-A +A

voorafgaande maatregelen art. 19 gerechtelijk wetboek maatregel alvorens recht te doen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Artikel 19 Gerechtelijk Wetboek kan aangewend worden voor:

Dringende maatregelen te bekomen tijdens de procedure
Voorlopige (daarom niet dringende) maatregelen te bekomen tijdens de procedure
Bewarende  maatregelen te horen opleggen tijdens de procedure
Onderzoeksmaatregelen of onderzoeksdaden te horen bevelen
Tussengeschillen met betrekking tot onderzoeksmaatregelen te horen beslechten

Bij het instellen van een vordering bekomt men nog niet onmiddellijk een uitspraak. Maar ondertussen kan belangrijke tijd verloren gaan en kunnen de rechten van de partijen geschaad worden. Hiertoe is men niet verplicht een toevlucht te nemen tot het kortgeding maar kan men in dezelfde procedure en in iedere stand van het geding (dus zelfs in graad van beroep) een beschikking bekomen van de grondrechter in toepassing van het weinig bekende art. 19 van het gerechtelijk wetboek

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

Artikel 19, tweede lid

Alvorens recht te doen, kan de rechter, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen. De meest gerede partij kan hiertoe de zaak in elke stand van het geding voor de rechter brengen bij eenvoudig schriftelijk verzoek neergelegd ter of toegezonden aan de griffie; de griffier roept de partijen en, in voorkomend geval, hun advocaat op bij gewone brief of, ingeval de partij verstek heeft laten gaan op de inleidingszitting en geen advocaat heeft, bij gerechtsbrief.

Art. 19 Gerechtelijk Wetboek

In een opmerkelijk vonnis een van de vrederechter de Roeselare, van 24 oktober 2007, oordeelde deze dat een voorlopige regeling bij vonnis vooraleer recht te doen in toepassing van artikel 19 van het gerechtelijk wetboek ook mogelijk is lopende een procedure op grond van artikel 223 burgerlijk wetboek.

Deze oplossing van de vrederechter te Roeselare kan enkel toegejuicht worden. Hij benadrukt dat reeds lang gepleit werd door de rechtsleer voor een heropleving van de voorlopige maatregelen ten gronde onder verwijzing naar Lindemans, voorlopige maatregelen door de rechter ten gronde: artikel 19 gerechtelijk wetboek, TBH, 1989, 218 ev) onder andere verwijzende naar Lemmens, de voorlopige regeling van de toestand er partijen door de rechter ten gronde na een behandeling op de inleidende zitting (noot onder rechtbank Antwerpen 11 februari 1987, rechtskundig weekblad, 1986-87,2645.

De eerste voormelde auteur besloot op pagina 220:" artikel 19 alinea twee biedt ongetwijfeld een belangrijk voordeel ten opzichte van het kortgeding, dat immers alleen openstaat in urgente omstandigheden. Zonder gebonden te zijn door dat urgentie vereisten van het kortgeding, kan de rechter ten gronde dezelfde maatregelen nemen als eerstgenoemde. Vanzelfsprekend zal voor het inwilligen van een verzoek daartoe wel aangetoond moeten worden dat de toestand van de partij zo een tussentijdse en voorlopige beslissing vereist. En in de regel zal zo een toestand spoedeisend zijn, hoewel deze ruimer kan worden opgevat dan de urgente toestand vereist voor het kortgeding. In kortgeding maakt dreigende schade meestal de zaak spoedeisend. Een zekere graad van behoeftigheid of zelfs het gewoonweg opportuun zijn kan de toekenning op grond van art 19 verantwoorden.

Zie vredegerecht Roeselare 24 oktober 2007 tijdschrift voor de vrederechters, 2008 met noot, pagina 344 en volgende.

Overige rechtspraak:

• Burgerlijke Rechtbank te Dendermonde, 7e Kamer – 25 september 2009, R.W. 2009-2010, 1316, met NOOT S. Voet Het nieuwe art. 19, tweede lid, Ger. W. (versus kort geding) lees deze noot met het paswoord RW

A. De vordering

Eisers vragen allereerst, met toepassing van art. 19, tweede lid, Ger. W. als voorlopige maatregel te bevelen op de inleidingszitting, verbod op te leggen aan verweersters om eisers of een van hen uit hun woning te zetten of hun woongenot te verstoren, op straffe van een dwangsom van 500.000 euro per persoon;

Ten gronde vragen zij te zeggen voor recht dat eisers die een pand bewonen dat eigendom is van een van de eisers of waarover eisers een beschikkingsrecht hebben, gerechtigd zijn om in de gegeven omstandigheden dit pand te blijven bewonen en dit zolang als Doel woongebied is, voor zover aan de andere voorwaarden van het gebruiksrecht voldaan is, en zelfs in geval van wijziging van de bestemming woongebied in een andere bestemming, zolang die wijziging nog aanvechtbaar is of er daarover een geding loopt en tevens zolang er geen definitieve stedenbouwkundige vergunning is afgeleverd voor het zgn. «Saeftinghedok»;...

B. Feitelijke gegevens

De betwisting tussen partijen betreft de verdere sloop en afbraak (verdrijving?) van de woningen in het dorp Doel.

Eisers bewonen nog steeds enkele niet afgebroken huizen in het dorp Doel, op grond van verschillende uiteenlopende rechten (eigendomsrecht, overeenkomsten van zakelijk recht, louter gedogen...).

Overeenkomstig het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren, vastgelegd in het K.B. van 7 november 1978, werd met betrekking tot Doel bepaald:

«12.a. Omwille van de rechtszekerheid en op grond van de bestaande bebouwing en goedgekeurde nog niet vervallen verkavelingen wordt Doel-Dorp als woongebied en woongebied met culturele, historische en/of esthetische waarde aangeduid.

13.b. Gelet op de plaatselijke behoeften aan een zone voor woonuitbreiding wordt ten zuiden van de dorpskern een woonuitbreidingsgebied aangeduid.

14.c. Gelet op de bestaande rekreatieve en toeristische infrastructuur wordt de jachthaven als recreatiezone aangeduid».

Bij Beslissing van de Vlaamse Regering van 20 januari 1998 inzake de aanleg van een containergetijdedok (het Deurganckdok) op de linkerscheldeoever (haven van Antwerpen-Waaslandhaven) werd onder punt 1.4 gezegd: «... stelt op basis van de verschillende uitgevoerde wetenschappelijke studies, vast dat de leefbaarheid van Doel ingrijpend wijzigt door de bouw van het containerdok-west, de leefbaarheid van Doel niet kan worden gewaarborgd en verder achteruitgaat naarmate de industrialisatie voortschrijdt».

