-A +A

verschoonbaarheid faillissement & krediet echtgenote

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

voor de verschoonbaarheid van de echtgenote: klik deze link: de verschoning voor de echtgenote

Een bijzonder toepassingsgeval:

Vred. Brugge IV, 16 oktober 2003, Tijdschrift van de Vrederechters (T. Vred.), Jaargang 2003, Volgnummer 9, Pagina 420,
 

De verschoonbaarheid van de gefailleerde resulteert dat de schuld in het faillissement tenietgaat. De betekening van een loonoverdracht aan de echtgenote van de gefailleerde is rechtsmisbruik,  zelfs indien deze betekening zich situeert vóór de verschoonbaarheid van het faillissement. Hierbij werd ingeroepen als omstandigheden van de zaak:

- loonoverdracht tien jaar na de kredietopening
- aanwezigheid van twee andere zekerheden,
- gezin met drie kinderen). 

Overwegende dat bij voormelde oproeping eiseres bekrachtiging vordert van de loonoverdracht, op 6 februari 2001 getekend door verweerster, waarvan ze bij brief van 8 juli 2003 haar voornemen tot uitvoering betekende, waarop verzet volgde; Dat zij voorhoudt dat het verzet buiten termijn gedaan werd; Dat zij de mening toegedaan is dat ingevolge de diverse overeenkomsten tussen partijen zij gerechtigd is op een betaling van 152.061.95 EUR; Dat zij verder verzoekt dat de griffier binnen de vijf dagen te rekenen na het vonnis de wettelijke kennisgeving aan werkgever van verweerster zou doen;

Overwegende dat het verzet tijdig is, en de termijn van artikel 29 overigens niet op straffe van verval staat; Overwegende dat uit de gegevens vervat in het bundel van partijen blijkt dat inderdaad verweerders zich vooreerst verbonden voor een investeringskrediet ... voor een bedrag van 7.500.000 BEF in hoofdsom terug te betalen in 76 trimestriële kapitaalaflossingen bij akte kredietopening van 5 april 1990; Dat zij zich vervolgens verbonden tot een kaskrediet voor 500.000 BEF ..., verder tot een professionele lening op afbetaling ten belope van 500.000 BEF ..., en ten slotte in een overeenkomst van rekening- courant gekend onder nummer ...;

Dat bij toepassing van artikel 2 van het algemeen reglement voor kredietopeningen de eenheid van rekeningen geldt en de kredietnemers dus volgens eiseres verschuldigd zijn in totaal 152.061,95 EUR te vermeerderen met 30,04 EUR intresten per dag vanaf 8 juli 2003; Dat er terzake de cijfers geen enkele betwisting is; Overwegende dat daarentegen verweerster zich wel principieel verzet tegen de loonoverdracht; Dat zij immers relateert dat zij zonder huwelijkscontract gehuwd is met de heer ..., welke bij vonnis van 27 juni 2003 van de Brugse Rechtbank van Koophandel failliet verklaard werd; Dat gelet op de wet van 4 september 2002, verweerster de mening toegedaan is dat ingevolge artikel 80 een verschoonbaarheid van de gefailleerde een recht geworden is nu ingevolge de huidige formulering het artikel 80 bepaalt dat behalve in geval van gewichtige omstandigheden met bijzondere redenen omkleed, de rechtbank de verschoonbaarheid uitspreekt van de ongelukkige gefailleerde die te goeder trouw handelt;

Dat verweerster verder de mening is toegedaan dat gelet op het feit dat deze verschoonbaarheid zich uitstrekt tot alle schulden, het rechtsmisbruik is als schuldeisers in de loop van de faillissementsprocedure nog vlug een schuldvordering zouden gaan incasseren bij de echtgenote bijvoorbeeld door een loonoverdracht;

Overwegende dat terzake eiseres repliceert dat de verschoonbaarheid pas uitwerking heeft vanaf het vonnis dat de gefailleerde verschoonbaar verklaart; Dat verder naar haar mening degenen die zich verbonden hebben met de gefailleerde verder tussentijds kunnen worden aangesproken en uitgewonnen; Dat zij terzake verwijst naar 2 artikelen in de rechtsleer;

