-A +A

Verschoning voor de borg van (ex)echtgenote van de zaakvoerder van een gefailleerde vennootschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Art. 82. Faillissementswet [...]
De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echtenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, wordt ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd.

Deze bevrijding geldt ook indien de echtgenoot of voormalige echtgenoot zich, samen met de gefailleerde, borg heeft gesteld voor een schuld van een vennootschap waarvan de gefailleerde zaakvoerder is. (Cassatie 8 mei 2015, RW, 2015-2016, 620)

Cassatie 8 mei 2015, RW, 2015-2016, 620

samenvatting

De echtgenoot of voormalige echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde is persoonlijk aansprakelijk in de zin van artikel 82, tweede lid, Faillissementswet, wanneer hij zich, samen met de gefailleerde, borg heeft gesteld voor een schuld van een vennootschap waarvan de gefailleerde zaakvoerder is

Tekst arrest

Nr. C.13.0301.N
EB-LEASE nv, met zetel te 9000 Gent, Burgstraat 170,
eiseres,

tegen
D. P.,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 28 november 2012.
De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 2 januari 2015 vastgesteld voor behandeling in voltallige zitting.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 82 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997;
- de artikelen 1134, 2011, 2021, 2025, 2026, 2029 en 2033 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden arrest van 28 november 2012 verklaart het hof van beroep te Gent het hoger beroep van de eiseres en het incidenteel beroep van de verweerster tegen het vonnis van 20 juni 2012 ontvankelijk, het eerste ongegrond en het tweede gegrond, bevestigt het vonnis, waarbij de eiseres verzet tegen het vonnis van 1 februari 2012, waarbij de verweerster bevrijd werd verklaard van haar verbintenissen ten aanzien van de eiseres, ongegrond werd verklaard, in zijn beschikkingen, behalve waar het uitspraak deed over de gerechtskosten, vernietigt het op dit punt en, opnieuw wijzende, veroordeelt de eiseres tot de kosten van het geding, veroordeelt de eiseres tot de kosten van het hoger beroep in de zaak nr. 2012/AR/2177, verklaart het hoger beroep van de eiseres en het incidenteel beroep van de verweerster in de zaak nr. 2010/AR/2200 tegen het vonnis van 19 mei 2010 ontvankelijk, het eerste ongegrond en het tweede gegrond, doet dit vonnis teniet en, opnieuw wijzende, verklaart de vordering van de eiseres ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelt haar tot de kosten van het geding. Deze beslissing is gestoeld op volgende overwegingen:

"4. EB-Lease vordert de veroordeling van P. tot betaling van de sommen die MP&D - inmiddels in staat van faillissement verklaard - volgens haar verschuldigd is gebleven ingevolge de financieringshuurcontracten van 6 juli 2006 en 2 februari 2007.
EB-Lease stelt haar vordering op grond van de akten van borgstelling die P. respectievelijk op 6 juli 2006 en 2 februari 2007 ondertekend heeft en waarbij zij zich jegens EB-Lease hoofdelijk en ondeelbaar borg stelde voor alle sommen die MP&D haar zou verschuldigd zijn, tot beloop van respectievelijk 40.6300,00 euro en 33.400,00 euro, vanaf de ingebrekestelling vermeerderd met de kosten en intresten.

Bij afzonderlijk akten van borgstelling van dezelfde data, stelde M. zich voor dezelfde bedragen eveneens borg ten aanzien van EB-Lease voor de schuld van MP&D.

P. was gehuwd met M.. Zij zijn uit de echt gescheiden bij vonnis van 13 maart 2008 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde.

MP&D, met als activiteit het bouwrijp maken van terreinen, werd op 5 maart 2008 in staat van faillissement verklaard en haar faillissement werd gesloten verklaard op 10 december 2008. M., die in persoonlijke naam een bakkerij uitbaatte, werd op 5 maart 2008 eveneens in staat van faillissement verklaard. Dit faillissement werd gesloten verklaard bij vonnis van 1 februari 2012 en M. werd verschoonbaar verklaard.
(...)

5. Indien de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, kan hij niet meer vervolgd worden door zijn schuldeisers (artikel 82, eerste lid, Faillissementswet). De wetgever beoogt op die manier de verschoonbaar verklaarde gefailleerde een nieuwe kans te geven.

Deze doelstelling dreigt evenwel dode letter te blijven wanneer de schuldeisers nog in de mogelijkheid zijn om de echtgenoot van de gefailleerde, die zich met of voor de gefailleerde tegenover hen verbonden heeft, aan te spreken. Een eventuele tenuitvoerlegging van een veroordeling ten laste van de echtgenoot kan het gemeenschappelijk vermogen aantasten en de kansen op succes van de nieuwe activiteit van de gefailleerde ondergraven. Daarom heeft de wetgever het noodzakelijk geacht de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde te beschermen tegen dergelijke aanspraken.

Artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals ver-vangen bij de wet van 18 juli 2008, bepaalt: "De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn vorige echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, wordt ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd."

Het doel van artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet is aldus de gefailleerde in staat stellen zijn activiteit op een aangezuiverde basis te hervatten zonder het risico te lopen van vervolgingen die door de schuldeisers zouden kunnen worden ingesteld op het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten (Grondwettelijk Hof, 18 mei 2011, BS 9 augustus 2011, 45324).

6. M. had een schuld ten aanzien van EB-Lease, op grond van de door hem op 6 juli 2006 en 2 februari 2007 ondertekende akten van borgstelling voor de verbintenissen van MP&D. EB-Lease heeft daarvoor aangifte van schuldvordering gedaan in het faillissement van M. P. heeft zich op haar beurt, bij afzonderlijke akten van borgstelling, eveneens borg gesteld tegenover EB-Lease voor dezelfde verbintenissen van MP&D. Deze borgstellingsverbintenissen werden door M. en P. aangegaan tijdens hun huwelijk.

P. was aldus samen met M. aansprakelijk voor een zelfde schuld ten aanzien van EB-Lease. Zij dienden allebei, tot beloop van dezelfde sommen, in te staan voor de onbetaald gebleven schuld van MP&D jegens EB-Lease. M. kan voor deze schuld evenwel niet meer aangesproken worden, omdat hij verschoonbaar werd verklaard. P. kan zich ten aanzien van EB-Lease beroepen op de bevrijding van deze schuld op grond van artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet. De vaststelling dat dit niet louter een eigen schuld is van de gefailleerde, maar een schuld die beide echtgenoten persoonlijk hebben aangegaan, belet dit niet. Deze bepaling is immers ook van toepassing wanneer de echtgenoot van de gefailleerde, samen met hem, medeschuldenaar is van een schuld die de twee echtgenoten vóór het faillissement zijn aangegaan en waarvoor de echtgenoot van de gefailleerde bijgevolg persoonlijk aansprakelijk is (vgl. CASS. 24 februari 2011, TBH 2011, 897).

Evenmin kan aan P. het voordeel van de bevrijding ontzegd worden, omdat de schuld haar oorsprong vindt in een borgstelling, die beide partijen hebben aangegaan tot zekerheid van de verbintenissen van een derde, noch omdat zij dit gedaan hebben bij afzonderlijke akten. Artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet heeft een algemene draagwijdte en is van toepassing telkens wanneer de echtgenoot van de gefailleerde kan aangesproken worden voor een schuld van de gefailleerde, ongeacht de oorzaak daarvan.

De bevrijding van P.strookt overigens met de ratio legis van artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet. De borgstelling die beide echtgenoten aangingen was een schuld van de gemeenschap. Zij strekte tot zekerheid van de financiering van goederen, noodzakelijk voor de activiteit van de vennootschap, waaruit M. als zaakvoerder inkomsten genereerde, die tot het gemeenschappelijk vermogen behoorden. Indien EB-Lease, ondanks de verschoonbaarheid van M., P. nog zou kunnen aanspreken voor deze schuld, dan zou zij haar aanspraken kunnen uitvoeren op de - gebeurlijk nog niet ontbonden - huwgemeenschap die bestaan heeft tussen M. en P.

Het bestreden vonnis in de zaak nr. 2012/AR/2171 der algemene rol dient aldus bevestigd te worden, waar het tot de ongegrondheid besloot van het verzet van EB-Lease tegen het verstekvonnis van 1 februari 2012, waarbij de rechtbank van koophandel te Dendermonde P. op grond van artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet bevrijdde van haar zekerstelling tegen EB-Lease.

7. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het hoger beroep van EB-Lease in de zaak nr. 2012/AR/2171 der algemene rol ongegrond is.
Gelet op de ongegrondheid van zowel het verzet van EB-Lease als van haar hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, zijn de gerechtskosten in beide aanleggen te haren laste (artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek). De aard van de procedure kan niet verantwoorden dat deze kosten worden omgeslagen.

8. Aangezien P. bevrijd is van haar verbintenissen uit de borgstelling, op grond waarvan EB-Lease haar veroordeling vordert in de zaak nr. 2012/AR/2200 der algemene rol, is deze vordering ongegrond. Dit impliceert dat het hoger beroep van EB-Lease tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 19 mei 2010 ongegrond is en het incidenteel beroep van P. tegen ditzelfde vonnis gegrond. De kosten van beide aanleggen zijn ten laste van EB-Lease. Het hof neemt akte van het feit dat P. de rechtsplegingsvergoeding ten laste van EB-Lease begroot op het minimumbedrag."

Grief

Naar luid van artikel 82, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 kan de gefailleerde, indien hij verschoonbaar wordt verklaard, niet meer vervolgd worden door zijn schuldeisers.

Die verschoonbaarverklaring treft de eigen schulden van de gefailleerde, die hij heeft aangegaan.

Naar luid van artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 wordt de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd.

Zoals blijkt uit de bewoordingen van deze wetsbepaling, slaat de bevrijding van de echtgenoot op de schulden van de gefailleerde, waarvoor de echtgenoot zich, contractueel of wettelijk, heeft verbonden.

Anders gezegd, de echtgenoot heeft zich ten aanzien van de schuldeiser van de gefailleerde tot dezelfde schuld verbonden, het weze op een andere rechtsgrond.

De bevrijding slaat derhalve niet op de schulden van derden, waarvoor de echtgenoot zich persoonlijk borg zou hebben gesteld.

Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat ook de gefailleerde zich voor de schuld van diezelfde derde borg zou hebben gesteld.

Uit artikel 2011 van het Burgerlijk Wetboek volgt inderdaad dat de borgtocht een overeenkomst is, waarbij degene die zich voor een verbintenis borg stelt, zich jegens de schuldeiser verplicht aan die verbintenis te voldoen indien de schuldenaar niet zelf daaraan voldoet.

Blijkens artikel 2021 van het Burgerlijk Wetboek is de borg jegens de schuldeiser niet tot betaling gehouden dan bij gebreke van de schuldenaar, wiens goederen vooraf moeten worden uitgewonnen, tenzij de borg afstand heeft gedaan van het voorrecht van uitwinning of tenzij hij zich hoofdelijk met de schuldenaar heeft verbonden, in welk geval de gevolgen van zijn verbintenis worden geregeld naar de beginselen die ten opzichte van hoofdelijke schulden zijn vastgesteld.

Uit voornoemde bepaling volgt dat de borg per definitie de schuld van een derde waarborgt.

Deze verbintenis heeft een subsidiair karakter. De verbintenis die door de borg wordt opgenomen is in essentie een garantie- of waarborgverbintenis. De borg verbindt zich ertoe de geldelijke gevolgen van de toekomstige wanprestatie van de hoofdschuldenaar voor zijn rekening te nemen.

Hebben verscheidene personen zich voor dezelfde schuldenaar en voor dezelfde schuld borg gesteld, dan is ieder van hen blijkens artikel 2025 van het Burgerlijk Wetboek voor de gehele schuld van de hoofdschuldenaar gehouden, met dien verstande dat overeenkomstig artikel 2026 van het Burgerlijk Wetboek ieder van hen, zo hij geen afstand heeft gedaan van het voorrecht van schuldsplitsing, kan vorderen dat de schuldeiser vooraf zijn vordering verdeelt en die vermindert tot het aandeel van elke borg.

Zo meerdere personen zich borg stelden, ontstaan er zodoende gelijklopende ga-rantie- en waarborgverbintenissen, zonder dat er weliswaar kan worden gesteld dat de ene borg zich verbindt tot de schuld van de andere borg, zijnde de door die borg aangegane waarborgverbintenis.

