-A +A

Volgappel door het openbaar ministerie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De termijn om hoger beroep in te stellen tegen een strafrechtelijke uitspraak bedraagt thans 30 dagen na de dag van de uitspraak.

Het Openbaar Ministerie krijgt een bijkomende termijn van 10 dagen nadat de beklaagde of de burgerrechtelijke aansprakelijke partij hoger beroep heeft ingesteld om ook hoger beroep in te stellen. Dit hoger beroep heet volgberoep of volgappel.

Een burgerlijke partij heeft ook een bijkomende termijn van 10 dagen om hoger beroep in te stellen tegen de beklaagden (of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij).
Hoger beroep moet steeds ingesteld worden middels een gemotiveerd verzoekschrift.
Hiervoor werd een modelformulier opgesteld bij KB dat verplicht moet gebruikt worden

Noot: E. Van Dooren, Het ambigue volgappel van het openbaar ministerie, RW 2016-2017, 1402

De nieuwe regels betreffende het hoger beroep in strafzaken

Nieuwe termijn om beroep aan te tekenen in strafzaken

Art. 203§1.

Behoudens de uitzondering van artikel 205 hierna, vervalt het recht van hoger beroep, indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van die uitspraak en indien het vonnis bij verstek is gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats. (de termijnen worden in dagen berekend en niet per maand)

Het openbaar ministerie beschikt over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen, nadat de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij hoger beroep heeft ingesteld.

§ 2. Is het hoger beroep tegen de burgerlijke partij gericht, dan beschikt deze over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen tegen de beklaagden en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zij in de zaak wil doen blijven, onverminderd haar recht incidenteel beroep in te stellen overeenkomstig § 4.

§ 3. Gedurende die termijnen en gedurende de rechtspleging in hoger beroep wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst. De vonnissen over de strafvordering, buiten die van veroordeling, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, alsook de vonnissen over de burgerlijke rechtsvordering kunnen echter bij een speciaal gemotiveerde beslissing uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad niettegenstaande hoger beroep.

§ 4. In alle gevallen waarin de burgerlijke rechtsvordering gebracht wordt voor de rechter in hoger beroep, kan de gedaagde bij een op de terechtzitting genomen conclusie incidenteel beroep instellen zolang de debatten in hoger beroep niet gesloten zijn.

Art. 205 Het openbaar ministerie bij het hof of de rechtbank die van het beroep kennis moet nemen, moet, op straffe van verval, binnen veertig dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis, zijn beroep betekenen, hetzij aan de beklaagde, hetzij aan de voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke partij. Het exploot bevat dagvaarding. In het kader van de procedure van onmiddellijke verschijning bedoeld in artikel 216quinquies gebeurt deze dagvaarding binnen zestig dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis.

Het grievenstelsel

Het instellen van het hoger beroep wordt thans afhankelijk gemaakt met vermelding van de grieven. Het hoger beroep is derhalve niet zomaar een «gratuite tweede ronde » maar in wezen de beoordeling door een hogere rechtsmacht van concrete grieven

Art. 204.

Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd.

Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht.

Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt.

Deze bepaling geldt ook voor het openbaar ministerie.

Beroep aantekenen in strafzaken vereist dus tijdig een verklaring van hoger beroep ter griffie overeenkomstig art. 203 Sv.en de tijdige neerlegging van een verzoekschrift ter griffie met grieven («grievenschrift») overeenkomstig art. 204 Sv. Maar aangezien de termijnen dezelfde zijn is het eenvoudiger om aantekenen van beroep door verklaring en de neerlegging van het grievenschrift op zelfde datum uit te voeren.

Art. 204 Sv.legt niet alleen op om grieven te vermelden zij dienen bovendien nauwkeurig omschreven worden met inbegrip van de procedurele grieven. De herhaling van conclusies in eerste aanleg is geen grief,een eenvoudige melding van hoger beroep of melding van niet akkoord is geen grief.

Binnen de termijn om een grievenschrift neer te leggen kan een nieuw vervangend grievenschrift worden neergelegd.

Het formulier vermeld in het derde lid van art. 204 Sv.dat kan gebruikt worden voor het indienen van het verzoekschrift werd opgenomen bij KB van 18 februari 2016.

Ook het openbaar ministerie, de burgerlijke partij, de gedetineerde beklaagde, is onderworpen aan de vereiste van het grievenschrift

Wijziging devolutieve werking hoger beroep door grievenstelsel/

Art. 210.Watboek strafvordering. Voordat de rechters hun gevoelen uiten, worden de beklaagde, onverschillig of hij vrijgesproken dan wel veroordeeld is, de voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke personen, de burgerlijke partij , of hun advocaat en de procureur-generaal gehoord over de nauwkeurig bepaalde grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, en zulks in de door de rechter te bepalen volgorde. De beklaagde of zijn advocaat heeft, indien hij het vraagt, altijd het laatste woord.

Behoudens de grieven opgeworpen zoals bepaald in artikel 204, kan de beroepsrechter slechts de grieven van openbare orde ambtshalve opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel op :
- zijn bevoegdheid;
- de verjaring van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt;
- het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten.

