-A +A

Verwijzing naar de correctionele rechtbank door de raadkamer

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wanneer de onderzoeksrechter het gerechtelijk onderzoek heeft afgerond, laat de onderzoksrechter de partijen (verdachte en burgerlijke partij) kennis nemen van het dossier, waarna deze aanvullend onderzoek kunnen vragen. Bij gebreke hieraan, dan wel na afronding of afwijzing van het gevraagde aanvullend onderzoek, maakt de onderzoeksrechter het dossier over naar de procureur des konings. Het parket van de procureur des konings dient hierna een vordering in te stellen tot buiten vervolgingstelling (indien er geen bezwaren worden weerhouden) dat wel tot onontvankelijkverklaring van de klacht met burgerlijke partijstelling, dan wel tot verwijzing naar de correctionele rechtbank.

De raadkamer kan aanvullend onderzoek bevelen, kan tot buitenvervolgingstelling overgaan, kan het voordeel van de opschorting toestaan of kan verwijzen naar de correctionele rechtbank.

Het onderzoeksgerecht belast met de regeling van de rechtspleging oordeelt onaantastbaar over de volledigheid van het onderzoek en de raadzaamheid, de gepastheid en de noodzaak van een bijkomende onderzoeksmaatregel zoals het horen van partijen. De enkele omstandigheid dat het de door de burgerlijke partij gevraagde onderzoeksmaatregel niet beveelt omdat het oordeelt dat deze niet van aard is bij te dragen tot de waarheidsvinding, levert geen miskenning op van het recht op toegang tot de rechter en op daadwerkelijke rechtshulp.

De verwijzing naar de correctionele rechtbank is geen schuldigverklaring. De verwijzing betekent enkel dat er bezwaren bestaan tegen de verdachte, lees dat het mogelijk, maar nog zeker niet bewezen, is dat de verdachte schuldig is. Door de verwijzing zal de verdachte voor de correctionele rechtbank moeten verschijnen die in de regel met open deuren in openbare zitting en dus in aanwezigheid van de pers de zaak behandelt.

Vaak blijken personen die verwezen werden door de raadkamer onschuldig te zijn. De raadkamer heeft immers onvoldoende tijd, om de haar toegwezen zaken zeer grondig en in extenso te bestuderen, waardoor de raadkamer die meent dat een verdachte onschuldig zou kunnen zijn, de zaak toch verwijst naar de correctionele rechtbank wanneer op het eerste zicht volgens de raadkamer, na een desnoods zeer vluchtig nazicht van het dossier, het mogelijk en dus denkbaar zou kunnen zijn dat een verdachte schuldig is.

Voor de raadkamer wordt het vermoeden van onschuld als het ware omgedraaid. Dit kan tot wanhoop en wanhoopsdaad leiden van een (onschuldige) verdachte zeker omdat de verdachte aan de publieke verachting wordt blootgesteld, niet in het minst door vermeldingen in de media dat hij voor een bepaald feit wordt vervolgd en waarbij het proces in openbare zitting zal worden behandeld.

Het recht om beroep aan te tekenen tegen een beschikking tot verwijzing naar de Correctionele Rechtbank bij miskenning van de rechten van verdediging.

Tegen een beschikking tot buitenvervolgingstelling kan zowel de burgerlijke partij als het openbaar ministerie hoger beroep aantekenen.

Principieel staat tegen een beschikking tot verwijzing geen hoger beroep open voor de verdachte. Dit lijkt een fundamentele ongelijkheid.

Wat er ook van zij, artikel 135 § 2 van het Wetboek van Strafvordering geeft aan de inverdenkinggestelde het recht om toch hoger beroep in te stellen, ondermeer in die gevallen waarbij de beschikking tot verwijzing onregelmatig is dan wel een verzuim of een nietigheid vertoont.

De miskenning van het recht van verdediging behoort hiertoe.