Eerste verweerster is ondertussen eigenaar geworden van een groot aantal woningen het dorp Doel, en aan bepaalde eisers werd een zakelijk recht van bewoning toegekend.

Na diverse procedures bij de Raad van State heeft het Vlaams Parlement het decreet van 14 december 2001 «voor enkele bouwvergunningen waarover dwingende redenen van groot algemeen belang gelden», ook het Nooddecreet genoemd, goedgekeurd.

De Vlaamse Regering werd, ter realisatie van het Deurganckdok, vervolgens gemachtigd stedenbouwkundige vergunningen af te leveren, die werden bekrachtigd bij decreet van 29 maart 2002 «houdende de bekrachtiging van de stedenbouwkundige vergunningen verleend door de Vlaamse regering op 18 maart 2002 in toepassing van het decreet van 14 december 2001 voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden».

Ondertussen werden het Deurganckdok, de bijhorende infrastructuur alsmede de eertijds voorziene leefbaarheidsbuffer tussen dit dok en het dorp aangelegd.

Huidige procedure strekt er onder meer toe, alvorens verder ten gronde te oordelen, voorlopige maatregelen te horen bevelen, kaderend in het recht van bewoning....

D.4. De toepasselijkheid van art. 19, tweede lid, Ger. W.

Verweersters voeren aan dat in deze zaak art. 19, tweede lid, Ger. W. niet kan worden ingeroepen en wel op grond van de hiernavolgende overwegingen:

– eisers miskennen het recht van verdediging omdat zij in hun dagvaarding op zeer algemene wijze hun vordering omschrijven;
– bovendien kunnen eisers niet aantonen dat hun eisen niet voor ernstige betwisting vatbaar zijn of dat de discussie slechts een beperkt karakter zou kennen;
– de rechter kan en mag de toestand ook niet voorlopig regelen wanneer de vordering ernstig betwist wordt en voor ernstige betwisting vatbaar is;
– de rechter moet deze bevoegdheid met bijzondere omzichtigheid uitoefenen opdat de objectieve onpartijdigheid die hij aan de dag moet leggen totdat zijn rechtsmacht is uitgeput, niet in het gedrang zou komen.

De rechtbank heeft oog voor de bezorgdheden van verweersters maar oordeelt dienaangaande het volgende.

Allereerst ligt er geen schending van het recht van verdediging voor, omdat de rechtbank ter terechtzitting heeft mogen vaststellen dat verweersters naast hun conclusies ook een zeer gemotiveerd en gefundeerd pleidooi hielden waarbij zij niet alleen de vordering van eisers beoordeelden op haar ontvankelijkheid maar ook op haar gegrondheid.

Het is juist dat het opleggen van een voorlopige maatregel onderstelt dat de rechtbank prima facie een onderzoek uitvoert en dient na te gaan of er hiertoe redenen zijn, maar dit betekent niet dat de argumenten die zij hiervoor aanvoert, ook reeds een beoordeling ten gronde zouden uitmaken. Dit alles onderstelt een toetsing die weliswaar precair is maar niettemin mogelijk.

De rechtbank stelt op basis van de voorliggende stukken het volgende vast.

Tot op heden, en dit wordt door verweersters ook niet betwist, heeft het dorp Doel niet alleen feitelijk maar ook naar recht de bestemming van een woongebied behouden, en dit in weerwil van de zogenaamde Linkeroeverwet.

Los van het feit of eisers nog eigenaar zijn van de woning die zij op heden nog steeds betrekken, zij beschikken wel over een zakelijk recht van tijdelijke bewoning dan wel een gedoogde bewoning, zij zijn inwoners die belang hebben bij de inrichting van hun leefomgeving, en dit overeenkomstig de voorhanden zijnde bestemming.

Eisers vechten juist aan dat hun belang en hun recht in het gedrang worden gebracht door de initiatieven van verweersters waarvan zij de rechtmatigheid en de gegrondheid aanvechten.

Ten gronde, en los van de juistheid van argumenten door hen ontwikkeld, voeren eisers aan dat de genomen beleidsbeslissingen onwettig en onrechtmatig zijn en dat volgens hen de genomen besluiten om de zogenaamde rechten van gebruik te beëindigen, evenzeer juridisch foutief zijn.

Het zijn nu juist deze akten en handelingen die ten gronde het voorwerp van het geschil uitmaken, om welke reden eisers, in afwachting van een beoordeling ten gronde, voorlopige maatregelen vorderen. Zij hebben immers de vrees dat wanneer verweersters verdergaan met de uitzetting en uitdrijving van de laatste inwoners van Doel, de door hen aangebrachte betwistingen de facto zonder voorwerp zijn geworden.

De rechtbank kan, mag en wil zich hic et nunc niet uitspreken over de rechtmatigheid van bepaalde besluiten en overeenkomsten, de al of niet wettigheid ervan maar, in het licht van de gevorderde voorlopige maatregelen, belet niets haar na te gaan of de vordering van eisers geen dilatoir manoeuvre is, geen vorm van belemmering van de rechtsgang uitmaakt, kortom de voorlopige maatregelen kunnen kaderen in een onderzoek ten gronde.

Ter zake stelt de rechtbank allereerst vast dat bepaalde besluiten en beslissingen genomen door de Vlaamse Regering of verweersters door eisers op hun rechtsgeldigheid in vraag worden gesteld. In dat opzicht verdienen deze beslissingen en besluiten een nader onderzoek ten gronde.

Ook de naderhand tot stand gekomen overeenkomsten of op basis van die beslissingen en besluiten gesloten overeenkomsten, waaronder de overeenkomsten van zakelijk recht van tijdelijke bewoning in die omstandigheden dienen ten gronde te worden beoordeeld. Bij wijze van voorbeeld kan worden verwezen naar de overeenkomsten van zakelijk recht van tijdelijke bewoning die verweersters voorleggen met betrekking tot eisers 12 tot en met 27. In die overeenkomsten staat onder punt II.1. onder meer gestipuleerd: «... Afhankelijk van de eventuele beslissingen van de Vlaamse Regering of van de bevoegde instanties omtrent de verdere woonmogelijkheden in Doel en hun modaliteiten kan vanaf 1 januari 2007 een verlenging van het woonrecht worden toegekend overeenkomstig deze beslissingen...».

Los van het gegeven of hier mogelijkerwijze geen potestatieve voorwaarde voorligt, omdat de gebeurlijke verlenging afhankelijk is van bepaalde beslissingen van «de bevoegde instanties» (dus ook verweersters?) staat het vast dat het nu net deze «beslissingen» zijn die eisers ten gronde willen aanvechten.

