-A +A

verschoonbaarheid faillissement & krediet echtgenote

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

voor de verschoonbaarheid van de echtgenote: klik deze link: de verschoning voor de echtgenote

Een bijzonder toepassingsgeval:

Vred. Brugge IV, 16 oktober 2003, Tijdschrift van de Vrederechters (T. Vred.), Jaargang 2003, Volgnummer 9, Pagina 420,
 

De verschoonbaarheid van de gefailleerde resulteert dat de schuld in het faillissement tenietgaat. De betekening van een loonoverdracht aan de echtgenote van de gefailleerde is rechtsmisbruik,  zelfs indien deze betekening zich situeert vóór de verschoonbaarheid van het faillissement. Hierbij werd ingeroepen als omstandigheden van de zaak:

- loonoverdracht tien jaar na de kredietopening
- aanwezigheid van twee andere zekerheden,
- gezin met drie kinderen). 

Overwegende dat bij voormelde oproeping eiseres bekrachtiging vordert van de loonoverdracht, op 6 februari 2001 getekend door verweerster, waarvan ze bij brief van 8 juli 2003 haar voornemen tot uitvoering betekende, waarop verzet volgde; Dat zij voorhoudt dat het verzet buiten termijn gedaan werd; Dat zij de mening toegedaan is dat ingevolge de diverse overeenkomsten tussen partijen zij gerechtigd is op een betaling van 152.061.95 EUR; Dat zij verder verzoekt dat de griffier binnen de vijf dagen te rekenen na het vonnis de wettelijke kennisgeving aan werkgever van verweerster zou doen;

Overwegende dat het verzet tijdig is, en de termijn van artikel 29 overigens niet op straffe van verval staat; Overwegende dat uit de gegevens vervat in het bundel van partijen blijkt dat inderdaad verweerders zich vooreerst verbonden voor een investeringskrediet ... voor een bedrag van 7.500.000 BEF in hoofdsom terug te betalen in 76 trimestriële kapitaalaflossingen bij akte kredietopening van 5 april 1990; Dat zij zich vervolgens verbonden tot een kaskrediet voor 500.000 BEF ..., verder tot een professionele lening op afbetaling ten belope van 500.000 BEF ..., en ten slotte in een overeenkomst van rekening- courant gekend onder nummer ...;

Dat bij toepassing van artikel 2 van het algemeen reglement voor kredietopeningen de eenheid van rekeningen geldt en de kredietnemers dus volgens eiseres verschuldigd zijn in totaal 152.061,95 EUR te vermeerderen met 30,04 EUR intresten per dag vanaf 8 juli 2003; Dat er terzake de cijfers geen enkele betwisting is; Overwegende dat daarentegen verweerster zich wel principieel verzet tegen de loonoverdracht; Dat zij immers relateert dat zij zonder huwelijkscontract gehuwd is met de heer ..., welke bij vonnis van 27 juni 2003 van de Brugse Rechtbank van Koophandel failliet verklaard werd; Dat gelet op de wet van 4 september 2002, verweerster de mening toegedaan is dat ingevolge artikel 80 een verschoonbaarheid van de gefailleerde een recht geworden is nu ingevolge de huidige formulering het artikel 80 bepaalt dat behalve in geval van gewichtige omstandigheden met bijzondere redenen omkleed, de rechtbank de verschoonbaarheid uitspreekt van de ongelukkige gefailleerde die te goeder trouw handelt;

Dat verweerster verder de mening is toegedaan dat gelet op het feit dat deze verschoonbaarheid zich uitstrekt tot alle schulden, het rechtsmisbruik is als schuldeisers in de loop van de faillissementsprocedure nog vlug een schuldvordering zouden gaan incasseren bij de echtgenote bijvoorbeeld door een loonoverdracht;

Overwegende dat terzake eiseres repliceert dat de verschoonbaarheid pas uitwerking heeft vanaf het vonnis dat de gefailleerde verschoonbaar verklaart; Dat verder naar haar mening degenen die zich verbonden hebben met de gefailleerde verder tussentijds kunnen worden aangesproken en uitgewonnen; Dat zij terzake verwijst naar 2 artikelen in de rechtsleer;