De partijen worden verzocht om zich uit te spreken over de ambtshalve opgeworpen middelen.

Aldus wordt de akte van hoger beroep de ultieme bovengrens bij de vaststelling van de devolutieve werking van het hoger beroep.
Een «grief» kan worden gedefinieerd als het door de appellant (of door de appelrechter ambtshalve) gelaakte en specifiek aangewezen punt van de beslissing dat vervat is in het bestreden vonnis en dat in het kader van het grievenstelsel als een afzonderlijke «beslissingsentiteit» kan worden beschouwd.

Voorbeelden van grieven
• de beslissing over schuld,
• de beslissing over straftoemeting,
de beslissing betreffende de gegrondheid de vordering van de burgerlijke parij
de beslissing van een of meerdere schadeposten van een burgerlijke partij,
de beslissing tot kapitalisatie of de afwijzing ervan toegepaste methode
de beslissing over het bedrag van één of meerdere schadeposten
de beslissing over de ontvankelijkheid van een bepaalde burgerlijke- partijstelling enz.).
Met andere woorden zijn de grieven de nauwkeurig omschreven elementen van het aangevochten vonnis die de appellant wil aanvechten en niet de middelen (inhoudelijke verweermiddelen in rechte en in feite), niet het waarom hij het met deze of gene beslissing niet eens is.

Er kan niet genoeg benadrukt dat de wetgever het hoger beroep in strafzaken niet afhankelijk heeft gemaakt van een gemotiveerd verzoekschrift waarin de appellant op een exhaustieve wijze zijn argumentatie met uitgewerkte middelen in rechte en feite tegen het bestreden vonnis uiteenzet.

De grieven van openbare orde die de appelrechter ambtshalve kan opwerpen.
Hoe krijgen we uitgelegd dat de beoordeling van de strafvordering steeds de openbare orde aanbelangt steeds ambtshalve tot de macht van de rechtbank blijft behoren versus het beperkte grievenstelsel?

De appèlrechter kan aldus allereerst ambtshalve grieven van openbare orde opwerpen die betrekking hebben op substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, onder meer de verjaring.

Afstand of beperking van het hoger beroep

Art. 206

De partijen in het geding kunnen afstand doen van het ingesteld hoger beroep of het ingesteld hoger beroep beperken, met een verklaring, ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof die van het hoger beroep kennis moet nemen.

De verklaring kan in voorkomend geval ook worden gedaan op de griffie van de gevangenis of van het gemeenschapscentrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.

Van de verklaring wordt proces-verbaal opgemaakt in het daartoe bestemd register.

Bij de in het tweede lid voorziene gevallen geven de bestuurders van de inrichtingen van die verklaring onmiddellijk bericht aan het openbaar ministerie bij de rechtbank of het hof die van het hoger beroep kennis moet nemen en stelt hem, binnen vierentwintig uren, een uitgifte van het proces-verbaal in handen. Bericht en uitgifte worden bij het dossier gevoegd.

Van de afstand of beperking door het openbaar ministerie gedaan, worden de beklaagde, en in voorkomend geval de burgerlijke partij, of hun advocaten, binnen de vierentwintig uren op de hoogte gesteld.

De partijen in het geding kunnen ook op de zitting afstand doen van het ingesteld hoger beroep of het ingesteld hoger beroep beperken.

De afstand of beperking van het ingesteld hoger beroep kan worden ingetrokken totdat er akte van is verleend door het hof of de rechtbank die van het hoger beroep kennis moet nemen.
Ingeval van hoger beroep met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering, kan de partij tegen wie het hoger beroep gericht is, evenwel beslissen de afstand niet te aanvaarden indien incidenteel beroep is ingesteld. Art. 206 WSV.

 

- Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 204, derde lid van het Wetboek van strafvordering

Artikel 1. Voor het instellen van hoger beroep kan overeenkomstig artikel 204, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, gebruik worden gemaakt van het formulier zoals bepaald in bijlage 1 van dit besluit.

Art. 2. Dit besluit treedt in werking op 1 maart 2016.

Art. 3. De minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE.
Artikel 1. Voor het instellen van hoger beroep kan overeenkomstig artikel 204, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, gebruik worden gemaakt van het formulier zoals bepaald in bijlage 1 van dit besluit.

Art. 2. Dit besluit treedt in werking op 1 maart 2016.

Art. 3. De minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE.

Art. N. Grievenformulier hoger beroep
Verplichte en bindende opgave van de grieven tegen het eerste vonnis
(artikel 204 Wetboek van Strafvordering)
(Het toepasselijk vakje aankruisen, schrappen wat niet past en aanvullen met uw eventuele opmerkingen.)

Art. N. Grievenformulier hoger beroep
Verplichte en bindende opgave van de grieven tegen het eerste vonnis
(artikel 204 Wetboek van Strafvordering)
(Het toepasselijk vakje aankruisen, schrappen wat niet past en aanvullen met uw eventuele opmerkingen.)