In de gegeven omstandigheden, om elk debat ten gronde te vrijwaren en er zeker van te zijn dat partijen met gelijke wapens het debat kunnen aangaan, komt het de rechtbank passend voor om nog gedurende een termijn van tien maanden het woonrecht van eisers te verzekeren. Een langere termijn is niet wenselijk, de rechtszekerheid moet prevaleren, en partijen moeten in staat zijn om binnen die tien maanden al hun juridische argumenten te ontwikkelen, waarna de rechtbank, op definitieve wijze, het geschil kan beslechten.

• Rechtscollege : Rechtbank van Koophandel Hasselt, 26/08/2009, Jaargang : 2009-2010 (73), Pagina : 1312

NV S. t/ NV N.

In feite

Verweerster en eiseres hebben sinds 2006 contracten voor twee sites:
– Westende voor de levering van elektriciteit en gas,
– Middelkerke voor de levering van elektriciteit.

Die contracten worden niet neergelegd.

Eiseres stuurde facturen en deze werden door verweerster betaald via domiciliëring.

Verweerster voert aan dat zij of met haar verbonden vennootschappen een dertigtal overeenkomsten hebben voor de levering van energie met eiseres en dat deze zonder problemen of betaalachterstand verlopen.

Om onduidelijke reden liet eiseres tot augustus 2008 na om facturen voor de elektriciteit op de site te Westende in rekening te brengen.

Op 8 augustus 2008 ontving verweerster ineens een reeks facturen voor elektriciteit op die site (zij maken het voorwerp uit van dit geschil ten gronde). Die facturen werden door eiseres neergelegd.

Verweerster schreef op 19 augustus 2008 (het verzendingsbewijs is van 25 augustus 2008) aan eiseres:

«Sinds juni 2006 hebben wij van L. facturen ontvangen en betaald maar nooit opgemerkt dat u alleen aardgas heeft gefactureerd. Als klant moeten wij toch de facturen van de leverancier niet opstellen?

«Wij zijn bijzonder verrast per postzending van 8 augustus 2008 een lading van 25 facturen elektriciteitsverbruik te ontvangen vergezeld van een mededeling «dat u om redenen buiten uw wil in de afgelopen maand geen facturen heeft opgestuurd...».

«Op een weinig correcte wijze maakt u nu «afrekeningsfacturen» per maand vanaf juni 2006, maar wel te betalen vóór 20 augustus 2008:

1) wij kunnen uw werkwijze niet aanvaarden en noch minder appreciëren. U geeft geen reden op voor uw in gebreke blijven;

2) wij moeten de inhoud van al uw facturen betwisten, omdat u alle verbruikte elektriciteit aanrekent als verbruik dag, terwijl wij destijds extra kosten hebben gedaan voor het plaatsen van een dubbel tariefmeter, en er op letten om alle was- en droogmachines voor de hotelexploitatie zoveel mogelijk op nachttarief te laten draaien.
Bovendien hebben wij aan WVEM extra betaald voor een meetmodule en kunnen de maandelijkse verbruiken exact worden opgenomen.

Wij weigeren niet de verbruikte elektriciteit te betalen maar als NV, vennootschap met volledige boekhouding, kunnen wij slechts betalen na ontvangst van correcte facturen. Het betreft volgende facturen 2008 (volgt de opsomming).

3) De redenen waarom u niet vanaf augustus 2006 stipt en maandelijks heeft gefactureerd, worden niet medegedeeld en zijn niet aan ons te wijten. Indien u in augustus 2006 had gefactureerd, konden wij onmiddellijk vaststellen dat u geen verbruik nacht factureerde, en dus reageren.»

Eiseres pleitte dat ondertussen gebleken is dat de desbetreffende meter op de site te Westende op dat ogenblik nog een werfaansluiting was, die geen onderscheiden dag- en nachttarief kon registreren, hoewel verweerster blijkbaar aan de netwerkbeheerder instructie had gegeven om een meter met afzonderlijk dag- en nachtverbruik te plaatsen. Het uitblijven van zo‘n meter zou te maken hebben met (het gebrek aan) goedkeuring van de elektriciteitsinstallatie.

Eiseres stuurde reeds op 28 augustus 2008 een herinnering voor die facturen, maar verweerster stuurde de herinnering terug met de mededeling: «Geachte, zou het mogelijk zijn rekening te houden met de inhoud van onze aangetekende brief van 19 augustus a.u.b.».

Verweerster ging ondertussen door met het betalen van de facturen voor gas op de site te Westende en voor de elektriciteit op de site te Middelkerke.

Er kwam geen inhoudelijke reactie van eiseres op de brief van 19 augustus 2008 en deze is er nog steeds niet, behoudens wat daarover werd gepleit.

Op 20 maart 2009 schreef verweerster aan eiseres: «Hierbij stuur ik u nogmaals een kopie van onze aangetekende brief van 25 augustus 2008 waarop ik tot op heden geen antwoord heb gekregen. Ook op onze telefonische oproepen naar E.C. en M.B. komt er geen reactie. Zij zouden het uitzoeken en ons contacteren. Aldus kan ik geen facturen betalen, omdat zij verkeerd zijn opgesteld. Alle facturen zijn betwist, evenals de factuurvoorwaarden van interest en schadebedingen. Gelieve nu eindelijk eens dag- en nachtverbruiken aan te rekenen».

Blijkbaar stuurde eiseres een ingebrekestelling op 11 mei 2009. De raadsman van verweerster protesteerde deze op 4 juni 2009 en verwees naar de vorige protesten.

Eiseres heeft gepleit dat op 29 mei 2009 een meter met dag- en nachtverbruik werd geplaatst op de site te Westende.

Ook op brief van de raadsman van verweerster kwam geen antwoord.

Op 9 juni 2009 betekende eiseres de dagvaarding, die het geschil bij deze rechtbank aanhangig maakte.

Op 12 juni 2009 schreef eiseres een aangetekende brief aan verweerster:

«Wij hebben u reeds attent gemaakt en formeel in gebreke gesteld voor de niet-betaling van uw vervallen facturen. Helaas stellen wij vast dat u zelfs geen positief gevolg heeft gegeven aan de aanmaning van de gerechtsdeurwaarder.

Middelkerke, elektriciteit
Middelkerke, gas
Nieuwpoort, elektriciteit.

L. zegt bij dezen officieel het contract voor de energielevering van bovenstaande leverpunten op. De laatste dag van energielevering is op 8 juni 2009. Wij eisen onmiddellijk de betaling van het openstaande bedrag, inclusief de aangerekende kosten en interesten op het rekeningnummer van S. U vindt dit rekeningnummer op de briefwisseling van S. Nieuwe facturen moet u uiterlijk vóór de vervaldatum betalen op het rekeningnummer van NV S. (L.). Wij wijzen er nogmaals op dat L. niet aansprakelijk kan gesteld worden voor eventuele schade die voortvloeit uit de stopzetting van het contract en het stopzetten van de energielevering».