Overwegende dat de rechtbank terzake vooreerst dient vast te stellen dat partijen het eens zijn dat de schuldvordering waarvan de invordering door de loonoverdracht benaarstigd wordt, cijfermatig correct begroot is en wel degelijk werd ingediend in het faillissement door eiseres; Dat dit ten genoege van rechte blijkt uit het voorgelegde proces-verbaal van nazicht van schuldvorderingen; Dat derhalve het geding een schuld in het faillissement betreft; Overwegende dat de verschoonbaarheid van de gefailleerde tot gevolg heeft dat deze schuld in het faillissement tenietgaat, zoals overigens alle schulden in de faling, weze het bevoorrechte dan wel andere schulden (Gent 2 december 2002, NJW 2003, 100) bij toepassing van artikel 80 Faillissementswet;

Dat immers de formulering van artikel 80 sedert de wet van 4 september 2002 geen enkele twijfel meer openlaat over het feit dat de verschoonbaarheid een recht is van de gefailleerde, en dit overigens ook onbetwistbaar uit de wil van de wetgever blijkt (Parl. St. Senaat 2001-02, nr. 2-877/8, 52; Parl. St. Kamer, nr. 1- 132/001, 14); Dat er derhalve geen enkele twijfel kan over bestaan dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever geweest is dat de verschoonbaarheid van natuurlijke personen een wijze geworden is van tenietgaan van schulden in het faillissement (zie: Gent 2 december 2002, NJW 2003, 100); Dat derhalve verweerster terecht aanvoert dat op haar de vervolging benaarstigd wordt van een schuld waarvan het bestaan niet eens vaststaat;

Overwegende dat, gelet op het bovenstaande, rechtsleer en rechtspraak het eens zijn dat overduidelijk vanaf het vonnis van sluiting van faillissement dat noodzakelijkerwijze uitspraak doet over de verschoonbaarheid, de schuld tenietgaat bij verschoonbaarverklaring; Dat alleszins vanaf dan geen enkele uitvoeringsmaatregel meer mogelijk zal zijn ten overstaan van huidige verweerster; Dat er terzake evenwel minder eensgezindheid is omtrent de tussenliggende periode tussen datum faillietverklaring en datum sluiting; Dat immers twee gezaghebbende auteurs (K. CREYF, R.W. 2002-03, 446 en M. VAN MEENEN en B. WINDEY, NJW 2002, 381) de stelling verdedigd hebben dat de verschoonbaarheid maar ingaat bij het vonnis van sluiting van faillissement dat de verschoonbaarheid uitspreekt;

Dat evenwel de rechtbank dient vast te stellen dat de wet terzake de gevolgen van de verschoonbaarheid naar hun gebeurlijke terugwerking niets bepaalt; Dat, meer nog, in de discussies in het Parlement terzake met géén woord is gerept (T’KINT en DERIJCKE, “Une caution n’est pas l’autre: sévérité judiciaire passée dans l’attente législative à venir”, T.B.H. 2002, 420, nr. 14); Dat andere auteurs (C. LEBON, noot onder Arbitragehof 28 maart 2002, R.W. 2002, 461) dan ook terecht van mening zijn dat omtrent de tussenliggende periode vragen rijzen; Overwegende dat terzake vooreerst de rechtbank vaststelt dat artikel 80 géén uitdrukkelijke wetsbepaling bevat, die de borg of echtgenoot een expliciete rechtsgrond verschaft om zich te verzetten tegen de bekrachtiging van de loonoverdracht; Dat de wet echter evenmin uitsluit dat op basis van artikel 80 verzet gegrond wordt tegen uitvoeringsmaatregelen op zekerheden als de loonoverdracht; Dat aldus de rechtbank tot het besluit komt dat de artikelen m.b.t. de loonoverdracht onverkort van gelding blijven, maar rechtsmisbruik zal dienen te worden geapprecieerd in functie van artikel 80 Faillissementswet en zijn gevolgen, en bijgevolg loonoverdracht nog slechts met uiterste omzichtigheid zal mogen worden toegepast opzichtens echtgenoten van en borgen voor de gefailleerde;

Overwegende dat verweerster aanvoert dat de bekrachtiging van een loonoverdracht in casu een rechtsmisbruik zou uitmaken; Dat niet kan getwijfeld worden aan het feit dat desondanks de indiening van de schuldvordering in de faling eiseres gerechtigd is verder uit te voeren op de door haar bedongen zekerheden nu het recht daartoe onverkort bestaat, weze het dat daar thans een bijzondere voorzichtigheidsplicht bijkomt; Dat aldus met zekerheid een recht bestaat, maar mogelijk misbruik daarvan dient te worden onderzocht; Dat terzake verweerster het accessoire karakter van deze zekerheden inzonderheid de loonoverdracht terecht onderstreept, en ook de rechtbank de mening toegedaan is dat het lot daarvan niet los kan worden beoordeeld van het lot van de hoofdschuld;