Overwegende dat de rechtbank terzake vooreerst dient vast te stellen dat partijen het eens zijn dat de schuldvordering waarvan de invordering door de loonoverdracht benaarstigd wordt, cijfermatig correct begroot is en wel degelijk werd ingediend in het faillissement door eiseres; Dat dit ten genoege van rechte blijkt uit het voorgelegde proces-verbaal van nazicht van schuldvorderingen; Dat derhalve het geding een schuld in het faillissement betreft; Overwegende dat de verschoonbaarheid van de gefailleerde tot gevolg heeft dat deze schuld in het faillissement tenietgaat, zoals overigens alle schulden in de faling, weze het bevoorrechte dan wel andere schulden (Gent 2 december 2002, NJW 2003, 100) bij toepassing van artikel 80 Faillissementswet;

Dat immers de formulering van artikel 80 sedert de wet van 4 september 2002 geen enkele twijfel meer openlaat over het feit dat de verschoonbaarheid een recht is van de gefailleerde, en dit overigens ook onbetwistbaar uit de wil van de wetgever blijkt (Parl. St. Senaat 2001-02, nr. 2-877/8, 52; Parl. St. Kamer, nr. 1- 132/001, 14); Dat er derhalve geen enkele twijfel kan over bestaan dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever geweest is dat de verschoonbaarheid van natuurlijke personen een wijze geworden is van tenietgaan van schulden in het faillissement (zie: Gent 2 december 2002, NJW 2003, 100); Dat derhalve verweerster terecht aanvoert dat op haar de vervolging benaarstigd wordt van een schuld waarvan het bestaan niet eens vaststaat;

Overwegende dat, gelet op het bovenstaande, rechtsleer en rechtspraak het eens zijn dat overduidelijk vanaf het vonnis van sluiting van faillissement dat noodzakelijkerwijze uitspraak doet over de verschoonbaarheid, de schuld tenietgaat bij verschoonbaarverklaring; Dat alleszins vanaf dan geen enkele uitvoeringsmaatregel meer mogelijk zal zijn ten overstaan van huidige verweerster; Dat er terzake evenwel minder eensgezindheid is omtrent de tussenliggende periode tussen datum faillietverklaring en datum sluiting; Dat immers twee gezaghebbende auteurs (K. CREYF, R.W. 2002-03, 446 en M. VAN MEENEN en B. WINDEY, NJW 2002, 381) de stelling verdedigd hebben dat de verschoonbaarheid maar ingaat bij het vonnis van sluiting van faillissement dat de verschoonbaarheid uitspreekt;

Dat evenwel de rechtbank dient vast te stellen dat de wet terzake de gevolgen van de verschoonbaarheid naar hun gebeurlijke terugwerking niets bepaalt; Dat, meer nog, in de discussies in het Parlement terzake met géén woord is gerept (T’KINT en DERIJCKE, “Une caution n’est pas l’autre: sévérité judiciaire passée dans l’attente législative à venir”, T.B.H. 2002, 420, nr. 14); Dat andere auteurs (C. LEBON, noot onder Arbitragehof 28 maart 2002, R.W. 2002, 461) dan ook terecht van mening zijn dat omtrent de tussenliggende periode vragen rijzen; Overwegende dat terzake vooreerst de rechtbank vaststelt dat artikel 80 géén uitdrukkelijke wetsbepaling bevat, die de borg of echtgenoot een expliciete rechtsgrond verschaft om zich te verzetten tegen de bekrachtiging van de loonoverdracht; Dat de wet echter evenmin uitsluit dat op basis van artikel 80 verzet gegrond wordt tegen uitvoeringsmaatregelen op zekerheden als de loonoverdracht; Dat aldus de rechtbank tot het besluit komt dat de artikelen m.b.t. de loonoverdracht onverkort van gelding blijven, maar rechtsmisbruik zal dienen te worden geapprecieerd in functie van artikel 80 Faillissementswet en zijn gevolgen, en bijgevolg loonoverdracht nog slechts met uiterste omzichtigheid zal mogen worden toegepast opzichtens echtgenoten van en borgen voor de gefailleerde;

Overwegende dat verweerster aanvoert dat de bekrachtiging van een loonoverdracht in casu een rechtsmisbruik zou uitmaken; Dat niet kan getwijfeld worden aan het feit dat desondanks de indiening van de schuldvordering in de faling eiseres gerechtigd is verder uit te voeren op de door haar bedongen zekerheden nu het recht daartoe onverkort bestaat, weze het dat daar thans een bijzondere voorzichtigheidsplicht bijkomt; Dat aldus met zekerheid een recht bestaat, maar mogelijk misbruik daarvan dient te worden onderzocht; Dat terzake verweerster het accessoire karakter van deze zekerheden inzonderheid de loonoverdracht terecht onderstreept, en ook de rechtbank de mening toegedaan is dat het lot daarvan niet los kan worden beoordeeld van het lot van de hoofdschuld;