Op 23 juni 2009 schreef de raadsman van verweerster naar de rechtbank om de bij dagvaarding van 9 juni 2009 aanhangig gemaakte zaak op de inleidingzitting van 30 juni 2009 naar de rol te sturen.

Op 23 juni 2009 schreef de raadsman van verweerster naar eiseres om te protesteren tegen de «opzegging»; hij betoogde dat, daar er een dagvaarding was, er geen reden was om de overeenkomst voor levering «op te zeggen». De «opzeg» was ook niet aanvaardbaar, omdat er geen enkele betwisting was voor gas op het adres M. en voor de elektriciteit op het adres T. en dat daarvan geen factuur onbetaald was gebleven. Hij vroeg per kerende te bevestigen dat de opzegging werd ingetrokken.

Ook hier kwam niet onmiddellijk een antwoord van eiseres.

Op 30 juni 2009 werd de zaak op de inleidingszitting verzonden naar de zitting van 6 oktober 2009.

Bij brief van 29 juni 2009 lieten de netwerkbeheerders verweerster weten dat de contracten zouden worden beëindigd en vroegen een nieuw contract met een nieuwe leverancier in orde te brengen en daarvan vóór 6 juli 2009 te berichten om te vermijden zonder leveranciers te vallen.

De raadsman van verweerster nam op 3 juli 2009 per fax contact op met de raadsman van eiseres. Hij voerde aan dat er ten onrechte opzeg was gegeven en in afwachting van de beoordeling ten gronde bereid te zijn om het betwiste bedrag op een geblokkeerde rekening of op een rekening van de raadsman ter beschikking te stellen, indien eiseres binnen het half uur volgend op de fax zou kunnen bevestigen dat zij verder zou leveren.

Verweerster vroeg bovendien op 3 juli 2009 de zaak vast te stellen op basis van art. 19, tweede lid, Ger. W. waarbij zij aanbood een deel van de gelden dan wel het volledig bedrag op een geblokkeerde rekening ter beschikking te stellen in afwachting van de discussie ten gronde, waarbij evenwel de toestand van partijen voorlopig en dringend geregeld dient te worden, waarbij de levering van gas en elektriciteit voor verweerster primordiaal is.

Verweerster heeft dan een eenzijdig verzoekschrift neergelegd bij de voorzitter van deze rechtbank om eiseres te verplichten de leveringen te laten doorgaan. Dit werd afgewezen omdat de voorzitter de uiterste noodzaak niet aanwezig achtte.

Op 9 juli 2009 antwoordde de raadsman van L. aan de raadsman van verweerster: «In het hierboven vermelde dossier bevestigt mijn opdrachtgeefster haar eerder ingenomen standpunt waarbij de overeenkomst werd opgezegd. De opzeg dateert van begin juni, zodat uw cliënte over de nodige termijn beschikt teneinde een nieuwe leverancier te contacteren».

Dezelfde dag antwoordde de raadsman van verweerster dat zij eiseres nogmaals in gebreke stelde voor de gebeurlijke schade die zij zou lijden wegens de onterechte «opzeg», en voegde hij eraan toe dat verweerster deze «opzeg» als misbruik van recht beschouwde.

Verweerster heeft gepleit dat zij ondertussen nieuwe overeenkomsten heeft gesloten met een andere energieleverancier, naar verluidt aan ongunstiger voorwaarden. De netwerkbeheerders zouden nochtans op 15 juli de overgang naar deze nieuwe leverancier niet hebben kunnen realiseren «bij gebreke van instructies van eiseres».

Partijen gaan akkoord dat verweerster inmiddels 6.700 euro betaalde. Er werd geen uitleg gegeven over de samenstelling van dit bedrag.

Ondertussen zou eiseres haar levering van elektriciteit op het adres T. te Nieuwpoort gestopt hebben.

Er werd gepleit dat het nog steeds de bedoeling van eiseres is aan alle leveringen een einde de maken.

Verweerster is van oordeel dat haar toestand onzeker en precair is en vraagt dat de rechtbank bij voorlopige maatregel de beëindiging van de overeenkomsten zou opschorten, dan wel dat de leveringen zouden worden hersteld in afwachting van het geding ten gronde. Zij herhaalt haar bereidheid de in betwisting zijnde bedragen te consigneren.

Beoordeling

Overeenkomstig art. 19, tweede lid, Ger. W. kan de rechter, alvorens recht te doen, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel bevelen om een vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen. De zaak werd ter zitting van 19 augustus 2009 voor de vakantiekamer van de rechtbank vastgesteld op de wijze zoals in art. 19, tweede lid, Ger. W. bepaald, en eiseres heeft principieel niet betwist dat de rechtbank de toestand van de partijen voorlopig kon regelen op de wijze zoals de verwerende partij heeft gevorderd.

De wetgever heeft niet nader omschreven hoever de macht van de rechter, die de toestand van de partijen voorlopig regelt, gaat. Er kan worden aangenomen dat die macht te vergelijken is met die van de rechter in kort geding, zij het dat de zaak niet spoedeisend dient te zijn. Dat wil zeggen dat de rechter, die de toestand van de partijen voorlopig regelt, geen uitspraak doet over de betwiste rechten tussen de partijen en dat hij evenmin kan doen, wat hij als rechter ten gronde niet kan. Zoals de rechter in kort geding kan de rechter die uitspraak doet in het raam van art. 19, tweede lid, Ger. W. de uitwerking ontnemen aan een eenzijdige beëindigingsbeslissing, genomen door één van de contractanten door deze te schorsen en door partijen te bevelen dat het contract opnieuw in werking zou worden gesteld.
Daartoe is het nodig dat de rechtbank een prima facie appreciatie doet van de feiten en de rechten van de partijen.

Er kan geredelijk worden aangenomen dat partijen overeenkomsten (een overeenkomst) hadden van onbepaalde duur (alleszins heeft eiseres niet beweerd dat het om contracten van bepaalde duur gaat) en dat eiseres daaraan een einde heeft willen maken. Het valt op dat de partijen in hun briefwisseling het hebben over een «opzeg». Opzeggingsbevoegdheden kunnen «ad nutum», d.w.z. zonder motivering, worden uitgeoefend. Toch heeft eiseres in de kennisgeving van haar beëindigingsbeslissing van 12 juni 2009 duidelijk gerefereerd aan een motief, «de niet-betaling van facturen». Zij heeft zich niet beroepen op mogelijkheden tot opzeg, die het contract haar zou hebben geboden en evenmin gerefereerd aan daarin bedongen termijnen van opzeg. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de beëindigingsbeslissing, ondanks de gebruikte woorden, dient beschouwd te worden als een «eenzijdige buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst». Tijdens de pleidooien heeft de rechtbank dit aan de partijen laten opmerken en deze hebben dit niet tegengesproken.

