwijzing en van controle van het voorlopig bewind
-    nieuwe structuren teneinde het voorlopig bewind meer menselijk te maken
-    enkele wijzigingen omtrent de bevoegdheden van de voorlopig bewindvoerder en de bekwaamheid van de beschermde persoon
-    wijziging van de verkoopprocedures ( eveneens voor de minderjarigen )

1.    Belangrijkste nieuwigheden :

1.1.- Mogelijkheid om de persoon aan te duiden die men wenst toegewezen te krijgen als voorlopig bewindvoerder.
Let op : gelieve tevens het andere bericht hieromtrent na te lezen aangezien deze bepaling niet onmiddellijk uitwerking zal kennen

Het artikel 488bis, b) werd gewijzigd met betrekking tot de procedure van aanwijzing.
De bewindvoerder wordt steeds aangewezen door de vrederechter.  Eenieder kan , wanneer hij gezond is, een verklaring doen waarbij hij een persoon aanduidt waarvan hij wenst dat hij wordt aangewezen als voorlopig bewindvoerder in het geval hij onbekwaam zou worden.

Hoe gebeurt deze aanwijzing : het artikel 488bis, b, §2 voorziet
-    hetzij een verklaring voor de Vrederechter
-    hetzij een verklaring voor de notaris

Het artikel 488bis,b, §2, lid 2, voorziet een verplichte vermelding van deze akte in een centraal register bijgehouden door de KFBN.
De federatie moet hiertoe belast worden bij Koninklijk besluit om het centraal register van deze verklaringen bij te houden.

Na de aanwijzing kan er later een wijziging gebeuren overeenkomstig dezelfde regels.  De procedure is gelijklopend behalve dat de notaris of de rechter de persoon die de eerste verklaring neerlegde moet verwittigen indien hij hem bekend is.

1.2.- Mogelijkheid voor de bewindvoerder om een opvolger in zijn functie aan te duiden .
Artikel 488bis,b, §3
Van zodra de bewindvoerder werd aangeduid kan enkel hij een dergelijk voorstel formuleren.  Deze verklaring wordt opgenomen in een onderhandse akte op basis van een formulier opgenomen in het dossier van voorlopig bewind dat werd geopend ter griffie van de vrederechter die de beschermingsmaatregel destijds had bevolen.

1.3.    – Aanwijzing van een vertrouwenspersoon :
De nieuwe wet voorziet de mogelijkheid dat de beschermde persoon een vertrouwenspersoon aanwijst of bij gebreke hieraan dat de vrederechter, na inlichtingen te hebben ingewonnen, ambtshalve aanwijst.
Deze kwestie werd voorzien in het artikel 488bis, b, §4 en §7, alsook voor wat betreft de opdrachten van deze persoon in artikel 488bis,c,§3.
De wet voorziet niet de mogelijkheid om deze persoon aan te wijzen op hetzelfde ogenblik van de aanwijzing van de persoon die men wenst als voorlopig bewindvoerder. Het artikel 488bis,b, §7 voorziet dat de vrederechter de beschermde persoon hoort op het ogenblik van de aanwijzing van de voorlopig bewindvoerder.  De vrederechter dient dit trouwens te melden in de oproepingsbrief gericht aan deze persoon.
Praktisch, men weet dat op het ogenblik dat de aanvraag wordt geformuleerd, 50% van de personen voor dewelke de procedure werd ingeleid, niet meer in staat zijn een dergelijk advies op luciede wijze te formuleren.  De wet voorziet dat de vrederechter deze persoon dan ambtshalve aanwijst ….
Zijn opdrachten bestaan in :
-    de voorlopig bewindvoerder controleren ( artikel 488bis,b, §4 )
-    de rekeningen ontvangen en dus deze nakijken ( artikel 488bis,c,§2 en §3 )

Gelet op deze belangrijke rol van deze vertrouwenspersoon, lijkt het ons dat niets ertoe belet dat de persoon die de voorlopig bewindvoerder aanwijst tegelijkertijd een vertrouwenspersoon aanwijst. Misschien zullen er vrederechters zijn die, wegens hun formalisme,  dergelijke verklaringen zullen weigeren  aangezien dit niet expliciet werd voorzien in de wet maar de notarissen hebben geen enkele redenen om dergelijke verklaringen te weigeren.  Hun bevoegdheid is niet limitatief zoals voor de vrederechters.

2.    Wijzigingen van de procedure :

2.1.- De inhoud van het verzoekschrift is toegenomen ( artikel 488bis,b,§5 )
Voortaan, naast de voorheen verplichte vermeldingen, past het om :
-    een attest van verblijfplaats toe te voegen ( deze nieuwigheid zal in de praktijk enkele problemen veroorzaken en riskeert de procedure gevoelig te vertragen )
-    de meerderjarige familieleden vermelden van de eerste of de tweede graad alsook de wettelijk samenwonende en/of de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt ….
-    Te waken dat het geneeskundig attest twee bijkomende punten preciseert (  de mogelijkheid of de onmogelijkheid voor de te beschermen persoon om zich te verplaatsen tot het vredegerecht : de bekwaamheid of onbekwaamheid om rekenschap te verlenen van het beheer )

2.2.- Procedure van aanwijzing van de voorlopig bewindvoerder
Voor de aanwijzing dient de vrederechter het centraal register na te kijken ( indien het om een persoon gaat die niet onder voorlopig bewind is geplaatst ) en het dossier van het voorlopig bewind ( indien het om een persoon gaat die al onder voorlopig bewind is geplaatst ) teneinde na te gaan of beschikkingen of adviezen werden geformuleerd.
De vrederechter dient eveneens de naaste familie te raadplegen maar niet verplicht de vertrouwenspersoon.
Bij Koninklijk besluit zal het mogelijk zijn om voorwaarden op te leggen aan de opdrachten van de voorlopig bewindvoerder.

2.3.- Rekening en verantwoording
De voorlopig bewindvoerder moet zijn beheersverslagen niet enkel overmaken aan de vrederechter maar eveneens aan de vertrouwenspersoon ( artikel 488bis,c,§3 ) en de beschermde persoon.
-    hij moet bovendien de beschermde persoon en eventueel de vertrouwenspersoon op de hoogte houden van het beheer en van de problemen
-    het jaarlijks verslag werd behouden maar de inhoud werd verduidelijkt en beter afgebakend
-    omtrent het jaarlijks verslag ( artikel 488bis,c,§3 )
-    bij overlijden van de beschermde persoon dient snel een eindverslag te worden opgemaakt ( binnen de 30 dagen ) en neergelegd ter griffier alwaar de erfgenamen en de notaris deze zal kunnen raadplegen

3.    Bevoegdheden van de voorlopig bewindvoerder :

Wijziging van het artikel 488bis, litt f
De bevoegdheden van de voorlopig bewindvoerder werden beperkt en de controle van de vrederechter werd uitgebreid met betrekking tot :
-    de handelshuurovereenkomsten, de pachtovereenkomsten, of de huurovereenkomsten voor een duur van meer dan 9 jaar
-    de aankoop van onroerende goederen
-    de handelingen van handlichting terwijl dit nochtans eenvoudige beheershandelingen zijn
-    de verplichting om alle goederen van de beschermde persoon in stand te houden ( bankrekeningen, banktegoeden ) ingeschreven op diens naam.  De voorlopig bewindvoerder mag deze niet meer inschrijven op zijn naam.

4.    Bekwaamheid om te schenken, te legateren en een huwelijkscontract op te maken :

4.1.- Huwelijkscontract
De beschermde persoon mag voortaan elke vorm van huwelijkscontract aangaan.  Voor elke vorm van huwelijkscontract of wijziging van het huwelijksvermogensstelsel, wat ook het voorwerp is, dient de beschermde persoon te worden bijgestaan door de voorlopig bewindvoerder ( artikel 488bis, h, §3 ).  In elk geval een machtiging door de vrederechter is vereist.

4.2.- Schenking
De schenkingen zijn niet meer op absolute wijze verboden.  Men weet dat de rechtspraak reeds enkele vormen aanvaardde.
Voortaan kan de beschermde persoon een schenking toestaan na machtiging door de vrederechter die pas zal beschikken na de voorlopig bewindvoerder te hebben gehoord ( artikel 488bis,h, §2 ).  De schenkende partij wordt niet vertegenwoordigd door de voorlopig bewindvoerder.

4.3.- Testament
Eindelijk wordt de controverse gelicht en de zekerheid teruggevonden.
De beschermde persoon mag enkel een uiterste wilsbeschikking maken na machtiging door de vrederechter ( artikel 488bis, h, §2) .

5.    Wijziging van de artikelen 1186, 1193bis, 1194 en 1197 Gerechtelijk Wetboek :

5.1.- Wijziging van artikel 488bis, g) met betrekking tot de notariële procedures :
opheffing van het oud artikel
verwijzing naar de artikelen 1186 tot 1204bis Gerechtelijk wetboek

5.2.- artikel 1186  
Dit artikel werd aangepast opdat deze eveneens van toepassing zou zijn voor personen beschermd via een voorlopig bewind.

5.3.- artikel 1193 bis : de akten worden niet meer voor de rechter verleden
Deze belangrijke wijziging betreft eveneens de minderjarigen en de andere onbekwamen beoogd in dat artikel …
De akten van de minnelijke verkoop die het voorwerp uitmaakte van een vonnis tot machtiging door de vrederechter, worden niet meer opgemaakt in aanwezigheid van de vrederechter.
De akte wordt opgemaakt zonder tussenkomst van de rechter, op basis van het machtigingsvonnis.

5.4.- Het artikel 1194 Ger.W. is gewijzigd om de verkoop van roerende goederen door de voorlopig bewindvoerder  te onderwerpen aan de zelfde regels voor de minderjarigen.

5.5.- Artikel 1207 Ger.W. : omtrent de verdelingen werd niets gewijzigd

********************************************

BIJLAGE :

Voor Ons ,    notaris te
is verschenen
M ( identiteit )
dewelke ons heeft verklaard dat in het geval hij/zij niet meer in staat zou zijn zijn/haar goederen te beheren, overeenkomstig de bepalingen van artikel 488bis Burgerlijk wetboek, hij/zij verzoekt om te worden aangeduid als voorlopig bewindvoerder M (identiteit ).  Bij ontstentenis van M. laatstgenoemde, wenst hij/zij aan te duiden M. (identiteit).

Hij/zij verklaart bovendien dat in deze hypothese, hij/zij wenst dat zou worden aangewezen als vertrouwenspersoon, M (identiteit )

Huidige akte zal gepubliceerd worden in het centraal register van deze verklaringen overeenkomstig het artikel 488bis, b), §2 Burgerlijk wetboek

( gevolgd door de gebruikelijke vermeldingen voorzien door de organieke wet )

 
 
 
 

Met deze wet is eindelijk de hervorming van het voorlopig bewind doorgevoerd.
Wij onthouden hierbij de volgende elementen van belang voor de notariële praktijk :

1.    aanwijzing van een voorlopig bewindvoerder : ook door de te beschermen persoon
2.    bijstand en machtigingsbehoevende handelingen
3.    centraal register van de aanwijzingen bij KFBN
4.    schenkingen en testamenten mogelijk mits machtiging
5.    huwelijkscontracten en wijzigingen mogelijk mits machtiging
6.    verkoop : gemeen recht van toepassing

Hierna volgt een korte toelichting bij deze aandachtspunten aangevuld met een eerste doctrinaal commentaar.  Deze zal uiteraard moeten aangevuld worden met rechtspraak en commentaar vanuit de rechtspraktijk.

1.    Aanwijzing van een voorlopig bewindvoerder : artikel 488bis,b) B.W.
-    aanwijzing door de vrederechter : artikel 488bis, b), §1 B.W.
-    aanwijzing door de te beschermen persoon : artikel 488bis, b), §2 B.W.
-    aanwijzing door de voorlopige bewindvoerder in functie : artikel 488bis, b), §3 B.W.

Men kan slechts 1 voorlopig bewindvoerder aanduiden althans voor dezelfde bevoegdheid.  Volgens een eerste commentaar op de nieuwe wetgeving van Professor Frederik Swennen op de studiedag aan de K.U.Leuven  van 4 juni 2003 “zou de aanduiding van verscheidene bewindvoerders met onderscheiden bevoegdheden wel mogelijk zijn.  Bijvoorbeeld een familiale bewindvoerder voor het dagelijks beheer in de dagdagelijkse handelingen en een professionele bewindvoerder in meer vergaande handelingen.”
Na een eerste en niet-grondige bespreking door het juridisch bureau lijkt het dat de voorafgaandelijke verklaring voor de notaris met aanwijzing van een voorlopig bewindvoerder door een gezonde persoon kan opgenomen worden in een andere notariële akte. Opgelet bij een mandaat aangezien deze steeds herroepbaar is.

LET OP : de bepalingen omtrent de verklaring door de te beschermen persoon (artikel 488bis, b), §2 B.W.) is nog niet in werking getreden

2.    Bijstand en machtiging :
De wetgever voorziet de mogelijkheid het voorlopig bewind te beperken tot een regime van bijstand.  Is er een machtiging vereist om bijstand te verlenen voor de machtigingsbehoevende handelingen ?  In de doctrine duikt reeds een discussie op omtrent deze vraag.  Professor Frederik Swennen verdedigde op de studiedag te Leuven op 4 juni 2003 “dat geen machtiging is vereist aangezien dit enkel geldt wanneer de voorlopige bewindvoerder de beschermde persoon vertegenwoordigt.  Het systeem van bijstand is niet verenigbaar met een systeem van machtiging. Enige uitzondering hierop is het aangaan van een huwelijkscontract waarvoor de bijstand van de voorlopig bewindvoerder wordt voorzien, hiervoor is nog steeds een machtiging vereist.”

3.    Centraal register :
De verklaringen met aanduiding van een voorlopig bewindvoerder en/of vertrouwenspersoon zullen gecentraliseerd worden in een register dat dient te worden bijgehouden door het KFBN.  Evenwel dient nog een Koninklijk Besluit te volgen met aanduiding en uitwerking van deze opdracht.