Naam van de partij(en) waarvoor U optreedt :
Eiser in beroep : openbaar ministerie - burgerlijke partij(en) - beklaagde(n) - burgerlijk aansprakelijke partij(en) - tussenkomende partij(en)
Hoedanigheid : in persoon - advocaat - bijzonder gemachtigde (in dat geval moet een volmacht bij het formulier worden gevoegd)
Datum bestreden vonnis :
Notitienummer:

Grieven tegen de beschikkingen op :


1. strafgebied
1.1 schuldigverklaring (in voorkomend geval tenlasteleggingen preciseren)
1.2 kwalificatie van het misdrijf (in voorkomend geval tenlasteleggingen preciseren)
1.3 voorschriften betreffende de rechtspleging
1.4 strafmaat
1.5 internering
1.6 niet toepassen van het gevraagde gewoon uitstel - probatie-uitstel - gewone opschorting - probatie-opschorting
1.7 verbeurdverklaring
1.8 andere maatregelen : herstelmaatregel - dwangsom -
1.9 verjaring
1.10 schending E.V.R.M.
1.11 vrijspraak (in voorkomend geval tenlasteleggingen preciseren)
1.12 andere:
2. burgerlijk gebied
2.1 ontvankelijkheid
2.2 causaal verband
2.3 schadebegroting (cijfers)
2.4 interesten
2.5 andere

Voor U te voorziene pleitduur (facultatief en indicatief) : . . . . .
Gedaan te . . . . . op . . . . .
Naam : . . . . .
Handtekening : . . . . .
 


Rechtspraak:

• Hof van Cassatie, 28/02/2017, RW 2016-2017, 1383

Samenvatting

1. a) Het door art. 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet om het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verhouding bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel, zonder dat die voorwaarden ertoe mogen leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast. Bij de toepassing van die voorwaarden mag de rechter niet overdreven formalistisch zijn, zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast, noch overdreven soepel, zodat de opgelegde voorwaarden inhoudsloos worden.

b) Uit het door art. 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, evenals uit de wetsgeschiedenis van art. 204 Sv., zoals vervangen door art. 89 van de wet van 5 februari 2016, en het bij KB van 18 februari 2016 vastgelegde grievenformulier, volgt dat de door art. 204 Sv. aan een appellant opgelegde verplichting om op straffe van vervallenverklaring van het hoger beroep nauwkeurig de grieven op te geven tegen de beroepen beslissing, in overeenstemming is met art. 6 EVRM.

2. a) Een grief als bedoeld in art. 204 Sv. is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. Het is niet vereist dat de appellant in zijn verzoekschrift of zijn grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt.

b) Het staat aan de appelrechter om onaantastbaar in feite te oordelen of de appellant in het verzoekschrift of in het grievenformulier zijn grieven tegen het beroepen vonnis voldoende nauwkeurig heeft opgegeven, zoals vereist door art. 204 Sv., waarbij de appelrechter onder meer in aanmerking kan nemen dat een appellant die gebruik maakt van het grievenformulier ook grieven heeft aangevinkt die geen enkele relevantie hebben voor de beroepen beslissing. Uit de enkele omstandigheid dat een appellant aanduidt dat zijn grieven betrekking hebben op alle telastleggingen waarvoor hij werd veroordeeld of dat de motieven die hij opgeeft voor zijn grieven weinig of nietszeggend zijn, kan evenwel niet worden afgeleid dat de grieven niet nauwkeurig zijn.

Tekst arrest

AR nr. P.16.1177.N

M.G. t/ Wooninspecteur van het Vlaamse Gewest

Uittreksel uit de conclusie van advocaat-generaal L. Decreus

...

2. Art. 204 Sv., zoals vervangen door art. 89 van de wet van 5 februari 2016 “houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie”, bepaalt: “Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht (...). Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt.”

Het door art. 204, derde lid Sv. bedoelde grievenformulier werd vastgesteld in het KB van 18 februari 2016 tot uitvoering daarvan.

Een verklaring van hoger beroep ter griffie (art. 203 Sv.) alleen opent het proces in tweede aanleg niet; de appellant moet ook een verzoekschrift opstellen, wat impliceert dat voor het aantekenen van hoger beroep twee akten vereist zijn, namelijk zowel een verklaring ter griffie als een verzoekschrift waarin de grieven worden vermeld. Dit verzoekschrift kan eventueel de vorm aannemen van een “grievenformulier” zoals bij voormeld KB bepaald, dat de griffier aan de partijen ter beschikking stelt, wat inhoudt dat partijen niet verplicht zijn om gebruik te maken van het voorgestelde model, maar appellant blijft hoe dan ook verantwoordelijk voor de wijze waarop het formulier wordt ingevuld (Omz. COL 05/2016 van 17 februari 2016 betreffende het hoger beroep in strafzaken).

Het gebruik van dit formulier is dus facultatief: het model kan maar moet niet worden gebruikt en (de advocaat van) de appellant kan er altijd voor kiezen om zelf een verzoekschrift te redigeren en in te dienen ter griffie. Het standaardformulier laat de verplichting om de grieven te formuleren intact, “al is de vrees zeker niet denkbeeldig dat door het standaardiseren van het grievenschrift dit laatste tot een routineuze formaliteit zal verwateren, wat zeker niet de bedoeling van de wetgever was” (S. Van Overbeke, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (“Potpourri II”) (tweede deel)”, RW 2015-16, (1442) 1447).