Eiseres heeft zich niet beroepen op een uitdrukkelijk ontbindend beding.

De ontbinding van overeenkomsten door de rechter is de regel. Een partij kan in bepaalde gevallen eenzijdig buitengerechtelijk een overeenkomst ontbinden. In dat geval kan de rechter een controle a posteriori uitoefenen en nagaan of de voorwaarden voor de buitengerechtelijke ontbinding aanwezig waren. De voorwaarden van deze eenzijdige buitengerechtelijke ontbinding zijn (vergelijk: Antwerpen, 24 juni 2002, Limb. Rechtsl. 2002, 289):

1. Een voldoende ernstige tekortkoming, die aan de schuldenaar kan worden toegerekend en die een gerechtelijke ontbinding zou rechtvaardigen.

2. De voorafgaande uitstelbevoegdheid van de rechter moet nutteloos geworden zijn, bijvoorbeeld wegens spoedeisendheid, schadebeperkingsplicht of wegens de ernst, de aard en de gevolgen in het geheel van het contract of het verdwijnen van het nodige vertrouwen.

3. De schuldeiser dient zich te gedragen volgens de vereisten van de goede trouw. Hij dient de schuldenaar een laatste maal in gebreke te stellen en zijn ontbindingsbeslissing mede te delen.

Prima facie oordelend is de rechtbank van oordeel dat in de gegeven omstandigheden de voorafgaande uitstelbevoegdheid van de rechter niet nutteloos was; het blijkt immers dat verweerster bereid was de betwiste bedragen te consigneren. Verweerster zou zich bovendien ten onrechte op een schadebeperkingsplicht beroepen, omdat 2/3 van het contract zonder problemen werd uitgevoerd en blijkbaar alle facturen werden gehonoreerd die na het plaatsen van een meter met nacht- en dagverbruik werden uitgeschreven, zodat de schuld niet verder oploopt. De vraag kan ook gesteld worden of er een voldoende ernstige tekortkoming is die aan verweerster kon worden toegerekend, gelet op de houding van eiseres (het ineens toesturen van facturen voor verbruik van twee jaren en haar volgehouden stilzwijgen de zaak te onderzoeken) en het feit dat de facturen tijdig werden geprotesteerd en niet om redenen die er op het eerste gezicht niet toe doen. De rechtbank merkt op dat er geen ingebrekestelling voorhanden is waarin in geval van niet-betaling de beëindiging van de overeenkomst wordt aangekondigd. «Misverstanden» tussen energieleveranciers en netwerkbeheerders en/of energiegebruikers dienen niet door «faits accomplis» ten nadele van laatstgenoemden te worden opgelost.

De eenzijdige buitengerechtelijke ontbinding was in deze omstandigheden onredelijk. In zo‘n geval kan de rechter het abusievelijk ontbonden energieleverantiecontract opnieuw in werking stellen. Er wordt in casu rekening gehouden met het aanbod van verweerster.

De rechtbank beveelt de energieleveranties te handhaven of opnieuw in werking te stellen voor de twee sites:
– Westende voor de levering van elektriciteit en gas
– Middelkerke voor de levering van elektriciteit,

mits verweerster het saldo van de betwiste facturen consigneert in de Deposito- en Consignatiekas of op een gemeenschappelijke bankrekening, waarover partijen akkoord zouden gaan, binnen tien dagen na kennisneming van deze beslissing en op voorwaarde dat de inmiddels te vervallen facturen op vervaldag zouden worden betaald, dit tot een definitieve beslissing over dit geschil of een overeenkomst tussen partijen is gesloten die er een einde aan maakt.


• Rechtbank Koophandel Hasselt, 26 augustus 2009, NJW 230, 715 met noot Prima-faciebeoordeling van de rechtsgeldiheid van de buitengerechtelijke ontbinding van een overeenkomst in het kader van artikel 19.2 Gerechtelijk Wetboek:

[...] Overeenkomstig artikel 19 een tweede lid van het gerechtelijk wetboek kan de rechter alvorens recht te doen, in elke stand van de rechtspleging een voorafgaande maatregel bevelen om een vordering te onderzoeken om een tussengeschil te regelen dat betrekking een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen.

De wetgever heeft niet nader omschreven hoever de macht van, die de toestand van de partijen voorlopig regelt gaat.

Er kan aangenomen worden dat die macht te vergelijken is met die van de rechter in kortgeding, zij het dat de zaak niet spoedeisend dient te zijn. Dat wil zeggen dat de rechter, de toestand van de partijen voorlopig regelt en aldus geen uitspraak doet over de betwiste rechten tussen de partijen en dat hij evenmin kan doen, wat hij als rechter ten gronde niet kan.

Zoals de rechter in kortgeding kan de rechter die uitspraak doet in het kader van artikel 19.2.Geerechtelijk Wetboek, de uitwerking ontnemen aan een eenzijdige beëindigingsbeslissing genomen door één der contractanten door deze te schorsen en door partijen te bevelen dat het contract terug in voege zou worden gebracht.

Daartoe is het nodig dat de rechtbank een prima facie appreciatie doet van de feiten en rechten van partijen [...]

Nog dit: 

Burgerlijke rechtbank Ieper 26/04/2011, RW 2012-2013, 112.

Samenvatting

Art 19 kan aangewend voor een deskundigenonderzoek maar niet bij verstek tot het bekomen van een provisionele schadevergoeding

Tekst

V. e.a. t/ D. e.a.

I. Antecedenten

De eisers zetten uiteen dat zij een opbrengsteigendom, gelegen te Ieper en bestaande uit twee appartementen, via de bemiddeling van de derde verweerster hebben aangekocht van de eerste en de tweede verweerders. De desbetreffende notariële akte werd verleden voor notaris (...) op 23 april 2009.

Naar aanleiding van een klacht van een huurster van een van de appartementen verstrekte de brandweerdienst te Ieper begin januari 2010 een negatief brandvoorkomingsadvies m.b.t. het voormelde goed, dat blijkbaar op verschillende punten niet beantwoordde aan de veiligheidsvoorschriften (ontbreken van brandwerende deuren en een verluchtingsopening, te vervangen houten trap, ontbrekende signalisatie, enz.), met alle gevolgen van dien voor de verhuurbaarheid van het pand.