Dat waar deze hoofdschuld zal tenietgaan op het ogenblik van de afsluiting van de faling, de huidige toestand van verweerster en de gefailleerde er eigenlijk op neerkomt dat de uitvoering gevraagd wordt van een zekerheid zonder dat het bestaan van de hoofdschuld nog vaststaat;

Overwegende dat het rechtsmisbruik dient te worden beoordeeld naar de feiten; Dat terzake vooreerst de rechtbank verwijst naar het accessoire karakter van de loonoverdracht met de onzekerheid of de schuld niet is tenietgegaan, zodat misbruik principieel mogelijk is; Dat dergelijke toestand dan nog zou kunnen aanslepen gedurende de hele duur van een faling waarop verweerster noch de gefailleerde enige greep hebben, gelet op het feit dat deze onder meer afhankelijk is van enerzijds de snelheid waarmee de curator werkt, anderzijds de belasting van de rechtbank en ten slotte de aanwezigheid van betwistingen in alle stadia van de faling, waarop dan wel eiseres wel weer enige vertragende invloed kan uitoefenen;

Dat verder de rechtbank terzake dient vast te stellen dat de loonoverdracht dateert van 6 februari 2001, weze meer dan 10 jaar na de oorspronkelijke kredietopening, en relatief kort voor de faling; Dat op zich, waar de kredieten al jaren eerder bestonden, dit reeds als een betwistbaar gegeven voorkomt en omtrent de omstandigheden van verwerving van de zekerheid ernstige vragen rijzen; Overwegende dat verder de rechtbank dient te onderzoeken of de betekening der loonoverdracht in casu overeenstemt met een loyale uitvoeringswijze;

Dat het terzake moeilijk als een loyale uitvoering kan worden begrepen in het licht van een komende verschoonbaarheid nog snel een in extremis bedongen loonoverdracht te gaan betekenen teneinde het maximum aan betalingen te bekomen vooraleer de schuld tenietgaat; Dat dit des temeer het geval is wanneer nog andere zekerheden voorhanden zijn en in casu blijkt dat deze zekerheden er zijn door enerzijds een schip en anderzijds een woonhuis te D. (zie akte kredietopening); Dat gelet op het feit dat de totale som van de schuldvordering 150.000 EUR bedraagt, het aldus niet eens vaststaat dat de uitwinning van deze waarborg niet zal volstaan tot de voldoening van de schuld van eiseres; Dat derhalve wel degelijk als rechtsmisbruik dient te worden bestempeld de bekrachtiging van een in extremis bedongen loonoverdracht te benaarstigen in de omstandigheid dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de verschoonbaarheid van de gefailleerde enerzijds, terwijl er anderzijds nog andere en wellicht toereikende waarborgen voorhanden zijn, en finaal niet eens vaststaat dat het beroep op de loonoverdracht noodzakelijk is;

Dat immers zoals bij elke uitvoering van een titel het maximum aan goede trouw dient te worden nagestreefd en niet zomaar mag gekozen worden voor een ernstige schade in de wijze van uitvoering, des temeer daar omtrent terugvorderingsrechten nog grotere vragen rijzen; De rechtbank daarna dient vast te stellen dat intussen de gefailleerde en zijn echtgenote dienen in te staan voor het onderhoud van hun gezin met drie kinderen, waartoe de met loonoverdracht bedreigde middelen alleszins noodzakelijk zijn, en één en ander zekerlijk niet bevorderlijk is voor een goede echtelijke verstandhouding;

Dat ook het Parlement rekening hield met de familiaal belastende resultaten van die situatie, met mogelijke echtbreuken e.a. tot gevolg (Parl. St. Senaat 2000-01, nr. 2-877/2; Verslag STEVERLYNCK, Parl. St. Senaat 2000-01, nr. 2-877/8, 27, 47, 53, 78-86 en 91-92) en dat uitdrukkelijk heeft aangegrepen om de verschoonbaarheid als grond van tenietgaan van schulden te creëren; Dat derhalve deze elementen dienen in rekening gebracht te worden voor de beoordeling van het rechtsmisbruik en de belangenafweging tussen partijen; Dat derhalve in casu de belangenafweging tussen partijen duidelijk in het voordeel is van verwerende partij, en dit des temeer het geval is waar de Staat telkens moet bijspringen in geval van ontoereikende middelen; Overwegende dat verder de rechtsleer terzake terecht het perverse van de situatie heeft onderlijnd (VAN MENEN en WINDEY, NJW 2002, 381), dat het niet enkel het slachtoffer van de tussentijdse uitvoering treft, maar bovendien alle verhaalsrechten van deze uitgewonnen schuldenaren ten overstaan van de gefailleerden, zodat de vervolgende bankier duidelijk een bijzondere voorzichtigheid aan de dag moet leggen;