4.    Schenkingen / testamenten :
Voorheen had men verschillende strekkingen mbt de bekwaamheid van de beschermde persoon om te kunnen schenken.  De wetgever heeft nu stelling genomen en dus klaarheid geschept.  Het uitgangspunt is de thans principiële onbekwaamheid van de beschermde persoon  onder een algemeen bewind voor alle schenkingen en uiterste wilsbeschikkingen.  De beschermde persoon kan dit enkel na machtiging, op zijn verzoek, van de vrederechter.
De nieuwe regeling geldt enkel voor de beschermde persoon die onder een  algemeen bewind staat dat voorziet in vertegenwoordiging.  In geval van beperkte opdracht tot vertegenwoordiging of  bij uitdrukkelijke bepaling van een restbekwaamheid aan de beschermde persoon, blijft deze in de mate daarvan bekwaam om giften te doen of een uiterste wilsbeschikking te maken aangezien het de goederen betreft waar hij nog zelf om baat kan beschikken.

5.    Huwelijkscontract :
Als basisregel geldt dat de beschermde persoon bekwaam is om een huwelijkscontract aan te gaan of zijn huwelijksvermogensstelsel te wijzigen met bijstand van de voorlopige bewindvoerder, na machtiging door de vrederechter op basis van een ontwerp opgesteld door een notaris.
Derhalve bijstand en machtiging zijn telkens vereist ingeval van het wettelijk stelsel wordt afgeweken.
Op de notaris blijft de plicht rusten zich te vergewissen van de geldige toestemming van de beschermde persoon.  Hij kan daartoe eventueel een medisch attest vragen.

6.    Verkoop van roerende en onroerende goederen :
Men heeft de verkoop van onroerende goederen geheel of gedeeltelijk toebehorend aan een beschermde persoon onder het toepassingsgebied van het gemeen recht, namelijk de artikelen 1186-1204 Ger.W. gebracht.  Er is dus aparte regeling meer voorzien voor de persoon geplaatst onder het statuut van het voorlopig bewind.

Franse term: 
L'administration provisoire des biens
Nuttige tips: 

Toekomstig recht

Vanaf 1 juni 2014 is de nieuwe wetgeving inzake het statuut van wilsonbekwame personen van kracht.

De hervorming in grote lijnen:

• het voorlopig bewind wordt het enige beschermingsstatuut, maar wordt aanzienlijk hervormd
• het voorlopig bewind heeft voortaan ook betrekking op de persoon van de onbekwame
• de vrederechter is de bewindsrechter
• onderscheid tussen buitengerechtelijke (soort lastgeving) en gerechtelijke bescherming
• subsidiariteit: wat de beschermde persoon zelf kan, doet hij zelf
• zeven verschillende regimes uitgewerkt + duidelijk aangeduid voor welke rechtshandeling welk regime geldt
• heropwaardering van de vertrouwenspersoon
verbod voor de professionele bewindvoerder en zijn familie om een schenking of legaat te ontvangen van de beschermde persoon

Hoofdstuk II (art. 489 tot 512) wordt vervangen bij art. 28 en volgende Wet 17 maart 2013 (BS 14 juni 2013 (ed. 2)), met ingang van 1 juni 2014 (art. 233).
Hoofdstuk II. 1[Beschermde personen]1
Afdeling 1. Toepassingsgebied
[Art. 488/1

De meerderjarige die wegens zijn gezondheidstoestand geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, niet in staat is zonder bijstand of andere beschermingsmaatregel zijn belangen van vermogensrechtelijke of niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, kan onder bescherming worden geplaatst, indien en voor zover de bescherming van zijn belangen dit vereist.
Een minderjarige kan vanaf de volle leeftijd van zeventien jaar onder bescherming worden geplaatst, indien vaststaat dat hij bij zijn meerderjarigheid in de toestand zal verkeren als bedoeld in het eerste lid.
[Art. 488/2

Een beschermingsmaatregel over de goederen kan worden bevolen voor meerderjarige personen die zich in staat van verkwisting bevinden, indien en voor zover de bescherming van hun belangen dit vereist.
Afdeling 2. Buitengerechtelijke bescherming
[Art. 489

De bepalingen van deze afdeling zijn uitsluitend van toepassing op daden van vertegenwoordiging die betrekking hebben op de goederen.
[Art. 490

De bijzondere of algemene lastgeving verleend door een wilsbekwame meerderjarige of ontvoogde minderjarige persoon waarvoor geen enkele beschermingsmaatregel werd getroffen als bedoeld in artikel 492/1, en die in het bijzonder tot doel heeft om voor hem een buitenrechterlijke bescherming te regelen, wordt geregistreerd in het centraal register dat wordt bijgehouden door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat.
Het verzoek tot registratie gebeurt door de neerlegging van een voor eensluidend verklaard afschrift van de overeenkomst ter griffie van het vredegerecht van de verblijfplaats van de lastgever en subsidiair van zijn woonplaats, of door tussenkomst van de notaris die de lastgevingsovereenkomst heeft opgesteld.
In deze overeenkomst kunnen een aantal beginselen worden opgenomen die de lasthebber bij de uitoefening van zijn opdracht in acht moet nemen.
Binnen vijftien dagen na het verzoek tot registratie van de lastgevingsovereenkomst laat de griffier of de notaris deze opnemen in het centraal register dat wordt bijgehouden door de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat. De Koning bepaalt de nadere regels inzake oprichting, beheer en raadpleging van het centraal register. Hij bepaalt welke overheden gratis toegang hebben tot het centraal register en bepaalt het tarief van de kosten voor de registratie van de overeenkomsten.
De lasthebber en de meerderjarige of ontvoogde minderjarige lastgever die wilsbekwaam is en voor wie geen beschermingsmaatregel werd getroffen als bedoeld in artikel 492/1 kunnen op ieder ogenblik hun beslissing om de overeenkomst te beëindigen schriftelijk ter kennis brengen van de in het tweede lid bedoelde griffie of notaris, met opgave van de redenen voor deze beslissing. De lastgever kan op dezelfde wijze ook de beginselen wijzigen die de lasthebber bij de uitoefening van zijn opdracht in acht moet nemen en die zijn opgenomen in die overeenkomst. De griffier of de notaris die in kennis is gesteld van de beslissing om de overeenkomst te beëindigen, brengt de griffier of notaris door wiens tussenkomst de overeenkomst werd geregistreerd hiervan op de hoogte. Deze laatste vermeldt de wijziging op de oorspronkelijke akte of op het afschrift. Er wordt voorts gehandeld overeenkomstig het vierde lid.
[Art. 490/1

§ 1
De in artikel 490 bedoelde bijzondere of algemene lastgeving eindigt niet van rechtswege wanneer de lastgever verkeert in de toestand als bedoeld in artikel 488/1 en 488/2.
In afwijking van het eerste lid kunnen in dat geval niet als lasthebber optreden:

de personen op wie een in afdeling 3 bedoelde rechterlijke beschermingsmaatregel van toepassing is;

de personen die krachtens artikel 496/6 geen bewindvoerder mogen zijn.
§ 2
De vrederechter kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de lastgever, de lasthebber, iedere belanghebbende evenals de procureur des Konings, een beslissing treffen omtrent de uitvoering van de lastgeving. De artikelen 1241 en 1243 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
Ingeval de vrederechter vaststelt dat de lastgever zich bevindt in de toestand als bedoeld in artikel 488/1 of 488/2, dat de lastgeving beantwoordt aan het belang van de lastgever en dat de lasthebber zijn opdracht heeft aanvaard, beveelt hij dat de lastgeving geheel of gedeeltelijk wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 490/2. De beslissing wordt bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de verzoeker, de lastgever en de lasthebber.
In het tegenovergestelde geval kan de vrederechter, bij een met bijzondere redenen omklede beschikking, met toepassing van artikel 492/1 een rechterlijke beschermingsmaatregel bevelen die de lastgeving geheel of gedeeltelijk beëindigt, of daarbovenop komt. De bepalingen van deel IV, boek IV, hoofdstuk X, afdeling I van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
§ 3
De handelingen die de lasthebber in naam en voor rekening van de lastgever heeft verricht, kunnen, ingeval de lastgevingsovereenkomst niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in § 1, nietig worden verklaard in geval van benadeling, als de lasthebber wist of had moeten weten dat de lastgever zich op dat tijdstip kennelijk bevond in een toestand als bedoeld in artikel 488/1 of 488/2. De rechter beoordeelt de nietigheid van de handelingen, met inachtneming van de rechten van de derden die te goeder trouw zijn. De nietigheid doet geen afbreuk aan eventuele aansprakelijkheidsvorderingen die de lastgever tegen de lasthebber kan instellen.
[Art. 490/2

§ 1
Behoudens andersluidende wettelijke bepaling is de in artikel 490 bedoelde lastgeving onderworpen aan de artikelen 1984 tot 2010.
Bij de uitvoering van zijn opdracht neemt de lasthebber, voor zover mogelijk, de door de lastgever overeenkomstig artikel 490, derde lid, opgegeven beginselen in acht.
De lasthebber pleegt bij de uitvoering van zijn opdracht op regelmatige tijdstippen overleg met de lastgever. Hij brengt de lastgever alsook, in voorkomend geval, de in de lastgevingsovereen-komst aangewezen derden op de hoogte van de handelingen die hij verricht.
Wanneer de belangen van de lasthebber in strijd zijn met die van de lastgever, stelt de vrederechter, ambtshalve of op verzoek van de lastgever of iedere belanghebbende, een lasthebber ad hoc aan. De in artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde procedure is van toepassing.
De gelden en de goederen van de lastgever worden volledig en duidelijk afgescheiden van het persoonlijke vermogen van de lasthebber. De banktegoeden van de lastgever worden op zijn naam ingeschreven.
Heeft de lastgever meerdere lasthebbers aangewezen, dan worden geschillen tussen hen door de vrederechter op verzoek beslecht in het belang van de lastgever. De in artikel 1252 bedoelde procedure van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing.
§ 2
De vrederechter kan te allen tijde geheel of gedeeltelijk een einde maken aan de lastgeving, ingeval de uitvoering ervan van die aard is dat de belangen van de lastgever in gevaar worden gebracht of de lastgeving geheel of gedeeltelijk vervangen moet worden door een rechterlijke beschermingsmaatregel die de belangen van de lastgever beter dient. Hij kan tevens de uitvoering van de lastgeving onderwerpen aan dezelfde vormvereisten als die welke gelden bij een rechterlijke beschermingsmaatregel. De vrederechter kan zich hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van elke belanghebbende evenals de procureur des Konings, uitspreken over de voorwaarden en nadere regels tot uitvoering van de lastgeving. Op de niet-naleving van de opgelegde voorwaarden met betrekking tot de lastgeving staan dezelfde sancties als die welke gelden voor een rechterlijke beschermingsmaatregel.
Artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing.
§ 3
De buitengerechtelijke beschermingsmaatregel neemt een einde:

ingeval de lastgever zich niet meer bevindt in de toestand als bedoeld in artikel 488/1 of 488/2;

door de kennisgeving van de opzegging van de lastgeving door de lasthebber overeenkomstig artikel 490, vijfde lid;

door de kennisgeving van de herroeping van de lastgeving door de lastgever overeenkomstig artikel 490, vijfde lid;

door het overlijden van de lastgever of van de lasthebber of door diens plaatsing onder een rechterlijke beschermingsmaatregel, overeenkomstig artikel 492/1;

door een beslissing van de vrederechter genomen overeenkomstig § 2 of artikel 490/1, § 2, derde lid.
Afdeling 3. Rechterlijke bescherming
Onderafdeling 1. Definities
[Art. 491

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a)
beschermde persoon: een meerderjarige persoon die door een rechterlijke beslissing overeenkomstig artikel 492/1 onbekwaam werd verklaard om één of meer handelingen te stellen;
b)
handelingen: materiële handelingen, rechtshandelingen of proceshandelingen;
c)
rechtshandelingen: handelingen die voor vertegenwoordiging vatbaar zijn en gesteld worden met het oog op het genereren van rechtsgevolgen;
d)
proceshandelingen: alle handelingen die betrekking hebben op het optreden in rechte als eiser of verweerder;
e)
bekwaamheid: de bevoegdheid om rechten en plichten zelf en zelfstandig uit te oefenen;
f)
bijstand: wijze waarop de in hoofdstuk II/1, afdeling 4, onderafdeling 2, bedoelde onbekwaamheid wordt opgevangen waarbij de beschermde persoon zelf, maar niet zelfstandig een bepaalde handeling mag stellen;
g)
vertegenwoordiging: wijze waarop de in hoofdstuk II/1, afdeling 4, onderafdeling 3, bedoelde onbekwaamheid wordt opgevangen waarbij de beschermde persoon niet zelfstandig, noch zelf een bepaalde handeling mag stellen.
Onderafdeling 2. De onbekwaamheid
[Art. 492

De vrederechter kan ten aanzien van de persoon bedoeld in de artikelen 488/1 en 488/2 een rechterlijke beschermingsmaatregel bevelen wanneer en in de mate hij vaststelt dat dit noodzakelijk is en dat de bestaande wettelijke of buitengerechtelijke bescherming niet volstaat. De buitengerechtelijke beschermingsmaatregel blijft van toepassing in de mate dat hij verenigbaar is met de rechterlijke beschermingsmaatregel. In voorkomend geval bepaalt de vrederechter de voorwaarden waaronder de lastgeving verder kan worden uitgevoerd.
[Art. 492/1

