-A +A

Verstek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De procedure bij verstek is een procedure waarbij een van de partijen, hoewel regelmatig opgeroepen, niet op de  ter inleidingszitting of een latere zitting waarop de zaak is verdaagd of vastgesteldzitting verschijnt (art. 802 Ger.W.) en ook geen conclusie heeft genomen (art. 804 Ger.W.).

Er is geen sprake van verstek op een rechtsdag, die overeenkomstig art. 747 Ger.W. is bepaald. Op deze zitting kan een partij "voordeel vragen". dit wil zeggen dat de meest gerede partij een vonnis vorderen, dat hoe dan ook op tegenspraak is gewezen (art. 747, § 2, zesde lid Ger.W.).

Principieel is het de verweerder die verstek laat, maar ook een eiser kan verstek laten en de verweerder kan dan een verstekvonnis vragen. Maar verstek werkt niet van rechtswege.

Verstek moet gevorderd worden. De rechter kan niet ambtshalve verstek verlenen. Een partij is overigens niet verplicht verstek te vorderen.

Indien de versteklatende partij in de loop van de zitting verschijnt kan het verstek gezuiverd worden conform art. 805 Ger. W. "Het verstekvonnis mag niet worden uitgesproken vóór het einde van de zitting waarop het verstek is vastgesteld en voor zover dit verstek voordien niet gezuiverd is.
Het verstek zal gezuiverd zijn en het geding voortgezet worden op tegenspraak, indien de partijen dit samen verzoeken tijdens de zitting waarop het verstek is gevorderd.".

"Art. 804. Gerechtelijk wetboek: Indien een van de partijen niet verschijnt op de zitting waarop de zaak is bepaald of waartoe zij is verdaagd, kan tegen haar vonnis bij verstek worden gevorderd.
De rechtspleging is evenwel op tegenspraak ten aanzien van de partij die is verschenen overeenkomstig artikel 728 of 729 en ter griffie of ter zitting conclusies heeft neergelegd."

Een schriftelijke tussenkomst art. 729, belet niet dat er verstek wordt genomen. Indien de wederpartij de schriftelijke verschijning heeft aanvaard kan er geen verstek meer worden genomen.

Indien er een een tussenvonnis op tegenspraak werd gewezen (art. 775 Ger.W.) dan blijft de procedure op tegenspraak op de uitgestelde zitting in voortzetting, ook indien een partij op die voortgezette ziiting niet verschijnt. 

Tegen een verstekvonniskan verzet worden ingesteld.
In tegenstelling tot de periode voor de potpourri wetgeving behoudt een verstekvonnis waarde zelfs na het verstrijken van de periode van 1 jaar zonder betekening. Een niet betekend verstekvonnis kan ten alle tijde betekend worden.

Art. 806 ." In het verstekvonnis willigt de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde" . Of kennelijk ongegronde vorderingen zelfs indien zij niet strijdig zijn met de openbare orde, door de rechter door de rechter mogen worden gematigd of afgewezen, blijft de vraag. Aangezien deze passage in het oorspronkelijk ontwerp van wet werd geschrapt, lijkt het antwoord negatief. Zulks gaat uit van de dwaze regel dat iedereen die zich verongelijkt voelt door een verstekvonnis verzet kan aantekenen of zoals Bart de Wever het zou zeggen "absens, si bonam causam habuit, vincet" (zelfs de afwezige wint de goede zaak). Wie met de voeten in de praktijk staat weet dat het tegendeel waar is. Tegen het merendeel van de verstekvonnissen wordt geen verzet aangetekend. Dit kan uit onwetendheid, maar ook bij gebrek aan middelen van de rechtsonderhorige nadat de regering Michel I, de toegang tot de rechter, met de verhoogde RPV, de invoering van de BTW voor gerechtsdeurwaarder en advocaten, de toepassing van het wetboek van economisch recht op de vrije beroepen, onbetaalbaar heeft gemaakt voor de kleine zaken, waarbij de kosten van een verzetsprocedure de baten overschrijden. Aldus versterkt de wetgever de klassejustitie, waarbij de laagste klasse in handen van de pro-Deo wordt geduurd, de rijke klasse nog kan procederen en protesteteren door verzet tegen een verstekvonnis en de middenklasse de toegang tot het recht wordt ontzegd.