3. De minister van Justitie legde uit “dat een bij KB bepaald formulier ter beschikking zal worden gesteld van de eisers in beroep in de griffies, gevangenissen, enz. teneinde zij die noch een advocaat noch een ruime scholing hebben de mogelijkheid te bieden zich bewust te worden van de draagwijdte van de akte van hoger beroep en van de mogelijkheid om die te beperken. Het is duidelijk dat het hier over een belangrijk document gaat. Er dient gepreciseerd te worden op welke punten en om welke redenen de in eerste aanleg gewezen beslissing gewijzigd moet worden, en niet de middelen. Wanneer men het op strafgebied niet eens is met de schuldverklaring kan gespecificeerd worden waarom men het niet eens is, maar men kan ook gewoon het vakje aanvinken. Hetzelfde geldt voor de strafmaat, de internering, de verbeurdverklaring, ... ofwel verduidelijkt men het waarom in het grievenformulier ofwel kruist men gewoon aan. De bedoeling is dat op die manier ook het openbaar ministerie geïnformeerd wordt over de vraag op welke punten het zelf beroep zou moeten aantekenen” (wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. 2015-16, nr. 1418/005, p. 119).

De minister van Justitie verduidelijkte ook “dat het niet de bedoeling kan zijn dat systematisch alle grieven op het modelformulier worden aangevinkt. Dat zou geen zoden aan de dijk zetten.” (wetsontwerp “houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie”, Parl.St. 2015-16, nr. 1418/005, p. 59).

In de rechtsleer werd erop gewezen dat de inhoud van het bij KB bepaalde grievenformulier ontgoochelt, omdat het naar opmaak een haast letterlijke nabootsing betreft van het niet-bindende grievenformulier dat sedert 1 maart 2002 bij het Hof van Beroep te Antwerpen werd gebruikt, maar waarvan erkend werd dat dit een matig succes kende. De omstandigheid dat het gebruik van het bij KB vastgestelde modelformulier louter facultatief is en in hoofdzaak eigenlijk enkel bedoeld is voor appellanten zonder raadsman, zal wellicht niet leiden tot het beoogde doel (E. Vandooren en M. Rozie, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, (115) 124).

4. De in het verzoekschrift of standaardformulier door de appellant(en) vermelde grieven zijn bindend voor de appelrechter, zoals volgt uit de lezing van art. 210, eerste lid Sv. dat o.m. bepaalt dat, behalve de grieven zoals bepaald in art. 204 Sv., de appelrechter nog slechts de grieven van openbare orde ambtshalve kan opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel op zijn bevoegdheid, de verjaring van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt en het gegeven dat de feiten die bij hem wat de schuldvraag betreft aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten, waarbij de partijen worden verzocht om zich uit te spreken over de ambtshalve opgeworpen middelen (S. Van Overbeke, o.c., RW 2015-16, 1451).

Het verplichte grievenstelsel betekent dus dat het hoger beroep in strafzaken zich in beginsel uitsluitend concentreert op de specifieke grieven tegen de bestreden beslissing die de appellant in een verzoekschrift heeft vermeld. Met het grievenstelsel beoogt de wetgever het rechtsmiddel van het hoger beroep te valoriseren en de rechtspleging in hoger beroep te rationaliseren (S. Van Overbeke, o.c., RW 2015-16, 1445).

Uw Hof omschreef recentelijk het begrip “grief” als bedoeld in art. 204 Sv. als de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt, zonder dat vereist is dat de appellant in zijn verzoekschrift of zijn grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt (Cass. 18 oktober 2016, RW 2016-17, 620); uit de parlementaire voorbereidingsstukken van de voormelde wet van 15 februari 2016 volgt dat het principe van hoger beroep door middel van grieven niet tot doel heeft om de appellant te verplichten om zijn middelen die hij wenst te ontwikkelen voor de appelrechters te preciseren maar om hun saisine te bepalen (Cass. 1 februari 2017, AR nr. P.16.1100.F).

Dit impliceert dat wordt gepreciseerd op welke punten en om welke redenen de in eerste aanleg gewezen beslissing moet worden gewijzigd, en niet de middelen (wetsontwerp “houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie”, Parl.St. 2015-16, nr. 1418/001, p. 84). Het begrip “grieven” mag niet worden verward met de “middelen”, zijnde de inhoudelijke verweermiddelen en argumenten die appellant wil aanvoeren tot staving van zijn grieven tegen de bestreden beslissing en die hij in voorkomend geval in een conclusie kan formuleren. De appellant kan zich aldus beperken tot nauwkeurig aan te duiden wat hij precies wenst aan te vechten, zonder daarbij in het grievenschrift reeds te moeten specificeren waarom hij het niet eens is met de bestreden beslissing over het desbetreffende punt (S. Van Overbeke, o.c., RW 2015-16, 1449-1450). Voortaan gaat het dus niet meer zomaar om een herbeoordeling van de zaak, maar wel om een beoordeling van de grieven tegen de bestreden beslissing. Het voorwerp van het hoger beroep zal zich dus beperken tot een beoordeling van de opgesomde grieven (R. Verstraeten, A. Bailleux, J. Huysmans en S. De Hert, “Stevige verbouwingen in het strafprocesrecht: de procedure met voorafgaande erkenning van schuld, de invoering van conclusietermijnen in strafzaken en een vernieuwd stelsel van rechtsmiddelen” in F. Verbruggen (ed.), Straf- en strafprocesrecht, Themis Vormingsonderdeel 97, Brugge, die Keure, 2016, (123) 169).