§ 1
De vrederechter die een rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de persoon beveelt, bepaalt de handelingen in verband met de persoon waarvoor de beschermde persoon onbekwaam is, met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden en zijn gezondheidstoestand. Hij somt deze handelingen uitdrukkelijk op in zijn beschikking.
Bij gebreke van aanwijzingen in de in het eerste lid bedoelde beschikking blijft de beschermde persoon bekwaam voor alle handelingen in verband met zijn persoon.
De vrederechter oordeelt in zijn beschikking in ieder geval uitdrukkelijk over de bekwaamheid van de beschermde persoon met betrekking tot:

de keuze van zijn verblijfplaats;

het geven van de toestemming tot huwen bedoeld in artikel 75 en 146;

het instellen van en zich verweren tegen een vordering tot nietigverklaring van het huwelijk, bedoeld in de artikelen 180, 184 en 192;

het instellen van en zich verweren tegen een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk, bedoeld in artikel 229;

het indienen van een verzoek tot echtscheiding door onderlinge toestemming bedoeld in artikel 230;

het instellen van en zich verweren tegen een vordering tot scheiding van tafel en bed bedoeld in artikel 311bis;

het erkennen van een kind overeenkomstig artikel 327;

het voeren van gedingen als eiser of als verweerder betreffende zijn afstamming bedoeld in boek I, titel VII;

de uitoefening van het ouderlijk gezag over de persoon van de minderjarige, bedoeld in boek I, titel IX;
10°
de aflegging van een verklaring van wettelijke samenwoning bedoeld in artikel 1476, § 1, alsook de beëindiging van de wettelijke samenwoning, bedoeld in artikel 1476, § 2;
11°
in voorkomend geval, het afleggen van een verklaring tot verkrijging van de Belgische nationaliteit, bedoeld in hoofdstuk III van het Wetboek van de Belgische nationaliteit van 28 juni 1984;
12°
de uitoefening van de rechten bedoeld in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van de persoonsgegevens;
13°
de uitoefening van het recht bedoeld in de wet van 23 juni 1961 betreffende het recht tot antwoord;
14°
het richten van een verzoek tot naams- of voornaamswijziging, bedoeld in artikel 2 van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen;
15°
de uitoefening van de rechten van de patiënt, bedoeld in de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt;
16°
het verlenen van de toestemming om een experiment op de menselijke persoon uit te voeren overeenkomstig artikel 6 van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon;
17°
het verlenen van de toestemming tot het wegnemen van organen zoals bedoeld in artikel 5 of artikel 10 van de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen;
18°
de uitoefening van het recht op weigering om een autopsie uit te voeren op zijn kind van minder dan achttien maanden, bedoeld in artikel 3 van de wet van 26 maart 2003 houdende regeling van de autopsie na het onverwachte en medisch onverklaarde overlijden van een kind van minder dan achttien maanden
§ 2
De vrederechter die een rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de goederen beveelt, bepaalt, met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden, van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen en van de gezondheidstoestand van de beschermde persoon, de handelingen of categorieën van handelingen in verband met de goederen waarvoor deze onbekwaam is.
Bij gebreke van aanwijzingen in de in het eerste lid bedoelde beschikking is de beschermde persoon bekwaam voor alle handelingen met betrekking tot de goederen.
De vrederechter oordeelt in zijn beschikking in ieder geval uitdrukkelijk over de bekwaamheid van de beschermde persoon met betrekking tot:

het vervreemden van zijn goederen;

het aangaan van een lening;

het in pand geven of hypothekeren van zijn goederen alsook het geven van de toestemming tot doorhaling van een hypothecaire inschrijving, met of zonder kwijting, en van de overschrijving van een bevel tot uitvoerend beslag zonder betaling;

het afsluiten van een pachtcontract, een handelshuurovereenkomst of een gewone huurovereenkomst van meer dan negen jaar;

het aanvaarden of verwerpen van een nalatenschap, een algemeen legaat of een legaat onder algemene titel;

het aanvaarden van een schenking of een legaat onder bijzondere titel;

het optreden in rechte als eiser en verweerder;

het afsluiten van een overeenkomst van onverdeeldheid;

het aankopen van een onroerend goed;
10°
het aangaan van een dading of het afsluiten van een arbitrageovereenkomst;
11°
het voortzetten van een handelszaak;
12°
het berusten in een vordering betreffende onroerende rechten;
13°
het schenken onder levenden;
14°
het aangaan of wijzigen van een huwelijkscontract;
15°
het maken of herroepen van een uiterste wilsbeschikking;
16°
het stellen van handelingen met betrekking tot het dagelijkse beheer;
17°
de uitoefening van het wettelijk bewind over de goederen van de minderjarige bedoeld in boek I, titel IX.
In voorkomend geval verduidelijkt de vrederechter in zijn beschikking welke de in het derde lid, 16°, bedoelde handelingen zijn die betrekking hebben op het dagelijkse beheer.
§ 3
Ingeval de vrederechter zowel een rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de persoon als een rechterlijke beschermingsmaatregel met betrekking tot de goederen beveelt, bepaalt hij in twee onderscheiden delen van zijn beschikking de handelingen met betrekking tot de persoon en de handelingen met betrekking tot de goederen waarvoor de beschermde persoon onbekwaam is.
[Art. 492/2

De vrederechter kan de vertegenwoordiging bij het verrichten van een rechtshandeling of proceshandeling slechts bevelen ingeval de bijstand bij het verrichten van die handeling niet volstaat.
Indien de beschikking geen andersluidende aanwijzing bevat, wordt de beschermde persoon alleen bijgestaan bij het verrichten van de handelingen waarvoor hij onbekwaam is verklaard.
Ten aanzien van een in artikel 488/2 bedoelde persoon kan de vrederechter enkel de bijstand bevelen bij bepaalde of alle handelingen die betrekking hebben op de goederen van de beschermde persoon.
[Art. 492/3

De rechterlijke beschermingsmaatregel heeft gevolgen vanaf de bekendmaking van de beschikking in het Belgisch Staatsblad wat betreft de handelingen bedoeld in artikel 499/7, §§ 1 en 2. Voor de andere handelingen heeft de rechterlijke beschermingsmaatregel gevolgen vanaf de indiening van het verzoekschrift tot aanstelling van een bewindvoerder.
[Art. 492/4

De vrederechter kan te allen tijde hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de beschermde persoon of diens vertrouwenspersoon of bewindvoerder of van elke belanghebbende evenals van de procureur des Konings, bij een met redenen omklede beschikking, een einde maken aan de rechterlijke beschermingsmaatregel of de inhoud ervan wijzigen. De artikelen 1241 en 1246 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. In voorkomend geval eindigt de rechterlijke beschermingsmaatregel op de dag van de beschikking.
Uiterlijk twee jaar na het uitspreken van de in artikel 492/1 bedoelde beschikking wordt de rechterlijke beschermingsmaatregel geëvalueerd overeenkomstig het eerste lid.
De rechterlijke beschermingsmaatregel eindigt van rechtswege in geval van overlijden van de beschermde persoon, door het verstrijken van de duur waarvoor hij is genomen of in geval van toekenning van de definitieve invrijheidstelling aan de geïnterneerde. Het openbaar ministerie geeft de vrederechter kennis van de definitieve invrijheidstelling van de geïnterneerde.
[Art. 492/5

De Koning stelt, op eensluidend advies van de Orde van geneesheren en de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap, een lijst op met de gezondheidstoestanden die geacht worden op ernstige en aanhoudende wijze het vermogen van de te beschermen persoon om zijn belangen van vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen, zelfs met behulp van bijstand, aan te tasten.
Ingeval uit de in artikel 1241 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde geneeskundige verklaring blijkt dat de te beschermen persoon in een gezondheidstoestand is die voorkomt in de in het eerste lid bedoelde lijst, dan zijn de artikelen 492/1, § 2, derde en vierde lid, en 492/4, tweede lid, niet van toepassing en wordt, in afwijking van artikel 492/1, § 3, en bij gebreke van aanwijzingen in de beschikking bedoeld in artikel 492/1, § 2, de te beschermen persoon vertegenwoordigd bij het stellen van alle rechtshandelingen of proceshandelingen met betrekking tot diens goederen.
De vrederechter kan alsnog tot een beoordeling op maat overgaan, ingeval hij dit noodzakelijk acht.
Onderafdeling 3. Sanctionering
[Art. 493

§ 1
De handelingen die door de beschermde persoon zijn verricht in strijd met zijn overeenkomstig artikel 492/1, § 1, vastgestelde onbekwaamheid met betrekking tot zijn persoon, zijn rechtens nietig.
Indien de in het eerste lid bedoelde handelingen voorwaardelijk werden toegestaan door de vrederechter maar door de beschermde persoon werden verricht zonder dat die voorwaarden in acht werden genomen, kan de nietigheid van die handelingen worden ingeroepen.
§ 2
De in artikel 499/7, § 2, bedoelde handelingen die door de beschermde persoon zijn verricht in strijd met zijn overeenkomstig artikel 492/1, § 2, vastgestelde onbekwaamheid met betrekking tot zijn goederen, zijn rechtens nietig.
Onder voorbehoud van het eerste lid, zijn de handelingen die door de beschermde persoon zijn verricht in strijd met zijn onbekwaamheid met betrekking tot zijn goederen, vastgesteld overeenkomstig artikel 492/1, § 2, nietig in geval van benadeling. De nietigheid wordt door de rechter beoordeeld rekening houdend met de rechten van derden te goeder trouw. De rechter kan echter de verbintenissen die de beschermde persoon door aankopen of op een andere wijze mocht hebben aangegaan ook verminderen, ingeval zij buitensporig zijn; de rechter houdt daarbij rekening met het vermogen van de beschermde persoon, de goede trouw van de personen die met hem hebben gehandeld en het nut of de nutteloosheid van de uitgaven.
Indien handelingen bedoeld in de artikelen 905 en 1397/1 voorwaardelijk werden toegestaan door de vrederechter, maar door de beschermde persoon werden verricht zonder dat die voorwaarden in acht werden genomen, zijn deze handelingen rechtens nietig.
§ 3
De nietigheid kan uitsluitend door de beschermde persoon en zijn bewindvoerder worden ingeroepen. De nietige handeling kan tijdens de duur van de beschermingsmaatregel bevestigd worden door zijn bewindvoerder. Als het om een in artikel 499/7 bedoelde handeling gaat, verleent de vrederechter een bijzondere machtiging aan de bewindvoerder. De in artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde procedure is van toepassing.
Wanneer de beschermde persoon als zodanig wordt toegelaten tot herstel in zijn recht tegen zijn verbintenissen, kan hetgeen ten gevolge van die verbintenissen is betaald tijdens de bescherming van hem niet worden teruggevorderd, tenzij bewezen is dat het betaalde hem tot voordeel heeft gestrekt.
§ 4
Dit artikel is van toepassing op de handelingen die de beschermde persoon die zich laat bijstaan, heeft gesteld in strijd met artikel 498/1.
[Art. 493/1

De vordering tot nietigverklaring verjaart door verloop van vijf jaren.
Deze termijn loopt tegen de beschermde persoon vanaf het tijdstip waarop hij van de betwiste handeling kennis heeft gekregen, of vanaf de betekening die hem ervan is gedaan na afloop van de opdracht van de bewindvoerder.
De termijn loopt tegen zijn erfgenamen vanaf het tijdstip waarop zij kennis ervan hebben gekregen of vanaf de betekening die hun ervan is gedaan na het overlijden van hun rechtsvoorganger.
De verjaring die tegen de beschermde persoon is beginnen lopen, loopt verder tegen de erfgenamen.
De beschermde persoon of zijn erfgenamen kunnen echter, ook na verloop van die termijn, vergoeding voor geleden schade vorderen van de medecontractant die te kwader trouw was.
[Art. 493/2

Elke handeling die is verricht voordat de rechterlijke beschermingsmaatregel gevolgen had, kan worden vernietigd, indien de oorzaak van de maatregel kennelijk bestond ten tijde van het verrichten van die handelingen.
[Art. 493/3

Na het overlijden van de beschermde persoon kunnen de door hem ten bezwarende titel verrichte handelingen niet worden betwist op grond van zijn gezondheidstoestand, dan voor zover de rechterlijke bescherming was uitgesproken of gevorderd voor zijn overlijden, tenzij het bewijs van wilsonbekwaamheid uit de betwiste handeling zelf voortvloeit.
Trefwoorden:
- Gerechtelijke onbekwaamverklaring, algemeen
Art. 489

1[Een meerderjarige die zich in een aanhoudende staat van onnozelheid of krankzinnigheid bevindt, moet worden onbekwaam verklaard, zelfs wanneer in die staat heldere tussenpozen voorkomen.]1
Vervangen bij art. 3 (art. 94) W. 10 oktober 1967 (B.S., 31 oktober 1967), met ingang van 1 januari 1969 (art. 4 K.B. 4 november 1968 (B.S., 13 november 1968)).
Geselecteerde rechtspraak
Voor de toevoeging van een gerechtelijk raadsman aan een zwakzinnige volstaat het dat de betrokkene, zonder zich te bevinden in een aanhoudende staat van onnozelheid of krankzinnigheid, een karakterstoornis vertoont die hem wel niet volledig ontoerekenbaar maakt maar die niettemin zijn geestelijke integriteit ernstig vermindert en hem in een toestand brengt waarin het gevaar voor abnormale, onbeheerste en voor zijn vermogen schadelijke handelingen reëel is (Cass., 2 april 1976, Pas., 1976, I, 852; Arr. Cass., 1976, 389).
De omstandigheid dat een beklaagde door de burgerlijke rechter met toepassing van art. 489 BW onbekwaam werd verklaard, doet geen afbreuk aan de vrije beoordeling door de strafrechter van de geestestoestand van die beklaagde (Cass. P.95.1011.N, 17 oktober 1995).
Trefwoorden:
- Aanhoudende staat van onnozelheid of krankzinnigheid (gerechtelijke onbekwaamverklaring)
Art. 490 – 501

1[...]
Opgeheven bij art. 2 (art. 19) W. 10 oktober 1967 (B.S., 31 oktober 1967), met ingang van 1 januari 1969 (art. 3 K.B. 4 november 1968 (B.S., 13 november 1968)).
Verwijzingen
Zie art. 1238 e.v. Ger. W.
Art. 502

De onbekwaamverklaring of de benoeming van een raadsman heeft haar gevolgen vanaf de dag van het vonnis. Alle handelingen die daarna verricht worden door de onbekwaamverklaarde, of zonder de bijstand van de raadsman, zijn rechtens nietig.
Verwijzingen
Zie B.W. art. 489 en noot, 503, 513-515, 901, 1108, 1124, 1125, 1304, 1312, 1386bis, 2003; Ger. W. art. 1238-1253.
Geselecteerde rechtspraak
Het vonnis van onbekwaamverklaring heeft geen terugwerkende kracht (Cass., 10 februari 1853, Pas., 1853, I, 215).
Het huwelijk dat door een onbekwaamverklaarde werd aangegaan is volstrekt nietig (Cass., 21 februari 1895, Pas., 1895, I, 109).
Art. 503