Uit artikel 2029 van het Burgerlijk Wetboek volgt integendeel dat de borg die de schuld heeft betaald, in alle rechten, die de schuldeiser had tegen de schuldenaar treedt.

Bovendien bepaalt artikel 2033 van het Burgerlijk Wetboek dat wanneer verscheidene personen zich hebben borg gesteld voor dezelfde schuldenaar en voor dezelfde schuld, de borg die de schuld heeft voldaan, verhaal heeft op de overige borgen, ieder voor zijn aandeel.

Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat de borg enkel een verbintenis aangaat samen met de hoofdschuldenaar. Zijn er meerdere borgen, dan gaan zij elk een onderscheiden verbintenis ten aanzien van de schuldeiser aan, zonder dat er tussen de borgen onderling sprake is van een zelfde schuld.

Te dezen blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest dat door de verweerster een akte van borgstelling werd ondertekend op 6 juli 2006 en een tweede op 2 februari 2007, waarbij zij zich ten aanzien van de eiseres voor de hoofdschuldenaar, zijnde MP&D Construct bvba, hoofdelijk en ondeelbaar met laatstgenoemde borg stelde.

De verweerster verbond zich zodoende als borg tot betaling van de schuld van een derde, zijnde MP&D Construct bvba.

Zo haar echtgenoot, die failliet werd verklaard, zich blijkens de gedane vaststellingen op hetzelfde tijdstip, doch bij onderscheiden akten, eveneens ten aanzien van eiseres hoofdelijk en ondeelbaar borg stelde, gold deze borgstelling evenzeer de schuld van MP&D Construct bvba, zijnde de hoofdschuldenaar.

Uit deze vaststellingen volgt dat er ten aanzien van de eiseres door de verweerster en door de gefailleerde als borg gelijklopende verbintenissen werden aangegaan, die kunnen worden omschreven als waarborgverbintenissen, zonder dat er evenwel kan worden gesteld dat de verweerster persoonlijk aansprakelijk was voor een verbintenis, die door de gefailleerde werd aangegaan.

Zo de verbintenissen van beide gewezen echtgenoten op dezelfde schuld sloegen, betroffen zij immers onbetwistbaar de schuld van een derde, waartoe noch de ene, noch de andere zich persoonlijk hadden verbonden.

Besluit

Op grond van de gedane vaststellingen van het bestreden arrest, waaruit blijkt dat de verweerster ten aanzien van de eiseres persoonlijk bij twee onderscheiden akten van borgstelling de verbintenis aanging om de schuld van een derde, te weten MP&D Construct bvba, te waarborgen, vermocht het hof van beroep niet wettig te beslissen dat zij, als echtgenote van de gefailleerde medeborg, ingevolge diens verschoonbaarverklaring, zelf van haar eigen borgverbintenis, slaande op de schuld van MP&D Construct bvba, ten aanzien van de eiseres bevrijd was (schending van artikelen 82, eerste en tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, 2011, 2021, 2025, 2026, 2029, 2033 van het Burgerlijk Wetboek).

Bovendien kon het hof van beroep niet wettig beslissen, zonder aldus de verbindende kracht van de borgstellingsakten van 6 juli 2006 en 2 februari 2007, die door de verweerster werden onderschreven, te miskennen, dat de schuld die deze waarborgde een schuld van de gefailleerde was, daar waar uit de gedane vast-stellingen van het bestreden arrest zelf blijkt dat de gewaarborgde schuld een schuld van MP&D Construct bvba ten aanzien van de eiseres was (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 82, tweede lid, Faillissementswet, wordt de echtgenoot of de voormalige echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, in-gevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd.

2. De echtgenoot of voormalige echtgenoot is persoonlijk aansprakelijk voor de schuld in de zin van deze bepaling wanneer hij zich, samen met de gefailleerde, borg heeft gesteld voor een schuld van een vennootschap waarvan de gefailleerde zaakvoerder is.

3. De appelrechter stelt vast dat:

- de verweerster en haar echtgenoot zich bij akten van borgstelling jegens de ei-seres hoofdelijk en ondeelbaar borg hebben gesteld voor alle sommen die MP&D Construct bvba, vennootschap waarvan de echtgenoot van de verweer-ster zaakvoerder was, haar verschuldigd zou zijn;
- MP&D Construct bvba failliet werd verklaard;
- de echtgenoot van de verweerster, die ook in persoonlijke naam handel dreef, eveneens failliet werd verklaard;
- de echtgenoot van de verweerster verschoonbaar werd verklaard.

4. De appelrechter die op grond van deze vaststellingen oordeelt dat het voor-deel van de bevrijding niet aan de verweerster ontzegd kan worden om reden dat de schuld haar oorsprong vindt in een borgstelling die beide partijen hebben aan-gegaan tot zekerheid van de verbintenissen van een derde, verantwoordt zijn be-slissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 958,04 euro en voor de verweerster op 360,55 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


C.13.0301.N
Conclusie van de advocaat-generaal Vandewal:

Feiten en procedurevoorgaanden

1. Volgens het feitenrelaas in het bestreden arrest sloot eiseres op 6 juli 2006 met de B.V.B.A. MP&D Construct een financieringshuurcontract voor de duur van vijf jaar met betrekking tot een oplegger-kipper. De heer M., zaakvoerder van de B.V.B.A. MP&D Construct, en verweerster, zijn toenmalige echtgenote, stelden zich elk bij afzonderlijke akten van dezelfde datum met de hoofdschuldenaar hoofdelijk en ondeelbaar borg tot beloop van 40.300 euro, vermeerderd met de kosten en intresten.

Op 2 februari 2007 sloot eiseres een tweede financieringshuurcontract af met de B.V.B.A. MP&D Construct met betrekking tot een lichte vrachtwagen. Ook voor de verbintenissen volgend uit deze overeenkomst stelden de heer M. en verweerster zich beiden en elk bij afzonderlijke akte van borgstelling van 2 februari 2007 hoofdelijk en ondeelbaar borg tot beloop van 33.400 euro, vermeerderd met de kosten en intresten.

2. Bij vonnissen van 5 maart 2008 verklaarde de rechtbank van koophandel te Dendermonde zowel de B.V.B.A. MP&D als de heer M. in staat van faillissement.

Eiseres diende in het faillissement van de vennootschap een aangifte van schuldvordering in voor een bedrag van 54.703,20 euro en in het faillissement van de heer M. een aangifte van schuldvordering voor hetzelfde bedrag op grond van zijn schuld als borg voor de verbintenis van de B.V.B.A. MP&D Construct.

Op 4 april 2008 liet eiseres aan MP&D Construct weten dat zij ingevolge het faillissement alle contracten van rechtswege had verbroken.

3. Bij dagvaarding van 15 juni 2009 stelde eiseres een vordering in tegen verweerster teneinde haar te horen veroordelen tot betaling van 17.944,94 euro, meer de herleide verwijlinteresten aan 9,5% per jaar vanaf 10 maart 2008 tot de dag van de algehele betaling en de kosten.

Verweerster vroeg in hoofdorde dat de zaak naar de bijzondere rol zou worden verzonden in afwachting van de afsluiting van het faillissement van de heer M.

4. Bij vonnis van 19 mei 2010 stelde de rechtbank van eerste aanleg te Gent vast dat de heer M. geen partij was in het geding en dat de verweerster zich niet borg had gesteld voor de uitvoering van enige verplichting van de heer M. ten aanzien van de eiseres.

De rechtbank verklaarde de vordering van eiseres toelaatbaar en ten dele gegrond en veroordeelde verweerster tot betaling aan eiseres van 16.826,21 euro, te vermeerderen met de verwijlinterest, evenals tot vier vijfden van de kosten van het geding.

5. Bij vonnis van 1 februari 2012, gewezen op tegenspraak ten aanzien van verweerster en bij verstek ten aanzien van de overige partijen waaronder eiseres, stelde de rechtbank van koophandel te Dendermonde vast dat de heer M. bij vonnis van dezelfde datum verschoonbaar werd verklaard en verklaarde zij verweerster bevrijd van haar borgstelling ten overstaan van onder meer eiseres.

Op 24 februari 2012 tekende eiseres verzet aan tegen dit verstekvonnis. Bij vonnis van 20 juni 2012 werd dit verzet door de rechtbank van koophandel te Dendermonde ontvankelijk maar ongegrond verklaard.

Daarop stelde eiseres hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 19 mei 2010 en bij een afzonderlijke akte tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Dendermonde van 20 juni 2012.

6. Bij het bestreden arrest van 28 november 2012 voegde het hof van beroep te Gent beide zaken samen, verklaarde het het hoger beroep van eiseres en het incidenteel beroep van verweerster tegen het vonnis van 20 juni 2012 van de rechtbank van koophandel te Dendermonde ontvankelijk, het eerste ongegrond en het tweede gegrond, bevestigde het het beroepen vonnis in zijn beschikkingen, behalve waar het uitspraak deed over de gerechtskosten, vernietigde het het beroepen vonnis op dit punt en, opnieuw wijzende, veroordeelde het eiseres tot de kosten van het geding, veroordeelde het eiseres tot de kosten van het hoger beroep in de zaak nr. 2012/AR/2171, verklaarde het het hoger beroep van eiseres en het incidenteel beroep van verweerster in de zaak nr. 2010/AR/2200 tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 19 mei 2010 ontvankelijk, het eerste ongegrond en het tweede gegrond, deed het dit vonnis teniet en, opnieuw wijzende, verklaarde het de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond en veroordeelde het haar tot de kosten van het geding.

Het hof van beroep oordeelde dat de verweerster bevrijd is van haar verbintenissen uit de borgstelling op grond van de overwegingen dat:
- verweerster en haar toenmalige echtgenoot, de heer M., samen aansprakelijk waren voor dezelfde schuld ten aanzien van eiseres, aangezien zij beiden, tot beloop van dezelfde sommen, dienden in te staan voor de onbetaald gebleven schuld van de B.V.B.A. MP&D Construct jegens eiseres;
- verweerster zich ten aanzien van eiseres kan beroepen op de bevrijding van deze schuld op grond van artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet 1997;
- de toepassing van artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet 1997 niet wordt belet door de vaststelling dat dit niet louter een eigen schuld is van de gefailleerde, maar een schuld die beide echtgenoten persoonlijk hebben aangegaan;
- aan verweerster het voordeel van de bevrijding evenmin kan worden ontzegd op grond van de reden dat de schuld haar oorsprong vindt in een borgstelling die beide partijen hebben aangegaan tot zekerheid van de verbintenissen van een derde, noch op grond van de reden dat zij dit gedaan hebben bij afzonderlijke akten (p. 12 van het bestreden arrest).

7. Het cassatieberoep van eiseres tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige cassatieprocedure.

Het enig cassatiemiddel

8. In haar enig cassatiemiddel voert eiseres de schending aan van artikel 82 van de Faillissementswet 1997 en van de artikelen 1134, 2011, 2021, 2025, 2026, 2029 en 2033 van het Burgerlijk Wetboek.

In wezen voert eiseres aan dat:
- de bevrijding van de echtgenoot op de schulden van de gefailleerde slaat, waarvoor de echtgenoot zich, contractueel of wettelijk, heeft verbonden, en dat, anders gezegd, de echtgenoot zich ten aanzien van de schuldeiser van de gefailleerde tot dezelfde schuld heeft verbonden, het weze op een andere rechtsgrond;
- de bevrijding derhalve niet slaat op de schulden van derden, waarvoor de echtgenoot zich persoonlijk borg zou hebben gesteld, en dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door de omstandigheid dat ook de gefailleerde zich voor de schuld van diezelfde derde borg zou hebben gesteld;
- de borg enkel een verbintenis aangaat samen met de hoofdschuldenaar en dat, wanneer er meerdere borgen zijn, zij elk een onderscheiden verbintenis ten aanzien van de schuldeiser aangaan, zonder dat er tussen de borgen onderling sprake is van een zelfde schuld.

