-A +A

Verschoonbaarheid na faillissement niet voor eigen kredietschulden echtgenote

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Art. 82, tweede lid Faillissementswet, bepaalt:

«De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, wordt ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd.»

De bedoeling van de wetgever is om samen met de gefailleerde, ook de echtgenoot te bevrijden van alle schulden die voortvloeien uit het faillissement. Hoewel het de bedoeling was dat de gefailleerde na het faillissement een nieuwe start zou kunnen maken, werd dit namelijk in het verleden vaak doorkruist doordat schuldeisers extra waarborgen inbouwden door de echtgeno(o)t(e) van de handelaar toe te voegen als borg, dan wel als medeschuldenaar. Dit codebiteurschap was in dat geval niet meer dan een vermomde zekerheidsstelling.

Wanneer een huwelijkspartner zich bij (krediet)overeenkomst in eigen naam en hoofdelijk verbond, en hierbij handelde los van elke zekerheidsfunctie ten aanzien de commerciële gefailleerde onderneming en/of los van de kredietinstelling die de commerciële onderneming financierde  (bv. bij een krediet voor aanschaf van een gezinswoning), heeft deze huwelijkspartner zich niet verbonden ten gunste van de gefailleerde of tot zekerheid van de schuld van de gefailleerde, maar handelde deze  vanuit loutere privédoeleinden, los van de professionele activiteiten van de andere huwelijkspartner. In dit geval werd in eigen naam gecontracteerd, met de bedoeling een [woning] aan te schaffen voor zichzelf en het gezin.

Hoewel ingevolge de verschoonbaarheid van het faillissement de huwelikspartner niet langer kan worden vervolgd door zijn schuldeisers, kan een huwelijkspartner in voormeld geval wel aangesproken worden door haar schuldeisers. Het kan niet de bedoeling van de wetgever geweest zijn om de gevolgen van de verschoonbaarheid van de echtgenoot uit te breiden naar de eigen schulden van de andere echtgenoot.

Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, Afdeling Kortrijk,
Beslagrechter – 20 februari 2017, RW 2017-2018, 113

S.P. t/ CVBA Het Vlaams Woningfonds

...

Feiten en antecedenten

S.P. is gehuwd met D.D. onder het wettelijk stelsel. Samen met haar echtgenoot ging S.P. op 3 juli 2009 een hypothecair woonkrediet aan bij het Vlaams Woningfonds teneinde de aankoop van de gezinswoning (...) te financieren.

Op 1 april 2010 startte D.D. een zelfstandige activiteit in het kader van een eenmanszaak, gevestigd op het adres van de echtelijke woning.

Bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk van 8 augustus 2012 werd D.D. persoonlijk failliet verklaard en bij vonnis van 16 september 2015 werd hij verschoonbaar verklaard.

De hypothecaire schuld werd gedeeltelijk afgelost met de opbrengst van de verkoop van de woning waarop de hypotheek rustte.

De restschuld verhaalt het Vlaams Woningfonds op het vermogen van S.P., die zich hoofdelijk heeft verbonden ten aanzien van het Vlaams Woningfonds. Om betaling van de restschuld te verkrijgen, heeft het Vlaams Woningfonds op 19 november 2015 de overdracht van loon, zoals opgenomen in de authentieke leningsakte van 3 juni 2009, aan de werkgever van S.P. betekend.

S.P. is van oordeel dat de restschuld valt onder de gevolgen van de verschoonbaarverklaring.

Bespreking

...

2. Voorts beroept eiseres zich op art. 82, tweede lid Faillissementswet, dat bepaalt: «De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, wordt ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd.»

De bedoeling van de wetgever is om samen met de gefailleerde, ook de echtgenoot te bevrijden van alle schulden die voortvloeien uit het faillissement. Hoewel het de bedoeling was dat de gefailleerde na het faillissement een nieuwe start zou kunnen maken, werd dit namelijk in het verleden vaak doorkruist doordat schuldeisers extra waarborgen inbouwden door de echtgeno(o)t(e) van de handelaar toe te voegen als borg, dan wel als medeschuldenaar. Dit codebiteurschap was in dat geval niet meer dan een vermomde zekerheidsstelling.

In casu heeft S.P. zich bij de kredietovereenkomst dienstig voor de aanschaf van de gezinswoning, in eigen naam en hoofdelijk verbonden. Zij handelde hierbij los van elke zekerheidsfunctie ten aanzien van de kredietinstelling. Zij heeft zich niet verbonden ten gunste van de gefailleerde of tot zekerheid van de schuld van de gefailleerde, maar zij handelde vanuit loutere privédoeleinden, los van de professionele activiteiten van haar echtgenoot. Zij contracteerden in eigen naam, met de bedoeling een woning aan te schaffen voor haarzelf en haar gezin.