De handelingen die vóór de onbekwaamverklaring verricht zijn, kunnen vernietigd worden, indien de oorzaak van de onbekwaamverklaring kennelijk bestond ten tijde dat die handelingen zijn verricht.
Verwijzingen
Zie B.W. art. 502 en noot, 901, 1108, 1304.
Geselecteerde rechtspraak
De rechters moeten in geweten en met wijsheid nagaan of de rechtvaardigheid en de billijkheid aansturen op de vernietiging van handelingen die vóór de onbekwaamverklaring verricht zijn. Hun besluit hangt alsdan af van de beoordeling van de feiten en omstandigheden van de zaak, waaromtrent voorziening in cassatie uitgesloten is (Cass., 10 februari 1853, Pas., 1853, I, 215).
Wanneer een lening, aangegaan vóór de onbekwaamverklaring maar op een ogenblik dat de oorzaak van de onbekwaamverklaring algemeen bekend was, wordt nietig verklaard, houdt het feit dat de ontleende gelden hebben gediend om een vorige lening, ook in deze periode aangegaan en dus ook vernietigbaar, terug te betalen, niet noodzakelijk in dat de nietigverklaarde lening in het belang van de onbekwame is aangewend (Cass., 5 september 1868, Pas., 1869, I, 19).
De feitenrechters oordelen soeverein over de kennelijkheid van de oorzaak van de onbekwaamverklaring ten tijde dat die handelingen zijn verricht (Cass., 9 juni 1904, Pas., 1904, I, 257).
Trefwoorden:
- Gevolgen gerechtelijke onbekwaamverklaring
Art. 504

Na iemands dood kunnen de door hem verrichte handelingen niet worden betwist op grond van krankzinnigheid, dan voor zover de onbekwaamverklaring was uitgesproken of gevorderd vóór zijn overlijden; tenzij het bewijs van de krankzinnigheid uit de betwiste handeling zelf voortvloeit.
Verwijzingen
Zie B.W. art. 503 en noot, 901, 1304.
Art. 505

1[...]
Opgeheven bij art. 37 W. 24 juni 1970 (B.S., 21 augustus 1970).
Art. 506

2[...]
VORIGE VERSIE(S)
Opgeheven bij art. 24 W. 29 april 2001 (B.S., 31 mei 2001 (tweede uitg.)), met ingang van 1 augustus 2001 (art. 90).
Vervangen bij enig art. W. 10 augustus 1909 (B.S., 15 augustus 1909).
Art. 507

1[...]
Opgeheven bij enig art. W. 10 augustus 1909 (B.S., 15 augustus 1909).
Art. 508

Met uitzondering van de echtgenoten, de bloedverwanten in de opgaande en die in de nederdalende lijn, is niemand verplicht de voogdij over een onbekwaamverklaarde meer dan tien jaren te behouden. Na verloop van die tijd kan de voogd vragen dat hij wordt vervangen en dit moet hem worden toegestaan.
Art. 509

De onbekwaamverklaarde staat gelijk met een minderjarige, wat betreft zijn persoon en zijn goederen; de wetten op de voogdij over minderjarigen zijn van toepassing op de voogdij over onbekwaamverklaarden.
1[Op vordering van het openbaar ministerie wordt van het vonnis binnen tien dagen na de uitspraak aan de territoriaal bevoegde vrederechter kennisgegeven.]1
VORIGE VERSIE(S)
Gewijzigd bij art. 25 W. 29 april 2001 (B.S., 31 mei 2001 (tweede uitg.)), met ingang van 1 augustus 2001 (art. 90).
Geselecteerde rechtspraak
De onbekwaamverklaarde meerderjarige heeft zijn woonplaats bij voogd (Cass., 20 oktober 1976, Arr. Cass., 1977, 220; Pas., 1977, I, 221).
De onbekwaamverklaarde kan geen rechtsvordering en dus ook geen voorziening in cassatie instellen. Hij moet worden vertegenwoordigd door zijn voogd (Cass., 13 november 1978, Arr. Cass., 1978-79, 310; Pas., 1979, I, 319).
De rechter die beslist dat een bepaald door een wettelijk onbekwame persoonlijk gesloten valutatermijncontract rechtsgeldig tot stand is gekomen, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht wanneer hij vaststelt dat de voor die onbekwame aangestelde curator hem voorafgaandelijk een bijzondere machtiging heeft gegeven om een onbepaald aantal valutacontracten af te sluiten zonder dat deze machtiging een lastgeving inhoudt of een algemene delegatie van bevoegdheden, en dat de curator deze tot dat bepaald valutatermijncontract niet schriftelijk heeft willen bevestigen (Cass. (1e k.) AR C.98.0485.N, 2 juni 2000).
Art. 510

De inkomsten van de onbekwaamverklaarde moeten in hoofdzaak aangewend worden om zijn lot te verzachten en zijn genezing te bespoedigen. 2[...]
VORIGE VERSIE(S)
Gewijzigd bij art. 26 W. 29 april 2001 (B.S., 31 mei 2001 (tweede uitg.)), met ingang van 1 augustus 2001 (art. 90).
Gewijzigd bij art. 18 W. 15 december 1949 (B.S., 1-3 januari 1950).
Art. 511

2[Wanneer een kind van een onbekwaamverklaarde een huwelijk wenst aan te gaan, worden het verlenen van huwelijksgoed of van een voorschot op zijn erfdeel, geregeld door de voogd die daartoe door de vrederechter behoorlijk gemachtigd is.]2
VORIGE VERSIE(S)
Vervangen bij art. 27 W. 29 april 2001 (B.S., 31 mei 2001 (tweede uitg.)), met ingang van 1 augustus 2001 (art. 90).
Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 15 december 1949 (B.S., 1-3 januari 1950).
Art. 512

De onbekwaamverklaring eindigt met de oorzaken die daartoe aanleiding hebben gegeven; echter wordt de opheffing niet uitgesproken dan met inachtneming van de vormen die voorgeschreven zijn om de onbekwaamverklaring te bekomen, en de onbekwaamverklaarde zal de uitoefening van zijn rechten niet kunnen hervatten dan na het vonnis van opheffing.
Geselecteerde rechtspraak
Het vonnis dat de onbekwaamverklaring opheft heeft gezag van gewijsde zolang er geen beroep werd aangetekend. Degene wiens onbekwaamverklaring opgeheven werd is terug bekwaam vanaf (de uitspraak van) het vonnis en ofschoon hij overleden is voor het verstrijken van de termijn om beroep aan te tekenen (Cass., 29 november 1900, Pas., 1901, I, 61).
De vordering tot onbekwaamverklaring of tot opheffing van de onbekwaamverklaring dooft uit door de dood van de onbekwame. Het derdenverzet, gericht tegen het vonnis dat de opheffing van de onbekwaamverklaring heeft bevolen, is niet ontvankelijk na de dood van de onbekwame (Cass., 15 juni 1922, Pas., 1922, I, 360).
Trefwoorden:
- Gerechtelijke onbekwaamverklaring, algemeen
Hoofdstuk II/1. (...)

Toekomstig recht
Hoofdstuk II/1 (art. 494 tot 512) wordt ingevoegd bij art. 52 Wet 17 maart 2013 (BS 14 juni 2013 (ed. 2)), met ingang van 1 juni 2014 (art. 233).
Hoofdstuk II/1. Het bewind
Afdeling 1. Definities
[Art. 494

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a)
beschermde persoon: een meerderjarige persoon die door een beslissing genomen overeenkomstig artikel 492/1 onbekwaam werd verklaard om één of meerdere handelingen te stellen;
b)
bewindvoerder over de persoon: persoon die de beschermde persoon bijstaat of vertegenwoordigt bij het stellen van handelingen met betrekking tot zijn persoon waarvoor hij onbekwaam werd verklaard overeenkomstig artikel 492/1;
c)
bewindvoerder over de goederen: persoon die de beschermde persoon bijstaat of vertegenwoordigt bij het stellen van handelingen met betrekking tot zijn goederen waarvoor hij onbekwaam werd verklaard overeenkomstig artikel 492/1;
d)
vertrouwenspersoon: persoon die als bemiddelaar optreedt tussen de bewindvoerder over de persoon, de bewindvoerder over de goederen en de beschermde persoon, de mening vertolkt van de beschermde persoon in de bij de wet bepaalde gevallen indien hij daar zelf niet toe in staat is of hem ondersteunt bij het uiten van zijn mening ingeval hij dit niet zelfstandig kan en toezicht uitoefent op de goede werking van het bewind;
e)
bijstand: het optreden van de bewindvoerder ter vervolmaking van de rechtsgeldigheid van een handeling gesteld door de beschermde persoon zelf;
f)
vertegenwoordiging: het optreden van de bewindvoerder in naam en voor rekening van de beschermde persoon;
g)
beheer: het optreden van de bewindvoerder door het stellen van handelingen met betrekking tot de goederen die niet vatbaar zijn voor vertegenwoordiging.
Afdeling 2. Ontstaan van het bewind
[Art. 495

Het bewind over beschermde personen ontstaat wanneer de vrederechter:

een rechterlijke beschermingsmaatregel beveelt overeenkomstig artikel 492/1 en een persoon die de beschermde persoon bijstand verleent bij het stellen van handelingen moet worden aangewezen;

een rechterlijke beschermingsmaatregel beveelt overeenkomstig artikel 492/1 en een persoon die de beschermde persoon vertegenwoordigt bij het stellen van handelingen moet worden aangewezen.
Afdeling 3. Organisatie van het bewind
[Art. 496

Iedere persoon voor wie geen rechterlijke beschermingsmaatregel bedoeld in artikel 492/1 werd genomen kan, ten overstaan van de vrederechter van zijn verblijfplaats of, bij gebrek daaraan, van zijn woonplaats of ten overstaan van een notaris een verklaring afleggen waarin hij zijn voorkeur te kennen geeft omtrent de aan te wijzen bewindvoerder of vertrouwenspersoon indien de vrederechter een rechterlijke beschermingsmaatregel zou bevelen.
In dezelfde verklaring kunnen een aantal beginselen worden opgenomen die de bewindvoerder met een opdracht van vertegenwoordiging in acht moet nemen bij de uitoefening van zijn opdracht.
Van deze verklaring wordt een authentieke akte opgesteld. De vrederechter met bijstand van de griffier kan zich op verzoek en op kosten van de verzoeker, zelfs buiten zijn kanton, naar diens verblijfplaats of woonplaats begeven om een verklaring op te nemen.
Binnen vijftien dagen na het afleggen van voormelde verklaring laat de griffier of de notaris deze verklaring opnemen in een centraal register dat wordt bijgehouden door de Koninklijke Federatie van het Belgisch notariaat.
De Koning bepaalt de nadere regels inzake oprichting, beheer en raadpleging van het centraal register. De Koning bepaalt welke overheden gratis toegang tot het centraal register hebben. De Koning bepaalt het tarief van de kosten voor de opneming van de verklaringen.
Vooraleer de vrederechter de rechterlijke beschermingsmaatregel beveelt, gaat de griffier na of in het in het vierde lid bedoelde register een verklaring werd opgenomen. Als dit het geval is, laat hij door de notaris of de griffier van het vredegerecht waar de akte tot aanwijzing van een bewindvoerder en van een vertrouwenspersoon werd verleden, een eensluidend verklaard afschrift overzenden.
De in het eerste lid bedoelde persoon kan op ieder moment op dezelfde wijze als bepaald in het eerste en tweede lid de verklaring herroepen en desgevallend een nieuwe voorkeur uitdrukken. Er wordt voorts gehandeld zoals bepaald in de vorige leden. De vrederechter of notaris voor wie de herroeping plaatsheeft, stelt de vrederechter of notaris voor wie de oorspronkelijke verklaring werd afgelegd, hiervan in kennis. Deze laatste vermeldt de herroeping op de gewijzigde akte.
[Art. 496/1

§ 1
De ouders, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, de persoon met wie de beschermde persoon een feitelijk gezin vormt of een lid van de naaste familie die als bewindvoerder werd aangesteld, kunnen ten overstaan van de vrederechter die het administratief dossier beheert een verklaring afleggen waarin de voorkeur te kennen wordt gegeven over de aan te wijzen bewindvoerder indien de bewindvoerder het mandaat zelf niet langer kan uitoefenen.
Van deze verklaring wordt een akte opgesteld, waarvan een eensluidend verklaard afschrift wordt gevoegd bij het administratief dossier bedoeld in artikel 1253 van het Gerechtelijk Wetboek.
Telkens als de vrederechter een bewindvoerder aanstelt ter vervanging of opvolging van de in het eerste lid bedoelde bewindvoerder, gaat hij vooraf na of in het administratief dossier een verklaring werd opgenomen.
§ 2
De persoon die tot vertrouwenspersoon werd aangesteld door de beschermde persoon kan ten overstaan van de vrederechter die het administratief dossier beheert een verklaring afleggen waarin de voorkeur te kennen wordt gegeven over de aan te wijzen vertrouwenspersoon indien hij deze functie zelf niet langer kan uitoefenen. Van deze verklaring wordt een akte opgesteld, waarvan een eensluidend verklaard afschrift wordt gevoegd bij het administratief dossier bedoeld in artikel 1253 van het Gerechtelijk Wetboek.
Telkens als de vrederechter die het administratief dossier beheert een vertrouwenspersoon aanstelt ter vervanging of opvolging van de in het eerste lid bedoelde vertrouwenspersoon, gaat hij vooraf na of in het administratief dossier een verklaring werd opgenomen.
[Art. 496/2

Indien de persoon die overeenkomstig de artikelen 496 en 496/1 is aangewezen, de bewindvoering aanvaardt, homologeert de vrederechter de aanwijzing, tenzij ernstige redenen met betrekking tot het belang van de beschermde persoon, die nauwkeurig zijn omschreven in de gronden van de beschikking, uitsluiten dat de keuze wordt gevolgd.
De vrederechter mag de homologatie ook weigeren op grond van het uittreksel uit het strafregister van de aangewezen persoon.
[Art. 496/3