Wanneer de raadkamer de kwalificatie van een tenlastelegging wijzigt zonder de inverdenkinggestelde toe te laten hierover tegenspraak te kunnen voeren, werd het recht op verdediging geschonden en is hoger beroep voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling mogelijk.

Aldus werd geoordeeld door het Hof van Cassatie, 23.03.2012, RW 2013-2014, kolom 653.

Beroepsmogelijkheid

Tegen elke de beslissingen van de raadkamer staat hoger beroep open bij de kamer van inbeschuldigingstelling (K.I.) door het openbaar ministerie en de burgerlijke partijen. Tegen een beslissing van verwijzing (art. 130 Wetboek van strafvordering) door de raadkamer kan door de inverdenkinggestelde principieel geen hoger beroep worden ingesteld behoudens in geval van onregelmatigheden, verzuimen of nietighedenverwijzingsbeschikking. Deze uitzonderingsregel zal ondermeer kunnen toegepast in het geval bij miskenning van het vermoeden van onschuld, in welk geval er dus wel beroep kan ingesteld tegen de verwijzing
(Cass. 5 maart 2003, P.03.0086.F; zie ook Cass. 23 mei 2001, A.C. 2001, nr. 307, met conclusie van advocaat-generaal Loop; Vgl: Cass. 26 juni 2002, P.02.0866.F).

De kamer van inbeschuldigingstelling is ook bevoegd om kennis te nemen van het beroep zoals gesteld tegen een onderzoeksrechter wegens weigering een gevraagde onderzoeksdaad te verrichten of wegens weigering door de onderzoeksrechter inzage te geven in het strafdossier of wegens de weigering van onderzoeksrechter tot opheffing van een beslag.

Rechtspraak:

•• Cass. 05 april 2006: De wet verleent de vonnisgerechten niet de bevoegdheid om zich uit te spreken over de wettigheid van de beslissingen van de onderzoeksgerechten Zie Cass., 13 juni 1990, AR 7932-7954-8067, nr 592. Uittreksel uit het arrest:

"I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Eiser verzoekt om een regeling van rechtsgebied, ingevolge een beschikking, op 23 maart 2004 gewezen door de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Verviers en een vonnis, op 18 januari 2006 gewezen door de correctionele rechtbank van dit arrondissement.
Hij voert de redenen van zijn eis aan in een verzoekschrift, waarvan een voor eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.
Raadsheer Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.
Advocaat generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
1. Bij beschikking van 23 maart 2004 heeft de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Verviers J. G. naar de correctionele rechtbank van dit arrondissement verwezen wegens een misdrijf dat aldaar zou zijn gepleegd.
Bij vonnis van 18 januari 2006 heeft die rechtbank zich onbevoegd verklaard.
2. Vooralsnog staat geen rechtsmiddel open tegen de beschikking van 23 maart 2004 en het vonnis van 18 januari 2006 is in kracht van gewijsde gegaan.
3. De wet verleent de vonnisgerechten niet de bevoegdheid om zich uit te spreken over de wettigheid van de beslissingen van de onderzoeksgerechten.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de zaak op onregelmatige wijze bij haar aanhangig was gemaakt op grond dat de raadkamer de verwijzing heeft bevolen zonder dat "uit het dossier van de rechtspleging (blijkt) dat de griffier daadwerkelijk de kennisgeving die bij artikel 127, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering, is vereist aan de inverdenkinggestelde heeft toegezonden"
4. Welnu, een beschikking tot verwijzing maakt de zaak aanhangig bij de bodemrechter, in zoverre zij geen onwettigheid inzake bevoegdheid bevat. Zij blijft al haar gevolgen behouden zolang zij door het Hof van Cassatie niet is vernietigd.
Hieruit volgt dat de correctionele rechtbank aangezocht was en zich over de zaak diende uit te spreken.
5. Aldus heeft de rechtbank zich niet wettig onbevoegd verklaard.
Dictum,
Het Hof,
Beslissende tot regeling van rechtsgebied.
Vernietigt het vonnis van 18 januari 2006 van de Correctionele Rechtbank te Verviers.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.
Verwijst de zaak naar de Correctionele Rechtbank te Verviers, anders samengesteld."