5. De bedoelde wettelijk bepaalde ambtshalve middelen die de appelrechter kan opwerpen, zijn evenwel niet de enige uitzondering op de principiële beperking van het hoger beroep tot grieven. Een tweede uitzonderling op het gehele stelsel is niet wettelijk bepaald, maar volgt volgens de rechtsleer inherent uit de devolutieve werking van het hoger beroep (R. Verstraeten, A. Bailleux, J. Huysmans en S. De Hert, o.c., in F. Verbruggen (ed.), Straf- en strafprocesrecht, Themis Vormingsonderdeel 97, 167).

De formaliteit van het verzoekschrift met grieven op straffe van verval van het hoger beroep heeft verstrekkende gevolgen voor de devolutieve werking van het hoger beroep want door een beperkte omschrijving van de grieven wordt het mogelijk dat de devolutieve werking wordt beperkt tot voorheen onsplitsbaar geachte bestanddelen van de bestreden beslissing, zoals de bestraffing, of nog de bewezen verklaring van één telastlegging, en de daarop geënte burgerlijke vordering, van een door de eerste rechter bewezen verklaarde reeks telastleggingen waarvoor één enkele straf werd opgelegd waarin de beklaagde-appellant als zodanig berust (S. Van Overbeke, o.c., RW 2015-16, 1449).

De limitatieve opgave van de grieven in het verzoekschrift m.b.t. een in algemene bewoordingen aangetekend hoger beroep betekent dus niet meer en niet minder dan een partiële berusting in de bestreden beslissing voor wat betreft de punten die niet als grief in het verzoekschrift werden vermeld, ook al werd er in het verleden van uitgegaan dat m.b.t. bepaalde van die punten (bv. de straftoemeting) geen partieel hoger beroep kon worden ingesteld. Het grievenschrift maakt thans met andere woorden een beperking van de devolutieve werking van het hoger beroep mogelijk op een wijze die voorheen niet mogelijk was (S. Van Overbeke, o.c., RW 2015-16, 1451).

Wanneer de appelrechter één of meer grieven van een appellant gegrond verklaart of zelf een ambtshalve grief aanvoert, dient hij daarvan de gevolgen na te gaan voor de gehele uitspraak in eerste aanleg, inclusief de punten van de uitspraak in eerste aanleg waarover de appellant geen afzonderlijke grief heeft geformuleerd.

Een andersluidende conclusie is om twee redenen problematisch. Primo is er de vereiste dat de rechtsmiddelen waarin het nationale recht voorziet voldoende effectief moeten zijn, want de appelrechter zou immers niet langer alle gevolgen van een naar zijn oordeel terechte grief voor een bepaald onderdeel van de strafprocedure kunnen nagaan, louter wegens de formalistische reden dat appellant dat item niet heeft aangeduid in zijn grieven (R. Verstraeten, A. Bailleux, J. Huysmans en S. De Hert, o.c., in F. Verbruggen (ed.), Straf- en strafprocesrecht, Themis Vormingsonderdeel 97, 169).

Secundo is dit zeker het geval voor zover de opgeworpen grief slaat op een schending van het EVRM. De effectiviteit van het grievenstelsel dreigt volledig te worden ondergraven, wat slechts kan worden verholpen wanneer de appellant preventief alle grieven in het standaardformulier aanvinkt om zich ervan te verzekeren dat de appelrechter tegemoet zou komen aan zijn werkelijke grief, wat inderdaad tot gevolg heeft dat de strafzaak volledig wordt hernomen (R. Verstraeten, A. Bailleux, J. Huysmans en S. De Hert, ibid.).

In dat verband wordt door rechtsleer (R. Verstraeten, e.a., ibid.) terecht in herinnering gebracht dat de Raad van State in zijn advies beklemtoonde dat art. 6 EVRM zich verzet tegen een al te strenge interpretatie van de verplichting om grieven te formuleren (wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en “houdende diverse bepalingen inzake justitie”, Parl.St. 2015-16, nr. 1418/001, p. 297) en dat het EHRM in het algemeen eerder negatief staat tegenover de afwijzing van procedurele verzoeken om louter formalistische redenen (EHRM 20 april 2004, nr. 57567/00, Bulend t/ Tsjechië, § 30: “Pour la Cour, il résulte de ces principes que, si le droit d’exercer un recours est bien entendu soumis à des conditions légales, les tribunaux doivent, en appliquant des règles de procédure, éviter à la fois un excès de formalisme qui porterait atteinte à l’équité de la procédure et une souplesse excessive qui aboutirait à supprimer les conditions de procédure établies par les lois”; EHRM 26 juli 2007, nr. 35787/03, Walchili t/ Frankrijk, § 29: “Il résulte de ces principes que si le droit d’excercer un recours est bien entendu soumis à des conditions légales, les tribunaux doivent, en appliquant des règles de procédure, éviter à la fois un excès de formalisme qui porterait atteinte à l’équité de la procédure, et une souplesse excessive qui aboutirait à supprimer les conditions de procédure établies par les lois”).