Eiseres besluit dan ook dat op grond van de gedane vaststellingen van het bestreden arrest, waaruit blijkt dat verweerster ten aanzien van eiseres persoonlijk bij twee onderscheiden akten van borgstelling de verbintenis aanging om de schuld van een derde, te weten de B.V.B.A. MD&P Construct, te waarborgen, het hof van beroep niet wettig vermocht te beslissen dat zij, als echtgenote van de gefailleerde medeborg, ingevolge diens verschoonbaarverklaring, zelf van haar eigen borgverbintenis, slaande op de schuld van de B.V.B.A. MD&P Construct, ten aanzien van eiseres bevrijd was. Zij besluit bovendien dat het hof van beroep niet wettig kon beslissen, zonder de verbindende kracht van de borgstellingsakten van 6 juli 2006 en 2 februari 2007, die door verweerster werden onderschreven, te miskennen, dat de schuld die deze waarborgde een schuld van de gefailleerde was, daar waar uit de gedane vaststellingen van het bestreden arrest zelf blijkt dat de gewaarborgde schuld een schuld van de B.V.B.A. MD&P Construct ten aanzien van eiseres was.

Bespreking van het enig cassatiemiddel

Wetsgeschiedenis en ratio legis van artikel 82, tweede lid, Faillissementswet

9. Overeenkomstig artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet 1997 wordt de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot ingevolge de verschoonbaarverklaring van die verplichting bevrijd.

De verschoonbaarheid van de gefailleerde werd ingevoerd om hem de kans te bieden met een schone lei in het handelsverkeer op te treden.

10. Vóór de wijziging bij wet van 4 september 2002 bepaalde artikel 82, eerste lid, Faillissementswet dat wanneer de gefailleerde verschoonbaar is verklaard, hij niet meer kan worden vervolgd door zijn schuldeisers.

In zijn arrest van 28 maart 2002 oordeelde het toenmalige Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof, dat deze bepaling het grondwettelijk beschermd gelijkheidsbeginsel schond in zoverre het op geen enkele wijze toestond de echtgenoot of de borg van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde van hun verbintenis te bevrijden(1).

11. Artikel 82 van de Faillissementswet 1997 werd aldus vervangen door artikel 29 van de wet van 4 september 2002 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen. Artikel 82, tweede lid, bepaalde sindsdien dat de echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarverklaring bevrijd wordt van die verplichting.

Deze uitbreiding werd ingegeven door de regel dat, ingeval van gemeenschap van goederen, inkomsten uit een nieuwe beroepsactiviteit van de gefailleerde in het gemeenschappelijk vermogen terechtkomen, zodat vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe beroepsactiviteit kunnen raken.

12. CUYPERS en DE WILDE schetsen in hun respectieve publicaties een overzicht van de nieuwe regeling(2):
- de beroepsschulden van de gefailleerde zijn onvolkomen gemeenschappelijke schulden die kunnen worden verhaald op het eigen vermogen van de gefailleerde en op het gemeenschappelijk vermogen; de verschoonbaarheid maakt dit verhaal niet langer mogelijk, aangezien de verschoonbaarheid deze schulden teniet doet;
- overeenkomstig artikel 98 van de Faillissementswet 1997 is het eigen vermogen van de echtgenoot van de gefailleerde gevrijwaard tegen aanspraken voor de gemeenschappelijke schulden die de gefailleerde bij de uitoefening van zijn beroep heeft gemaakt;
- de "meerwaarde" van de uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid van de gefailleerde tot zijn echtgenoot, slaat op die gevallen waarin de schuldeisers, voor het niet-betaalde gedeelte van hun schuldvordering na verschoonbaarverklaring, via de gehoudenheid van de niet-failliete echtgenoot het gemeenschappelijk vermogen kunnen aanspraken, aangezien daaruit onrechtstreeks volgt dat de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit, die steeds in het gemeenschappelijk vermogen terechtkomen, ook kunnen worden aangesproken, wat niet strookt met het doel van de verschoonbaarheid.

13. Het doel van artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet 1997 is dan ook de gefailleerde in staat te stellen zijn activiteit op een aangezuiverde basis te hervatten, zonder dat hij het risico loopt van vervolgingen op het gemeenschappelijk vermogen.

14. In het arrest van 12 mei 2004 oordeelde het toenmalige Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof, onder meer dat artikel 82 van de Faillissementswet 1997, zoals van toepassing sinds de wijziging ervan bij de wet van 4 september 2002, het grondwettelijk beschermd gelijkheidsbeginsel schendt doordat de echtgenoot die krachtens een fiscale bepaling gehouden is tot een belastingschuld met de gefailleerde, door de verschoonbaarverklaring niet kan worden bevrijd van de verplichting tot betaling van die schuld(3).

Met de wet van 2 februari 2005 werd een oplossing geboden voor deze ongrondwettigheid. Sindsdien wordt de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarverklaring van de gefailleerde, bevrijd van die verplichting.

De bevrijding van de echtgenoot van de gefailleerde wordt aldus van toepassing op het geheel van de schuldvorderingen van de gefailleerde waartoe hij persoonlijk is gehouden, hetzij als gevolg van wettelijke bepalingen, hetzij uit vrije wil(4).

Draagwijdte van de gevolgen van de verschoonbaarverklaring voor de echtgenoot van de gefailleerde

15. Over de draagwijdte van de gevolgen van de verschoonbaarverklaring van de gefailleerde ten aanzien van zijn/haar (voormalige) echtgeno(o)t(e), lopen de meningen in de doctrine uiteen, gelet op het ontbreken van een wettelijke omschrijving van de schulden waarvan de (voormalige) echtgeno(o)t(e) ingevolge de verschoonbaarverklaring wordt bevrijd(5).

16. Algemeen wordt aanvaard dat de verschoonbaarverklaring geen gevolgen heeft voor wat de eigen schulden van de echtgenoot betreft(6).

17. Voor het antwoord op de vraag voor welke schulden de echtgenoot van de gefailleerde dan wel de gevolgen ondervindt van de verschoonbaarverklaring van laatstgenoemde, kunnen twee visies worden onderscheiden:

18. In een eerste visie wordt de bevrijding van de echtgenoot beperkt tot de "eigen schulden van de gefailleerde", en met de "eigen schulden van de gefailleerde" worden die schulden bedoeld die, wat het definitief passief betreft, ten zijnen laste blijven; de bevrijding van de echtgenoot moet beperkt blijven tot deze schulden.
BIQUET-MATHIEU en NOTARNICOLA(7) nemen dit standpunt in: "Pour que le conjoint soit libéré du seul fait de l'excusabilité du failli, il faut qu'il s'agisse d'une dette du failli pour laquelle il est engagé - contractuellement ou légalement, peu importe - en qualité de tiers garant, par exemple comme caution ou codébiteur non concerné par la dette. (...) Aussi bien, si le conjoint, obligé solidairement, est concerné par la dette en ce sens qu'il est appelé à en supporter tout ou partie du poids au stade du recours contributoire, s'agissant par exemple d'un emprunt contracté pour leurs besoins communs ou d'impôts dus à raison de l'activité professionnelle non pas du failli mais du conjoint lui-même, l'excusabilité du failli ne devrait pas logiquement libérer le conjoint. Dans le cas contraire, la faillite serait une aubaine pour le conjoint puisqu'elle lui permettrait d'être libéré de ses propres dettes par cela seul que le failli était engagé avec lui ou pour lui"(8).

19. In de tweede visie wordt de echtgenoot van de gefailleerde bevrijd van elke schuld die ook verhaalbaar is op de gefailleerde.
In deze visie spoort de bevrijding van de echtgenoot met die van de gefailleerde: de echtgenoot wordt bevrijd van alle schulden die konden worden aangegeven in het faillissement en waarvan dus ook de gefailleerde wordt bevrijd.
's Hofs arresten van 14 januari 2010 en 20 mei 2010

20. Ook het Hof sprak zich reeds meermaals uit over de precieze draagwijdte van de verschoonbaarheid van de echtgenoot van de gefailleerde.

21. Op gelijkluidende conclusie van advocaat-generaal THIJS besliste het Hof in een arrest van 14 januari 2010 dat "de verschoonbaarheid enkel de eigen schulden van de gefailleerde [treft]" en dat "het gedeelte van de aanslag dat betrekking heeft op het belastbaar inkomen van de belastingplichtige echtgenoot van de gefailleerde geen eigen schuld van de gefailleerde [is], ook al kan deze schuld krachtens artikel 394, §1, WIB92, worden verhaald op zowel het gemeenschappelijk vermogen als op de eigen goederen van de beide echtgenoten", zodat "de verschoonbaarverklaring van de gefailleerde niet tot gevolg heeft dat voor deze schuld geen verhaal meer mogelijk is op de eigen goederen van de belastingplichtige echtgenoot"(9).

In zijn conclusie voor dit arrest van 14 januari 2010 benadrukte advocaat-generaal THIJS dat:
- in zoverre de fiscus, voor het gedeelte van de belastingen vastgesteld op de inkomsten van de niet-gefailleerde echtgenoot, krachtens artikel 394 van het WIB92 ook verhaal kan instellen op het eigen vermogen van de gefailleerde en op het gemeenschappelijk vermogen, dat deel uitmaakt van de failliete boedel, de gefailleerde en het gemeenschappelijk vermogen ten gevolge van de verschoonbaarverklaring ook bevrijd zullen zijn van de betaling van de eigen fiscale schulden van de niet-gefailleerde echtgenoot;
- het eigen vermogen van de niet-gefailleerde echtgenoot daarentegen zonder enige beperking het voorwerp zal kunnen uitmaken van het verhaal van de fiscus wat betreft het aandeel van deze echtgenoot in de personenbelasting in verband met zijn eigen inkomsten;
- waar het verhaal van de fiscus aldus beperkt is tot het eigen vermogen van de echtgenoot van de gefailleerde, de inkomsten die de gefailleerde na zijn verschoonbaarheid zal verwerven uit een nieuwe activiteit aldus buiten schot blijven zodat aan de doelstelling van de wet om de gefailleerde een tweede kans te geven wordt voldaan(10).

22. Het Hof hernam deze leer in een arrest van 20 mei 2010, waarin het oordeelde dat "de verschoonbaarverklaring wat de fiscale schulden betreft enkel uitwerking [heeft] op de eigen fiscale schulden van de gefailleerde" en dat "het gedeelte van de aanslag dat betrekking heeft op het belastbaar inkomen van de belastingplichtige echtgenoot van de gefailleerde geen eigen fiscale schuld van de gefailleerde [is], waarvoor de echtgenoot van de gefailleerde aansprakelijk is maar een schuld waarvoor de niet-gefailleerde persoonlijk moet instaan, ook al kon deze schuld krachtens artikel 394, §1, WIB92, vóór de verschoonbaarverklaring, worden verhaald op zowel het gemeenschappelijk vermogen als op de eigen goederen van de beide echtgenoten", zodat "de verschoonbaarverklaring van de gefailleerde niet tot gevolg heeft dat voor deze schuld geen verhaal meer mogelijk is op de eigen goederen van de belastingplichtige echtgenoot"(11).

23. Uit deze arresten blijkt aldus dat:
- de bevrijding niet geldt voor het deel van de belastingschuld dat betrekking heeft op de inkomsten van de echtgenoot van de gefailleerde;
- het verhaal waarover de schuldeisers na de verschoonbaarverklaring beschikken beperkt wordt tot de eigen goederen van de echtgenoot van de gefailleerde. Een verhaal op de gemeenschap zou indruisen tegen de ratio legis van de uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarverklaring tot de echtgenoot van de gefailleerde (met name vermijden dat geraakt wordt aan de gefailleerde door een verhaal op de huwelijksgemeenschap).

24. Deze oplossing werd in de doctrine positief onthaald. Dat het verhaalsrecht van de fiscus beperkt blijft tot het eigen vermogen van de echtgenoot van de gefailleerde, waardoor de inkomsten die de gefailleerde verwerft uit een nieuwe activiteit na zijn verschoonbaarverklaring volledig buiten schot blijven, strookt volgens GOOSSENS met de ratio legis van artikel 82 van de Faillissementswet 1997. Deze oplossing gaat bovendien volgens hem ook niet verder dan nodig: "De wetgever had immers geenszins de bedoeling om de gevolgen van de verschoonbaarheid ook uit te breiden tot de eigen schulden van de niet-gefailleerde echtgenoot of diens schuldeisers"(12).

's Hofs arresten van 24 februari 2011, 8 juni 2012 en 18 oktober 2013

25. Het arrest van het Hof van 24 februari 2011(13) betrof een onder scheiding van goederen gehuwd echtpaar. De echtgenoten gingen een krediet aan voor de verwerving van hun woning, waarbij de lening werd gewaarborgd door een hypotheek op een onroerend goed van de echtgenote. Haar echtgenoot ging failliet en werd verschoonbaar verklaard. Nadien wenste de kredietverlener het saldo van de vordering te verhalen op het gehypothekeerde eigen goed van de echtgenote.