Volgens de eisers hebben de eerste en de tweede verweerders, als oprichters van het bewuste gebouw, een ander bouwplan uitgevoerd dan datgene waarvoor een stedenbouwkundige vergunning was verleend, en dit precies omdat m.b.t. een eerdere vergunningsaanvraag een ongunstig brandvoorkomingsadvies was verleend. De eisers beweren dat met name de eerste verweerder doelbewust een ander plan heeft uitgevoerd dan het vergunde plan.

De eisers voeren aan dat de eerste en de tweede verweerders als verkopers verantwoordelijk zijn voor de desbetreffende verborgen gebreken, en dat de derde verweerster als makelaar is tekortgeschoten aan haar informatieplicht.

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 19 maart 2010 gingen de eisers over tot dagvaarding van de verweerders voor deze rechtbank. De eisers betoogden in dit verband dat zij hun schade begrootten op minimaal 25.000 euro, gelet op de noodzaak tot aanpassing van het gebouw aan de brandveiligheidsvoorschriften, de derving van de huur en de noodzaak tot het aanvragen van een regularisatievergunning. Dienaangaande vorderden de eisers alvorens recht te doen dat een deskundige zou worden aangesteld met een welbepaalde opdracht.

Tijdens de procedure werd er verder gewerkt aan de aanpassing van het gebouw, waarbij onder meer op 15 juni 2010 een regularisatievergunning werd verleend door het college van burgemeester en schepenen van de stad Ieper.

II. De vordering

In hun gedinginleidende dagvaarding vorderden de eisers dat, alvorens recht te doen, met toepassing van art. 19, tweede lid Ger.W. een gerechtsdeskundige wordt aangesteld met een welbepaalde opdracht.

Blijkens hun ter terechtzitting van 29 maart 2011 neergelegde zittingsconclusie dringen de eisers thans niet meer aan op de aanstelling van een gerechtsdeskundige, maar vorderen zij dat de verweerders hoofdelijk, minstens in solidum, worden veroordeeld om hen een provisioneel bedrag te betalen van 6.410 euro en dat de zaak voor verdere afhandeling op een vaste datum zou worden uitgesteld.

III. Beoordeling

1. Op de inleidende terechtzitting van 31 maart 2010 zijn de verwerende partijen, hoewel regelmatig gedagvaard, niet verschenen noch iemand voor hen, waarop de raadsman van de eisers op die terechtzitting verstek heeft gevorderd tegen de verweerders. De zaak werd hierop, telkens op verzoek van de eisers, die blijkbaar een minnelijke regeling poogden na te streven, in staat van verstek uitgesteld naar een latere terechtzitting.

Uiteindelijk vorderden de eisers ter terechtzitting van 29 maart 2011 dat er een verstekvonnis wordt verleend.

2. Hoewel in de gedinginleidende dagvaarding geen concrete som wordt gevorderd, is het, mede gelet op de vaststelling dat de eisers in hun dagvaarding hun schade begroten “op minimum 25.000 euro”, onbetwistbaar dat het geschil tussen de partijen betrekking heeft op een vordering die meer dan 1.860 euro bedraagt (art. 590 Ger.W.), zodat de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is.

Wel stelt de rechtbank vast dat de vordering die in de gedinginleidende dagvaarding wordt gesteld, louter betrekking heeft op en strekt tot aanstelling van een gerechtsdeskundige met toepassing van art. 19, tweede lid Ger.W. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de vaststelling dat de eisers in hun dagvaarding stellen dat zij “na vrijgave van het gebouw door de aan te stellen deskundige” de mogelijkheid zullen hebben om te beslissen om ofwel de overeenkomst te ontbinden dan wel deze te behouden en schadevergoeding te vorderen. Een daadwerkelijke vordering in dit verband wordt in de dagvaarding immers (nog) niet gesteld.

Dit laatste is als zodanig geenszins onregelmatig. Krachtens art. 962 Ger.W. kan de rechter immers, ter oplossing van een voor hem gebracht geschil of ingeval een geschil werkelijk en dadelijk dreigt te ontstaan, deskundigen gelasten vaststellingen te doen of een technisch advies te geven. Het is m.a.w. in beginsel wettelijk mogelijk dat een deskundigenonderzoek wordt bevolen n.a.v. een hoofdvordering die louter deze onderzoeksmaatregel tot voorwerp heeft, althans in zoverre een geschil werkelijk en dadelijk dreigt te ontstaan (waardoor in dit verband soms gewag wordt gemaakt van een expertise ad futurum).

Deze mogelijkheid om als hoofdvordering louter de aanstelling van een deskundige te vorderen, is een bijzondere toepassing van het algemene beginsel, zoals omschreven in art. 18 Ger.W., dat een rechtsvordering niet alleen moet worden toegelaten wanneer de eiser een “reeds verkregen en dadelijk belang” heeft, maar ook wanneer zij is ingesteld om schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen (cf. o.m. T. Lysens en L. Naudts, Deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken, Mechelen, Kluwer, 2005, p. 44-45, nr. 51; P. Taelman in Gerechtelijk deskundigenonderzoek in Recht & onderneming, nr. 5, Brugge, die Keure, 2003, (61) p. 68, nr. 9; P. Vanlersberghe in E. Guldix (red.), Deskundigenonderzoek in privaatrechtelijke geschillen, Antwerpen, Intersentia, 1999, (3) p. 16-17, nrs. 19-20; K. Vanderper in Expertise in IUS, nr. 8, Antwerpen, Kluwer, 1987, p. 34-36, nrs. 37-42; zie ook: A. Fettweis, Manuel de procédure civile, 1987, p. 381, nr. 515).

Een aldus bij wijze van hoofdeis gevorderd deskundigenonderzoek kan ertoe strekken het teloorgaan van bewijsmiddelen tegen te gaan, maar biedt de eiser in voorkomend geval ook de mogelijkheid om met kennis van zaken te oordelen over het eventueel inleiden van een vordering ten gronde. Dit laatste is aan de orde in de thans voorliggende dagvaarding, daar de eisers daarin, zoals reeds opgemerkt, uitdrukkelijk te kennen geven dat zij “na vrijgave van het gebouw door de aan te stellen deskundige” de mogelijkheid zullen hebben om te beslissen om ofwel de overeenkomst te ontbinden dan wel deze te behouden en schadevergoeding te vorderen.

Er was op het ogenblik van de betekening van de dagvaarding bijgevolg sprake van een “dreigend geschil” in de zin van de voormelde wetsbepalingen, meer in het bijzonder van een imminent geschil nopens eventuele schadevergoeding dat op dat ogenblik evenwel nog niet formeel aanhangig werd gemaakt bij de rechtbank (vgl. G. Closset-Marchal in J. Van Compernolle en B. Dubuisson (red.), L’expertise, Brussel, Bruylant, 2002, (5) p. 17, nr. 22; G. De Leval, noot onder Rb. Luik 23 juni 1981, JL, 1983, p. 193, nr. 11; cf. ook: C. De Boel in Ann.dr.Louvain 2006, (97) p. 132-134, nrs. 49-50, inz. p. 132, in fine –133). De eisers poogden na de dagvaarding immers nog om tot een minnelijke regeling te komen met de verweerders alvorens daadwerkelijk een vordering tot schadevergoeding aanhangig te maken. Uiteindelijk blijken de partijen evenwel niet tot een akkoord te zijn gekomen.