Indien van de mogelijkheden bedoeld in de artikelen 496 en 496/1 geen gebruik is gemaakt of indien het niet mogelijk was de gemaakte keuze te volgen, kiest de vrederechter een bewindvoerder die geschikt is om de te beschermen persoon bij te staan of te vertegenwoordigen.
De vrederechter kiest als bewindvoerder over de persoon bij voorkeur de ouders of één van beide ouders, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie, een persoon die instaat voor de dagelijkse zorg van de te beschermen persoon of de te beschermen persoon en zijn omgeving begeleidt in deze zorg of een private stichting die zich uitsluitend inzet voor de te beschermen persoon, rekening houdend met de mening van deze persoon, alsook met zijn persoonlijke omstandigheden, zijn leefomstandigheden en zijn gezinstoestand.
De vrederechter wijst bij voorkeur de bewindvoerder over de persoon aan tot bewindvoerder over de goederen, tenzij dit strijdig is met het belang van de te beschermen persoon of er geen vertrouwenspersoon werd aangewezen. Bij afwezigheid van bewindvoerder over de persoon of ingeval de vrederechter oordeelt dat een andere persoon tot bewindvoerder over de goederen moet aangewezen worden, kiest hij als bewindvoerder over de goederen bij voorkeur de ouders of één van beide ouders, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie, een persoon die instaat voor de dagelijkse zorg van de te beschermen persoon of de te beschermen persoon en zijn omgeving begeleidt in deze zorg, of een private stichting die zich uitsluitend inzet voor de te beschermen persoon, of de lasthebber bedoeld in artikel 490, rekening houdend met de mening van de te beschermen persoon alsook met zijn persoonlijke omstandigheden, de aard en samenstelling van het te beheren vermogen en de gezinstoestand van de te beschermen persoon.
[Art. 496/4

§ 1
De vrederechter kan, met uitzondering van de ouders van de te beschermen persoon, slechts één persoon tot bewindvoerder over de persoon aanwijzen.
§ 2
De vrederechter kan in het belang van de te beschermen persoon verscheidene bewindvoerders over de goederen aanstellen. In voorkomend geval verduidelijkt hij de bevoegdheden van de onderscheiden bewindvoerders en de wijze waarop zij deze bevoegdheden uitoefenen.
Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke bewindvoerder geacht te handelen met instemming van de andere bewindvoerder of bewindvoerders, wanneer hij alleen een handeling stelt die met het beheer van de goederen verband houdt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
[Art. 496/5

Niemand is verplicht de bewindvoering op zich te nemen.
[Art. 496/6

Mogen geen bewindvoerders zijn:

personen ten aanzien van wie een rechterlijke of een buitengerechtelijke beschermingsmaatregel werd genomen;

rechtspersonen, met uitzondering van de private stichting die zich uitsluitend inzet voor de beschermde persoon;

bestuurs- of personeelsleden van de instelling waar de beschermde persoon verblijft

wat uitsluitend het bewind over de goederen betreft, personen die niet vrij over hun goederen kunnen beschikken;

personen die, krachtens artikel 32 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, volledig ontzet zijn uit het ouderlijk gezag.
[Art. 496/7

Onverminderd artikel 492/4 kan de vrederechter te allen tijde, hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van de beschermde persoon, van diens vertrouwenspersoon of bewindvoerder of van elke belanghebbende evenals van de procureur des Konings, bij een met redenen omklede beschikking, de bewindvoerder vervangen of diens bevoegdheden wijzigen. Ingeval er verscheidene bewindvoerders over de goederen werden aangesteld, kan hij daarenboven een einde maken aan de opdracht van een bewindvoerder of de wijze waarop zij hun bevoegdheden uitoefenen wijzigen. De in artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde procedure is van toepassing.
Indien hij zulks nodig acht, kan de vrederechter van de bewindvoerder over de goederen waarborgen eisen, hetzij bij zijn aanwijzing, hetzij gedurende de uitoefening van zijn opdracht.
Afdeling 4. De werking van het bewind
Onderafdeling 1. Algemene bepalingen
[Art. 497

De bewindvoering is een persoonlijke opdracht die niet overgaat op de erfgenamen van de bewindvoerder.
De bewindvoering heeft tot doel de belangen van de beschermde persoon te behartigen. Zij bevordert, in de mate van het mogelijke, de autonomie van de beschermde persoon.
[Art. 497/1

De Koning kan de uitoefening van de functie van bewindvoerder afhankelijk maken van bepaalde voorwaarden, onder meer door het aantal personen te beperken van wie men bewindvoerder kan zijn.
[Art. 497/2

De volgende handelingen zijn niet vatbaar voor bijstand of vertegenwoordiging door de bewindvoerder:

het geven van de toestemming tot huwen, bedoeld in de artikelen 75 en 146;

het instellen van een vordering tot nietigverklaring van een huwelijk, bedoeld in de artikelen 180, 184 en 192;

het vaststellen van de echtelijke verblijfplaats, bedoeld in artikel 214, tweede lid;

de toestemming om over de gezinswoning te beschikken, bedoeld in artikel 220, § 1;

het instellen van een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk, bedoeld in artikel 229;

het instellen van een vordering tot scheiding van tafel en bed, bedoeld in artikel 311bis;

het indienen van een verzoek tot echtscheiding door onderlinge toestemming, bedoeld in artikel 230;

de erkenning van een kind, bedoeld in artikel 328;

de toestemming tot de erkenning, bedoeld in artikel 329bis, § 2;
10°
het verzet tegen een rechtsvordering tot onderzoek naar het moederschap of het vaderschap, bedoeld in artikel 332quinquies, § 2
11°
het instellen van een vordering betreffende de afstamming, bedoeld in de artikelen 312, § 2, 314, 318, 322, 329bis, 330 en 332quinquies;
12°
het verlenen van de toestemming tot zijn adoptie, bedoeld in artikel 348-1;
13°
de uitoefening van het ouderlijk gezag over het minderjarige kind van de beschermde persoon, alsook van de ouderlijke prerogatieven met betrekking tot de staat van de persoon van dit minderjarige kind;
14°
het afleggen van een verklaring tot wettelijke samenwoning, bedoeld in artikel 1476, § 1, alsook de beëindiging van de wettelijke samenwoning, bedoeld in artikel 1476, § 2;
15°
het verlenen van de toestemming tot sterilisatie;
16°
het verlenen van de toestemming tot een handeling van medisch begeleide voortplanting zoals bedoeld in de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo's en de gameten;
17°
de aangifte van de voortdurende en onomkeerbare innerlijke overtuiging te behoren tot het andere geslacht dan datgene dat is vermeld in de akte van geboorte bedoeld in artikel 62bis, § 1;
18°
het verzoek tot euthanasie bedoeld in artikel 3 en 4 van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie;
19°
het verzoek tot uitvoering van een zwangerschapsafbreking bedoeld in artikel 350 van het Strafwetboek;
20°
het verlenen van de toestemming tot het stellen van handelingen die de fysieke integriteit of de intieme levenssfeer van de beschermde persoon raken, onverminderd de afwijkende bepalingen opgenomen in bijzondere wetten;
21°
het verlenen van de toestemming voor het gebruik van gameten of embryo's in vitro voor onderzoeksdoeleinden bedoeld in artikel 8 van de wet van 11 mei 2003 betreffende het onderzoek op embryo's in vitro;
22°
de uitoefening van het recht op weigering om een autopsie uit te voeren op zijn kind van minder dan achttien maanden bedoeld in artikel 3 van de wet van 26 maart 2003 houdende regeling van de autopsie na het onverwachte en medisch onverklaarde overlijden van een kind van minder dan achttien maanden;
23°
het verlenen van de toestemming tot afneming van bloed en bloedderivaten zoals bedoeld in artikel 5 van de wet van 5 juli 1994 betreffende bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong;
24°
het schenken onder levenden, met uitzondering van de gebruikelijke geschenken in verhouding tot het vermogen van de beschermde persoon;
25°
het maken of herroepen van een uiterste wilsbeschikking;
26°
de uitoefening van politieke rechten bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Grondwet.
[Art. 497/3

§ 1
Geschillen tussen de bewindvoerder over de persoon en de bewindvoerder over de goederen worden op verzoek door de vrederechter beslecht in het belang van de beschermde persoon, overeenkomstig de procedure bepaald bij artikel 1252 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 2
Rechtshandelingen en beslissingen die zowel betrekking hebben op de persoon als op de goederen van de beschermde persoon mogen alleen met instemming van de bewindvoerder over de persoon en de bewindvoerder over de goederen worden genomen.
Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke bewindvoerder geacht te handelen met instemming van de andere bewindvoerder wanneer hij alleen een handeling stelt die met de rechterlijke beschermingsregeling verband houdt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
[Art. 497/4

In geval van belangentegenstelling tussen de beschermde persoon en zijn bewindvoerder wijst de vrederechter of de rechter bij wie de zaak aanhangig is, hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van de vertrouwenspersoon, van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, een bewindvoerder ad hoc aan.
De in artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde procedure is van overeenkomstige toepassing, behoudens ingeval de rechter bij wie de zaak aanhangig is een bewindvoerder ad hoc aanwijst.
[Art. 497/5

Na de goedkeuring van het verslag bedoeld in de artikelen 498/3, 498/4, 499/14 of 499/17, kan de vrederechter de bewindvoerder, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing, een bezoldiging toekennen waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan drie procent van de inkomsten van de beschermde persoon. De vrederechter houdt bij de begroting van de bezoldiging rekening met de aard, de samenstelling en omvang van het beheerde vermogen, alsook met de aard, complexiteit en omvang van de door de bewindvoerder geleverde prestaties. Indien de bewindvoerder over de persoon niet werd aangesteld tot bewindvoerder over de goederen bepaalt de vrederechter welk aandeel in de bezoldiging elk van beiden ontvangt. De Koning kan de inkomsten bepalen die als basis dienen voor de begroting van de bezoldiging.
Ingeval de vrederechter vaststelt dat de bewindvoerder tekortschiet in de uitoefening van zijn opdracht, kan hij bij een met bijzondere redenen omklede beslissing weigeren een bezoldiging toe te kennen of een lagere bezoldiging toekennen.
Naast de bezoldiging worden de gemaakte kosten vergoed, na door de vrederechter behoorlijk te zijn nagezien. De Koning kan bepaalde kosten op forfaitaire wijze begroten.
De vrederechter kan de bewindvoerder, na overlegging van met redenen omklede staten, een vergoeding toekennen die in overeenstemming is met de vervulde buitengewone ambtsverrichtingen. Onder buitengewone ambtsverrichtingen worden de materiële en intellectuele prestaties verstaan die niet kaderen in het dagelijks beheer van het vermogen van de beschermde persoon. De Koning kan de wijze bepalen waarop de vergoeding voor buitengewone ambtsverrichtingen wordt begroot.
Behoudens in uitzonderlijke omstandigheden kan de vrederechter geen bezoldiging toekennen aan de ouder of de ouders van de beschermde persoon die aangewezen zijn als bewindvoerder.
Het is de bewindvoerder verboden, buiten de in het eerste, derde en vierde lid vermelde bezoldigingen of vergoedingen, enige bezoldiging of voordeel, van welke aard ook of van wie ook, te ontvangen met betrekking tot de uitoefening van het gerechtelijk mandaat van bewindvoerder.
[Art. 497/6

De vrederechter kan alle maatregelen nemen om zich te informeren over de familiale, morele en materiële toestand van de beschermde persoon, alsook over diens leefomstandigheden.
In het bijzonder kan hij de procureur des Konings verzoeken om, door de bemiddeling van de bevoegde sociale dienst, over al deze punten alle dienstige inlichtingen in te winnen.
[Art. 497/7

De bewindvoerder over de persoon en de bewindvoerder over de goederen brengen elkaar en de vertrouwenspersoon op de hoogte van de handelingen die zij in uitvoering van hun opdracht verrichten.
[Art. 497/8

Ingeval de beschermde persoon een gezondheidstoestand heeft die voorkomt in de lijst bedoeld in artikel 492/5, eerste lid, wordt hij, wat de toepassing van de artikelen 498/3, 498/4, 499/6, 499/14 en 499/17 betreft, geacht niet in staat te zijn kennis te nemen van het verslag.
Onderafdeling 2. Bijstand
[Art. 498

Deze onderafdeling is van toepassing ingeval de vrederechter een rechterlijke beschermingsmaatregel van bijstand heeft bevolen overeenkomstig artikel 492/1.
In afwijking van het eerste lid is deze onderafdeling in ieder geval van toepassing indien de vrederechter een rechterlijke beschermingsmaatregel heeft bevolen ten aanzien van een persoon die verkeert in de toestand bedoeld in artikel 488/2.
[Art. 498/1

De vrederechter die overeenkomstig artikel 492/2 de bijstand beveelt, bepaalt de nadere regels ervan. De vrederechter kan bepalen dat de bijstand bestaat in het door de bewindvoerder verlenen van een voorafgaande toestemming tot het verrichten van één welbepaalde handeling, van een categorie van welbepaalde handelingen of van handelingen die gericht zijn op een welbepaald doel. De toestemming tot het verrichten van handelingen die gericht zijn op een welbepaald doel moet in ieder geval schriftelijk worden verleend.
Bij gebreke van aanwijzingen in de in het eerste lid bedoelde beschikking bestaat de bijstand uit de voorafgaandelijke schriftelijke toestemming tot het verrichten van de handeling of, ingeval het een in artikel 499/7 bedoelde handeling betreft en er een geschrift wordt opgemaakt, in de medeondertekening van dit geschrift door de bewindvoerder.
[Art. 498/2

De bewindvoerder over de persoon verleent bijstand aan de beschermde persoon bij het verrichten van een handeling met betrekking tot de persoon die op grond van artikel 492/1 onder de rechterlijke beschermingsmaatregel valt, tenzij de voorgenomen handeling de belangen van de beschermde persoon kennelijk schaadt.
De bewindvoerder over de goederen verleent bijstand aan de beschermde persoon bij het verrichten van een handeling met betrekking tot de goederen die op grond van artikel 492/1 onder de rechterlijke beschermingsmaatregel valt, tenzij de voorgenomen handeling de belangen van de beschermde persoon schaadt.
De bewindvoerder betrekt de beschermde persoon zoveel mogelijk en in verhouding tot diens begripsvermogen bij de uitoefening van zijn opdracht.
Ingeval de bewindvoerder bij de uitvoering van zijn opdracht de beschermde persoon schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Niettemin wordt de aansprakelijkheid wegens schuld minder streng toegepast ten aanzien van degene die de opdracht van bijstand om niet op zich neemt, dan ten aanzien van hem die daarvoor de bezoldiging bedoeld in artikel 497/5, eerste lid, ontvangt.
[Art. 498/3