En de meeste vonnissen zijnverstekvonnissen, zoals vorderingen van ziekenhuizen, nutsbedrijven, RSZ, postorderbedrijven, banken, fitnesscentra. Deze vorderinge zijn vmeer dan eens kennelijk ongegrond en zeker voor matiging vatbaar. Maar de burger zonder centen en kennis verschijnt zelfs niet op de zitting, want hij weet niet hoe het daar gaat en wat hij moet en mag en niet mag doen en zeggen en heeft niet de centen om een advocaat te raadplegen.

"De rechter bij verstek is niet verplicht om nog een onderzoek ten gronde te verrichten. Eens dat de rechter heeft nagegaan of de verweerder de regelmatige kans heeft gekregen om voor hem te verschijnen en de benodigde processuele bescherming is verleend, moet de rechter (de openbare orde niet te na gesproken) zich niet inlaten met de gegrondheid van de vordering. Op die manier moet de eiser geen nadeel ondervinden van de afwezigheid van de verweerder, die al zijn rechten behoudt bij het aanwenden van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen". (Sven Mosselmans, Taak van de rechter bij verstek, RW 2016-2017, 3). Verwacht wordt dat de rechtspraak artikel 806 zal interpreteren en formuleren als een mogelijkheid tot inwilliging in plaats van een verplichting of door de topassing van art. 6.1 EVRM buiten toepassing zal laten. Tenslotte bestaat de mogelijkheid dat dit artikel 806, elke uitwerking kan verliezen doordat hierdoor ongemotiveerde uitspraken tot stand komen in strijd met de motiveringsplicht van de rechter in toepassing van art. 149 Ger. W. .

Weze opgemerkt dat iemand onbewust of bewust verstek laat. Hij die bewust verstek laat kan dit doen omdat hij de middelen niet heeft zich te verplaatsen of te laten vertegenwoordigen of omdat hij vertrouwen heeft in ons rechtssysteem en in de rechter die over de vordering, zijn zaak in een rechtstaat uitspraak moet doen. Hij gelooft dat wie recht in zijn schoenen staat recht krijgt. Dat recht een automatische werking heeft. 

Een verstekvonnis is principieel niet uitvoerbaar bij voorraad, behoudens indien de rechter het verstekvonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard (art. 1397 eerste lid Ger. W.).

Voor het verstek en het verzet in strafzaken geldt een bijzondere regeling ingeschreven in de Potpourri II wet

 

Art. 802, Ger.W bepaalt dat op de inleidende zitting verstek kan worden gevorderd tegen één van de partijen indien deze niet op die zitting is verschenen. Deze bepaling is algemeen van toepassing, ongeacht de zaak.

Het verstekvonnis mag niet worden uitgesproken vóór het einde van de zitting waarop het verstek is vastgesteld en voor zover dit verstek voordien niet gezuiverd is (art. 805, 1e lid, Ger.W).

De niet verschenen partij heeft immers de mogelijkheid om tijdens de zitting, met het akkoord van de partij die het verstek gevorderd heeft, dit te zuiveren (te lichten)  vóór het einde van de zitting, zodat het geding kan worden voortgezet op tegenspraak. De partijen verzoeken dit samen tijdens de zitting waarop het verstek is gevorderd (art. 805, 2e lid, Ger.W).
 

De niet verschenen partij, waartegen op de inleidende zitting geen verstek is gevorderd, wordt op schriftelijk verzoek van de tegenpartij door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen ter zitting waartoe de zaak is verdaagd of waarop zij achteraf is bepaald (art. 803, Ger.W).

Indien één van de partijen niet verschijnt op de zitting waarop de zaak is bepaald of waartoe zij is verdaagd, kan tegen haar vonnis bij verstek worden gevorderd (art. 804, Ger.W).

De rechtspleging is evenwel op tegenspraak ten aanzien van de partij die is verschenen overeenkomstig de art. 728 of 729, Ger.W en ter griffie of ter zitting conclusies heeft neergelegd (art. 804, 2e lid, Ger.W).