••  Cassatie 5 april 2006, NJW 166, 601 met noot: Wanneer de raadkamer beslist dat een voortdurend misdrijf niet verjaard is om dat aan de feitelijke toestand geen einde was gekomen op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging, is de Kamer van Inbeschuldigingstelling niet bevoegd om tot wijziging over de gaan van de beslissing van de raadkamer. Dit zou immers vereisen dat er een onderzoek wordt gevoerd naar het bestaan van voldoende bezwaren waartoe de Kamer van Inbeschuldigingstelling niet bevoegd is

     


De raadkamer mag niet verward worden met "een beslissing genomen in de raadkamer of een behandeling in raadkamer". Principieel gebeurt elke uitspraak in openbare terechtzitting. Een aantal burgerlijke zaken, worden behandeld in een afzonderlijke gesloten ruimte waartoe geen publiek wordt toegelaten. Deze ruimte wordt ook gebruikt door de magistraten om in te beraadslagen. Daarom heeft deze ruimte de naam raadkamer gekregen. Dit is evenwel niet te verwarren met "De raadkamer", zijnde een Onderzoeksgerecht bevoegd in strafzaken, die weliswaar ook de zaken met gesloten deuren behandelt en vaak zetelt in het zelfde lokaal alwaar bv. getuigenverhoren, bepaalde vennootschapsvorderingen en echtelijke moeilijkheden worden beslecht "in raadkamer".  

     

Nog dit: 

Over de motiveringsplicht van de verwijzing door de raadkamer

Hof van Cassatie, 2e Kamer – 29 oktober 2013, RW 2014-2015, 702

AR nr. P.13.0896.N

G.V. t/ L.L.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 april 2013.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verklaart eisers hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer niet ontvankelijk omdat die beschikking waarbij hij wordt verwezen naar het vonnisgerecht niet behept is met een motiveringsgebrek dat een hoger beroep toelaat.

2. Uit art. 416, tweede lid Sv. volgt dat tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet over het hoger beroep tegen een verwijzingsbeschikking, voor de inverdenkinggestelde slechts cassatieberoep openstaat wanneer zijn hoger beroep zelf ontvankelijk is, dit is in de gevallen bepaald in art. 135, § 2 Sv.

3. Het in de verwijzingsbeschikking ontbreken van redengeving betreffende het bestaan van voldoende bezwaren maakt een verzuim van deze beschikking uit, zodat het hoger beroep van de inverdenkinggestelde tegen deze beschikking ontvankelijk is wanneer het middel tot staving van dit hoger beroep met recht een dergelijk verzuim aanvoert. Zijn hoger beroep is daarentegen niet ontvankelijk wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling, ondanks het feit dat een dergelijk verzuim wordt aangevoerd, wettig vaststelt dat de beroepen beschikking dienaangaande met redenen is omkleed.

4. Het onderzoek naar de ontvankelijkheid van eisers cassatieberoep vereist een antwoord op de door hem aangevoerde middelen, die nauw verband houden met die ontvankelijkheid.

Eerste middel

5. Het middel voert schending aan van art. 135, § 2 Sv.: het arrest verklaart ten onrechte eisers hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer waarbij hij naar de correctionele rechtbank werd verwezen onontvankelijk; het beroep van een inverdenkinggestelde tegen een verwijzingsbeschikking is wel degelijk ontvankelijk indien die aanvoert dat de beschikking een verzuim bevat bestaande in een gebrekkige motivering wegens het niet-motiveren en niet-preciseren van de bezwaren die de verwijzing verantwoorden.