6. Ondanks de ratio legis van het grievenstelsel om ondoordacht hoger beroep te vermijden en meer partiële afgebakende beroepen te stimuleren, mag niet worden vergeten dat het instellen van een onbeperkt hoger beroep steeds mogelijk moet blijven. Elke appellant beschikt immers over een bij art. 206 Sv. wettelijk bepaald correctief om zijn deels of geheel hoger beroep bij te sturen in die zin dat hij tot aan de sluiting van het debat afstand kan doen van het ingestelde hoger beroep of het ingestelde hoger beroep kan beperken. Het feit dat hij aldus afstand kan doen van bepaalde overtollige, onnauwkeurige of foutieve grieven, heeft als pendant dat wanneer de grieven in zijn verzoekschrift of grievenformulier om een of andere redenen onnauwkeurig zouden zijn, dit volgens de wetgever zelf niet onoverkomelijk is én dat die geschriften dus niet rigoureus nauwkeurig hoeven te zijn.

De partijen kunnen dus afstand doen van hun hoger beroep of dit beperken, wat betekent dat ook de afstand gedeeltelijk kan zijn in die zin dat niets belet dat er afstand zou kunnen worden gedaan van slechts één of meer bepaalde grieven die in het verzoekschrift of grievenformulier werden vermeld of aangevinkt (S. Van Overbeke, o.c., RW 2015-16, 1455). Op die manier lijkt een discussie en beoordeling van de precieze saisine van de appelrechter door het verzoekschrift of grievenformulier zijn nut te verliezen, temeer daar grieven geen middelen zijn. Een grief kan bv. zijn dat de telastlegging wordt betwist, wat zeer ruim is en niet uitsluit dat in deze betwisting alle mogelijke middelen nog worden aangevoerd, zelfs als deze door de appellant niet werden vermeld in het bedoelde geschrift. Ook de strafmaat kan worden aangevochten, zodat alle beschikkingen van het vonnis kunnen worden geviseerd.

Voorts zal de “voorzichtige partij of advocaat die hoger beroep instelt nog steeds voor de zekerheid dit hoger beroep zo ruim mogelijk instellen, ook gezien de ruime mogelijkheid om afstand van beroep te doen” (B. Meganck, “De wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Potpourri II), gewikt en gewogen. V.12 Hoger beroep”, T.Strafr. 2016, (2) 45). Er mag in dat verband niet uit het oog worden verloren dat een advocaat elk risico op beroepsaansprakelijkheid zou wensen te beperken, eventueel anticiperend op een mogelijke opvolging van advocaten, door de grieven in zijn verzoekschrift of formulier zo ruim mogelijk aan te duiden of te formuleren.

7. Uit het bovenstaande zou in deze zaak het volgende kunnen worden besloten:

– Het feit dat het standaardformulier strikt bindend zou zijn voor de saisine van de appelrechter, lijkt niet direct te sporen met het feit dat uit de parlementaire voorbereidingsstukken evenzeer blijkt dat het in de griffies en gevangenissen aan juridische ongeschoolde appellanten, of aan appellanten zonder raadsman, voorgelegde formulier niet uitsluitend die (saisine-) draagwijdte heeft, maar voor hen ook de functie heeft om hen bewust te maken van een uitwerking van het document en de mogelijke inperkingen. Dat het formulier voor een niet juridisch beslagen appellant zonder advocaat zijn beoogde sensibiliserende doel eventueel mist, resulteert dan bijna automatisch in een ondoordachte invulling van het formulier, terwijl precies het aspect dat de eigenlijke doelgroep van het voorgeschreven standaardformulier niet-juristen zijn, uitnodigt om de nodige soepelheid daaromtrent aan de dag te leggen. Daarbij dient gezegd dat het amper één bladzijde tellende formulier waarbij grieven kunnen worden aangekruist niet direct aanzet, al was het maar door gebrek aan ruimte, om eventueel verdere nuances aan te brengen, zeker wanneer het zou gaan om een complex dossier met vele beklaagden en telastleggingen. Het is niet overdreven om te stellen dat in dat geval, waarin de noodzaak zich veel meer laat voelen om de grieven af te bakenen, het standaardformulier juist minder dergelijke verwachtingen kan inlossen.

– Hierbij is het ook de vraag waarom het standaardformulier als rechtsingang voor het hoger beroep strikt dient te worden beoordeeld, omdat de appellant steeds de voor de appelrechter onvoorspelbare mogelijkheid heeft om afstand te doen van een of meer grieven die hij heeft aangeduid om de inhoud van het document te verfijnen.