§ 1
De vrederechter bepaalt het tijdstip waarop of de omstandigheden waarin en de wijze waarop de bewindvoerder over de persoon verslag uitbrengt over de handelingen waarvoor hij de beschermde persoon bijstand heeft verleend.
Bij gebreke van aanwijzingen in de in artikel 492/1, § 1, bedoelde beschikking brengt de bewindvoerder jaarlijks schriftelijk verslag uit aan de vrederechter, aan de beschermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon en bewindvoerder over de goederen. De vrederechter kan de bewindvoerder ervan ontslaan dit verslag aan de beschermde persoon te overhandigen, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
In dit schriftelijk verslag worden minstens de volgende gegevens vermeld:

de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de bewindvoerder, of zijn benaming en maatschappelijke zetel;

de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de beschermde persoon en diens vertrouwenspersoon;

een overzicht van de handelingen waarvoor de bewindvoerder bijstand heeft verleend aan de beschermde persoon.
§ 2
De bewindvoerder over de goederen brengt jaarlijks schriftelijk verslag uit aan de vrederechter, aan de beschermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon en diens bewindvoerder over de persoon. De vrederechter kan de bewindvoerder ervan ontslaan dit verslag aan de beschermde persoon te overhandigen, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
In dit schriftelijk verslag worden minstens de volgende gegevens vermeld:

de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de bewindvoerder of zijn benaming en maatschappelijke zetel;

de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de beschermde persoon en diens vertrouwenspersoon;

een overzicht van de handelingen waarvoor de bewindvoerder bijstand heeft verleend aan de beschermde persoon.
Ingeval de vrederechter verscheidene bewindvoerders over de goederen heeft aangesteld, bepaalt hij de wijze waarop ze dit schriftelijk verslag dienen uit te brengen.
§ 3
Onderaan het verslag brengt de vrederechter zijn goedkeuring aan. Eventuele opmerkingen of aanmerkingen waarmee de bewindvoerder in de toekomst rekening dient te houden [...] worden aan hem overgezonden.
Het verslag wordt bij het in artikel 1253 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde administratief dossier gevoegd.
§ 4
De Koning bepaalt een model van verslag.
[Art. 498/4

De bewindvoerder overhandigt binnen een maand na de beëindiging van zijn opdracht, een eindverslag opgesteld overeenkomstig artikel 498/3, § 1, derde lid, en/of 498/3, § 2, tweede lid, aan de vrederechter, aan de persoon ten aanzien van wie de rechterlijke beschermingsmaatregel is beëindigd of aan de nieuwe bewindvoerder. Het verslag wordt in laatstgenoemd geval eveneens overhandigd aan de beschermde persoon en diens vertrouwenspersoon. De vrederechter kan de bewindvoerder er evenwel van ontslaan om dit verslag over te zenden aan de beschermde persoon, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
Er wordt een proces-verbaal opgemaakt waarin vastgesteld wordt dat het verslag is goedgekeurd of afgekeurd. In voorkomend geval wordt melding gemaakt van de reden waarom het verslag werd afgekeurd.
Elke goedkeuring van het eindverslag voorafgaand aan de datum van het proces-verbaal bedoeld in het tweede lid, is nietig.
Het verslag en het proces-verbaal worden bij het in artikel 1253 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde administratief dossier gevoegd.
Onderafdeling 3. Vertegenwoordiging en beheer
[Art. 499

Deze onderafdeling is van toepassing ingeval de vrederechter een rechterlijke beschermingsmaatregel van vertegenwoordiging heeft bevolen overeenkomstig artikel 492/1.
[Art. 499/1

§ 1
De bewindvoerder over de persoon vertegenwoordigt de beschermde persoon bij het verrichten van een rechtshandeling of proceshandeling met betrekking tot de persoon, voor zover deze handeling valt onder de rechterlijke beschermingsmaatregel bedoeld in artikel 492/1, § 1.
§ 2
De bewindvoerder over de goederen beheert de goederen van de beschermde persoon zoals een goede huisvader en vertegenwoordigt de beschermde persoon bij het verrichten van een rechtshandeling of proceshandeling met betrekking tot deze goederen, voor zover deze handeling valt onder de rechterlijke beschermingsmaatregel bedoeld in artikel 492/1, § 2.
§ 3
De bewindvoerder neemt bij de uitoefening van zijn opdracht zoveel mogelijk de beginselen in acht waarvoor de beschermde persoon overeenkomstig artikel 496, tweede lid, heeft gekozen. De vrederechter kan de bewindvoerder evenwel ontslaan van de verplichting welbepaalde beginselen in acht te nemen ingeval de omstandigheden sedertdien dermate gewijzigd zijn dat er ernstige twijfels rijzen bij de bedoeling van de beschermde persoon om deze beginselen in acht te laten nemen.
De bewindvoerder betrekt de beschermde persoon zoveel mogelijk en in verhouding tot diens begripsvermogen bij de uitoefening van zijn opdracht. Hij pleegt bij de uitvoering van zijn opdracht op regelmatige tijdstippen overleg met de beschermde persoon of diens vertrouwenspersoon.
De bewindvoerder brengt de beschermde persoon op de hoogte van de handelingen die hij verricht. In bijzondere omstandigheden kan de vrederechter hem vrijstelling verlenen van deze verplichting. Bij ontstentenis van een bewindvoerder over de persoon of over de goederen of van een vertrouwenspersoon kan de vrederechter een andere persoon of instelling aanwijzen die door de bewindvoerder op de hoogte moet worden gebracht.
[Art. 499/2

De bewindvoerder over de goederen besteedt de inkomsten van de beschermde persoon aan diens onderhoud, verzorging en welzijn, en vordert de toepassing van de sociale wetgeving in het belang van de beschermde persoon.
Hij stelt de beschermde persoon, na daarover met hem en diens vertrouwenspersoon en bewindvoerder over de persoon te hebben overlegd, de nodige sommen ter beschikking.
Een en ander geldt onverminderd hetgeen bij wet en verordening bepaald is omtrent de vergoeding van de kosten van onderhoud van de zieken, gehandicapten en bejaarden.
[Art. 499/3

De gelden en de goederen van de beschermde persoon worden volledig en duidelijk afgescheiden van het persoonlijk vermogen van de bewindvoerder.
De banktegoeden van de beschermde persoon worden op zijn naam ingeschreven.
[Art. 499/4

De vrederechter bepaalt, in zijn beschikking bedoeld in artikel 492/1, § 2, het bedrag van de gelden geplaatst op een rekening van de beschermde persoon dat de bewindvoerder mag afhalen of overschrijven zonder voorafgaande machtiging binnen de periode die hij bepaalt.
[Art. 499/5

De bewindvoerder kan zich in zijn beheer laten bijstaan door een of meer personen die onder zijn verantwoordelijkheid optreden.
De vrederechter kan een door de Nationale Bank van België, overeenkomstig de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen vergunde instelling de opdracht toevertrouwen om bij haar gedeponeerde en aan de beschermde persoon toebehorende kapitalen, effecten en waardepapieren te beheren. De vrederechter bepaalt de voor dit beheer geldende voorwaarden.
[Art. 499/6

De bewindvoerder over de persoon bezorgt uiterlijk één maand na de aanvaarding van zijn aanwijzing een verslag over de leefsituatie van de beschermde persoon aan de vrederechter, aan de beschermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon. De vrederechter kan hem ervan ontslaan dit verslag aan de beschermde persoon over te zenden, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
Uiterlijk één maand na de aanvaarding van zijn aanwijzing stelt de bewindvoerder over de goederen een verslag op met betrekking tot de vermogenstoestand en de inkomstenbronnen van de beschermde persoon en zendt hij dit verslag over aan de vrederechter, aan de beschermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon. De vrederechter kan hem ervan ontslaan dit verslag aan de beschermde persoon over te zenden, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
De vrederechter kan de bewindvoerder, gelet op de omvang van zijn opdracht, evenwel van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting ontslaan.
Het verslag wordt gevoegd bij het administratief dossier bedoeld in artikel 1253 van het Gerechtelijk Wetboek.
De Koning bepaalt een model van schriftelijk verslag.
[Art. 499/7

§ 1
Onverminderd de bepalingen opgenomen in bijzondere wetten moet de vrederechter de bewindvoerder over de persoon bijzondere machtiging verlenen om:

de verblijfplaats van de beschermde persoon te wijzigen;

de rechten bedoeld in de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt overeenkomstig artikel 14, § 2, van voornoemde wet uit te oefenen;

de beschermde persoon in rechte te vertegenwoordigen als eiser bij rechtsplegingen en handelingen.
De vrederechter kan de machtiging bedoeld in het eerste lid, 2°, verlenen voor de uitoefening van alle rechten die verband houden met een bepaalde medische behandeling.
In afwijking van het eerste lid, 2°, kan de bewindvoerder die bevoegd is om op te treden krachtens de voornoemde wet van 22 augustus 2002, in geval van dringende noodzakelijkheid, zonder voorafgaande bijzondere machtiging van de vrederechter de rechten opgesomd in die wet uitoefenen. Hij brengt de vrederechter, de vertrouwenspersoon en de bewindvoerder over de goederen onverwijld op de hoogte van zijn optreden.
§ 2
De vrederechter moet de bewindvoerder over de goederen bijzondere machtiging verlenen om:

de goederen van de beschermde persoon, met uitzondering van de vruchten en de onbruikbare voorwerpen, te vervreemden, tenzij het beheer is opgedragen aan een in artikel 499/5, tweede lid, bedoelde instelling;

een lening aan te gaan;

de goederen van de beschermde persoon te hypothekeren of in pand te geven of toestemming te geven tot doorhaling van een hypothecaire inschrijving, met ofzonder kwijting, en van de overschrijving van een bevel tot uitvoerend beslag zonder betaling en van het ontslag van ambtshalve inschrijving;

een pachtcontract, een handelshuurovereenkomst of een gewone huurovereenkomst van meer dan negen jaar te sluiten, alsook een handelshuurovereenkomst te hernieuwen;

een nalatenschap, een algemeen legaat of een legaat onder algemene titel te verwerpen of te aanvaarden, wat slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving kan geschieden. De vrederechter kan bij een met redenen omklede beschikking machtiging verlenen om een nalatenschap, een algemeen legaat of een legaat ten algemene titel zuiver te aanvaarden, rekening houdende met de aard en de omvang van het geërfde vermogen en voor zover de baten kennelijk de lasten van het geërfde vermogen overschrijden;

een schenking of een legaat onder bijzondere titel te aanvaarden;

de beschermde persoon in rechte te vertegenwoordigen als eiser bij rechtsplegingen en handelingen, behoudens voor:

rechtsplegingen en handelingen bedoeld in de artikelen 1150,1180, 1°, 1187, tweede lid, en 1206 van het Gerechtelijk Wetboek;

burgerlijke partijstelling;

geschillen met betrekking tot huurcontracten of met betrekking tot bewoning zonder akte of bewijs en

vorderingen tot toepassing van de sociale wetgeving ten gunste van de beschermde persoon;

een overeenkomst van onverdeeldheid te sluiten;

een onroerend goed aan te kopen;
10°
een dading aan te gaan of een overeenkomst tot arbitrage te sluiten;
11°
een handelszaak voort te zetten. Het bestuur van de handelszaak mag worden opgedragen aan een bijzondere bewindvoerder onder het toezicht van de bewindvoerder voor de goederen. De bijzondere bewindvoerder wordt aangewezen door de vrederechter. De vrederechter kan zijn toestemming tot voortzetting van de handelszaak te allen tijde intrekken;
12°
souvenirs en andere persoonlijke voorwerpen, zelfs als het om voorwerpen van geringe waarde gaat, te vervreemden onverminderd artikel 499/9;
13°
te berusten in een vordering betreffende onroerende rechten;
14°
de betalingsdienstaanbieders te machtigen op de betaalinstrumenten van de beschermde persoon enig onderscheidingsteken aan te brengen.
De afhaling en overschrijving van gelden geplaatst op een rekening van de beschermde persoon worden voor de toepassing van het eerste lid, 1°, niet beschouwd als vervreemdingen, voor zover zij voldoen aan de eisen bepaald bij artikel 499/4.
§ 3
Ingeval een rechtshandeling of proceshandeling zowel de persoon als het vermogen van de beschermde persoon betreft, kan de vrederechter de bewindvoerder tevens machtigen om alleen op te treden. Indien de zaak slechts door de bewindvoerder over de persoon of de bewindvoerder over de goederen bij hem aanhangig wordt gemaakt, wordt de andere gehoord of tenminste bij gerechtsbrief opgeroepen. Door die oproeping wordt hij partij in het geding. De bewindvoerder die de machtiging verkrijgt, brengt de andere bewindvoerder onverwijld op de hoogte van zijn optreden.
§ 4
De vrederechter kan de bewindvoerder over de goederen een bijzondere machtiging verlenen om te schenken ingeval de beschermde persoon daar zelf wilsonbekwaam toe is en uit de verklaring bedoeld in artikel 496, tweede lid, of uit vroegere schriftelijke of mondelinge verklaringen van de beschermde persoon, geuit op een tijdstip waarop hij wilsbekwaam was, de wil tot schenken uitdrukkelijk blijkt. De schenking moet in verhouding staan tot het vermogen van de beschermde persoon en mag bovendien de beschermde persoon of zijn onderhoudsgerechtigden niet behoeftig dreigen te maken. De artikelen 1241 en 1246 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
[Art. 499/8

De verkoop van de roerende en onroerende goederen van de beschermde persoon vindt plaats overeenkomstig de bepalingen van het vierde deel, boek IV, hoofdstukken IV en V, van het Gerechtelijk Wetboek.
[Art. 499/9

Souvenirs en andere persoonlijke voorwerpen kunnen niet worden vervreemd, tenzij zulks volstrekt noodzakelijk is, en worden ter beschikking van de beschermde persoon gehouden tot de beëindiging van de rechterlijke beschermingsmaatregel.
De woning van de beschermde persoon en het huisraad waarmee deze woning gestoffeerd is, moeten zo lang mogelijk te zijner beschikking blijven. Als het, in het bijzonder bij langdurige opneming of verblijf elders, noodzakelijk wordt of in het belang is van de beschermde persoon dat over de rechten in verband daarmee wordt beschikt, moet door de vrederechter daartoe machtiging worden verleend.
In elk geval worden de beschermde persoon die over het vereiste begripsvermogen beschikt en diens vertrouwenspersoon en bewindvoerder over de persoon uitgenodigd om, indien zij dit wensen, gehoord te worden vooraleer machtiging kan worden verleend.
[Art. 499/10