 

Rechtsleer: Eric Brewaeys, de raadsels van artikel 806 gerechtelijk wetboek,  noot onder het arrest van het grondwettelijk hof 60/2008 van 19 maart 2008 in RABG 2008/11

Rechtspraak:

• Vred. Bree, 15 november 2007, T. Vred. , 2010 3-4,115 met zeer uitvoerige noot Ann Smets, Noot Een ‘nieuw’ vonnis en artikel 806 Ger.W. (verouderde rechtspraak door het nieuwe art. 806 Ger.W (Potpourri) die de vereiste van betekening van een verstekvonnis binnen het jaar heeft opgeheven.)

[…]
1. Naar luid van artikel 806 Ger.W. moet een verstekvonnis binnen een jaar betekend worden, anders wordt het als niet bestaande beschouwd.

Aanleggende partij, die de uitspraak bij verstek heeft bekomen, kan – zoals in deze – uit eigen beweging aan de rechter vragen een nieuwe titel te verlenen wanneer zij zich beroept op het niet bestaan van het verstekvonnis.

Artikel 806 Ger.W. is weliswaar niet van openbare orde, de vaststelling van het verstrijken van de op straffe van verval voorgeschreven termijn is dat wel (zie K. Broeckx, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Maklu, 1995, 228, nr. 503) en a fortiori dus ook de vaststelling dat in deze onze beschikking van 15 juni 2006 in kracht van gewijsde is getreden.

Ter zitting van 8 november 2007 heeft de rechtbank ambtshalve dit rechtsmiddel opgeworpen en ter kennis gebracht van aanleggende partij, die tevens de kans werd geboden dienaangaande al haar verweermiddelen voor te dragen. Aanleggende partij heeft daarop haar middelen en argumenten mondeling ontwikkeld en wenste geen gebruik te maken van haar recht om schriftelijke conclusies te nemen en neer te leggen.

2. De ratio legis van artikel 806 Ger.W. is te voorkomen dat een verstekvonnis in kracht van gewijsde kan gaan vóór de bij verstek veroordeelde partij effectief kennis heeft genomen van de veroordeling (zie A. Smets, “Verstek en tegenspraak in de wet van 3 augustus 1992”, in P. Taelman en M. Storme (eds.), Tien jaar toepassing van de wet van 3 augustus 1992 én haar reparatiewetgeving, Brugge, die Keure, 2004, 81, nr. 30).

De bepaling strekt er eveneens toe de bij verstek veroordeelde partij te beschermen tegen de verrassing die erin bestaat onverwachts, lange tijd na de veroordeling, een uitvoeringsmaatregel te ondergaan (zie E. Krings, “Artikel 806 Ger.W.”, in Artikelsgewijze commentaar gerechtelijk recht, Kluwer, 1997, 1, nr. 1).
[...]

4. De bij verstek gewezen beschikking werd niet betekend aan de bij verstek veroordeelde verwerende partij overeenkomstig artikel 32, 1° Ger.W., nl. door afgifte van een afschrift ervan bij deurwaardersexploot.

De bij verstek veroordeelde partij ontving wel “kennisgeving” van onze bij verstek gewezen beschikking overeenkomstig artikel 1253quater, b) Ger.W. bij gerechtsbrief van 15 juni 2006 verzonden door de griffie alhier, niettegenstaande sinds de wet van 3 augustus 1992 tot hervorming van het Gerechtelijk Wetboek artikel 1030 Ger.W. niet meer van toepassing is in geschillen op grond van de artikelen 221-223 BW (Cass. 23 september 1996, EJ 1997/4, 50) en kennisgeving bij gewone brief in feite had volstaan.

Nu de kennisgeving van de beschikking in geschillen van dringende voorlopige maatregelen een vervaltermijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel inhoudt, is het gewettigd de verzending bij gerechtsbrief aan te wenden, ook al schrijft de wet dit niet voor (zie H. Braeckmans, “Zes jaar kennisgeving bij gerechtsbrief”, RW 1974-75, 773, nr. 9). Voor de rechtszekerheid moet er immers zekerheid bestaan omtrent de datum van toezending van de beschikking en deze zekerheid kan slechts geboden worden door een kennisgeving bij gerechtsbrief, al bepaalt de wet dit niet uitdrukkelijk.