Bovendien werd de kredietovereenkomst aangegaan door de beide echtgenoten, vooraleer D.D. een zelfstandige activiteit ontwikkelde. Verweerster kon bijgevolg het risico van een eventueel faillissement met de verstrekkende gevolgen van de verschoonbaarheid die eiseres eraan wil geven, niet incalculeren.

Hoewel ingevolge de verschoonbaarheid van het faillissement haar echtgenoot niet langer kan worden vervolgd door zijn schuldeisers, kan S.P. wel aangesproken worden door haar eigen schuldeisers. Het kan niet de bedoeling van de wetgever geweest zijn om de gevolgen van de verschoonbaarheid van de echtgenoot uit te breiden naar de eigen schulden van de andere echtgenoot.

3. Hierboven werd er steeds gesproken van een «eigen schuld» van S.P. Hiermee wordt enkel bedoeld dat het een schuld is die aan haar eigen persoon verbonden kan worden.

Vanuit vermogensrechtelijk standpunt gingen S.P. en haar echtgenoot een gemeenschappelijke schuld aan. Door de verschoonbaarverklaring is er een schuldenaar weggevallen. Het aandeel van de overblijvende schuldenaar kan verder geïnd worden via de inkomsten van S.P., die in het gemeenschappelijk vermogen vallen.

4. Gelet op het bovenstaande is de vordering van eiseres wegens procesrechtsmisbruik, ongegrond.

...

Nog dit: 

In aflevering 241 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW) bespreekt Cathleen Aerts de evolutie van de verschoonbaarheid, de bevrijding en de opschorting in een zoektocht naar evenwicht en gelijkheid tussen de wettelijk samenwonende en de echtgenoot.

Oorspronkelijk kon alleen de gefailleerde verschoonbaar verklaard worden. Hij kon dan niet langer achtervolgd worden door zijn schuldeisers na het afsluiten van zijn faillissement. Alle andere personen, bijvoorbeeld borgen en medeschuldenaren, konden daarentegen nog wel ter betaling van deze schulden worden aangesproken.

Onder invloed van jurisprudentie van het Grondwettelijk Hof breidde de wetgever de bescherming van de verschoning uit tot andere categorieën van personen. Zo werd deze bescherming ook toegekend aan de echtgenoot van de gefailleerde en aan de natuurlijke personen die zich kosteloos borg stelden voor de schulden van de gefailleerde. De wetgever besloot daarnaast om zelfs de ex-echtgenoot van de gefailleerde aan de lijst van beschermde personen toe te voegen.

Deze lijst lijkt thans te moeten worden aangevuld met de persoon met wie de gefailleerde wettelijk samenwoont. Het Grondwettelijk Hof meent immers dat de uitsluiting van deze persoon uit het toepassingsgebied van artikel 82 Faillissementswet een niet toelaatbare discriminatie uitmaakt.(GwH 18 november 2010, nr. 2010/129, NjW 2011, ...)

Dit arrest kadert enerzijds in voornoemde bestaande jurisprudentie met betrekking tot de verschoonbaarheid. Anderzijds moet dit arrest ook worden geduid als een onderdeel van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof over de toelaatbaarheid van een verschillende behandeling van wettelijk samenwonenden en echtgenoten. Met name in het kader van eerstgenoemde jurisprudentie bevat het arrest van het Grondwettelijk Hof een aantal verrassende elementen en blinde vlekken.

Gevolgen voor de opschorting
Deze uitspraak heeft zeer waarschijnlijk ook gevolgen voor de draagwijdte van de opschorting zoals deze werd ingeschreven in artikel 24bis Faillissementswet. Op basis van de bestaande jurisprudentie van het Grondwettelijk Hof met betrekking tot deze bepaling, kan er immers van uitgegaan worden dat de uitsluiting van de persoon met wie de gefailleerde wettelijk samenwoont uit het toepassingsgebied van deze bepaling, in het licht van de beschikking vervat in voornoemd arrest, strijdig is met de artikelen 10 en 11 Gw.

Besluit
Er wordt de facto een nieuwe categorie van beschermde personen gecreëerd in het kader van de Faillissementswet. Deze uitbreiding moet vanuit maatschappelijk (sociaal) perspectief toegejuicht worden. Niettemin moet er ook op worden gewezen dat deze, eens te meer, het evenwicht tussen de rechten van de schuldeisers enerzijds en deze van de gefailleerde en diens naasten anderzijds verschuift in het nadeel van de schuldeisers.

De auteur is assistent aan de KULeuven.

Bron: Cathleen AERTS, "Gelijkheid bij faillissement voor wettelijk samenwonende en echtgenoot", NjW 2011, 282-...
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 11/09/2017 - 05:22
Laatst aangepast op: ma, 11/09/2017 - 05:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.