De appelrechters hadden in deze zaak beslist tot de toepasselijkheid van artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet 1997. Zij oordeelden dat "de commentatoren er weliswaar op [wijzen] dat, wanneer de echtgenoot bevrijd wordt doordat de gefailleerde verschoonbaarheid geniet, het faillissement voor hemzelf een buitenkans is aangezien hij aldus van zijn eigen schulden bevrijd kan worden", maar dat "bij gebrek aan enig onderscheid artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet evenwel onjuist [zou] worden toegepast indien de echtgenoot de bevrijding ontzegd zou worden, op grond dat de litigieuze schuld vóór de aanvang van de beroepsactiviteit of ook door hem werd gemaakt".

In haar cassatievoorziening voerde de kredietverleenster aan dat de bevrijding van de echtgenoot ingevolge de verschoonbaarheid veronderstelt dat het gaat om een schuld van de gefailleerde waarvoor de echtgenoot hetzij bij overeenkomst, hetzij overeenkomstig de wet, als derde instaat, bijvoorbeeld als borg of medeschuldenaar die de schuld niet zelf heeft aangegaan. Een gezamenlijk aangegane schuld, die bijgevolg niet alleen een schuld van de gefailleerde maar ingevolge het in deze zaak toepasselijke huwelijksvermogensstelsel (in casu scheiding van goederen) ook een persoonlijke schuld van de echtgenoot is, komt volgens het aangevoerde cassatiemiddel niet in aanmerking.

Het Hof verwierp dit cassatieberoep en oordeelde dat het middel faalde naar recht omdat "[artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997] ook van toepassing [is] wanneer de echtgenoot van de gefailleerde, samen met hem, medeschuldenaar is van een schuld die de twee echtgenoten vóór het faillissement zijn aangegaan en waarvoor de echtgenoot van de gefailleerde bijgevolg persoonlijk aansprakelijk is".

26. Dit arrest werd door sommige auteurs positief onthaald. Zo stelde CAVENAILE(14) dat "cette confirmation est logique et est conforme au principe du caractère général de la décharge"(15). PASTEGER(16) voegde daaraan toe dat "cette position est par ailleurs cohérente avec la volonté du législateur, sous-jacente à toute la matière de l'excusabilité, d'offrir au failli reconnu excusable l'opportunité de repartir à zéro, à l'occasion d'un fresh start"(17).

27. Een vierde belangrijk arrest van het Hof dateert van 8 juni 2012(18); deze zaak betrof echtgenoten, gehuwd onder het wettelijk stelsel, die samen een krediet aangingen met het oog op de verwerving van een onverdeeld aandeel in een eigen goed door de echtgenote. Tot waarborg van het krediet werd een hypotheek op eigen goed van de echtgenote gevestigd. De man ging failliet en werd verschoonbaar verklaard. Nadien wenste de kredietverlener de gehypothekeerde goederen (die niet tot de boedel van het faillissement behoorden) uit te winnen.

De appelrechters hadden geoordeeld dat de echtgenote zich met succes op artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet 1997 kon beroepen. In haar cassatievoorziening tegen deze uitspraak voerde de bank onder meer in een eerste onderdeel aan dat de bevrijding van de echtgenoot van de gefailleerde niet van toepassing is op de schulden aangegaan door die echtgenoot als hoofdschuldenaar, desgevallend gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde, ten gunste van zijn eigen vermogen of met betrekking tot zijn eigen beroepsactiviteit.

Het Hof verwierp dit eerste onderdeel van het cassatiemiddel als falend naar recht en oordeelde dat "de toepassing van [artikel 82, tweede lid, Faillissementswet van 8 augustus 1997] ook het geval [omvat] waarbij de echtgenoot van de gefailleerde samen met hem de medeschuldenaar is van een schuld die vóór het faillissement door de twee echtgenoten is aangegaan en waartoe de echtgenoot van de gefailleerde bijgevolg persoonlijk gehouden is, ook al werd die schuld aangegaan ten voordele van het eigen vermogen van de echtgenoot".

28. In hetzelfde arrest van 8 juni 2012 ging het Hof, in antwoord op het tweede onderdeel van het cassatiemiddel van de kredietverlener, in op het verzoek om aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag voor te leggen of artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, in die zin uitgelegd dat de echtgenoot van de gefailleerde bevrijd wordt van een schuld die gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde is aangegaan, ook al is die schuld aangegaan ten voordele van het eigen vermogen van de echtgenoot, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het aldus een gelijke behandeling maakt van de echtgenoot die zich louter voor de persoonlijke verbintenissen van de gefailleerde garant heeft gesteld, zonder daaruit een voordeel voor zijn eigen vermogen te halen, en degene die deze schuld gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde is aangegaan ten voordele van zijn eigen vermogen, waarbij de schuldeiser in de beide onderstellingen zijn recht verliest op het verhalen van die schuld op de echtgenoot.

29. In zijn prejudicieel arrest van 21 maart 2013 beantwoordde het Grondwettelijk Hof deze vraag negatief(19). Het oordeelde dat:
- de uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde niet werd ingevoerd om discriminatie te vermijden op het vlak van de solidariteit die uit het huwelijk is ontstaan, maar omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit in het gemeenschappelijke vermogen terechtkomen;
- vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, met inbegrip van zijn eigen goederen, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten zouden kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel;
- de omstandigheid dat de gezamenlijke schuld van de gefailleerde en diens echtgenoot is aangegaan voor de verwerving, door de echtgenoot, van een eigen goed, in dat verband geen invloed heeft omdat de verhaalmogelijkheid waarover de schuldeisers beschikken, ook betrekking heeft op het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten;
- de omstandigheid dat de echtgenoot zou zijn gehouden, krachtens artikel 1216 van het Burgerlijk Wetboek, tot voldoening van de gehele schuld ten aanzien van de andere medeschuldenaar - de verschoonbaar verklaarde gefailleerde - evenmin invloed heeft;
- de omstandigheid dat een schuldeiser van een schuld die is aangegaan, in het belang van zijn eigen vermogen, door een echtgenoot die is onderworpen aan een stelsel van scheiding van goederen, en door de verschoonbaar verklaarde gefailleerde echtgenoot, de inning van zijn schuldvordering kan verhalen op het vermogen van de echtgenoot, terwijl de schuldeiser van een schuld die onder dezelfde voorwaarden is aangegaan door een echtgenoot die is onderworpen aan een stelsel van gemeenschap van goederen of aan het wettelijke stelsel, niet zulk een inning kan verkrijgen, niet van die aard is dat zij de in het geding zijnde maatregel onverantwoord maakt, omdat een dergelijk verschil in behandeling voortvloeit uit de keuze van de echtgenoten voor een bepaald huwelijksvermogensstelsel;
- de wetgever redelijkerwijs kon oordelen dat de rechter die, om een gefailleerde verschoonbaar te verklaren, alle elementen van diens situatie in aanmerking dient te nemen, rekening houdend met de gezamenlijke of hoofdelijke verbintenis die de gefailleerde is aangegaan om een gemeenschappelijke schuld te waarborgen die is aangegaan om zijn echtgenoot in staat te stellen een eigen goed te verwerven.

30. In een later arrest van 13 juni 2013, besliste het Grondwettelijk Hof trouwens dat het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden door de uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de wettelijk samenwonende die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde wanneer de gezamenlijke schuld van de gefailleerde en de persoon met wie hij wettelijk samenwoont is aangegaan voor de verbouwing, door de wettelijk samenwonende, van een goed waarvan hij de enige eigenaar is(20).

31. Nadat het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag die Uw Hof had voorgelegd in zijn arrest van 8 juni 2012 negatief beantwoord had in zijn arrest van 21 maart 2013, sprak Uw Hof zich definitief uit over het tweede en derde onderdeel van het enig cassatiemiddel in de zaak C.11.0080.F in het arrest van 18 oktober 2013(21).

32. Met betrekking tot het tweede onderdeel besliste het Hof, met verwijzing naar het arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 maart 2013, dat het onderdeel naar recht faalde.

33. In een derde onderdeel had de vervolgende kredietverlener aangevoerd dat "de bevrijding van de echtgenoot immers slechts betrekking [heeft] op zijn persoonlijke verbintenis tot betaling van de schuld van de gefailleerde. Zij bevrijdt de echtgenoot dus van die verbintenis en, in voorkomend geval, gaat ook de hypotheek teniet die gesteld is als waarborg van de persoonlijke verbintenis van de echtgenoot. Daarentegen laat de verschoonbaarheid de zakelijke borg onverlet in zoverre deze de schuld van de gefailleerde dekt, die door de verschoonbaarheid niet tenietgaat en, bijgevolg, niet tot gevolg kon hebben dat de hypotheek tenietgaat".

Het Hof verwierp eveneens dit derde onderdeel en oordeelde dat "de toepassing van [artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997] zich [uitstrekt] tot de hypotheek die de echtgenote van de gefailleerde heeft toegestaan op een van haar eigen goederen, als waarborg voor de verbintenissen van laatstgenoemde".

Krachtlijnen bij de bepaling van het materiële toepassingsgebied van artikel 82, tweede lid, Faillissementswet

34. 's Hofs arresten van 14 januari 2010 en 20 mei 2010 aan de ene kant en die van 24 februari 2011, 8 juni 2012 en 18 oktober 2013 lijken de problematiek vanuit een ander uitgangspunt te benaderen.

35. Het Hof lijkt immers in zijn arresten van 24 februari 2011, 8 juni 2012 en 18 oktober 2013 de bevrijding van de echtgenoot van de gefailleerde te aanvaarden voor de schuld die ook verhaalbaar is op de gefailleerde (obligatio). De arresten van 14 januari 2010 en 20 mei 2010 lijken te impliceren dat de echtgenoot enkel wordt bevrijd van de schulden die op het vlak van de bijdrage en laste zijn van de gefailleerde (contributio).

36. De doctrine stelt dat de samenlezing van deze arresten moeilijk is. PASTEGER(22) stelt in deze context: "Ainsi, l'arrêt du 24 février 2011 semble contredire l'enseignement traditionnel, dégagé par la Cour constitutionnelle et confirmé par la Cour de cassation dans son arrêt du 14 janvier 2011 [lees: 2010] suivant lequel la libération du conjoint non failli est limitée aux dettes propres au failli, à savoir selon la doctrine précitée [noot: de leer verdedigd door BIQUET-BATHIEU en NOTARNICOLA], celles pour lesquelles son conjoint n'est engagé qu'en qualité de tiers garant ‘non concerné par la dette' "(23).

37. Volgens dezelfde auteur(24) kan toch een poging worden ondernomen om de arresten te verzoenen: "Toutefois, dans un effort de conciliation des enseignements dégagés par la Cour de cassation dans l'arrêt du 20 mai 2010 et dans la décision annotée [noot: het arrest van 24 februari 2011], deux hypothèses pourraient, nous semble-t-il, être distinguées. Lorsque la dette, dont un époux vante la libération en raison de l'excusabilité de son conjoint failli, ‘concerne' personnellement ce dernier, en ce sens qu'il doit en supporter tout ou partie de la charge au stade du recours contributoire, alors l'article 82, 2ème alinéa de la loi sur les faillites pourrait trouver à s'appliquer. Tel serait, par exemple, le cas de la quotité d'impôt afférent aux revenus du failli, d'une dette du failli pour laquelle son conjoint est intervenu en qualité de tiers garant, de caution ou de codébiteur non concerné par la dette, mais également d'un emprunt contracté pour acquérir un bien commun ou indivis. Au contraire, si le conjoint non failli, et lui seul, est ‘concerné' par la dette, celle-ci ne pourrait tomber dans le champ d'application de l'article 82, 2ème alinéa de la loi. Ainsi en irait-il de la quotité d'impôt relative aux revenus du conjoint non failli ou de la dette souscrite par le conjoint du failli, pour laquelle ce dernier s'est porté caution. L'évolution par rapport à l'enseignement antérieur serait alors le suivant: plutôt que d'avoir égard au fait que le conjoint du failli est, ou non, ‘concerné' par la dette en cause, c'est du point de vue du failli, et de son éventuelle obligation de supporter in fine tout ou partie de la charge de la dette, qu'il conviendrait de se placer. En d'autres termes, le conjoint du failli serait libéré de son obligation en vertu de l'article 82, 2ème alinéa de la loi sur les faillites lorsque le failli est ‘concerné' par la dette, en ce sens que ce dernier serait amené à en assumer tout ou partie du poids au stade du recours contributoire"(25).