De “kennisgeving” staat gelijk met de “betekening”, voor zover het vonnis in zijn geheel wordt overgemaakt (zie E. Krings, “Artikel 806 Ger.W.”, in Artikelsgewijze commentaar gerechtelijk recht, Kluwer, 1997, 3, nr. 2). De kennisgeving door de griffie alhier gebeurde bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 32, 2° Ger.W., nl. door toezending langs de post van een ondertekend afschrift van onze beschikking in extenso. De bij verstek veroordeelde partij heeft dus kennis kunnen nemen van de volledige inhoud van onze uitspraak.

5. De kennisgeving door de griffie van de uitspraak aan de bij verstek veroordeelde partij kan in deze dan ook worden gelijkgesteld met betekening. De kennisgeving deed overigens de termijn van verzet en hoger beroep lopen.

Overeenkomstig artikel 1253quater, d) Ger.W. diende verzet of hoger beroep ingesteld te worden binnen een maand na de kennisgeving door de griffie. In casu is de termijn van één maand sinds de kennisgeving verstreken hetgeen het verval van het recht om verzet of hoger beroep aan te tekenen tot gevolg heeft (art. 860, 2° lid Ger.W.), zonder dat belangenschade dient bewezen te worden (art. 862, § 1, 1° Ger.W.) en ambtshalve vast te stellen door de rechter (art. 862, § 2 Ger.W.). Nu onze beschikking van 15 juni 2006 in kracht van gewijsde is getreden en ze de facto nog bestaat, kan ze in toepassing van artikel 806 Ger.W. niet als onbestaande of van generlei waarde beschouwd worden.

Onze bij verstek gewezen beschikking heeft de sanctie van artikel 806 Ger.W. niet opgelopen en derhalve kan de zaak door aanleggende partij niet opnieuw voor het vredegerecht worden gebracht om een nieuwe (tweede) titel te bekomen. Een nieuwe uitspraak verlenen zou een inbreuk impliceren op de kracht van gewijsde van het initieel gewezen en nog van waarde zijnde verstekvonnis.

Het verzoek van aanleggende partij dient bijgevolg als ontoelaatbaar afgewezen te worden. Met inachtneming van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 en de aanvullende wetten op het gebruik der talen in gerechtszaken.

OM DEZE REDENEN, [...] Verklaart het verzoek van aanleggende partij ontoelaatbaar. [...] Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling. 

Nog dit: 
Relatieve inwilligingsplicht van de rechter bij verstek in burgerlijke zaken

Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen Afdeling Kortrijk, 5e Kamer – 13 september 2016.

Samenvatting

De inwilligingsplicht van de rechter ingeschreven in artikel 806 gerechtelijk wetboek, bij de behandeling van zaken op verzet, verbiedt de rechter niet na te zien of in consumentencontracten te oordelen over oneerlijke bedingen, of moratoire interesten die strijdig zijn met de openbare orde af te wijzen.

Tekst vonnis

Bvba L.-F. t/ L.

1. Feiten en vordering

1.1. In haar dagvaarding zet eiseres uiteen dat verweerder nog volgende bedragen verschuldigd is uit hoofde van door haar uitgevoerde sanitaire werken:

– een saldo van 1.920 euro op factuur nr. 445 van 28 september 2015;

– het totaal van 2.346,16 euro eindfactuur nr. 308 van 23 mei 2016.

1.2. Op 12 mei 2016 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld voor het openstaande saldo op factuur nr. 445.

1.3. In art. 8 van de factuurvoorwaarden van eiseres staat onder meer: “Iedere factuur die onbetaald blijft op de vastgestelde vervaldag, wordt van rechtswege en zonder ingebrekestelling vermeerderd met een intrest van 12% per jaar tot volledige betaling. Dit met een minimum van 125 euro en een maximum van 1875 euro als conventioneel strafbeding en overeengekomen schadevergoeding voor administratieve kosten aan het bedrijf veroorzaakt, zonder dat die betaling een beletsel vormt voor een eventuele toepassing van artikel 1244 BW ten gunste van de schuldenaar.”

1.4. Eiseres vordert een bedrag van 4.942,36 euro, samengesteld uit de openstaande factuursaldi, een conventionele rente van 12% en een schadebeding, vermeerderd met de conventionele rente aan 12% op 4.266,16 euro vanaf 9 juni 2016.

...

2. Beoordeling

2.1. Gevolgen van het verstek

2.1.1. Krachtens art. 806 Ger.W., zoals vervangen door art. 20 van de wet van 19 oktober 2015 “houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie” en in werking sinds 1 november 2015, willigt de rechter in het verstekvonnis de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde.