– Voorts rijst het probleem dat de appellant wetens en willens grieven zou hebben aangeduid, die in zijn ogen absoluut dienen te worden behandeld door de appelrechter, maar die eigenlijk onnodig zijn. Worden daardoor de andere terecht aangevinkte grieven automatisch onnauwkeurig en moet dit leiden tot het verval van het hoger beroep in zijn geheel?

– Dienen de incorrecte juridische inschattingen van appellant die zijn middelen niet moet vermelden, maar die zijn recht op verdediging ten volle wil vrijwaren en desgewenst rekent op een ongelimiteerde devolutieve werking van zijn appel, te worden bestraft met het verval van zijn hoger beroep na het besluit van de appelrechter dat zijn grieven(formulier) onvoldoende nauwkeurig zijn (is)? Het zou niet de bedoeling mogen zijn om de juistheid van de juridische intenties van appellant te beoordelen en dat bijgevolg zelfs een aankruising van alle of overbodige grieven, o.m. gelet op het correctief van de afstand, tot gevolg zou hebben dat zijn beroep vervalt. Er valt nergens te lezen dat een dergelijke aanstipping verboden zou zijn; er wordt enkel gealludeerd op de onwenselijkheid ervan.

– Omgekeerd is het onduidelijk hoeveel onnauwkeurige grieven het standaardformulier in zijn geheel strijdig met art. 204 Sv. zouden kunnen maken en óf er niet mag worden van uitgegaan dat het bij KB voorgeschreven standaardformulier mag worden beschouwd als maatstaf en norm voor de vereiste om grieven nauwkeurig te formuleren. De toepassing van art. 204 Sv. vergt enkel een nauwkeurige bepaling van de grieven waaraan niet de expliciete voorwaarde mag worden gekoppeld dat het uitsluitend moet gaan om de “juiste” grieven zoals beoordeeld door de appelrechter.

– Uit de lezing van de motivering van het bestreden arrest (supra, punt 1) volgt dat de appelrechters in hoofdzaak niet exclusief de (on)nauwkeurigheid van elke aangekruiste grief evalueren, maar uit de “samenlezing” van hun gecumuleerde vaststellingen tot het besluit komen dat het verzoekschrift, “door het in zijn geheel te beschouwen” (en dus niet de grieven individueel), met al zijn grieven onnauwkeurig is, waardoor het te beoordelen geheel groter dreigt te worden dan de gewone som van de delen (elke grief op zich).

Op grond hiervan kan het bestreden arrest mijns inziens niet oordelen zoals weergegeven in punt 1 supra en kon het eiser niet vervallen verklaren van zijn hoger beroep. Het middel lijkt gegrond. De overige middelen die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

...

Arrest

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 2 november 2016.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van art. 6.1 EVRM, art. 14.5 IVBPR en art. 204 Sv., alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest verklaart ten onrechte het hoger beroep van de eiser vervallen wegens de afwezigheid van nauwkeurig bepaalde grieven; uit de wetsgeschiedenis van art. 204 Sv. blijkt dat het in beginsel en in de meeste gevallen volstaat dat op het grievenformulier de grieven worden aangekruist, wat de eiser heeft gedaan; voor de rubrieken “schuldigverklaring”, “kwalificatie” en “vrijspraak” heeft de eiser aangeduid dat die op alle telastleggingen slaan; uit het gegeven dat zo goed als alle rubrieken van het grievenformulier waren aangekruist, zeer algemene of niets zeggende bemerkingen werden gemaakt bij een aantal van de aan-gevinkte rubrieken en dat bepaalde rubrieken niet van toepassing waren, kan het arrest niet afleiden dat de eiser zijn grieven niet nauwkeurig heeft aangeduid en kan het hem niet van zijn hoger beroep vervallen verklaren; een dergelijk strikt formalisme is bovendien strijdig met het recht op een eerlijk proces.

2. Het door art. 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet om het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verhouding bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen er niet toe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast. Bij de toepassing van die voorwaarden mag de rechter niet overdreven formalistisch zijn, zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast of overdreven soepel, zodat de opgelegde voorwaarden inhoudsloos worden.

3. Art. 204 Sv., zoals vervangen door art. 89 van de wet van 5 februari 2016 “houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie”, bepaalt:

“Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in hoger beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd.

“Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht.

“Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt.

“Deze bepaling geldt ook voor het openbaar ministerie.”

4. Het door art. 204, derde lid Sv. bedoelde grievenformulier werd vastgesteld bij het KB van 18 februari 2016 tot uitvoering van art. 204, derde lid Sv.