38. Een correct antwoord op de vraag voor welke schulden de verschoonbaarheid van de gefailleerde gevolgen heeft voor diens echtgenoot, veronderstelt m.i. dat zowel de bedoeling van de wetgever, zoals hierboven geschetst, als de belangen van de schuldeisers in rekening worden gebracht.

39. Hierover stelt VEROUGSTRAETE(26): "La jurisprudence considère que cette libération vaut à l'égard de tous les engagements du conjoint, y compris lorsqu'il s'est engagé comme sûreté personnelle au profit de son époux. La jurisprudence n'a pas cherché à distinguer le type d'engagement du conjoint et a retenu l'objectif du législateur, qui entendait éviter que le failli ne puisse assurer son redressement si des poursuites sont engagées contre son conjoint. Lorsque des époux ont contracté un crédit ‘habitation' garanti par une hypothèque sur la résidence commune et sur un immeuble propre en nue-propriété de l'épouse, après la faillite du mari, la déclaration de son excusabilité et la vente de l'immeuble commun, l'épouse est déchargée de l'obligation qu'elle a contractée avec son mari, ce qui fait obstacle à la mise en œuvre de la garantie sur le bien en nue-propriété. La situation des créanciers n'a, dans ce cas, pas été prise en considération"(27).

Dezelfde auteur(28) stelt tevens dat "le conjoint non failli est libéré de l'ensemble des dettes du failli auxquelles il est tenu personnellement, soit par l'effet de conventions, volontairement, soit indirectement du fait des dispositions légales", en dat "toutes les dettes du failli couvertes par l'excusabilité sont visées. Il suffit, mais il faut que la dette soit une dette du failli, c'est-à-dire qu'elle soit née de son activité"(29).

40. Naar mijn mening kan volgende oplossing worden weerhouden:
- de (voormalige) echtgenoot wordt bevrijd van alle schulden die kaderen in de handelsactiviteit van de gefailleerde en waarvoor hij eveneens aansprakelijk is; deze beroepsschulden moeten in elk geval worden beschouwd als vallend onder het toepassingsgebied van artikel 82, tweede lid, Faillissementswet, ook in de hypothese dat de (voormalige) echtgenoot zich persoonlijk borg heeft gesteld voor een schuld van een derde;
- wat de privé-schulden betreft, wordt de (voormalige) echtgenoot enkel bevrijd van de schulden die, wat het definitief passief betreft, ten laste zijn van de gefailleerde; voor de bevrijding van de (voormalige) echtgenoot volstaat het niet dat een schuld ook verhaalbaar is op de gefailleerde;
- voor de privé-schulden waarvan de (voormalige) echtgenoot niet wordt bevrijd dient, in ieder geval voor de situatie waarin echtgenoten gehuwd zijn onder een gemeenschapsstelsel, een verhaal op de huwgemeenschap te worden uitgesloten.
Besluit

41. Tot de schulden die onder het toepassingsgebied van artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet 1997 vallen, behoren aldus de schulden die de gefailleerde in het kader van zijn beroepsactiviteiten aanging en waarvoor zijn (voormalige) echtgenoot eveneens aansprakelijk is.

42. De appelrechter stelt vast dat verweerster en haar echtgenoot zich bij akten van borgstelling jegens eiseres hoofdelijk en ondeelbaar borg hebben gesteld voor alle sommen die de B.V.B.A. MP&D Construct, vennootschap waarvan de, nadien failliet en verschoonbaar verklaarde, echtgenoot van verweerster zaakvoerder was, aan eiseres verschuldigd zou zijn. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt tevens dat de door verweerster tijdens het huwelijk gewaarborgde hoofdschuld voortvloeide uit de handelsactiviteit van haar gefailleerde echtgenoot.

43. Het middel voert aan dat de bevrijding van de echtgenoot niet kan slaan op schulden van derden waarvoor de gefailleerde en de echtgenoot zich beiden borg hebben gesteld omdat het daarbij niet gaat om eigen schulden van de gefailleerde.

44. Het middel berust naar mijn mening op een verkeerde rechtsopvatting en lijkt mij naar recht te falen.

Conclusie:
45. Verwerping.
________________________
(1) Arbitragehof 28 maart 2002, nr. 69/2002, AA 2002, 831.
(2) A. CUYPERS, "De verschoonbaarheid van de gefailleerde en de positie van echtgenoot en borgen in de gerepareerde Faillissementswet", TBH 2003, (267) 272, nrs. 16 e.v.; A. DE WILDE, "Reparatiewet faillissement", RW 2002-03, (561) 574-75.
(3) Arbitragehof 12 mei 2004, nr. 78/2004, AA 2004, 879; RW 2004-05, 658, noot M. VANMEENEN.
(4) Parl. St. Kamer 2004-05, nr. 1320/002, 4; zie hierover E. DIRIX en R. DE CORTE, Zekerheidsrechten, Mechelen, Kluwer 2006, 292, nr. 438; M. DEBUCQUOY, "De wet van 20 juli 2005: koppel verschoonbaarheid & bevrijding uit elkaar", TRV 2006, (443) 453, nr. 23; M. VANMEENEN en B. WINDEY, "De verschoonbaarheid en de bevrijding van de persoonlijke zekerheidssteller: nieuwe regels, nieuwe zorgen", in H. COUSY en E. DIRIX (eds.), Themis. Insolventierecht, Brugge, die Keure 2006, (7) 11-12, nr. 8.
(5) Over deze discussie, zie o.m. A. AYDOGAN, "De partnerbescherming na de verschoonbaarverklaring van de gefailleerde handelaar: verleden, heden en toekomst", T.Not. 2013, (494) 498, nrs. 8-9.
(6) Zie o.m. A. DE WILDE, "De kosteloze persoonlijke zekerheidssteller in het insolventierecht", in B. ALLEMEERSCH en D. LAMBRECHT (eds.), Actuele ontwikkelingen inzake faillissementsrecht, Antwerpen, Intersentia 2008, (131) 142, nr. 21; M. DEBUCQUOY, "De wet van 20 juli 2005: koppel verschoonbaarheid & bevrijding uit elkaar", TRV 2006, (443) 453, nr. 23; M. VANMEENEN en B. WINDEY, "De verschoonbaarheid en de bevrijding van de persoonlijke zekerheidssteller: nieuwe regels, nieuwe zorgen", in H. COUSY en E. DIRIX (eds.), Themis. Insolventierecht, Brugge, die Keure 2006, (7) 12, nr. 8; M. VANMEENEN, "Tien jaar Belgisch insolventierecht: heden, verleden en toekomst", in B. ALLEMEERSCH en D. LAMBRECHT (eds.), Actuele ontwikkelingen inzake faillissementsrecht, Antwerpen, Intersentia 2008, 122, nr. 34.
(7) C. BIQUET-MATHIEU en S. NOTARNICOLA, "La protection des sûretés personnelles dites faibles - Le point après la loi du 3 juin 2007 sur le cautionnement à titre gratuit", in C. BIQUET-MATHIEU (ed.), Sûretés et procédures collectives, CUP, Louvain-la-Neuve, Anthemis 2009, (23) 85, nr. 73.
(8) Vrije vertaling: "Opdat de echtgenoot bevrijd weze op de enkele grond van de verschoonbaarheid van de gefailleerde, dient het te gaan om een schuld van de gefailleerde waartoe hij, contractueel of op grond van de wet - het heeft weinig belang - gehouden is als derde-garant, bijvoorbeeld als borg of als medeschuldenaar die de schuld niet heeft aangegaan. (...) Zo ook, als de hoofdelijk gehouden echtgenoot betrokken is bij de schuld in de zin dat hij het volledige bedrag of een deel ervan ten laste dient te nemen in het stadium van het contributoire verhaal, bijvoorbeeld in het geval van een lening die werd aangegaan voor de gemeenschappelijke behoeften of in het geval van belastingen die verschuldigd zijn niet op grond van de professionele activiteit van de gefailleerde, maar op die van de echtgenoot zelf, zou de verschoonbaarheid van de gefailleerde de echtgenoot logischerwijs niet mogen bevrijden. Zoniet zou het faillissement een buitenkans opleveren voor de echtgenoot, die zich zou kunnen bevrijden van zijn eigen schulden op de enkele grond dat de gefailleerde zich samen met hem of voor hem heeft verbonden."
(9) Cass. 14 januari 2010, AR F.08.0090.N, AC 2010, nr. 37, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS.
(10) Concl. van advocaat-generaal D. THIJS bij Cass. 14 januari 2010, AC 2010, nr. 37.
(11) Cass. 20 mei 2010, AR F.09.0088.N, AC 2010, nr. 359.
(12) G. GOOSSENS, "... in goede en kwade dagen: over de gehoudenheid van de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde", TFR 2010, (1026) 1030.
(13) Cass. 24 februari 2011, AR C.10.0322.F, AC 2011, nr. 168, met strijdige concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN in Pas. 2011, nr. 168; JLMB 2011, 1673, noot P. CAVENAILE.
(14) P. CAVENAILE, "Le sort du conjoint du failli après l'entrée en vigueur de la seconde loi de réparation du 1er février 2005" (noot onder Cass. 24 feb. 2011), JLMB 2011, (1676) 1679.
(15) Vrije vertaling: "Dit oordeel is logisch en is in overeenstemming met het principe van het algemeen karakter van de bevrijding".
(16) D. PASTEGER, "Excusabilité du failli, libération du conjoint et protection de son patrimoine propre", TBH 2011, (881) 885, nr. 11.
(17) Vrije vertaling: "Deze stellingname is coherent met de wil van de wetgever, onderliggend aan de ganse regeling inzake verschoonbaarheid, om aan de verschoonbaar verklaarde gefailleerde de kans te bieden om opnieuw te vertrekken vanaf nul, ter gelegenheid van een fresh start".
(18) Cass. 8 juni 2012, AR C.11.0080.F, AC 2012, nr. 373, noot.
(19) GwH 21 maart 2013, nr. 40/2013, Arr.GwH 2013, 655, en inzonderheid 662, ro B.7.
(20) GwH 13 juni 2013, nr. 86/2013, Arr.GwH 2013, 1301, en inzonderheid 1306, ro B.7.
(21) Cass. 18 oktober 2013, AR C.11.0080.F, AC 2013, nr. 532, met concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN in Pas. 2013, nr. 532; JLMB 2014, 27.
(22) D. PASTEGER, "Excusabilité du failli, libération du conjoint et protection de son patrimoine propre" (noot onder Cass. 24 februari 2011), TBH 2011, (881) 884, nr. 8.
(23) Vrije vertaling: "Op die manier lijkt het arrest van 24 februari 2011 de traditionele leer tegen te spreken, ontwikkeld door het Grondwettelijk Hof en bevestigd door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 14 januari 2011 [lees: 2010], overeenkomstig welke de bevrijding van de niet-gefailleerde echtgenoot beperkt is tot de eigen schulden van de gefailleerde, meer bepaald, volgens de aangehaalde rechtsleer, die schulden waarvoor de echtgenoot enkel als derde-garant is verbonden, zonder de schuld zelf aangegaan te hebben."
(24) D. PASTEGER, "Excusabilité du failli, libération du conjoint et protection de son patrimoine propre" (noot onder Cass. 24 februari 2011), TBH 2011, (881) 885, nr. 10.
(25) Vrije vertaling: "Niettemin kunnen, in een poging om de leer ontwikkeld door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 20 mei 2010 met de geannoteerde beslissing [het arrest van 24 februari 2011] te verzoenen, naar ons lijkt twee hypotheses worden onderscheiden. Wanneer de schuld, waarvan de echtgenoot de bevrijding aanvoert op grond van de verschoonbaarverklaring van zijn gefailleerde echtgenoot, laatstgenoemde persoonlijk ‘betreft', in die zin dat hij instaat voor het volledige bedrag of een deel ervan in het stadium van het contributoir verhaal, kan artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet worden toegepast. Dit zou het geval zijn, bijvoorbeeld, voor het gedeelte van de belasting met betrekking tot de inkomsten van de gefailleerde, voor een schuld van de gefailleerde waarvoor zijn echtgenoot is tussengekomen als derde-garant, als borgsteller of als codebiteur die niet betrokken is bij de schuld, maar ook bij een lening aangegaan om een gemeenschappelijk of onverdeeld goed te verwerven. Daarentegen, wanneer de echtgenoot die niet failliet werd verklaard, en alleen hij, bij de schuld is ‘betrokken', kan die niet vallen binnen het toepassingsgebied van artikel 82, tweede lid, van de wet. Dit zou het geval zijn voor het gedeelte van de belasting met betrekking tot de inkomsten van de echtgenoot die niet failliet werd verklaard, of voor een schuld die werd aangegaan door de echtgenoot van de gefailleerde, waarvoor laatstgenoemde zich borg heeft gesteld. De evolutie ten aanzien van de vroegere leer zou dan de volgende zijn: eerder dan het feit in acht te nemen of de echtgenoot van de gefailleerde al dan niet ‘betrokken' is bij de schuld, dient men de situatie vanuit de positie van de gefailleerde, en zijn eventuele gehoudenheid om in fine het volledige bedrag van de schuld of een deel ervan te dragen, te bekijken. Met andere woorden, de echtgenoot van de gefailleerde zou bevrijd worden van zijn verplichting op grond van artikel 82, tweede lid, Faillissementswet wanneer de gefailleerde ‘betrokken' is bij de schuld, in die zin dat laatstgenoemde verplicht zou zijn het volledige bedrag van de schuld of een deel ervan voor zijn rekening te nemen in het stadium van het contributoir verhaal".
(26) I. VEROUGSTRAETE, Manuel de la continuité des entreprises et de la faillite, Waterloo, Kluwer 2010, 765-766, nr. 3.12.1.17.
(27) Vrije vertaling: "De rechtspraak beschouwt dat deze bevrijding geldt ten overstaan van alle verbintenissen van de echtgenoot, inbegrepen wanneer hij zich heeft verbonden als persoonlijke zekerheid ten voordele van zijn echtgenoot. De rechtspraak heeft niet geprobeerd om een onderscheid te maken naargelang het type van verbintenis van de echtgenoot en heeft de doelstelling van de wetgever, die beoogde te vermijden dat de gefailleerde zijn herstel niet zou kunnen verzekeren wanneer vervolgingen tegen zijn echtgenoot worden ingesteld, behouden. Wanneer echtgenoten een woonkrediet aangingen, gewaarborgd door een hypotheek op een gemeenschappelijke verblijfplaats en op een eigen onroerend goed van de echtgenote in naakte eigendom, wordt de echtgenote, na het faillissement van haar echtgenoot, diens verschoonbaarverklaring en de verkoop van het gemeenschappelijk onroerend goed, bevrijd van de verbintenis die zij met haar echtgenoot is aangegaan, wat verhindert de waarborg uit te oefenen op het onroerend goed in naakte eigendom. In zulk geval werd met de situatie van de schuldeisers geen rekening gehouden".
(28) I. VEROUGSTRAETE, Manuel de la continuité des entreprises et de la faillite, Waterloo, Kluwer 2010, 765, nr. 3.12.1.16.
(29) Vrije vertaling: "De echtgenoot die niet failliet werd verklaard wordt bevrijd van het geheel van schulden van de gefailleerde waartoe hij persoonlijk gehouden is, zij het vrijwillig op grond van overeenkomsten dan wel onrechtstreeks op grond van wettelijke bepalingen", en dat "alle schulden van de gefailleerde gedekt door de verschoonbaarheid worden geviseerd. Het volstaat, maar is vereist, dat de schuld een schuld van de gefailleerde is, dit betekent dat zij ontstaan is uit zijn activiteit".
 