6. Uit art. 129, 130 en 230 Sv. volgt dat de wetgever het onderzoeksgerecht in geweten heeft willen laten oordelen over de vraag of het onderzoek voldoende bezwaren heeft opgeleverd om de inverdenkinggestelde naar het vonnisgerecht te verwijzen. Geen wetsbepaling schrijft voor dat de bezwaren moeten worden gepreciseerd. Ongeacht of er al dan niet een conclusie werd neergelegd waarin de inverdenkinggestelde betwist dat er voldoende bezwaren bestaan, motiveert het onderzoeksgerecht zijn verwijzingsbeslissing naar recht door de onaantastbare vaststelling dat die bezwaren bestaan.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

7. Het arrest dat vaststelt dat de beroepen beschikking vermeldt dat er ten laste van de eiser voldoende bezwaren bestaan om hem naar de correctionele rechtbank te verwijzen, oordeelt wettig dat de verwijzingsbeschikking voldoet aan de motiveringsplicht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

8. Het middel voert schending aan van art. 6.1 EVRM: met het oordeel dat de beschikking van de raadkamer niet is aangetast door een motiveringsgebrek schendt het arrest deze bepaling; de raadkamer kan zich in het licht van de wijze waarop de uit art. 6.1 EVRM voortvloeiende motiveringsverplichting wordt uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet beperken tot de vaststelling dat er voldoende bezwaren zijn om de eiser te verwijzen naar het vonnisgerecht, zonder die bezwaren nader te preciseren en te motiveren; de motiveringsverplichting die geldt ten opzichte van het slachtoffer, moet ook gelden ten opzichte van de inverdenkinggestelde.

9. Het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, zoals gewaarborgd door art. 6.1 EVRM, houdt in dat de beslissing op de strafvordering, met inbegrip van de beslissing die daaraan een einde maakt op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging, de voornaamste redenen tot staving van die beslissing vermeldt, ook bij afwezigheid van conclusie.

10. Een verwijzingsbeschikking is geen eindbeslissing op de strafvordering.

De rechtstoestand van een naar het vonnisgerecht verwezen inverdenkinggestelde is niet vergelijkbaar met die van een burgerlijke partij die wordt geconfronteerd met een beschikking tot buitenvervolgingstelling: in dat laatste geval gaat het om een definitieve beslissing, terwijl in het geval van een verwijzingsbeslissing de inverdenkinggestelde voor het vonnisgerecht nog verweer kan voeren en op dat vonnisgerecht de verplichting rust de voornaamste redenen te vermelden die hebben geleid tot de beslissing op de strafvordering.

Bijgevolg kan uit art. 6.1 EVRM niet worden afgeleid dat het onderzoeksgerecht dat oordeelt dat er ten aanzien van een inverdenkinggestelde voldoende bezwaren bestaan om hem te verwijzen naar het vonnisgerecht, deze bezwaren moet preciseren en nader motiveren.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

11. Het cassatieberoep is bijgevolg niet ontvankelijk.

Commentaar: 

Wie door de raadkamer naar de correctionele rechtbank wordt verwezen geniet van het vermoeden van onschuld. Dit vermoeden van onschuld wordt uitgehold wanneer met een uitdrukking die als grijnzend of triomfererend kan worden opgevat door het publiek, een parketmagistraat of een persrechter voor de camera gaat verklaren dat deze of gene (al dan niet bekende) persoon beklaagd wordt van strafbare feiten. Mag de vraag gesteld, hoe een burger zich voelt en reageert wanneer magistraten aan de pers en voor de camera in het journaal melden dat hij, met naam genoemd, door de raadkmarer verwezen wordt naar de correctionele rechtbank wegens verkrachting en dat tegen een beschikking van de raadkamer geen beroep mogelijk is (hetgeen manifest onjuist is)?

Al zou iedereen moeten weten dat deze verklaring zonder echte inhoud is en hoegenaamd niet relevant (de betrokkene is immers even onschuldig als de hele rest van de bevolking aan het ten laste gelegde misdrijf), de perceptie bij de burger is en blijft dat de betrokkene aan de schandpaal wordt genageld, met de gedachte "waar rook is, is vuur".