Met uitzondering van de echtgenoot of echtgenote, kan de bewindvoerder geen goederen van de beschermde persoon verkrijgen, noch rechtstreeks, noch door een tussenpersoon, behalve na bijzondere machtiging verleend door de vrederechter overeenkomstig de procedure bepaald bij artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek of krachtens de wet van 16 mei 1900 tot wijziging van het erfstelsel voor de kleine nalatenschappen, de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit, of in het kader van een gerechtelijke of minnelijke verdeling goedgekeurd overeenkomstig artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek. Hij kan de goederen van de beschermde persoon slechts in huur nemen als de vrederechter daartoe op schriftelijk verzoek machtiging verleent. In dat geval bepaalt de vrederechter in zijn beschikking de huurvoorwaarden, alsook de bijzondere waarborgen verbonden aan de aldus toegestane huur.
[Art. 499/11

Ingeval geen bewindvoerder over de persoon die tot opdracht heeft te oordelen over de verblijfplaats van de beschermde persoon werd aangesteld, kan deze enkel gewijzigd worden met goedkeuring van de bewindvoerder over de goederen. Bij weigering kan de beschermde persoon of elke belanghebbende zich wenden tot de vrederechter overeenkomstig de in artikel 1252 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde procedure. De vrederechter oordeelt over het belang van de beschermde persoon.
[Art. 499/12

Betekeningen en kennisgevingen aan personen aan wie een bewindvoerder is toegevoegd, worden gedaan aan deze personen zelf en aan de woonplaats of verblijfplaats van de bewindvoerder, voor zover de betekening of de kennisgeving verband houdt met de opdracht van de bewindvoerder.
[Art. 499/13

Alle handelingen die door de bewindvoerder zijn verricht in strijd met artikel 499/7, zijn rechtens nietig.
Deze nietigheid kan uitsluitend door de beschermde persoon of een bewindvoerder ad hoc worden ingeroepen.
Indien de in het eerste lid bedoelde handelingen voorwaardelijk werden toegestaan door de vrederechter, maar door de bewindvoerder werden verricht zonder dat die voorwaarden in acht werden genomen, kan de nietigheid van deze handelingen worden ingeroepen.
De nietige handeling kan door de bewindvoerder worden bevestigd, mits de vormen die gelden voor het verrichten van de te bevestigen handeling worden nageleefd.
Op de vordering tot nietigverklaring is artikel 493/1 van toepassing.
Wanneer de beschermde persoon wordt toegelaten tot herstel in zijn recht tegen zijn verbintenissen, kan hetgeen ten gevolge van die verbintenissen is betaald tijdens de bescherming, van hem niet worden teruggevorderd, tenzij bewezen is dat het betaalde hem tot voordeel heeft gestrekt.
De nietigheid doet geen afbreuk aan eventuele aansprakelijkheidsvorderingen die de beschermde persoon tegen zijn bewindvoerder kan instellen.
[Art. 499/14

§ 1
De vrederechter bepaalt het tijdstip of de omstandigheden en de wijze waarop de bewindvoerder over de persoon verslag uitbrengt.
Bij gebreke van aanwijzingen in de beschikking bedoeld in artikel 492/1, § 1, brengt de bewindvoerder jaarlijks schriftelijk verslag uit aan de vrederechter, aan de beschermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon en bewindvoerder over de goederen. De vrederechter kan de bewindvoerder ervan ontslaan dit verslag aan de beschermde persoon te overhandigen, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
In dit schriftelijk verslag worden minstens de volgende gegevens vermeld:

de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de bewindvoerder of zijn benaming en maatschappelijke zetel;

de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de beschermde persoon en diens vertrouwenspersoon;

de leefsituatie van de beschermde persoon;

de maatregelen die de bewindvoerder heeft genomen ter bevordering van het welzijn van de beschermde persoon;

de wijze waarop de bewindvoerder de beschermde persoon en, in voorkomend geval, diens vertrouwenspersoon en bewindvoerder over de goederen betrokken heeft bij de uitoefening van zijn opdracht en rekening heeft gehouden met hun mening;

in voorkomend geval, de wijze waarop de bewindvoerder rekening heeft gehouden met de opmerkingen die de vrederechter heeft geformuleerd bij een eerder verslag.
Onderaan het verslag brengt de vrederechter zijn goedkeuring aan. Eventuele op- of aanmerkingen waarmee de bewindvoerder over de persoon in de toekomst rekening dient te houden worden aan hem overgezonden.
§ 2
De bewindvoerder over de goederen bezorgt jaarlijks een schriftelijk verslag aan de vrederechter, aan de beschermde persoon en aan diens vertrouwenspersoon en diens bewindvoerder over de persoon. De vrederechter kan de bewindvoerder ervan ontslaan om dit verslag aan de beschermde persoon te overhandigen, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
In dit schriftelijk verslag worden minstens de volgende gegevens vermeld:

de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de bewindvoerder of zijn benaming en maatschappelijke zetel;

de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de beschermde persoon, en, in voorkomend geval, van zijn vertrouwenspersoon;

de rekeningen omvattende minstens een overzicht van de stand van het beheerde vermogen bij de aanvang en op het einde van deze periode;

de wijze waarop de bewindvoerder de beschermde persoon en, in voorkomend geval, diens bewindvoerder over de persoon en diens vertrouwenspersoon betrokken heeft bij de uitoefening van zijn opdracht en rekening heeft gehouden met hun mening;

de materiële levensvoorwaarden van de beschermde persoon;

in voorkomend geval, de wijze waarop de bewindvoerder rekening heeft gehouden met de opmerkingen die de vrederechter heeft geformuleerd bij een eerder verslag.
Bij het verslag wordt een fotokopie gevoegd van het laatste rekeninguittreksel ter staving van de erin vermelde saldi alsook, in voorkomend geval, een attest van de financiële instelling betreffende de belegde kapitalen.
De bewindvoerder voert een vereenvoudigde boekhouding, die tenminste betrekking heeft op de mutaties in contant geld of op de rekeningen. De vrederechter kan de bewindvoerder echter, gelet op de aard en de omvang van het te beheren vermogen, vrijstelling verlenen van deze verplichting.
De vrederechter keurt in een proces-verbaal het verslag goed. Hij kan daarbij voorbehouden en opmerkingen formuleren waarmee de bewindvoerder rekening moet houden.
Wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de rekening tekortkomingen vertoont of wanneer de rekening vrij complex is, kan de vrederechter een technisch adviseur aanwijzen die hem technisch advies moet geven over de rekening. De vrederechter kan de kosten voor de technisch adviseur ten laste leggen van de bewindvoerder ingeval deze kennelijk tekortschoot in zijn verslaggevingsplicht of in de uitoefening van zijn opdracht.
Ingeval de vrederechter verscheidene bewindvoerders heeft aangesteld, bepaalt hij de wijze waarop deze het verslag bedoeld in het tweede lid dienen uit te brengen.
§ 3
Het verslag en het proces-verbaal worden bij het in artikel 1253 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde administratief dossier gevoegd.
§ 4
De Koning bepaalt een model van schriftelijk verslag en van vereenvoudigde boekhouding.
[Art. 499/15

De bewindvoerder over de goederen kan tijdens het bewind de vrederechter verzoeken om een bewindvoerder ad hoc aan te stellen die tot opdracht heeft de reeds neergelegde bewindsrekeningen te controleren en, in voorkomend geval, er namens de beschermde persoon kwijting voor te verlenen. De procedure van artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing. De eventuele kosten komen ten laste van de bewindvoerder.
[Art. 499/16

Indien de bewindvoerder moet worden vervangen, worden de rekeningen afgesloten op de dag waarop de nieuwe bewindvoerder zijn opdracht aanvaardt.
[Art. 499/17

§ 1
Binnen een maand na beëindiging van de opdracht van de bewindvoerder over de persoon wordt het eindverslag, opgesteld overeenkomstig artikel 499/14, § 1, in aanwezigheid van de vrederechter, met het oog op de goedkeuring ervan, overhandigd aan de persoon ten aanzien van wie de rechterlijke beschermingsmaatregel is beëindigd of aan de nieuwe bewindvoerder over de persoon. Het verslag wordt eveneens overhandigd aan de bewindvoerder over de goederen en de vertrouwenspersoon. De vrederechter kan de bewindvoerder over de persoon er evenwel van ontslaan dit verslag over te zenden aan de beschermde persoon, voor zover deze niet in staat is ervan kennis te nemen.
Er wordt een proces-verbaal opgemaakt waarin vastgesteld wordt dat het verslag is uitgebracht en goedgekeurd of afgekeurd. In voorkomend geval wordt melding gemaakt van de redenen waarom het verslag werd afgekeurd.
§ 2
Indien de vrederechter de opdracht van de bewindvoerder over de goederen beëindigt bij een beschikking bedoeld in de artikelen 492/4, eerste lid, of 496/7 of indien de rechterlijke beschermingsmaatregel van rechtswege eindigt overeenkomstig artikel 492/4, derde lid, geeft de vrederechter de bewindvoerder over de goederen de opdracht om, binnen de maand na de datum van de beëindiging van zijn opdracht vermeld in de beschikking, een eindverslag, opgesteld overeenkomstig artikel 499/14, § 2, alsook een inventaris van de roerende goederen, neer te leggen ter griffie.
Indien overeenkomstig artikel 496/4, § 2, verscheidene bewindvoerders over de goederen werden aangesteld en de vrederechter de opdracht van één van hen beëindigt, bepaalt hij in zijn beschikking de wijze waarop het eindverslag bedoeld in het eerste lid dient te worden uitgebracht.
De in het eerste lid bedoelde beschikking verplicht de bewindvoerder tevens om een kopie van het eindverslag en de inventaris van de roerende goederen over te zenden aan de persoon ten aanzien van wie de rechterlijke beschermingsmaatregel is beëindigd of aan diens nieuwe bewindvoerder over de goederen alsook, in voorkomend geval, aan de bewindvoerder over de persoon en de vertrouwenspersoon.
Voorts bepaalt de vrederechter in zijn beschikking de dag en het uur waarop de bewindvoerder, de persoon ten aanzien van wie de rechterlijke beschermingsmaatregel is beëindigd of diens nieuwe bewindvoerder over de goederen alsook, in voorkomend geval, de bewindvoerder over de persoon en de vertrouwenspersoon, dienen te verschijnen in raadkamer. De beschikking wordt hen bij gerechtsbrief ter kennis gebracht.
Op de gestelde dag en uur wordt een proces-verbaal opgesteld, waarin al dan niet vastgesteld wordt dat de rekening en verantwoording is gedaan, dat de rekening is goedgekeurd en dat de uittredende bewindvoerder kwijting is verleend voor de rekeningen waarvoor nog geen kwijting was verleend, overeenkomstig artikel 499/15. Het proces-verbaal wordt medeondertekend door de verschijnende partijen, de vrederechter en de hoofdgriffier.
Elke goedkeuring van de definitieve rekening vóór de datum van het in het vierde lid bedoelde proces-verbaal, is nietig.
Bij betwisting wordt overeenkomstig de artikelen 1358 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek rekening en verantwoording voor de rechtbank gedaan.
§ 3
Het verslag en het proces-verbaal worden bij het in artikel 1253 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde administratief dossier gevoegd.
[Art. 499/18

Zolang de definitieve rekening niet is goedgekeurd, kunnen tussen de persoon ten aanzien van wie de rechterlijke beschermingsmaatregel is beëindigd en zijn vroegere bewindvoerder over de goederen geen geldige overeenkomsten worden gesloten.
Op voorlegging van een door de griffier voor eensluidend verklaard afschrift van het overeenkomstig artikel 499/17, § 2, vierde lid, opgemaakte proces-verbaal verleent de nieuwe bewindvoerder over de goederen of de vroeger beschermde persoon opheffing van de zekerheidstelling die de bewindvoerder inzake zijn beheer heeft gegeven.
[Art. 499/19

Indien de beschermde persoon tijdens de duur van het bewind overlijdt, kan de vrederechter, ambtshalve of op verzoek van de bewindvoerder, van de vertrouwenspersoon of van elke belanghebbende evenals van de procureur des Konings, de bewindvoerder over de goederen, bij afwezigheid van erfgenamen die optreden, machtigen om diens opdracht uit te oefenen tot uiterlijk twee maanden na dit overlijden.
De bevoegdheden van de bewindvoerder zijn in dat geval beperkt tot de betaling van de in de artikelen 19 en 20 van de hypotheekwet van 16 december 1851 vermelde bevoorrechte schuldvorderingen die dateren van vóór het overlijden van de beschermde persoon.
In afwijking van artikel 499/17, § 2, legt de bewindvoerder binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, zijn definitief verslag en rekening neer ter griffie, waar de erfgenamen van de beschermde persoon en de notaris die belast is met de aangifte en de verdeling van de nalatenschap ervan kennis kunnen nemen. Dit geldt onverminderd de toepassing van artikel 1358 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
[Art. 499/20

De goedkeuring van de rekening doet geenszins afbreuk aan de aansprakelijkheidsvorderingen die de beschermde persoon tegen de bewindvoerder kan instellen.
[Art. 499/21

Vorderingen van de beschermde persoon tegen zijn bewindvoerder betreffende feiten en rekeningen van het bewind verjaren na vijf jaar te rekenen van de beëindiging van de opdracht van de bewindvoerder.
[Art. 499/22

De bewindvoerder mag alle stukken die verband houden met het bewind vernietigen vijf jaar na de beëindiging ervan.
In afwijking van het eerste lid mag de bewindvoerder alle stukken die geen rechtstreeks verband houden met de door dit Wetboek voorgeschreven verplichtingen, zoals facturen en briefwisseling ouder dan vijf jaar, vernietigen.
Onderafdeling 4. Het bewind uitgeoefend door de ouders
[Art. 500

Deze onderafdeling is van toepassing ingeval de vrederechter een rechterlijke beschermingsmaatregel van vertegenwoordiging heeft bevolen overeenkomstig artikel 492/1 en de ouders van de beschermde persoon of één van beiden heeft aangesteld tot bewindvoerder.
[Art. 500/1