Dat waar deze hoofdschuld zal tenietgaan op het ogenblik van de afsluiting van de faling, de huidige toestand van verweerster en de gefailleerde er eigenlijk op neerkomt dat de uitvoering gevraagd wordt van een zekerheid zonder dat het bestaan van de hoofdschuld nog vaststaat;

Overwegende dat het rechtsmisbruik dient te worden beoordeeld naar de feiten; Dat terzake vooreerst de rechtbank verwijst naar het accessoire karakter van de loonoverdracht met de onzekerheid of de schuld niet is tenietgegaan, zodat misbruik principieel mogelijk is; Dat dergelijke toestand dan nog zou kunnen aanslepen gedurende de hele duur van een faling waarop verweerster noch de gefailleerde enige greep hebben, gelet op het feit dat deze onder meer afhankelijk is van enerzijds de snelheid waarmee de curator werkt, anderzijds de belasting van de rechtbank en ten slotte de aanwezigheid van betwistingen in alle stadia van de faling, waarop dan wel eiseres wel weer enige vertragende invloed kan uitoefenen;

Dat verder de rechtbank terzake dient vast te stellen dat de loonoverdracht dateert van 6 februari 2001, weze meer dan 10 jaar na de oorspronkelijke kredietopening, en relatief kort voor de faling; Dat op zich, waar de kredieten al jaren eerder bestonden, dit reeds als een betwistbaar gegeven voorkomt en omtrent de omstandigheden van verwerving van de zekerheid ernstige vragen rijzen; Overwegende dat verder de rechtbank dient te onderzoeken of de betekening der loonoverdracht in casu overeenstemt met een loyale uitvoeringswijze;

Dat het terzake moeilijk als een loyale uitvoering kan worden begrepen in het licht van een komende verschoonbaarheid nog snel een in extremis bedongen loonoverdracht te gaan betekenen teneinde het maximum aan betalingen te bekomen vooraleer de schuld tenietgaat; Dat dit des temeer het geval is wanneer nog andere zekerheden voorhanden zijn en in casu blijkt dat deze zekerheden er zijn door enerzijds een schip en anderzijds een woonhuis te D. (zie akte kredietopening); Dat gelet op het feit dat de totale som van de schuldvordering 150.000 EUR bedraagt, het aldus niet eens vaststaat dat de uitwinning van deze waarborg niet zal volstaan tot de voldoening van de schuld van eiseres; Dat derhalve wel degelijk als rechtsmisbruik dient te worden bestempeld de bekrachtiging van een in extremis bedongen loonoverdracht te benaarstigen in de omstandigheid dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de verschoonbaarheid van de gefailleerde enerzijds, terwijl er anderzijds nog andere en wellicht toereikende waarborgen voorhanden zijn, en finaal niet eens vaststaat dat het beroep op de loonoverdracht noodzakelijk is;

Dat immers zoals bij elke uitvoering van een titel het maximum aan goede trouw dient te worden nagestreefd en niet zomaar mag gekozen worden voor een ernstige schade in de wijze van uitvoering, des temeer daar omtrent terugvorderingsrechten nog grotere vragen rijzen; De rechtbank daarna dient vast te stellen dat intussen de gefailleerde en zijn echtgenote dienen in te staan voor het onderhoud van hun gezin met drie kinderen, waartoe de met loonoverdracht bedreigde middelen alleszins noodzakelijk zijn, en één en ander zekerlijk niet bevorderlijk is voor een goede echtelijke verstandhouding;

Dat ook het Parlement rekening hield met de familiaal belastende resultaten van die situatie, met mogelijke echtbreuken e.a. tot gevolg (Parl. St. Senaat 2000-01, nr. 2-877/2; Verslag STEVERLYNCK, Parl. St. Senaat 2000-01, nr. 2-877/8, 27, 47, 53, 78-86 en 91-92) en dat uitdrukkelijk heeft aangegrepen om de verschoonbaarheid als grond van tenietgaan van schulden te creëren; Dat derhalve deze elementen dienen in rekening gebracht te worden voor de beoordeling van het rechtsmisbruik en de belangenafweging tussen partijen; Dat derhalve in casu de belangenafweging tussen partijen duidelijk in het voordeel is van verwerende partij, en dit des temeer het geval is waar de Staat telkens moet bijspringen in geval van ontoereikende middelen; Overwegende dat verder de rechtsleer terzake terecht het perverse van de situatie heeft onderlijnd (VAN MENEN en WINDEY, NJW 2002, 381), dat het niet enkel het slachtoffer van de tussentijdse uitvoering treft, maar bovendien alle verhaalsrechten van deze uitgewonnen schuldenaren ten overstaan van de gefailleerden, zodat de vervolgende bankier duidelijk een bijzondere voorzichtigheid aan de dag moet leggen;