Overwegende dat verweerster in eerste instantie afwijzing van de vordering in bekrachtiging vordert en dat aldus kan worden toegestaan; Dat bijgevolg de vordering tot verwijzing van de zaak naar het Arbitragehof als ongegrond dient afgewezen te worden nu zij nutteloos voorkomt; Dat overigens terzake de rechtbank de ongelijkheid wil onderstrepen van de twee deelgenoten in een huwelijksvermogensstelsel wanneer de ene verschoonbaar verklaard wordt, tijdens de faling niet kan worden uitgewonnen, terwijl de andere hoofdelijk medeverbondene een dergelijke uitvoering wel zou moeten lijden; Overwegende dat gelet op het bovenstaande de vordering ontvankelijk doch ongegrond is; Dat derhalve de eisende partij dient te worden veroordeeld tot alle kosten van het geding bij toepassing van artikel 1017 Ger. W. nu zij als in het ongelijk gestelde partij dient te worden aangezien; OM DEZE REDENEN, Verklaart de eis ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

 

Nog dit: 

In aflevering 241 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW) bespreekt Cathleen Aerts de evolutie van de verschoonbaarheid, de bevrijding en de opschorting in een zoektocht naar evenwicht en gelijkheid tussen de wettelijk samenwonende en de echtgenoot.

Oorspronkelijk kon alleen de gefailleerde verschoonbaar verklaard worden. Hij kon dan niet langer achtervolgd worden door zijn schuldeisers na het afsluiten van zijn faillissement. Alle andere personen, bijvoorbeeld borgen en medeschuldenaren, konden daarentegen nog wel ter betaling van deze schulden worden aangesproken.

Onder invloed van jurisprudentie van het Grondwettelijk Hof breidde de wetgever de bescherming van de verschoning uit tot andere categorieën van personen. Zo werd deze bescherming ook toegekend aan de echtgenoot van de gefailleerde en aan de natuurlijke personen die zich kosteloos borg stelden voor de schulden van de gefailleerde. De wetgever besloot daarnaast om zelfs de ex-echtgenoot van de gefailleerde aan de lijst van beschermde personen toe te voegen.

Deze lijst lijkt thans te moeten worden aangevuld met de persoon met wie de gefailleerde wettelijk samenwoont. Het Grondwettelijk Hof meent immers dat de uitsluiting van deze persoon uit het toepassingsgebied van artikel 82 Faillissementswet een niet toelaatbare discriminatie uitmaakt.(GwH 18 november 2010, nr. 2010/129, NjW 2011, ...)

Dit arrest kadert enerzijds in voornoemde bestaande jurisprudentie met betrekking tot de verschoonbaarheid. Anderzijds moet dit arrest ook worden geduid als een onderdeel van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof over de toelaatbaarheid van een verschillende behandeling van wettelijk samenwonenden en echtgenoten. Met name in het kader van eerstgenoemde jurisprudentie bevat het arrest van het Grondwettelijk Hof een aantal verrassende elementen en blinde vlekken.

Gevolgen voor de opschorting
Deze uitspraak heeft zeer waarschijnlijk ook gevolgen voor de draagwijdte van de opschorting zoals deze werd ingeschreven in artikel 24bis Faillissementswet. Op basis van de bestaande jurisprudentie van het Grondwettelijk Hof met betrekking tot deze bepaling, kan er immers van uitgegaan worden dat de uitsluiting van de persoon met wie de gefailleerde wettelijk samenwoont uit het toepassingsgebied van deze bepaling, in het licht van de beschikking vervat in voornoemd arrest, strijdig is met de artikelen 10 en 11 Gw.

Besluit
Er wordt de facto een nieuwe categorie van beschermde personen gecreëerd in het kader van de Faillissementswet. Deze uitbreiding moet vanuit maatschappelijk (sociaal) perspectief toegejuicht worden. Niettemin moet er ook op worden gewezen dat deze, eens te meer, het evenwicht tussen de rechten van de schuldeisers enerzijds en deze van de gefailleerde en diens naasten anderzijds verschuift in het nadeel van de schuldeisers.

De auteur is assistent aan de KULeuven.

Bron: Cathleen AERTS, "Gelijkheid bij faillissement voor wettelijk samenwonende en echtgenoot", NjW 2011, 282-...