3. Problematisch is daarentegen wel de eisuitbreiding zoals die blijkt uit de namens de eisers ter terechtzitting van 29 maart 2011 neergelegde conclusie. Blijkens die conclusie sturen de eisers thans niet meer aan op de aanstelling van een gerechtsdeskundige alvorens recht te doen, maar vorderen zij dat de verweerders zouden worden veroordeeld tot het betalen van een provisioneel bedrag van 6.410 euro, waaromtrent zij deze rechtbank verzoeken een (verstek)vonnis te verlenen en de verdere afhandeling van de zaak op vaste datum uit te stellen.

Het gevorderde bedrag van 6.410 euro houdt een afrekening in van verschillende schadeposten die betrekking hebben op de regularisatie van de brandveiligheid in het bewuste gebouw, waarbij veruit de belangrijkste schadepost betrekking heeft op gederfde huurinkomsten. Volgens de eisers hebben de eerste en de tweede verweerders dienaangaande overigens hun aansprakelijkheid erkend, daar zij bepaalde bedragen, waaronder een bedrag van 2.300 euro wegens gederfde huurinkomsten, in november 2010 reeds vrijwillig hebben betaald.

De vordering tot betaling van een provisioneel bedrag van 6.410 euro moet evenwel worden beschouwd als een tussenvordering die de oorspronkelijke vordering wijzigt, meer in het bijzonder als een uitbreidende en op de keper beschouwd zelfs nieuwe vordering die in de gedinginleidende dagvaarding nog niet was gesteld (art. 13 Ger.W.). In de dagvaarding werd immers louter om de aanstelling van een deskundige verzocht: de loutere omstandigheid dat in de dagvaarding ook reeds wordt geanticipeerd op het bestaan van schade en op een eventueel nog in te stellen vordering in dit verband, doet geen afbreuk aan het feit dat hierover nog geen effectieve vordering wordt ingesteld. In de dagvaarding wordt integendeel zelfs uiteengezet dat de eisers pas in een latere fase zullen beslissen om ofwel de overeenkomst te ontbinden dan wel deze te behouden en schadevergoeding te vorderen.

Hoewel de tussenvordering ongetwijfeld berust op feiten die in de dagvaarding werden aangevoerd, werd ze pas voor het eerst geformuleerd in een conclusie die ter terechtzitting van 29 maart 2011 werd neergelegd, zijnde op verstek t.a.v. de verweerders, die immers niet zijn verschenen noch iemand voor hen, en tegen wie de eisers overigens reeds op de inleidende terechtzitting verstek hadden gevorderd.

Hierbij moet worden beklemtoond dat de verweerders vanuit procedureel oogpunt slechts kennis hebben van een vordering tot aanstelling van een deskundige en niet op de hoogte zijn van een daadwerkelijke vordering tot schadevergoeding. De bedenking dat in de dagvaarding melding wordt gemaakt van schade en van een eventuele vordering tot betaling van schadevergoeding die in een latere fase nog zou kunnen worden ingesteld door de eisers, doet hieraan geen afbreuk.

De in de voormelde zittingsconclusie geformuleerde vordering van de eisers kan dan ook geenszins worden beschouwd als een zgn. aanvullende vordering, zoals bedoeld in art. 808 Ger.W., aangezien het hier niet gaat om een accessorium, d.w.z. een logisch uitvloeisel van een reeds gestelde vordering (vgl. Cass. 20 mei 1999, RW 1999-2000, 1070, noot): aan de orde is wel degelijk een vordering die voor het eerst bij de voormelde conclusie wordt ingesteld (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 496-497, nr. 1085; S. Mosselmans, Tussenvorderingen in APR, Mechelen, Kluwer, 2007, p. 137-139, nrs. 213-215 en p. 140-141, nr. 220).

Er is in dit geval bijgevolg geen sprake van op tegenspraak genomen conclusies, zodat de uitbreidende/nieuwe vordering met toepassing van art. 807 Ger.W. niet ontvankelijk is (S. Mosselmans, o.c., p. 76-77, nrs. 111-112).
 

Commentaar: 

Hof van Beroep Antwerpen 18/02/2015, RW 2016-2017, 1225

Samenvatting

Zonder gebonden te zijn door het zgn. urgentievereiste van het kort geding, kan de rechter ten gronde, in toepassing van art. 19 Ger. Wetboek, dezelfde voorlopige maatregelen nemen als de kortgedingrechter. Vanzelfsprekend zal voor het inwilligen van een verzoek daartoe wel aangetoond moeten worden dat de toestand van de partij zo’n tussentijdse en voorlopige beslissing vereist. In feite moet een specifiek belang worden aangetoond bij het nemen van een dergelijke voorlopige maatregel en kan art. 19 Ger. Wetboek niet worden aangewend voor een versnelde en verkapte vordering ten gronde..

Tekst arrest

K. t/ M.

...

Procedure

1. Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het verzoekschrift art. 19, tweede lid Ger.W., neergelegd op 10 december 2014, waarmee onderhavige procedure werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2. Het verzoek van de heer K.K. (hierna: “de man ”) strekt ertoe de maandelijkse onderhoudsbijdrage per kind, waartoe hij werd veroordeeld door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren bij beschikking van 14 mei 2012 ten aanzien van zijn ex-echtgenote mevrouw A.M. (hierna: “de vrouw ”), voorlopig te herleiden tot 50 euro per maand.

Feiten en retro-acten

3. Partijen zijn gehuwd te (...) op 2 september 1995, onder het stelsel van scheiding van goederen, ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris (...) te Antwerpen op 31 augustus 1995.

Zij hebben drie kinderen: P., geboren in 1997, T. in 1999 en D. in 2003.

Er kwamen echtelijke moeilijkheden en sedert 17 september 2011 leven partijen feitelijk gescheiden.

Op 21 december 2011 bracht de man een dagvaarding uit met volgende vorderingen: echtscheiding, vereffening en verdeling van de onverdeeldheden en voorlopige maatregelen.

Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren van 15 mei 2012 werd de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Dit vonnis werd betekend op 7 juni 2012. Er werd tegen dit vonnis geen rechtsmiddel aangewend, zodat de echtscheiding definitief is geworden.