De reputatie van de verwezen burger wordt door deze persmededelingen ten grabbel gegooid. Dit kan ook gebeuren door perslekken of gewoon door de aanwezigheid van journalsiten aan de deur van de raadkamer die aldaar hopen primeurs te bekomen die dan liefst met foto's gelardeerd worden. Enkele uren later rollen de berichten doorheen de sociale media en blijft de naam van de betrokken voor eeuwig en drie dagen in de zoeksresultaten gekoppeld aan perspercepties en andere opinies, speculaties, analyses en wilde indianenverhalen.

Wetgever en pers dienen even stil te staan bij de schade die aldus aan onschuldigen wordt berokkend.

Elke burger, en dus ook rechters, advocaten en journalisten kunnen hiervan het slachtoffer zijn.

Het is esentieel en zelfs noodzakelijk dat tegen elke burger en rechtspersoon een onderzoek kan worden gevoerd. Maar de rechtsonderhorige heeft recht op grondig onderoek alvorens hij naar de rechtbank wordt gestuurd, waarbij de raadkamer de tijd dient te (kunnen) nemen de tenlasteleggingen grondig te onderzoeken. Naar de rechtbank voor een misdrijf verwezen worden blijft een ernstige zaak met een gigantische psychische druk tot gevolg. Bovendien zou een burger het absolute recht op discretie kunnen blijven houden en zijn privacy en persoonlijkheidsrechten beschermd zien zolang er geen definitieve uitspraak geveld is.  

Het principe van de openbaarheid van de terechtzittingen garandeert dat er geen geheime besloten wijze van rechtspreken is. Het principe behelst dat het recht met open deuren in een glazen paleis wordt bedreven, minstens dat er een recht op toegang is. Dit principe is niet absoluut en dit principe staat niet in de weg dat de privacy van de persoon en zijn recht op goede naam gewaarborgd wordt.

Echt gevoerd gesprek tussen advocaat A die verdacht werd van een misdrijf en verwezen naar de correctionele rechtbank en zijn advocaat meester X:

Mr. A: "Ik ben nu door de raadkamer verwezen naar de correctionele rechtbank, kan ik hiertegen iets zinnigs ondernemen."
Mr. X: "Neen, niets"

M. A.: "Wat kan ik doen tegen de pers die overal mijn naam vermeld"
Mr. X: "Niets"

Mr. A: "Zit er iets in dit bundel dat wijst op mijn schuld?"
Mr. X: "Niets"

Mr. A.: "Blijkt uit dit dossier dat ik iets verkeerd gedaan heb?"
Mr. .X: "Niets"

Mr. A.: "Mag ik dus gerust zijn en rekenen dat ik vrijgesproken wordt?"
Mr. X : "Zeker niet"

Mr. A.: "En waarom niet?"
Mr. X: "Ik ben 40 jaar advicaat, u bent 20 jaar advocaat, zeg nu zelf, heeft u een absolutt vertrouwen in Justitie?"
Mr. A. "Nee."
Mr. X  "Zodus...."

Mr. A. "Riskeer ik dus dat ik veroordeeld wordt en dat ik naast mijn reputatie heel mijn vermogen kwijt raak?"
Mr. X: "Ja"

Mr. A. "Is het correct dat wanneer ik nu uw kabinet verlaat en in de Leie spring, de rechtzaak onmiddelijk stopt, mijn vermogen beschermd blijft en mijn weduwe en kinderen van ons huis en ons vermogen (dat van mij en mijn echtgenote) ongestoord zullen kunnen genieten?"

Mr. X: "Ja"

Epiloog:

Mr. A. heeft een uurlang aan de kade van Leie gestaan en dan naar huis, vrouw en kinderen gereden.
Mr. X  heeft voor de correctionele rechtbank gepleit
Mr. A is definitief vrijgesproken.

zie ook Jan Beirens, Boete zonder schuld (in een andere zaak, weze het met overeenkomsten)

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 02/04/2015 - 18:27
Laatst aangepast op: za, 09/09/2017 - 09:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.