Verschoning echtgenote met scheiding van goederen getrouwd ook voor de hypothecaire schulden

• Antwerpen, 04/01/2017, R.A.B.G., 2017/16, p. 1277-1283

samenvatting

Het Hof van Cassatie verwierp de cassatievoorziening, en oordeelde dat artikel 82, tweede lid Faill.W. “ook van toepassing is wanneer de echtgenoot van de gefailleerde, samen met hem, medeschuldenaar is van een schuld die de twee echtgenoten vóór het faillissement zijn aangegaan en waarvoor de echtgenoot van de gefailleerde bijgevolg persoonlijk aansprakelijk is”. Het Hof achtte dus de beperking van de gevolgen van de verschoonbaarverklaring tot de eigen schuld van de gefailleerde achterhaald.

In de rechtsleer ontstond enige twijfel over de draagwijdte van dat arrest.

Een volgend arrest van het Hof van Cassatie leidde tot bijkomende inzichten over de mening van dat Hof over de draagwijdte van de voornoemde bepaling (Cass. 8 juni 2012, C.11.0080.F, Pas. 2012, I, p. 1322 en JLMB 2012, 1367, Concl. Adv. Gen. Werquin). In die zaak betrof het echtgenoten die gehuwd onder het wettelijk stelsel samen een krediet waren aangegaan voor de verwerving van een eigen goed door de vrouw. Tot waarborg van het krediet was een hypotheek toegestaan op een eigen woning en een eigen weide die haar toebehoorden. De man ging failliet en werd verschoonbaar verklaard. Na het faillissement wenste de bank het gehypothekeerde goed uit te winnen. De vrouw wierp van haar kant op dat zij bevrijd was van de kredietschuld op grond van artikel 82, tweede lid Faill.W.

tekst arrest

(NV C. / Mevr. G. en Dhr. K. - Rolnr.: 2015/AR/1758)

(…)

1. Bij onderhandse overeenkomst van 18 februari 2004 werd door NV C. (…) een krediet met (…) ten bedrage van 125.000 EUR toegestaan aan de heer K. en mevrouw G.

Dit krediet werd gewaarborgd o.m. door een hypotheek in tweede rang op een woonhuis, gelegen te (…), eigendom van mevrouw G. (…).

Bij onderhandse overeenkomst van 23 januari 2006 werd door NV C. ook een krediet (…) ten bedrage van 168.000 EUR toegestaan aan de heer K. en mevrouw G. Dit krediet was gewaarborgd door onder meer een hergebruik van de inschrijving in eerste rang en in tweede rang op diezelfde woning. 2. Bij vonnis van 28 mei 2009 van de rechtbank van koophandel te Hasselt werd de heer K. failliet verklaard.

Ingevolge het faillissement werden deze kredieten conform de kredietvoorwaarden opgezegd en onmiddellijk en integraal opeisbaar gesteld.

3. Op 7 april 2010 werd op verzoek van NV C. een bevel voorafgaand onroerend beslag betekend aan mevrouw G. bij exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder P. en op 27 april 2010 werd vervolgens ook uitvoerend onroerend beslag gelegd op voormelde onroerend goed.

4. Bij beschikking van 30 augustus 2010 van de beslagrechter te Hasselt werd notaris S. aangesteld tot veiling van het beslagen onroerend goed en de verrichting van de rangregeling.

Op 22 februari 2011 vond de eerste zitdag tot veiling van het beslagen onroerend goed plaats waarbij werd overgegaan tot verkoop voor een bedrag van 135.000 EUR onder voorbehoud van ontvangst van een hoger bod. Op 19 april 2011 vond ten gevolge de formulering van een hoger bod een definitieve zitdag plaats waarbij het beslagen onroerend goed definitief werd verkocht voor een bedrag van 150.200 EUR.

5. Op 14 juni 2011 ontving NV C. het bedrag van 135.000 EUR van notaris S.

6. Bij vonnis van 1 maart 2012 werd de heer K. verschoonbaar verklaard.

7. Op 5 februari 2014 werd het PV van rangregeling opgemaakt.

Bij exploot van 18 februari 2014 en 20 februari 2014 van gerechtsdeurwaarder S. werden de heer en mevrouw G.-K. aangemaand om inzage te nemen in het proces-verbaal van rangregeling van notaris S.

8. Bij exploot van 14 maart 2014 van gerechtsdeurwaarder S. werd door mevrouw G. en de heer K. tegenspraak geformuleerd tegen het proces-verbaal van rangregeling van 5 februari 2014 van notaris S. De tegenspraak was gesteund op volgend argument: “Het faillissement van de heer K. werd gesloten en (...) de heer K. (werd) verschoonbaar (...) verklaard bij vonnis van 1 maart 2012.” De opbrengst zou daarom volledig aan mevrouw G. toekomen.