Nog dit: 

Uit het Belgisch Staatsblad van 21/02/05:

Wet van 2 FEBRUARI 2005. Wet tot wijziging van artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 (1)
...

Art. 2. Artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, gewijzigd bij de wet van 4 september 2002, wordt vervangen
als volgt :

« De echtgenoot (en de ex-echtgenoot) van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting. »

Art. 3. Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 4. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van deze wet.

Rechtspraak: de uitvoering van een loonoverdracht lastens een echtgenote alvorens er uitspraak is over de verschoonbaarheid maakt rechtsmisbruik uit.

Wordt een gehuwde gefailleerde verschoonbaar verklaard, dan is diens echtgenoot of echtgenote automatisch
bevrijd van dezelfde schulden waarvan ook de gefailleerde wordt verschoond (zie art. 82
FaillW)

In tegenstelling tot de bevrijding van de overige stellers van persoonlijke zekerheden moet er voor de bevrijding van de huwelijkspartner:
- geen sprake zijn van een wanverhouding met inkomsten en vermogen van die echtgenoot;
- er moet niet nagegaan worden of de verbintenis door de echtgenoot kosteloos werd aangegaan;
- moet het niet noodzakelijk gaan om om schulden waarvoor men zich door rechtshandeling mee aansprakelijk
heeft gesteld, maar geldt de bevrijding ook voor schulden waartoe men krachtens de wet hoofdelijk verbonden is, bv. de belastingen.

Voor de eigen schulden van de huwelijkspartner geldt de verschoning niet (bv. het deel van de personenbelasting van de echtgenoten dat betrekking heeft op de inkomsten van de niet-gefailleerde echtgenoot). De verschoonbaarheid van de echtgenote in toepassing van artikel 82 van de Faillissementswet heeft evenmin invloed op de schulden die de debiteur als een medeschuldenaar voor loutere privé-doeleinden heeft aangegaan. ziet ter zake rechtbank eerste aanleg Dendermonde een, 12 september 2006, rechtskundig weekblad 2006-2007, 1686.

het artikel 82 ten tweede van de faillissementswet bepaalt dat de echtenoot van de gefaillieerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd wordt van deze verplichting.

De wet laat evenwel na om te bepalen wanneer er aan de voorwaarden "echtgenoot zijn" moeten voldaan zijn. deze vraag kan van belang zijn dan wanneer in de loop van het faillissement er een echtscheiding tussen kans de verschoning van de ene echtgenoot heeft juridische gevolgen met terugwerkende kracht tot op de datum van het faillissement en de op dat ogenblik bestaande schulden. Volgens de rechtspraak van het hof van beroep te Gent wordt gesteld dat de waar de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefaillieerde dezelfde voordelen geniet van een bevrijding, dit eveneens dezelfde schulden betreft die bestonden op datum van het faillissement.

Men kan moeilijk eisen dat echtgenoten gehuwd moeten blijven totdat omtrent de verschoonbaarheid zal zijn geoordeeld om van de bevrijding te kunnen genieten. De schuldeisers zouden er in die hypothese alle belang bij hebben om de definitieve uitspraak omtrent de verschoonbaarheid van de gefaillieerde te zien uitstellen tot na de echtscheiding van de gefaillieerde. Bijgevolg oordeelde het hof van beroep te Gent dat het volstaat dat beiden nog gehuwd waren op datum van het faillissement en de echtgenoot op dat ogenblik voor de betrokken schuld van de gefaillieerde persoonlijk was verbonden. hof van beroep Gent, 14 januari 2008, NJW 179,266

Een andere vrijstellingsregel voor de huwelijkspartner van de gefailleerde is deze van art. 98 FaillW, volgens hetwelk "de gemeenschappelijke schulden die de gefailleerde bij de uitoefening van zijn beroep heeft gemaakt en die niet voldaan zijn door devereffening van het faillissement, niet kunnen worden verhaald op het eigen vermogen van de echtgenoot van de gefailleerde.

• toepassing op oudere faillissementen en collectieve schuldenregelingen.

De mogelijkheid tot kwijtschelding voor de borgsteller en voor de echtgenote van de gefailleerde werd pas ingevoerd bij wetswijziging middels wet van 20 juli 2005 (wijziging Faillissementswet) en de Wet CSR. (1675/15 bis en 1675/7§2 Ger. W.). De vraag stelt zich dan ook in hoeverre borgstellers en echtgenotes van gefailleerden van deze wet gebruik kunnen maken, wanneer de gefailleerde verschoond werd voor de inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005. deze vraag kan bevestigend beantwoord worden aan de hand van de rechtspraak:

zie: Hof van Beroep te Brussel, 17e Kamer – 27 juni 2006, rechtskundig weekblad 2006-2007, kolom 1648:

"Nieuwe wetgeving kan geen afbreuk doen aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Onder de werking van de Faillissementswet van 1997 bleef de gehoudenheid van de borg of de echtgenoot voor de schulden van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde bestaan, maar dit kan niet worden aangemerkt als een onherroepelijke vastlegging of bevestiging van hun verplichtingen. In dezelfde zin dient te worden geoordeeld over een gehomologeerde minnelijke aanzuiveringregeling. Een dergelijke aanzuiveringregeling kan worden aangepast wegens o.a. nieuwe feiten en bevat derhalve geen definitieve regeling van de rechten van partijen".

• om bevrijd te zijn de echtgenoot op het tijdstip van de verklaring van verschoonbaarheid moet de echtgenote nog door een huwelijk moet verbonden zijn met de gefailleerde, terwijl de persoon die op datum van faillissement wel gehuwd was met de gefailleerde doch op het tijdstip van de verschoonbaarverklaring uit de echt gescheiden is, niet kan genieten van het voordeel van de bevrijding, verbonden aan de verschoonbaarheid en gehouden blijft voor die schulden van de gefailleerde waarvoor zij/hij zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld. Aan het grondwettelijk hof werd de vraag gesteld of dit onderscheid geen schending uitmaakte van het gelijkheidsbeginsel. Deze vraag werd ontkennend beantwoord in het hierna weergegeven arrest:

"GRONDWETTELIJK HOF, Uittreksel uit arrest nr. 3/2008 van 17 januari 2008, Rolnummer 4146, Publicatie : 2008-02-28
In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 80 en 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals gewijzigd bij de wet van 2 februari 2005, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,
wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij arrest van 8 februari 2007 in zake L.S. tegen de NV « Fortis Bank » en de NV « Centea », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 februari 2007, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schenden de artikelen 80 en 82 Faill.W., zoals gewijzigd bij wet van 2 februari 2005, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien deze bepalingen zo moeten gelezen worden dat om bevrijd te zijn de echtgenoot op het tijdstip van de verklaring van verschoonbaarheid nog door een huwelijk moet verbonden zijn met de gefailleerde, terwijl de persoon die op datum van faillissement wel gehuwd was met de gefailleerde doch op het tijdstip van de verschoonbaarverklaring uit de echt gescheiden is, niet kan genieten van het voordeel van de bevrijding, verbonden aan de verschoonbaarheid en gehouden blijft voor die schulden van de gefailleerde waarvoor zij/hij zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld ? ».
(...)

III. In rechte
(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 80 en 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997.

B.2. Uit de formulering van de prejudiciële vraag zelf en uit het verwijzingsarrest blijkt dat de vraag beperkt is tot artikel 82, tweede lid, van de faillissementwet.

B.3. Sinds de wijziging ervan bij de wet van 2 februari 2005 die in werking is getreden op 21 februari van datzelfde jaar, bepaalt artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet :

« De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting ».

B.4. Aan het Hof wordt gevraagd of die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, aldus geïnterpreteerd dat « om bevrijd te zijn de echtgenoot op het tijdstip van de verklaring van verschoonbaarheid nog door een huwelijk moet verbonden zijn met de gefailleerde, terwijl de persoon die op datum van faillissement wel gehuwd was met de gefailleerde doch op het tijdstip van de verschoonbaarverklaring uit de echt gescheiden is, niet kan genieten van het voordeel van de bevrijding, verbonden aan de verschoonbaarheid en gehouden blijft voor die schulden van de gefailleerde waarvoor zij/hij zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld ».

B.5. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van de faillissementswetgeving die in essentie ertoe strekt een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de schuldenaar en de belangen van de schuldeisers.

De verklaring van verschoonbaarheid vormt voor de gefailleerde een gunstmaatregel die hem in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, en zulks niet alleen in zijn belang maar ook in het belang van zijn schuldeisers of sommigen onder hen die belang erbij kunnen hebben dat hun schuldenaar zijn activiteiten op een dergelijke basis hervat, waarbij het voortzetten van een handels- of industriële activiteit bovendien het algemeen belang kan dienen (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/1, pp. 35 en 36).

De wetgever, die van oordeel is dat « de mogelijkheid tot herstel [...] utopisch [blijft] indien [de gefailleerde] de last van het passief moet blijven dragen », heeft gemeend dat « het [...] immers niet te verantwoorden [is] dat het in gebreke blijven van de schuldenaar als gevolg van omstandigheden waarvan hij het slachtoffer is, hem verhindert andere activiteiten te verrichten » (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 50).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever « op een evenwichtige wijze rekening [heeft willen] houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde zelf, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in zijn geheel » en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 29).