Overwegende dat verweerster in eerste instantie afwijzing van de vordering in bekrachtiging vordert en dat aldus kan worden toegestaan; Dat bijgevolg de vordering tot verwijzing van de zaak naar het Arbitragehof als ongegrond dient afgewezen te worden nu zij nutteloos voorkomt; Dat overigens terzake de rechtbank de ongelijkheid wil onderstrepen van de twee deelgenoten in een huwelijksvermogensstelsel wanneer de ene verschoonbaar verklaard wordt, tijdens de faling niet kan worden uitgewonnen, terwijl de andere hoofdelijk medeverbondene een dergelijke uitvoering wel zou moeten lijden; Overwegende dat gelet op het bovenstaande de vordering ontvankelijk doch ongegrond is; Dat derhalve de eisende partij dient te worden veroordeeld tot alle kosten van het geding bij toepassing van artikel 1017 Ger. W. nu zij als in het ongelijk gestelde partij dient te worden aangezien; OM DEZE REDENEN, Verklaart de eis ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

 

Nog dit: 

In aflevering 241 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW) bespreekt Cathleen Aerts de evolutie van de verschoonbaarheid, de bevrijding en de opschorting in een zoektocht naar evenwicht en gelijkheid tussen de wettelijk samenwonende en de echtgenoot.

Oorspronkelijk kon alleen de gefailleerde verschoonbaar verklaard worden. Hij kon dan niet langer achtervolgd worden door zijn schuldeisers na het afsluiten van zijn faillissement. Alle andere personen, bijvoorbeeld borgen en medeschuldenaren, konden daarentegen nog wel ter betaling van deze schulden worden aangesproken.

Onder invloed van jurisprudentie van het Grondwettelijk Hof breidde de wetgever de bescherming van de verschoning uit tot andere categorieën van personen. Zo werd deze bescherming ook toegekend aan de echtgenoot van de gefailleerde en aan de natuurlijke personen die zich kosteloos borg stelden voor de schulden van de gefailleerde. De wetgever besloot daarnaast om zelfs de ex-echtgenoot van de gefailleerde aan de lijst van beschermde personen toe te voegen.

Deze lijst lijkt thans te moeten worden aangevuld met de persoon met wie de gefailleerde wettelijk samenwoont. Het Grondwettelijk Hof meent immers dat de uitsluiting van deze persoon uit het toepassingsgebied van artikel 82 Faillissementswet een niet toelaatbare discriminatie uitmaakt.(GwH 18 november 2010, nr. 2010/129, NjW 2011, ...)

Dit arrest kadert enerzijds in voornoemde bestaande jurisprudentie met betrekking tot de verschoonbaarheid. Anderzijds moet dit arrest ook worden geduid als een onderdeel van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof over de toelaatbaarheid van een verschillende behandeling van wettelijk samenwonenden en echtgenoten. Met name in het kader van eerstgenoemde jurisprudentie bevat het arrest van het Grondwettelijk Hof een aantal verrassende elementen en blinde vlekken.

Gevolgen voor de opschorting
Deze uitspraak heeft zeer waarschijnlijk ook gevolgen voor de draagwijdte van de opschorting zoals deze werd ingeschreven in artikel 24bis Faillissementswet. Op basis van de bestaande jurisprudentie van het Grondwettelijk Hof met betrekking tot deze bepaling, kan er immers van uitgegaan worden dat de uitsluiting van de persoon met wie de gefailleerde wettelijk samenwoont uit het toepassingsgebied van deze bepaling, in het licht van de beschikking vervat in voornoemd arrest, strijdig is met de artikelen 10 en 11 Gw.

Besluit
Er wordt de facto een nieuwe categorie van beschermde personen gecreëerd in het kader van de Faillissementswet. Deze uitbreiding moet vanuit maatschappelijk (sociaal) perspectief toegejuicht worden. Niettemin moet er ook op worden gewezen dat deze, eens te meer, het evenwicht tussen de rechten van de schuldeisers enerzijds en deze van de gefailleerde en diens naasten anderzijds verschuift in het nadeel van de schuldeisers.

De auteur is assistent aan de KULeuven.

Bron: Cathleen AERTS, "Gelijkheid bij faillissement voor wettelijk samenwonende en echtgenoot", NjW 2011, 282-...
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:16
Laatst aangepast op: di, 14/10/2014 - 13:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.