9. Op 21 maart 2014 werd PV opgemaakt waarin de opmerkingen op de gevoerde tegenspraak werden geacteerd en op 25 maart 2014 heeft notaris S. een afschrift van het PV van rangregeling en van het PV van tegenspraak ter griffie van de rechtbank neergelegd, met een aantal bijlagen. Volgens de notaris kon het standpunt van huidige geïntimeerden niet gevolgd worden, en diende de opbrengst volledig aan NV C. toe te komen.

10. In conclusie vorderden de heer en mevrouw G.-K. “te zeggen voor recht dat het bedrag van 6.008,09 EUR niet aan NV C. kan worden vrijgegeven doch dat het aan concluante, mevrouw G. dient te worden vrijgegeven. Verder te zeggen voor recht dat het bedrag van 135.000 EUR dat op 14 juni 2011 reeds werd vrijgegeven aan verwerende partij NV C., ten onrechte werd vrijgegeven aan NV C. en NV C. te veroordelen om aan concluante het bedrag van 135.000 EUR te betalen, te vermeerderen met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 14 juni 2011”.

11. NV C. concludeerde tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van het verzet en van de eis van de heer en mevrouw G.-K. tot terugbetaling.

12. Bij de bestreden beschikking van 16 juni 2015 werd de tegenspraak van partijen G.-K. ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard.

De beslagrechter zegde voor recht:

- dat mevrouw G. overeenkomstig artikel 82 Faill.W. in haar hoedanigheid van echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde bevrijd is van haar verplichtingen uit de lening;

- dat NV C. haar niet kon vervolgen en dit verhindert dat de door haar gegeven hypothecaire waarborg op haar eigen onroerend goed kon worden aangesproken;

- dat in het bestreden PV van rangregeling van 5 februari 2014 ten onrechte was uitgegaan van het feit dat de gelden die voortkomen uit de gedwongen uitvoering toekomen aan NV C.

De vordering tot terugbetaling van het aan NV C. uitgekeerde bedrag werd onontvankelijk verklaard.

De zaak werd teruggezonden naar de notaris om in overeenstemming met de beschikking te handelen. NV C. werd veroordeeld tot de kosten.

13. Tegen deze beschikking werd hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, ter griffie neergelegd op 16 juli 2015.

NV C. vordert de hervorming van de bestreden beschikking door afwijzing van het verzet en bevestiging van het ontwerp van rangregeling van 5 februari 2014. Verder werd de veroordeling van geïntimeerden tot de kosten gevorderd.

14. Geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep en zij stellen incidenteel beroep in met het oog op de integrale toewijzing van hun oorspronkelijke eis, waarbij minstens gezegd zou worden voor recht dat de uitbetaling door de notaris van 135.000 EUR “als nietig moet worden bestempeld”. Zij maken aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 1.440 EUR.

15. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld. De akte van hoger beroep is geldig naar de vorm en het belang van appellante bij haar hoger beroep spreekt voor zich.

Het hoger beroep is dus toelaatbaar. Hetzelfde geldt voor wat het incidenteel beroep betreft.

16. De betwisting tussen partijen heeft betrekking op de draagwijdte van artikel 82 Faill.W., en meer bepaald de vraag of de bevrijding van de met scheiding van goederen gehuwde echtgenote zich uitstrekt tot een door haar hypothecair gewaarborgde leningsschuld tot terugbetaling waarvan zij zich solidair met haar verschoonbaar verklaarde echtgenoot verbonden had.

Met verwijzing naar een arrest van het hof van beroep te Gent van 19 oktober 2011 meende de notaris dat artikel 82, tweede lid Faill.W. de bevrijding van de persoonlijke zekerheidsteller beoogt, doch niet die van de zakelijke borg, zodat de hypothecaire schuldeiser bij de verschoonbaarverklaring van de gefailleerde slechts getroffen zou worden door het gedeelte van de schuld dat de uitwinning van het onderpand overtreft. De rechter die uitspraak doet over de bevrijding van de echtgenote van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde bij toepassing van artikel 82, tweede lid Faill.W. zou zich enkel kunnen uitspreken over de persoonlijke gehoudenheid van de echtgenote, doch niet over de gehoudenheid in rem tot beloop waarvan deze echtgenote zich verbond ingevolge een hypothecaire zekerheidstelling of een andere zakelijke zekerheid.