De bepalingen van onderafdeling 3 zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de afwijkingen waarin deze onderafdeling voorziet.
[Art. 500/2

In afwijking van artikel 499/14 bepaalt de vrederechter binnen een maand nadat het verslag bedoeld in artikel 499/6 bij het administratief dossier is gevoegd, na de ouders, de beschermde persoon en diens vertrouwenspersoon te hebben gehoord, het tijdstip waarop of de omstandigheden waarin en de wijze waarop de ouders verslag uitbrengen.
[Art. 500/3

§ 1
Ingeval beide ouders aangesteld zijn tot bewindvoerder oefenen zij gezamenlijk het bewind uit.
Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een daad van beheer van de goederen van de beschermde persoon verricht, behoudens de bij wet bepaalde uitzonderingen.
Geschillen tussen de ouders worden beslecht in het belang van de beschermde persoon waarbij de voorkeur wordt gegeven aan de bemiddeling overeenkomstig de artikelen 1724 tot 1737 van het Gerechtelijk Wetboek en bij ontstentenis daarvan overeenkomstig de procedure bepaald bij artikel 1252 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 2
Indien een derde optreedt als bewindvoerder, worden conflicten tussen deze derde en de ouders die eveneens als bewindvoerder werden aangesteld beslecht in het belang van de beschermde persoon overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 1252 van het Gerechtelijk Wetboek.
[Art. 500/4

De ouder wiens opdracht als bewindvoerder eindigt, legt uitsluitend op uitdrukkelijk verzoek van de persoon ten aanzien van wie de rechterlijke beschermingsmaatregel is beëindigd of van de nieuwe bewindvoerder, binnen één maand na de beëindiging van zijn opdracht, rekenschap en verantwoording af overeenkomstig artikel 499/17. De artikelen 499/18 en 499/20 tot 499/22 zijn in dat geval van toepassing.
Artikel 499/19 is van toepassing ingeval het bewind eindigt door het overlijden van de beschermde persoon. In afwijking van artikel 499/19 moeten de ouders slechts rekenschap en verantwoording afleggen, binnen een maand na het overlijden van de beschermde persoon, op uitdrukkelijk verzoek van diens erfgenamen.
Onderafdeling 5. Vertrouwenspersoon
[Art. 501

De te beschermen of beschermde persoon heeft het recht zich, tijdens de hele duur van het bewind, te laten bijstaan door een door hemzelf aangewezen vertrouwenspersoon.
De homologatie van de aanwijzing van de vertrouwenspersoon gebeurt door een schriftelijk of mondeling verzoek dat daartoe bij de aanvang of tijdens de duur van het bewind aan de vrederechter wordt gericht door de beschermde of de te beschermen persoon, door een derde in diens belang, dan wel door de procureur des Konings. De vrederechter vergewist zich vooraf van zijn aanvaarding en oordeelt bij een met bijzondere redenen omklede beschikking.
Indien de persoon die overeenkomstig de artikelen 496 en 496/1 is aangewezen, de functie van vertrouwenspersoon aanvaardt, homologeert de vrederechter de aanwijzing, tenzij ernstige redenen met betrekking tot het belang van de beschermde persoon, die nauwkeurig zijn omschreven in de gronden van de beschikking, uitsluiten dat deze keuze wordt gevolgd.
Indien de beschermde persoon zelf geen vertrouwenspersoon heeft aangewezen, kan de vrederechter de mogelijkheid onderzoeken om alsnog de aanwijzing van een vertrouwenspersoon te homologeren overeenkomstig het tweede en het derde lid, dan wel ambtshalve een vertrouwenspersoon aan te wijzen.
Artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing.
Als vertrouwenspersoon kunnen niet worden aangewezen:

de bewindvoerder van de beschermde persoon;

personen ten aanzien van wie een rechterlijke of een buitengerechtelijke beschermingsmaatregel werd genomen;

rechtspersonen;

personen die, overeenkomstig artikel 32 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, volledig ontzet zijn uit het ouderlijk gezag;

ingeval het bewind wordt uitgeoefend door beide ouders of één van beide, een bloedverwant van de beschermde persoon tot en met de tweede graad.
In uitzonderlijke omstandigheden kan de vrederechter evenwel bij een met bijzondere redenen omklede beschikking afwijken van het zesde lid, 5°, ingeval hij vaststelt dat dit het belang van de beschermde persoon dient.
De vrederechter kan de aanwijzing van de vertrouwenspersoon weigeren op grond van diens uittreksel uit het strafregister.
In het belang van de beschermde persoon kan hij verscheidene vertrouwenspersonen aanwijzen.
In voorkomend geval preciseert hij de bevoegdheden van de verscheidene vertrouwenspersonen, alsook de wijze waarop zij hun bevoegdheid uitoefenen.
[Art. 501/1

De beschermde persoon kan te allen tijde afzien van de ondersteuning van de vertrouwenspersoon of een andere vertrouwenspersoon aanwijzen. De procedure wordt ingeleid bij schriftelijk of mondeling verzoek.
Artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing.
De vrederechter kan, te allen tijde, in het belang van de te beschermen persoon, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een bewindvoerder of van de procureur des Konings, bij een met redenen omklede beschikking beslissen dat de vertrouwenspersoon zijn functie niet meer mag uitoefenen.
[Art. 501/2

De vertrouwenspersoon ondersteunt de beschermde persoon. Hij onderhoudt, voor zover mogelijk, nauwe contacten met de beschermde persoon en pleegt op geregelde tijdstippen overleg met diens bewindvoerder.
De vertrouwenspersoon ontvangt alle verslagen inzake het bewind. Hij wordt door de bewindvoerder op de hoogte gehouden van alle handelingen die betrekking hebben op het bewind en kan bij hem alle nuttige informatie hieromtrent inwinnen.
In de bij de wet bepaalde gevallen drukt de vertrouwenspersoon de wensen van de beschermde persoon uit indien deze niet in staat is om deze zelf te uiten. De vertrouwenspersoon ondersteunt de beschermde persoon bij het uiten van zijn mening ingeval hij niet in staat is om deze zelfstandig te uiten.
Indien de vertrouwenspersoon vaststelt dat de bewindvoerder kennelijk tekortschiet in de uitoefening van zijn opdracht, verzoekt hij de vrederechter de in artikel 492/1 bedoelde beschikking te herzien overeenkomstig artikel 496/7.
Ingeval de vertrouwenspersoon bij de uitvoering van zijn opdracht de beschermde persoon schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld.
Afdeling 5. De beëindiging van het bewind
[Art. 502

§ 1
Het bewind eindigt in de gevallen bedoeld in artikel 492/4.
§ 2
Onverminderd artikel 499/19, neemt de opdracht van de bewindvoerder een einde:

door de beëindiging van het bewind;

door het overlijden van de bewindvoerder of de ontbinding van de private stichting;

door de plaatsing van de bewindvoerder onder een rechterlijke beschermingsmaatregel overeenkomstig artikel 492/1;

door het nemen van een buitengerechtelijke maatregel ten aanzien van de bewindvoerder;

ingeval de vrederechter overeenkomstig artikel 496/7 beslist om de bewindvoerder te vervangen;

ingeval de vrederechter ten aanzien van de beschermde persoon een buitengerechtelijke beschermingsmaatregel beveelt als bedoeld in de artikelen 490 of 490/1 en hierbij de opheffing van de rechterlijke beschermingsmaatregel ten aanzien van de beschermde persoon beveelt.
Art. 503

1[...]
Art. 504

1[...]
Art. 505

1[...]
Art. 506

2[...]
Art. 507

1[...]
Art. 508

1[...]
Art. 509

2[...]
Art. 510

3[...]
Art. 511

3[...]
Art. 512

1[...]
Hoofdstuk III. Bijstand van een gerechtelijk raadsman

Toekomstig recht
Hoofdstuk III (art. 513 tot 515) wordt opgeheven bij art. 120 Wet 17 maart 2013 (BS 14 juni 2013 (ed. 2)), met ingang van 1 juni 2014 (art. 233).
Hoofdstuk III. 1[...]
Art. 513

1[...]
Art. 514

2[...]
Art. 515

1[...]
Trefwoorden:
- Gerechtelijk raadsman, algemeen
Art. 513

Aan verkwisters kan worden verboden rechtsgedingen te voeren, dadingen te treffen, leningen aan te gaan, roerende kapitalen in ontvangst te nemen en daarvan kwijting te geven, hun goederen te vervreemden of met hypotheek te bezwaren, zonder de bijstand van een raadsman, die hun door de rechtbank wordt toegevoegd.
Verwijzingen
Zie Ger. W. art. 1238-1253.
Geselecteerde rechtspraak
De persoon aan wie een gerechtelijk raadsman werd toegevoegd kan wettelijk geen handel drijven, en derhalve niet failliet verklaard worden (Cass., 17 oktober 1889, Pas., 1889, I, 316).
De handelingen, die door de verkwister verricht werden vooraleer hem een gerechtelijk raadsman werd toegevoegd, kunnen vernietigd worden indien zij gesteld werden om de gevolgen te ontwijken van een nakend onder gerechtelijk raadsman geplaatst worden (Cass., 7 mei 1896, Pas., 1896, I, 180).
De nietigheid van de handeling, die, zonder de vereiste bijstand, door de onder gerechtelijk raadsman gestelde verricht werd, is slechts betrekkelijk en kan niet ingeroepen worden door hem met wie de verkwister gehandeld heeft (Cass., 24 december 1896, Pas., 1897, I, 50).
De aankoop van goederen valt niet noodzakelijk in de categorie van handelingen die de verkwister slechts geldig verrichten kan met de bijstand van zijn gerechtelijk raadsman (Cass., 24 juni 1897, Pas., 1897, I, 233).
De gerechtelijke raadsman kan, in de regelmatige uitoefening van zijn opdracht, in rechte optreden tegen de derden en zelfs tegen de verkwister zelf – b.v. om de nietigheid te doen uitspreken van handelingen die de onbekwame op onwettige wijze verricht heeft (Cass., 7 mei 1896, Pas., 1896, I, 180). Hij kan derhalve, zonder de medewerking van de verkwister, beroep aantekenen tegen een vonnis dat de verkwister nadeel berokkent; het volstaat dat hij de verkwister achteraf in gemeenverklaring dagvaardt (Cass., 2 november 1900, Pas., 1901, I, 36).
De onder gerechtelijk raadsman gestelde persoon kan door de burgerlijke partij rechtstreeks voor de strafrechtbank gedagvaard worden, zonder dat de raadsman in de zaak betrokken werd (Cass., 29 december 1902, Pas., 1903, I, 64; Cass., 12 januari 1914, Pas., 1914, I, 56).
De burgerlijke partijstelling, door een persoon onder gerechtelijk raadsman, zonder bijstand van de raadsman, kan worden bekrachtigd door tussenkomst van zijn gerechtelijk raadsman in hoger beroep. Het gebrek dat bestond in eerste aanleg, waarvan de beklaagde op de hoogte was, maar niet de rechtbank, laat geen rechtsstoornis na nu de beklaagde de onbekwaamheid van de burgerlijke partij niet heeft ingeroepen en de bescherming van de onbekwame tevens is verzekerd door tussenkomst van de gerechtelijk raadsman in hoger beroep en de bekrachtiging die hieruit voortvloeit (Cass., 15 mei 1952, R.W., 1952-53, 834).
De persoon aan wie een gerechtelijk raadsman toegevoegd werd, kan, in de zin van art. 513 B.W., geen rechtsvordering instellen of zich niet voor een rechtscollege verdedigen zonder de bijstand van zijn gerechtelijk raadsman. Nochtans is de toezending van een aanslagbiljet geen daad van rechtsingang: het geding wordt door de reclamatie van de belastingplichtige aan de rechtsmacht van de directeur van de belastingen onderworpen. De verkwister blijft wettelijk bekwaam om alleen te beslissen of hij het bedrag van zijn aanslag moet aanvaarden, of, integendeel, een reclamatie moet indienen bij de directeur der belastingen met de bijstand, ditmaal, van zijn gerechtelijk raadsman (Cass., 16 mei 1967, R.W., 1967-68, 135; Pas., 1967, I, 1074; Arr. Cass., 1967, 1109).
Het is niet vereist dat de persoon, aan wie een gerechtelijk raadsman wordt toegevoegd, zich in een aanhoudende staat van onnozelheid of krankzinnigheid bevindt. Voldoende is dat de betrokkene een karakterstoornis vertoont die hem niet volledig ontoerekenbaar maakt, maar die niettemin zijn geestelijke integriteit ernstig vermindert en hem in een toestand stelt waarin het gevaar voor abnormale, onbeheerste en voor zijn vermogen schadelijke handelingen reëel en niet louter accidenteel is. De feitenrechter beoordeelt soeverein, met inachtneming van de reeds verzamelde bewijselementen, of bijkomende daden van onderzoek noodzakelijk zijn (Cass., 2 april 1976, Arr. Cass., 1976, 389; Pas., 1976, I, 852; R.W., 1976-77, 222).
Trefwoorden:
- Verkwisting (bijstand gerechtelijk raadsman)
Art. 514

1[Het verbod om te handelen zonder de bijstand van een raadsman, kan worden gevorderd door hen die het recht hebben de onbekwaamverklaring aan te vragen; hun vordering wordt op dezelfde wijze ingesteld en uitgewezen, met uitzondering evenwel van wat is voorgeschreven bij de artikelen 1244 en 1245 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het onderzoek door een of meer geneesheren-neuro-psychiaters en het bijstaan van de betrokkene door een geneesheer; in dit geval kan betrokkene in raadkamer worden ondervraagd; daarvan wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat door de rechter en de griffier wordt ondertekend; de procureur des Konings woont de ondervraging bij en de verzoeker mag erbij tegenwoordig zijn.]1
Vervangen bij art. 59 W. 15 juli 1970 (B.S., 30 juli 1970, err., B.S., 8 september 1970).
Art. 515

Geen vonnis inzake onbekwaamverklaring of benoeming van een raadsman kan, hetzij in eerste aanleg, hetzij in beroep, worden gewezen dan op de conclusie van het openbaar ministerie.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: wo, 28/05/2014 - 12:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.