5. Uit deze bepalingen en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat:

– de wetgever door het invoeren van de verplichting om de tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis geformuleerde grieven nauwkeurig te bepalen een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep beoogt en in het bijzonder nutteloze werklast en kosten wil vermijden door niet langer niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter voor te leggen;

– door de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen de appellant wordt gedwongen na te denken over de wenselijkheid en de gevolgen van het instellen van het hoger beroep en de geïntimeerde dadelijk kan uitmaken welke beslissingen van het eerste vonnis worden betwist en waarover hij in hoger beroep verweer zal moeten voeren;

– aan alle partijen die een hoofdberoep of volgberoep aantekenen op straffe van vervallenverklaring van dat hoger beroep de verplichting wordt opgelegd te preciseren welke punten van het in eerste aanleg gewezen vonnis zouden moeten worden gewijzigd, zonder dat zij evenwel daartoe de argumenten voor de beoogde wijzigingen dienen op te geven;

– het modelgrievenformulier vooral bedoeld is voor de personen die geen advocaat hebben noch een ruime scholing om zich bewust te zijn van de draagwijdte van de akte van hoger beroep en van de mogelijkheid om die te beperken en om hen in staat te stellen te preciseren op welke punten de in eerste aanleg gewezen beslissing moet worden gewijzigd;

– bij een gebruik van het grievenformulier het niet de bedoeling kan zijn dat systematisch alle grieven worden aangevinkt, aangezien daardoor de beoogde doelstelling niet kan worden bereikt.

6. Uit het bovenstaande volgt dat de door art. 204 Sv. aan een appellant opgelegde verplichting om op straffe van vervallenverklaring van het hoger beroep nauwkeurig de grieven op te geven tegen de beroepen beslissing, in overeenstemming is met art. 6 EVRM.

7. Een grief als bedoeld in art. 204 Sv. is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. Het is niet vereist dat de appellant in zijn verzoekschrift of zijn grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt.

8. Het staat aan de appelrechter om onaantastbaar in feite te oordelen of de appellant in het verzoekschrift of in het grievenformulier zijn grieven tegen het beroepen vonnis voldoende nauwkeurig heeft opgegeven, zoals vereist door art. 204 Sv. Bij die beoordeling kan de appelrechter onder meer in aanmerking nemen dat een appellant die gebruik maakt van het grievenformulier ook grieven heeft aangevinkt die geen enkele relevantie hebben voor de beroepen beslissing.

9. Uit de enkele omstandigheid dat een appellant aanduidt dat zijn grieven betrekking hebben op alle telastleggingen waarvoor hij werd veroordeeld of dat de motieven die hij opgeeft voor zijn grieven weinig of nietszeggend zijn, kan evenwel niet worden afgeleid dat de grieven niet nauwkeurig zijn.

10. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

11. Het arrest stelt vast dat:

– de eiser zo goed als alle rubrieken aanvinkte (behalve de rubrieken 1.5 “internering” en 1.6 “niet toepassen van gevraagde gewoon uitstel – probatie-uitstel – gewone opschorting – probatie-opschorting”);

– de eiser voor het overige slechts zeer algemene (“alle tenlasteleggingen”) of weinig tot nietszeggende (“niet akkoord met uitgesproken maatregel”, “voorbehouden”) bemerkingen heeft gemaakt bij een beperkt aantal van de aangevinkte rubrieken;

– de eiser zowel de rubrieken 1.1 (“schuldigverklaring”), 1.2 (“kwalificatie van het misdrijf”) als 1.11 (“vrijspraak”) aanvinkte met de vermelding “alle tenlasteleggingen”, terwijl er in het beroepen vonnis helemaal geen sprake is geweest van een herkwalificatie van bepaalde feiten en er evenmin sprake is van een vrijspraak voor bepaalde feiten;

– de eiser de volledige hoofdrubriek 2 heeft aangevinkt, terwijl hij in het beroepen vonnis op burgerrechtelijk gebied zelfs niet werd veroordeeld.

12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

– de eiser de rubrieken 1.1 (“schuldigverklaring”) en 1.2 (“kwalificatie van het misdrijven”) heeft aangevinkt met de vermelding “alle tenlasteleggingen”, waarbij het grievenformulier voor de beide rubrieken voorschrijft dat de telastleggingen moeten worden gepreciseerd;

– de eiser aan alle telastleggingen werd schuldig verklaard;

– de eiser de rubrieken 1.2 (“kwalificatie van het misdrijf”) en 1.11 (“vrijspraak”) heeft aangevinkt met telkens de vermelding “alle tenlasteleggingen”, waarmee hij kennelijk aangaf dat hij voor alle telastleggingen zijn schuldigverklaring betwistte en de vrijspraak wenste;

– de eiser weliswaar alle rubrieken onder de hoofdrubriek “2. burgerlijk gebied” heeft aangevinkt, maar dit met vermelding van “vrijwillig tussenkomende partij”, waarbij hij kennelijk aangaf zich gegriefd te voelen door de beslissing op de vordering tot herstel van de verweerder, waartoe hij was veroordeeld.

Op grond van die vaststellingen kan het arrest niet wettig oordelen dat de eiser niet heeft voldaan aan de door art. 204 Sv. opgelegde verplichting zijn grieven voldoende nauwkeurig op te geven en kan het op die grond de eiser niet vervallen verklaren van zijn hoger beroep.

Het middel is gegrond.

...



 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 11/05/2017 - 11:10
Laatst aangepast op: vr, 12/05/2017 - 13:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.