2.1.2. Uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat een effectieve consumentenbescherming zoals door de richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en bij uitbreiding de overige richtlijnen inzake consumentenbescherming bedoeld, enkel gerealiseerd kan worden door een positief ingrijpen buiten de partijen bij de overeenkomst om (cf. o.a. HvJ 26 oktober 2006, C-168/05, Mostaza Claro, randnr. 26). Dit impliceert dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of de bedingen die in de overeenkomst voorkomen niet oneerlijk zijn.

De bescherming die de richtlijnen aan de consument verleent, strekt zich dus ook uit tot de gevallen waarin de consument die een overeenkomst heeft gesloten die een oneerlijk beding bevat, zich niet op de oneerlijkheid van dat beding beroept, hetzij omdat hij onwetend is van zijn rechten, hetzij omdat hij ervan afziet zijn rechten geldend te maken wegens de kosten van een vordering in rechte (cf. o.a. HvJ 21 november 2002, C-473/00, Cofidis, randnr. 34).

Hieruit volgt dat de door de diverse richtlijnen aan de consument verleende bescherming zich verzet tegen een nationale rechtsregel die de bevoegdheid van de rechter om dergelijke bedingen ambtshalve te toetsen beperkt of uitsluit (cf. o.a. HvJ 21 november 2002, C-473/00, Cofidis, nr. 38; HvJ 26 oktober 2006, C-168/05, Mostaza Claro, randnr. 38; HvJ 14 juni 2012, C-618/10, Banco Español de Credito, randnr. 57).

2.1.3. Gelet op de hiërarchie van de normen, dient het nieuwe art. 806 Ger.W. – ondanks de duidelijke bewoordingen ervan – te worden uitgelegd op een wijze die niet strijdig is met de hierboven vermelde principes. De rechtbank dient daarom ook in een verstekprocedure na te gaan of de bedingen waarop de vordering gebaseerd is, niet als oneerlijke bedingen gelden.

2.2. Toepassing

2.2.1. Krachtens art. VI.83, 17o WER is een beding onrechtmatig wanneer het het bedrag vastlegt van de vergoeding verschuldigd door de consument die zijn verplichtingen niet nakomt, zonder in een gelijkwaardige vergoeding te voorzien ten laste van de onderneming die in gebreke blijft.

Aangezien in de algemene voorwaarden geen gelijkwaardige vergoeding werd overeengekomen voor het geval eiseres haar verbintenissen niet (tijdig) nakwam, kan geen toepassing worden gemaakt van de forfaitair bepaalde schadevergoeding.

Het schadebeding van 511,94 euro dient in mindering te worden gebracht van het gevorderde bedrag.

2.2.2. Eiseres heeft verweerder enkel in gebreke gesteld voor het saldo van factuur nr. 445. Moratoire rente begint in principe te lopen vanaf de ingebrekestelling.

Aangezien de vordering van eiseres op het vlak van de gevorderde saldi en conventionele rente evenwel niet strijdig is met de openbare orde, dient zij krachtens art. 806 Ger.W. te worden ingewilligd.

...

Rechtspraak:

• Vred. Westerlo 2 maart 2016, RW 2016-17, 273.

Rechtsleer:
• S. Mosselmans, “Taak van de rechter bij verstek”, RW 2016-17, p. 17-18, nr. 53.

 

 

Franse term: 
défaut
Commentaar: 

Nieuwe wetgeving: het nieuwe artikel 806 Ger. W.

 

Verstekvonnis moet niet meer binnen het jaar bekend worden

Potpourriwet I
(wet van 19 oktober 2015 houdende wijzigingen van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 22 oktober 2015)

In de versie van voor 1 november 2015 stond dat elk verstekvonnis binnen het jaar betekend moest worden, op straffe van verval van dit vonnis. Vergeet dit.

Deze bepaling vervalt en art. 806 Ger. W. bepaalt vandaag:

“ Art. 806. In het verstekvonnis willigt de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde.”
----------
(Aldus ingevoegd na opheffing van de oude tekst in het gerechtelijk wetboek bij Potpourriwet van2015-10-19/01, art. 20, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015).