B.6. Artikel 82, tweede lid, bevrijdt de echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, van die verplichting.

Het Hof dient te onderzoeken of die maatregel een discriminatie inhoudt ten aanzien van de ex-echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde die op de datum van het faillissement met de gefailleerde was gehuwd doch op het tijdstip van de verschoonbaarverklaring uit de echt is gescheiden.

Daarbij dient rekening te worden gehouden, enerzijds, met de economische en sociale doelstellingen van de in het geding zijnde maatregel en, anderzijds, met de ter zake geldende beginselen van het burgerlijk vermogensrecht volgens welke « alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan [...] degenen die deze hebben aangegaan, tot wet [strekken] » (artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek) en « ieder die persoonlijk verbonden is, [...] gehouden [is] zijn verbintenissen na te komen, onder verband van al zijn goederen, hetzij roerende, hetzij onroerende, zo tegenwoordige als toekomstige » (artikel 7 van de hypotheekwet van 16 december 1851).

B.7. De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, werd ingevoerd, niet om discriminatie te vermijden op het vlak van de solidariteit die uit het huwelijk is ontstaan, maar omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit in het gemeenschappelijke vermogen terechtkomen (artikel 1405, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel.

Het kan derhalve objectief en redelijk worden verantwoord dat de gevolgen van de verschoonbaarheid niet werden uitgebreid tot de ex-echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde. In dat geval kan immers de doelstelling van de verschoonbaarheid niet worden ondergraven.

B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :

Artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 17 januari 2008."

Dit arrest werd gevolgd door een nieuwe wet van 18 juli 2008 waardoor voortaan ook de ex huwelijkspartner voortaan niet niet langer dient in te staan voor de schulden van de verschoonde gefailleerde:

18 JULI 2008. - Wet tot wijziging van artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 wet betreft de verschoonbaarheid van voormalige echtgenoten. Zie ook NJW 189, 727

Bron : JUSTITIE
Publicatie : 28-08-2008 nummer :
Inwerkingtreding : 28-08-2008

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. In artikel 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, vervangen bij de wet van 4 september 2002 en gewijzigd bij de wetten van 2 februari 2005 en 20 juli 2005 wordt het tweede lid vervangend als volgt :
" De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echtenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, wordt ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd. "

Art. 3. Deze wet treedt in werking op de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 18 juli 2008.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie,
J. VANDEURZEN
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
J. VANDEURZEN.

Rechtspraak:

• Rechtbank van Koophandel te Gent, 3e Kamer – 20 januari 2009, RW 2008-2009, 1655

De echtgenote van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde is bevrijd krachtens art. 82 Faillissementswet, zoals gewijzigd door de wet van 4 september 2002.

Zulks geldt ook voor de echtgenote van de gefailleerde die vóór de inwerkingtreding van deze bepaling verschoonbaar werd verklaard.

De B. t/ NV E.

...

3.1. De gefailleerde, mevrouw C., werd verschoonbaar verklaard op 14 april 1999.

Art. 82 van de Faillissementswet werd herhaaldelijk gewijzigd. Vanaf 1 januari 1998 tot 1 oktober 2002 was volgende tekst van toepassing: «Wanneer de gefailleerde verschoonbaar is verklaard, kan hij niet meer worden vervolgd door zijn schuldeisers (...)».

De verschoonbaarheid houdt niet in dat de schuld vervalt en is geen exceptie die tot de schuld behoort, maar alleen een exceptie die de schuldenaar zelf betreft (Cass. 16 november 2001, T.B.H. 2002, 34).

Bij arrest van 28 maart 2002 heeft het toenmalige Arbitragehof, thans het Grondwettelijk Hof, geoordeeld: «In zoverre het op geen enkele wijze een rechter toestaat de echtgenoot of de borg van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde van hun verbintenis te bevrijden, schendt art. 82 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet».

Bij de wet van 4 september 2002 werd het art. 82 van de Faillissementswet gewijzigd; met ingang van 1 oktober 2002 geldt (tot 7 augustus 2005) volgende bepaling: «De verschoonbaarheid doet de schulden van de gefailleerde teniet en ontslaat de natuurlijke personen die zich kosteloos borg hebben gesteld voor een verbintenis van de gefailleerde van hun verplichtingen. De echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting». Deze tekst werd opnieuw gewijzigd bij de wet van 20 juli 2005: «Indien de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, kan hij niet meer vervolgd worden door zijn schuldeisers. De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting».

Dit houdt dus in dat vanaf 1 oktober 2002 de echtgenoot van de gefailleerde die zich borg heeft gesteld voor de schulden van de gefailleerde, bevrijd is van deze borgstelling, op voorwaarde dat de gefailleerde zelf verschoonbaar verklaard is.

3.2. De eiser voert aan dat hij in gevolge het in werking treden van de wet van 4 september 2002 vanaf 1 oktober 2002 niet langer gehouden is tot de schulden van de gefailleerde waarvoor hij persoonlijk aansprakelijk was. Hij beweert dat hij bevrijd is van de schulden ingevolge borgstelling waarvoor de bank loondelegatie verkreeg en beslag heeft gelegd. Hij is bovendien van oordeel dat de bank deze schulden dient terug te betalen.

3.3. De rechtbank heeft bij de uitspraak over de verschoonbaarverklaring van mevrouw C. toepassing gemaakt van de wetgeving die van kracht was op het ogenblik van die beoordeling, namelijk art. 82, zoals het oorspronkelijk werd ingevoerd door de Faillissementswet. Het vonnis van 14 april 1999 zou dus niet gewijzigd kunnen worden door het tot stand komen van een nieuwe wettelijke bepaling.

Dit vonnis deed evenwel geen uitspraak over de bevrijding van de echtgenoot van de gefailleerde. Op het ogenblik van die uitspraak bestond een dergelijke bevrijding niet, in tegenstelling tot de bevrijding die vanaf 1 oktober 2002 wel bestaat.

3.4. Door de wijziging van een bestaande regeling of de invoering van een nieuwe regeling wordt een onderscheid gemaakt tussen rechtssubjecten die nog onder de oude regeling vielen en rechtssubjecten die voortaan onder de nieuwe regeling vallen. Dit is op zichzelf geen discriminerende behandeling. Elke wetswijziging zou onmogelijk worden mocht worden aangenomen dat een nieuwe bepaling de Grondwet zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere wetgeving wijzigt (vgl. Arbitragehof nr. 86/95, 21 december 1995).

De wet is krachtens een algemeen rechtsbeginsel dat is neergelegd in art. 2 B.W. onmiddellijk van toepassing op alle gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden. Noch het recht van verdediging, noch de behoefte aan rechtszekerheid, noch art. 6 E.V.R.M. worden geschonden door het enkele feit dat de wet, buiten elk processueel aspect, onmiddellijk van toepassing is op alle gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden en aldus aan een vroegere toestand bepaalde rechtsgevolgen hecht (Cass. 10 februari 1997, Arr. Cass. 1997, 195).

Overigens is de onmiddellijke toepassing van de wet, zelfs indien deze een voordien bestaande rechtssituatie zou wijzigen, des te meer gerechtvaardigd indien daardoor een einde zou worden gemaakt aan een regeling die discriminerend werkt(e) (zie: P. Popelier, Toepassing van de wet in de tijd, in A.P.R. nr. 211 en aldaar vermelde arrest Arbitragehof nr. 83/ 93). Dat een dergelijke discriminatie bestaat, blijkt zonder enige twijfel uit het hierboven vermelde arrest van het Grondwettelijk Hof (Arbitragehof 28 maart 2002).

De nieuwe wet mag evenwel geen afbreuk doen aan verkregen rechten, noch de inhoud van een reeds verkregen recht uithollen (Hof Mensenrechten nr. 17849/91, 3 juli 1997, inzake NV Pressos Compania Naviera e.a. t/ België).

Een vonnis over de verschoonbaarverklaring is beperkt tot datgene waarover de rechter diende te oordelen; een oordeel overeenkomstig art. 82 van de Faillissementswet houdt geen beoordeling in van de gevolgen van de verschoonbaarheid voor de echtgenoot; noch vóór noch na 1 oktober 2002 diende of dient de rechter zich uit te spreken over de bevrijding van de echtgenoot; deze bevrijding is een gevolg van de verschoonbaarheid van de gefailleerde.

Aldus kan het feit dat de echtgenoot niet bevrijd werd door de verschoonbaarverklaring niet als een verkregen recht worden beschouwd, omdat daarover geen uitspraak werd gedaan.

Geen enkele aanwijzing in de wet van 4 september 2002 is van aard om aan te nemen dat de bevrijding van de echtgenoot enkel plaatsheeft ingeval de verschoonbaarheid aan de gefailleerde werd toegekend vóór of na 1 oktober 2002: de wet bepaalt dat door de verschoonbaarverklaring de echtgenoot wordt bevrijd.

Verkregen rechten ter zake zouden een vóór 1 oktober 2002 uitgesproken vonnis van veroordeling zijn, of de – al dan niet vrijwillige – betalingen door de verbonden echtgenoot.

Dat de wet aan een bestaand feit (de verschoonbaarheid) een nieuw rechtsgevolg (de bevrijding) koppelt, betekent niet dat de wet retroactief wordt toegepast, noch dat een reeds definitief verworven recht wordt aangetast.

In zoverre de onmiddellijke toepassing van de wet van 4 september 2002, met ingang van 1 oktober 2002, reeds verworven rechten niet aantast, en bovendien een einde maakt aan een discriminatie, dient de eiser als bevrijd te worden beschouwd vanaf 1 oktober 2002.

Dit brengt mee – onder voorbehoud van wat volgt – dat betalingen vóór die datum aan de bank verworven zijn, maar dat betalingen na die datum dienen te worden teruggestort door de bank en verdere vervolgingen niet meer mogelijk zijn.

3.5. Ten onrechte roept de bank in dat de eiser gehuwd is onder het stelsel van scheiding van goederen; de wetgever heeft weliswaar bij de voorbereiding van de wet vooral oog gehad voor degenen die gehuwd zijn met een gemeenschap, maar een onderscheid naargelang het huwelijksvermogensrecht komt in de wet betreffende de bevrijding niet tot uiting.

3.6. De vraag rijst uiteindelijk of de betalingen tussen 1 oktober 2002 en 24 oktober 2005, zijnde de aanmaning tot terugbetaling, als onverschuldigde betaling moeten worden beschouwd.

De wetgever heeft aan de bevrijding van de echtgenoot geen duidelijke inhoud gegeven; er is geen reden voorhanden om bevrijding anders te kwalificeren dan verschoonbaarheid, namelijk dat geen vervolgingen kunnen worden ingesteld.

Bevrijding is met andere woorden geen uitwisseling van schuld, zodat hetgeen betaald werd ingevolge de loonoverdracht vooraleer verzet werd gedaan, niet kan worden teruggevorderd.

Dat volgens de bewoordingen van de wet van 4 september 2002 de schulden van de gefailleerde worden tenietgedaan, houdt duidelijk geen daadwerkelijk verdwijnen van de schuld in, omdat enkel bepaalde borgen en de echtgenoot bevrijd werden; bij een daadwerkelijk tenietgaan van de schuld gaat immers ook de zekerheid als accessorium teniet, zodat uit de bewoordingen van de wet zelf voortvloeit dat dit tenietgaan gebonden is aan de persoon van de schuldenaar, met andere woorden dat de schuld wel tenietgaat wat de gefailleerde betreft, maar niet wat de schuldeiser of de borg betreft.

Er anders over oordelen zou betekenen dat de wet tegenstrijdige bepalingen bevat.

Mitsdien is de vordering tot terugbetaling van gedane betalingen vóór 24 oktober 2005 ongegrond, maar is de vordering wel gegrond in zoverre deze sommen betreft die werden betaald na de aanmaning door eiser.

 


 

De verklaring van verschoonbaarheid vormt voor de gefailleerde een gunstmaatregel die hem in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, en zulks niet alleen in zijn belang maar ook in het belang van zijn schuldeisers of sommigen onder hen die belang erbij kunnen hebben dat hun schuldenaar zijn activiteiten op een dergelijke basis hervat, waarbij het voortzetten van een handels- of industriële activiteit bovendien het algemeen belang kan dienen (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/1, pp. 35 en 36).