4. Bij beschikking van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren van 14 mei 2012 werd de man veroordeeld tot een voorlopige onderhoudsbijdrage van 250 euro per maand en per kind.

5. Tegen deze beschikking tekende de man beroep aan, bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 8 juni 2012. Hij vorderde o.a. de onderhoudsbijdrage voor de kinderen te herleiden tot een bedrag van 150 euro per maand en per kind.

6. De man voert aan dat er in voormelde zaak, hangende voor dit hof, nog steeds geen eindarrest is tussengekomen, nadat er een deskundigenonderzoek werd bevolen.

In het tussenarrest van 10 oktober 2012 heeft dit hof inzake de onderhoudsbijdrage ten laste van de man voor de kinderen als volgt overwogen: “Beide ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen, en daarbij dient rekening gehouden te worden met o.m. de leeftijd en de daaraan verbonden specifieke behoeften van die kinderen, die in principe recht hebben op dezelfde levensstandaard die zij zouden gehad hebben indien er geen scheiding van hun ouders was geweest. De onderhoudsbijdrage is mede afhankelijk van de verblijfsregeling en de daaraan gekoppelde bijdragen in natura. Bijgevolg kan, in afwachting van een definitieve regeling op dat punt en rekening houdend met het feit dat de kinderen momenteel exclusief bij de moeder verblijven, thans slechts een voorlopige onderhoudsbijdrage bepaald worden. In de bestreden beschikking heeft de eerste rechter, op grond van een oordeelkundige motivering, die door het hof wordt bijgevallen en overgenomen, terecht geoordeeld dat de onderhoudsbijdrage voorlopig kan worden bepaald op 250 euro per maand en per kind, te vermeerderen met de helft van de buitengewone kosten.”

7. De man voert aan dat hij intussen sedert 18 september 2012 en alleszins tot 30 juni 2015 meer dan 66% arbeidsongeschikt is verklaard en slechts kan beschikken over een dagvergoeding, uitgekeerd door het ziekenfonds, zodat hij niet langer beschikt over de inkomsten en mogelijkheden zoals aangenomen in de beschikking in kort geding, gewezen voor de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren van 14 mei 2012.

Beoordeling

8. Met toepassing van art. 19, tweede lid Ger.W. kan de rechter, alvorens recht te doen, een voorafgaande maatregel bevelen om bijvoorbeeld de toestand van de partijen voorlopig te regelen. Dit is wat de man beoogt in huidige zaak.

9. De man voert aan dat hij intussen sedert 18 september 2012 en alleszins tot 30 juni 2015 meer dan 66% arbeidsongeschikt is verklaard en slechts kan beschikken over een dagvergoeding, uitgekeerd door het ziekenfonds zodat hij niet langer beschikt over de inkomsten en mogelijkheden zoals aangenomen in de beschikking in kort geding, gewezen voor de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren van 14 mei 2012. In wezen roept de man een gewijzigde omstandigheid in.

10. De man wenst te verkrijgen dat de onderhoudsbijdrage voor de kinderen, waartoe hij werd veroordeeld in de door hem bestreden beschikking, zou worden verlaagd, en dit in afwachting van een definitieve uitspraak ten gronde. Dit houdt de facto in dat de uitvoering van de bestreden beschikking deels wordt opgeschort, terwijl hoger beroep niet opschortend werkt tegen uitspraken door de kortgedingrechter, die van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad zijn. Oneigenlijk gebruik van art. 19, tweede lid Ger.W. is uit den boze.

11. Zonder gebonden te zijn door het zgn. urgentievereiste van het kort geding, kan de rechter ten gronde dezelfde voorlopige maatregelen nemen als eerstgenoemde. Vanzelfsprekend zal voor het inwilligen van een verzoek daartoe wel aangetoond moeten worden dat de toestand van de partij zo’n tussentijdse en voorlopige beslissing vereist. In feite moet een specifiek belang worden aangetoond bij het nemen van een dergelijke maatregel.

Een dergelijk bewijs wordt niet afdoende geleverd door de man. De noodzaak tot het nemen van een voorlopige maatregel blijkt nergens uit. Het hof neemt hierbij o.a. in overweging dat:

– de man niet aantoont dat hij, benevens de bewuste uitkering door het ziekenfonds, geen andere middelen heeft om te voorzien in zijn normale levensbehoeften (zo blijkt o.a. dat de man een huis verhuurt en, zelfs na betaling van zijn schuldeisers, nog substantiële bedragen heeft ontvangen uit een dadingsovereenkomst);

– een eventuele herziening van de onderhoudsbijdrage in de procedure ten gronde voor de man een titel tot terugvordering van te veel betaalde onderhoudsbijdrage kan opleveren;

– de aangevoerde medische toestand van de man kennelijk (getuige de voorgelegde stukken, waaronder de attesten van het ziekenfonds) reeds meer dan twee jaar duurt, terwijl het verzoek op grond van art. 19, tweede lid Ger.W. pas in december 2014 werd neergelegd;

– de man o.a. de heropening van het debat had kunnen vragen, gelet op het feit dat het tussenarrest slechts werd uitgesproken op 10 oktober 2012, terwijl de man aanvoert dat zijn arbeidsongeschiktheidsverklaring reeds dateert van 18 september 2012.

12. Feit is ten slotte dat art. 19, tweede lid, Ger.W. niet tot een soort van voorkruipmiddel mag verworden om het formele kader van de normale procedures te omzeilen. Het gaat niet op om, wars van de regels inzake de voorafgaande instaatstelling en de onvermijdelijke wachttermijnen, rechtstreeks voor de rechtbank (thans: het hof) reeds een verkapte procedure ten gronde te voeren, onder het mom van een voorlopige maatregel in de zin van art. 19, tweede lid Ger.W. (vgl. S. Voet, “Het nieuwe art. 19, tweede lid, Ger.W. (versus kort geding)”, RW 2009-10, (1318) 1321).

Het spreekt voor zich dat elke rechtgeaarde rechtzoekende belang heeft bij een snelle afwikkeling van het geding en zijn (per definitie betwiste of onzekere) rechtspositie zo snel mogelijk uitgeklaard wil zien. Deze betrachting kan evenwel onmogelijk een beroep op art. 19, tweede lid Ger.W. rechtvaardigen. Dergelijke “procedures binnen de procedure” werken de overbelasting van de rollen en bijgevolg de gerechtelijke achterstand nog meer in de hand.

Overigens wordt de zaak ten gronde reeds behandeld op de zitting van 7 april 2015, zodat het verzoek van de man op korte termijn binnen het raam van de bodemprocedure kan worden behandeld.

13. Het verzoek wordt afgewezen.

...

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: vr, 05/05/2017 - 14:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.