Verstekvonnissen geveld op het ogenblik dat het oude art. 806 Ger.W. nog gold kunnen nog steeds volgens de oude tekst van art. 806 betekend worden. Maar indien ze ouder zijn dan 1 jaar bestaan deze verstekvonnissen juridisch niet meer en kunnen deze ook niet meer uitgevoerd (vergelijk: Beslagr. Brussel 15 mei 2008, JT 2008, 514).

Zie Pierre Thirar, De toepassing van art. 806 Ger.W. in de tijd, RW 2015-2016, 762.

Door de nieuwe bepaling van artikel 806 gerechtelijk wetboek komt de versteklatende partij in een zwakkere positie te staan. Voor 1 november 2015 werd een partij die verstek liet, beschermd door de rechter die de regelmatigheid van de dagvaarding onderzocht, of de gerechtsbrief wel naar het correcte adres werd verstuurd, of de eis toelaatbaar was, of de rechter rechtsmacht en bevoegdheid had. De rechter onderzocht ook de grond van de zaak teneinde te vermijden dat een eisende partij erop zal speculeren dat een verwerende partij verstek zou maken. De verwerende partij die verzet liet werd aldus beschermd door de rechter.

In haar cassatiearrest van 14 november 2006, A.C. 2006, 2299, had het Hof van Cassatie immers gesteld dat de rechter die op verstek het geschil diende te beslechten conform de rechtsregel die daarop van toepassing is. De rechter moest hierbij de rechtsmiddelen aanvoeren toepasselijk op de betwisting die begrensd zijn door de feiten die eisers aanhaalden in de inleidende dagvaarding. De controlebevoegdheid van de rechter ging dus verder dan een loutere controle op de openbare orde.

Maar door de nieuwe bepaling van artikel 806 gerechtelijk wetboek zou de rechter verplicht zijn om bij verstek hetgeen door de eiser gevraagd wordt zonder meer te kennen behoudens indien dit strijdig zou zijn met de openbare orde.

In de oorspronkelijke versie van de wet was voorzien dat de rechter ook een kennelijke ongegronde eis diende af te wijzen. Bij de toepassing van artikel 806 gerechtelijk wetboek, zal men dienen rekening te houden met de voorbereidende werkzaamheden waarbij de schrapping van bepaling inhoudende de mogelijkheid van de rechter om een kennelijke ongegronde eis af te wijzen, erop neerkomt dat de rechter ook kennelijke ongegronde eisen dient toe te kennen behoudens indien zij strijdig zijn met de openbare orde.

Toch kan men niet voorbijgaan aan de rechtsregel dat de rechter door de wet zelf gevat wordt om de bepalingen van dwingend recht toe te passen. Aldus zou de nieuwe wetsbepaling niet verhinderen dat de rechter ambtshalve de eis zou dienen te toetsen aan de bepalingen van dwingend recht.

Daar elke partij recht heeft op een eerlijk proces conform het Europees verdrag zegt lijkt het mij onmogelijk dat een rechter een kennelijk oneerlijke dan wel een kennelijk ongegronde eis kan inwilligen zonder verweer zie ook de rechtspraak van het Hof van Justitie van 6 oktober 2009 nummer C-40/08.

Anderzijds bestaat voor de rechter de mogelijkheid om het begrip openbare orde heel werkzaam toe te passen door kennelijk overdreven vorderingen als strijdig met de openbare orde te aanzien net zoals kennelijke oneerlijke, overdrevende, rechtsmisbruikende, inhoudsloze en manifest ongegronde vorderingen.

Immers wanneer men de tekst van artikel 806 gerechtelijk wetboek letterlijk zou toepassen, zou de rechtbank een soort loket zijn waarbij men de gekste eisen kan toegewezen krijgen indien de verweerder niet opdaagt en de eis niet strijdig is met de openbare orde. Verondersteld mag worden dat de wetgever meer respect heeft overgehouden voor de rechter.

De kans bestaat evenwel dat sommige rechters de ratio legis van artikel 806 zullen willen respecteren en dat de rechtspraak er toe zal leiden dat er zo goed als geen onderzoek meer zal gebeuren in zaken waar verstek wordt gelaten teneinde de werklast van de magistraten te verlichten.
 

Gerelateerd
5
Average: 5 (1 vote)
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: ma, 20/03/2017 - 16:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.