Dit standpunt werd inderdaad geruime tijd door rechtsleer en rechtspraak ingenomen, maar heeft intussen een verdere evolutie gekend.

In een arrest van 24 februari 2011 besliste het Hof van Cassatie in de zaak C.10.0322.F (Arr.Cass. 2011, 639, Pas. 2011, I, p. 653 andersluidende Concl. Adv. Gen. Werquin) als volgt; deze zaak had betrekking op een door de echtgenote van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde verleende hypothecaire waarborg.

De appelrechter had in die zaak geoordeeld dat de vrouw op grond van artikel 82, tweede lid Faill.W. bevrijd was van de leningsschuld en dat deze bijgevolg niet meer kon worden verhaald op het gehypothekeerde eigen goed van de vrouw. Zij argumenteerden dat de echtgenoot “geheel wordt bevrijd, daar de wet geen enkele uitzondering bepaalt, noch ingeval de schuld ook een eigen schuld van de echtgenoot van de gefailleerde is, noch ingeval de schuld niet strikt voor de uitoefening van het beroep werd aangegaan” en dat “bij gebrek aan enig onderscheid, artikel 82, tweede lid onjuist zou worden toegepast indien de echtgenoot de bevrijding ontzegd zou worden op grond dat de litigieuze schuld voor de aanvang van de beroepsactiviteit of ook door hem werd gemaakt”. In de cassatievoorziening van de bank werd aangevoerd dat de bevrijding van de echtgenoot enkel zou gelden voor “schulden van de gefailleerde waarvoor de echtgenoot hetzij bij overeenkomst, hetzij op grond van de wet, als derde instaat, bijvoorbeeld als borg of als medeschuldenaar van een schuld die hem niet aangaat”. Een gezamenlijk aangegane schuld, die bijgevolg niet alleen een schuld van de gefailleerde is, maar ook een persoonlijke schuld van de echtgenoot, voldeed volgens de bank niet aan die voorwaarde.

Het Hof van Cassatie verwierp de cassatievoorziening, en oordeelde dat artikel 82, tweede lid Faill.W. “ook van toepassing is wanneer de echtgenoot van de gefailleerde, samen met hem, medeschuldenaar is van een schuld die de twee echtgenoten vóór het faillissement zijn aangegaan en waarvoor de echtgenoot van de gefailleerde bijgevolg persoonlijk aansprakelijk is”. Het Hof achtte dus de beperking van de gevolgen van de verschoonbaarverklaring tot de eigen schuld van de gefailleerde achterhaald.

In de rechtsleer ontstond enige twijfel over de draagwijdte van dat arrest.

Een volgend arrest van het Hof van Cassatie leidde tot bijkomende inzichten over de mening van dat Hof over de draagwijdte van de voornoemde bepaling (Cass. 8 juni 2012, C.11.0080.F, Pas. 2012, I, p. 1322 en JLMB 2012, 1367, Concl. Adv. Gen. Werquin). In die zaak betrof het echtgenoten die gehuwd onder het wettelijk stelsel samen een krediet waren aangegaan voor de verwerving van een eigen goed door de vrouw. Tot waarborg van het krediet was een hypotheek toegestaan op een eigen woning en een eigen weide die haar toebehoorden. De man ging failliet en werd verschoonbaar verklaard. Na het faillissement wenste de bank het gehypothekeerde goed uit te winnen. De vrouw wierp van haar kant op dat zij bevrijd was van de kredietschuld op grond van artikel 82, tweede lid Faill.W.

De appelrechters volgden haar standpunt en in cassatie wierp de bank op dat het voor de toepassing van artikel 82, tweede lid Faill.W. niet volstaat om vast te stellen dat beide echtgenoten zich verbonden hebben ten aanzien van de schuldeiser en dat deze bepaling niet van toepassing is op schulden aangegaan door de echtgenoot als hoofdschuldenaar, desgevallend gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde, ten gunste van zijn eigen vermogen of met betrekking tot zijn beroepsactiviteit.

De bank argumenteerde dat het in dergelijk geval niet om een “schuld van de gefailleerde” gaat, maar om een eigen schuld van de echtgenoot.

In voornoemd arrest van 8 juni 2012 herhaalde het Hof van Cassatie dat artikel 82, tweede lid Faill.W. “ook van toepassing is wanneer de echtgenoot van de gefailleerde, samen met hem, medeschuldenaar is van een schuld die de twee echtgenoten vóór het faillissement zijn aangegaan en waarvoor de echtgenoot van de gefailleerde bijgevolg persoonlijk aansprakelijk is”. Het voegde daar aan toe: “ook al werd die schuld aangegaan ten voordele van het eigen vermogen van de echtgenoot”.

Het Hof van Cassatie ging vervolgens in op het verzoek van de bank tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Aan het Grondwettelijk Hof werd de vraag voorgelegd: “Schendt artikel 82, tweede lid van de faillissementswet van 8 augustus 1997, in die zin uitgelegd dat de echtgenoot van de gefailleerde bevrijd wordt van een schuld die gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde is aangegaan, ook al is die schuld aangegaan ten voordele van het eigen vermogen van de echtgenoot, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het aldus een gelijke behandeling maakt van de echtgenoot die zich louter voor de persoonlijke verbintenissen van de gefailleerde garant heeft gesteld, zonder daaruit een voordeel voor zijn eigen vermogen te halen, en degene die deze schuld gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde is aangegaan ten voordele van zijn eigen vermogen, waarbij de schuldeiser in de beide onderstellingen zijn recht verliest op het verhalen van die schuld op de echtgenoot?”

Bij arrest nr. 40/2013 van 21 maart 2013 werd deze vraag ontkennend beantwoord door het Grondwettelijk Hof. Het Hof hernam zijn redenering dat de uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot noodzakelijk is om te vermijden dat de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit via de echtgenoot alsnog zouden kunnen worden geraakt. Dat een schuld het eigen vermogen van de echtgenoot ten goede komt, is hierop van geen invloed omdat ook die schuld (wanneer hij door beide echtgenoten is aangegaan en dus gemeenschappelijk is) op de nieuwe inkomsten van de gefailleerde zou kunnen worden verhaald. Na dat arrest van het Grondwettelijk Hof werd de cassatievoorziening van de bank bij arrest van het Hof van Cassatie van 18 oktober 2013 (JLMB 2014, 27) afgewezen. In dat arrest benadrukte het Hof van Cassatie dat de toepassing van artikel 82, tweede lid Faill.W. “zich uitstrekt tot de hypotheek die de echtgenote van de gefailleerde heeft toegestaan op een van haar eigen goederen, als waarborg voor de verbintenissen van laatstgenoemde”.

Aldus werd uitdrukkelijk geoordeeld dat aangezien de echtgenote van de kredietschuld wordt bevrijd, de hypotheek onuitvoerbaar wordt.

Dit standpunt werd opnieuw bevestigd bij arrest van het Hof van Cassatie van 18 oktober 2013 in de zaak C.11.0080.F.

Bij arrest van 8 mei 2015 (Cass. 8 mei 2015, C.13.0301.N, Concl. Adv. Gen. Vandewal, www.cass.be), gewezen in voltallige zitting, bevestigde het Hof van Cassatie verder de zeer ruime invulling die het in zijn arresten van 24 februari 2011 en 8 juni 2012 aan de bevrijding van de echtgenoot had gegeven,

17. Dit hof kan met verwijzing naar hetgeen hoger werd overwogen enkel vaststellen dat de eerste rechter in deze zaak een juiste analyse heeft gemaakt van het dossier, waarbij op correcte en helder gemotiveerde wijze rekening werd gehouden met de huidige vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie. Het hof sluit zich aan bij de uitvoerig gemotiveerde beslissing van de eerste rechter ter zake, wat impliceert dat het hoofdberoep ongegrond wordt verklaard.

18. Ook de beslissing van de eerste rechter dat het de beslagrechter niet toekomt om in het kader van een procedure tegenspraak rangregeling uitspraak te doen over een vordering tot terugbetaling van de door de notaris reeds aan NV C. betaalde bedragen wordt bijgetreden.

19. Overeenkomstig artikel 1017 Ger.W. vallen de gerechtskosten ten laste van de in het ongelijk gestelde partij. Gelet op de ongegrondheid van het hoofdberoep is dit NV C.

De rechtsplegingsvergoeding hoger beroep wordt bepaald op het door de artikelen 3 en 8 KB 26 oktober 2007 bepaalde basisbedrag van 1.440 EUR; er is geen enkele reden om daarvan af te wijken.

Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hoofdberoep wordt toelaatbaar doch ongegrond verklaard.

Het incidenteel beroep wordt toelaatbaar doch ongegrond verklaard.

De bestreden beschikking wordt bevestigd.

NV C. wordt veroordeeld tot de kosten van de procedure, aan de zijde van mevrouw G. en de heer K. vereffend op:

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.440 EUR.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:16
Laatst aangepast op: vr, 22/12/2017 - 16:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.