De wetgever, die van oordeel is dat « de mogelijkheid tot herstel [...] utopisch [blijft] indien [de gefailleerde] de last van het passief moet blijven dragen », heeft gemeend dat « het [...] immers niet te verantwoorden [is] dat het in gebreke blijven van de schuldenaar als gevolg van omstandigheden waarvan hij het slachtoffer is, hem verhindert andere activiteiten te verrichten » (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 50).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever « op een evenwichtige wijze rekening [heeft willen] houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde zelf, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in zijn geheel » en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 29).

Artikel 82, tweede lid, bevrijdt de echtgenoot en de voormalige echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, van die verplichting.
De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, werd bij de wet van 2 februari 2005 ingevoerd, niet om discriminatie te vermijden op het vlak van de solidariteit die uit het huwelijk is ontstaan, maar omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten uit een nieuwe beroepsactiviteit van de gefailleerde in het gemeenschappelijke vermogen terechtkomen (artikel 1405, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteit kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel.

Door, bij de wet van 18 juli 2008, de gevolgen van de verschoonbaarheid uit te breiden tot de voormalige echtgenoot, heeft de wetgever, ook al was het niet vereist door het doel van verschoonbaarheid op zich, de voormalige echtgenoot willen beschermen. De parlementaire voorbereiding van die wet luidt immers als volgt :

« De wetgever heeft [...] nooit de gevolgen die een echtscheiding voor de echtgenoot van de gefailleerde zou hebben, inzonderheid een echtscheiding die zou worden voltrokken vóór de verschoonbaarheid van die echtgenoot effect sorteert, aan een specifiek onderzoek onderworpen.
Het betreft hier een punt dat momenteel bijzonder heikel is, niet alleen in het licht van de thans geldende wetsbepalingen, maar vooral als gevolg van arrest nr. 37/2007 (7 maart 2007) van het Grondwettelijk Hof. Volgens sommigen bestond er immers een discriminatie tussen diegene die echtgenoot bleef en de gewezen echtgenoot (die de echtscheidingsprocedure begon en beëindigde vóór het verkrijgen van de verschoonbaarheid). Het Hof heeft geoordeeld dat die toestand géén discriminatie inhoudt. Terzake kan worden verwezen naar punt B.7. van het arrest (cf. DOC 52 1032/001, blz. 5).

Strikt juridisch, alsook rekening houdend met de grondwettigheid van de wet en met de doelstellingen die ze nastreeft, kunnen de indieners van dit wetsvoorstel die visie wel volgen. Toch achten zij een wetswijziging noodzakelijk, want met name om sociale redenen kan het niet door de beugel dat er een verschil in behandeling bestaat tussen, enerzijds, de echtgenoot van de gefailleerde die aansprakelijk is voor de schulden en, anderzijds, de voormalige echtgenoot die zich tijdens de duur van het huwelijk voor die schulden aansprakelijk heeft gesteld.

Doordat het huwelijk evenwel is ontwricht geniet laatstgenoemde echtgenoot niet langer automatisch de gevolgen van een eventuele verschoonbaarheid en daar komt nog bij dat de betrokkene bij het faillissement of tijdens de periode rond het faillissement veelal niet meer bij machte was eventueel nog iets gedaan te krijgen van zijn echtgenoot.
Het is bijgevolg aangewezen artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet nogmaals te wijzigen en duidelijk te stellen dat ingevolge de verschoonbaarheid niet enkel de echtgenoot van de gefailleerde bevrijd is van zijn verbintenissen, maar ook de gewezen echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, aangegaan tijdens het huwelijk.

De voorwaarden uit het derde lid van het artikel 82 blijven behouden. Het is bijgevolg duidelijk de bedoeling de echtgenoot en de gewezen echtgenoot op voet van gelijkheid te brengen » (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-1032/003, pp. 4 en 5).

De enkele omstandigheid dat de wetgever voortaan ook de voormalige echtgenoot wil beschermen, impliceert niet dat hij zijn vroegere doelstelling zou hebben opgegeven : het doel van artikel 82, tweede lid, blijft de gefailleerde in staat stellen zijn activiteit op een aangezuiverde basis te hervatten zonder het risico te lopen van vervolgingen die door de schuldeisers zouden kunnen worden ingesteld op het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, ook al wordt de voormalige echtgenoot, om billijkheidsredenen te zijnen aanzien, voortaan gelijkgesteld met de echtgenoot.

Vermits het voordeel van verschoonbaarheid aan de gefailleerde wordt toegekend op grond van persoonlijke elementen, staat de beoordeling van die elementen door de rechter die uitspraak moet doen, los van het feit of de echtgenoot of voormalige echtgenoot al dan niet vat zou hebben kunnen gehad op omstandigheden die zich hadden kunnen voordoen tussen het ogenblik waarop hij zich persoonlijk bindt en het ogenblik van het vonnis waarbij het faillissement wordt uitgesproken : ongeacht de handelwijze van de echtgenoot of de voormalige echtgenoot, zij zou niet ertoe mogen leiden dat het voordeel van verschoonbaarheid aan de gefailleerde wordt toegekend rekening houdend met het belang of de eisen van de echtgenoot of van de voormalige echtgenoot.

Uit het voorgaande volgt dat artikel 82, tweede lid, door aan de beslissing over de verschoonbaarheid van een gefailleerde een automatisch gevolg te verbinden voor de situatie van de echtgenoot of van de voormalige echtgenoot, niet op discriminerende wijze afbreuk doet aan de rechten van de betrokkenen.

Zie arrest GWH 18/05/2011 juridat

Let wel:

De verschoonbaarverklaring van de gefailleerde slaat enkel op zijn eigen schulden. De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid naar de ex-echtgenote heeft geen betrekking op de eigen schulden van de ex-echtgenote waarvoor zij zich hoofdelijk heeft verbonden.

zie Arbeidsrechtbank te Kortrijk, Afdeling Roeselare – 16 december 2011, RW 2012-2013, 28

M.V. t/ NV S. e.a.

...

Op 10 juni 2010 werd door de schuldbemiddelaar een gewijzigd voorstel van minnelijke aanzuiveringsregeling opgemaakt ingevolge de verkoop van het onroerend goed gelegen te (...), waarin de schuldenaar samen met haar ex-echtgenoot W.S. gerechtigd was. Daarbij neemt de schuldbemiddelaar niet meer alle schuldvorderingen in aanmerking, enkel die van de vzw Vrij sociaal Verzekeringsfonds voor zelfstandigen, van het Kantoor der Domeinen en Penale Boeten te Kortrijk en van mr. Y.R.

De NV S. en het Ontvangkantoor Kortrijk 2 deden afstand van hun schuldvordering.

Nopens de schuldvordering van de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen nam de schuldbemiddelaar in zijn ontwerp het volgende standpunt in: “het betreft een resterend saldo van een hypothecaire lening toegestaan aan het (thans uit de echt gescheiden) echtpaar W.S.-M.V. bij akte van 17 juni 1992 voor de aankoop van de gezinswoning. Bij vonnis van 10 februari 2003 van de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk werd het faillissement van de heer W.S. gesloten en werd hij met toepassing van art. 80 Faillissementswet, gewijzigd bij wet van 4 september 2002, verschoonbaar verklaard. Met toepassing van de wet tot wijziging van art. 82, tweede lid van de Faillissementswet betreffende de verschoonbaarheid van voormalige echtgenoten is mevrouw M.V. van deze schuld bevrijd. De aangifte van het Vlaams Woningfonds bedraagt bijgevolg nihil”.

De schuldbemiddelaar besluit dat enkel de verschuldigde kapitalen van de aanvaarde schuldvorderingen van de vzw Vrij sociaal Verzekeringsfonds voor zelfstandigen, van het Kantoor der Domeinen en Penale Boeten te Kortrijk en van mr. Y.R. of een totale schuldenlast voor een bedrag van 1.681,57 euro aangenomen worden.

Het voorstel van minnelijke aanzuiveringsregeling werd niet aanvaard door de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen.

Uit de stukken blijkt dat de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen haar schuldvordering deels heeft kunnen te gelde maken door de openbare verkoop van het onderpand, namelijk de echtelijke woning van de echtgenoten S.-V., die plaatsvond in juni 1993. De prijs van 60.733,91 euro was echter niet voldoende om het toen nog uitstaande leningsaldo van 75.919 euro volledig af te lossen. Tot vrijwaring van haar rechten in de recuperatie van het onvereffend gebleven saldo werd door de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen in 2003 onroerend beslag gelegd op de rechten (de helft in volle eigendom) van de heer S. en zijn echtgenote, huidige schuldenaar, in een woning die zij samen met de (schoon)broer en echtgenote hadden gekocht voor hun (schoon)vader. Deze woning werd ondertussen verkocht, nadat bij vonnis van 20 maart 2009 machtiging tot verkoop uit de hand werd verleend door deze rechtbank.

De inningsmaatregelen ten laste van de heer S. werden gestopt om reden dat hij na de vereffening van zijn faillissement op 10 februari 2003 verschoonbaar werd verklaard. Nu wenst de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen het restsaldo op te vorderen via de schuldenaar, mevrouw V. De gelden van de verkoop toekomende aan mevrouw V. (waarover discussie), staan thans geblokkeerd op de rekening van de instrumenterende notaris.

De CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen voert aan dat art. 82, tweede lid van de Faillissementswet verkeerdelijk wordt toegepast door de schuldbemiddelaar. De schuldenaar blijft immers aansprakelijk voor een hypothecaire lening ter financiering van de gezinswoning die zij in haar eigen naam solidair en hoofdelijk verbonden heeft afgesloten.

Om de opname van de schuldvordering te weigeren baseert de schuldbemiddelaar zich op art. 82, tweede lid van de Faillissementswet, dat ook van toepassing is op de ex-echtgenote, waardoor zij ook voordeel kan halen uit de door de rechtbank van koophandel uitgesproken verschoonbaarheid van de heer W.S., de gefailleerde.

Ook de raadsman van de schuldenaar is die mening toegedaan en wijst er daarnaast op dat partijen gehuwd waren onder het wettelijk stelsel, zodat de schuld ten aanzien van het Vlaams Woningfonds een gemeenschappelijke schuld betreft, ook al heeft de schuldenaar zich “solidair en hoofdelijk in eigen naam verbonden”.

Er wordt ook verwezen naar een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 28 oktober 2008 (RW 2008-09, 1776). Daaruit leidt de schuldenaar af dat de verschoonbaarheid zowel de situatie van de borgstelling van de echtgenoot als van het co-debiteurschap van de echtgenoot beoogt. Aangezien de hypothecaire lenig een co-debiteurschap inhoudt, is betrokkene bevrijd.

De vraag rijst of de schuldenaar en zijn schuldbemiddelaar zich hier terecht kunnen beroepen op art. 82, tweede lid van de Faillissementswet. Dit artikel bepaalt: “De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, wordt ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd”.

De hypothecaire lening die door de schuldenaar en de heer S. werd afgesloten is ingevolge art. 1408 BW inderdaad een gemeenschappelijke schuld. De schuld werd immers aangegaan zowel door de schuldenaar als door de heer S. tijdens het huwelijk.

Overeenkomstig art. 1414 BW kunnen gemeenschappelijke schulden zowel verhaald worden op het gemeenschappelijk vermogen als op het eigen vermogen van elk van de echtgenoten.

Wanneer de echtgenoten samen een schuld aangaan, dan zijn zij tot betaling gehouden met alle goederen, ongeacht de aard van de schuld.

Luidens art. 82, eerste lid Faillissementswet kan de gefailleerde die verschoonbaar werd verklaard, niet meer vervolgd worden door zijn schuldeisers. Volgens het tweede lid van die wetsbepaling wordt de (ex-)echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting. De verschoonbaarverklaring treft echter enkel de eigen schulden van de gefailleerde (zie Cass. 14 januari 2010, nr. F.08.0090.N, ww.cass.be en conclusie van advocaat-generaal Dirk Thijs).

De schuldenaar heeft zich ook in eigen naam hoofdelijk en solidair verbonden voor de aankoop van de gezinswoning, en dit voor privédoeleinden. De gemeenschappelijke aard van de schuld maakt het mogelijk dat deze schuld zowel verhaald kan worden op het gemeenschappelijk vermogen als op het eigen vermogen van de beide (ex-)echtgenoten. De verschoonbaarverklaring heeft niet tot gevolg dat voor deze schuld geen verhaal meer mogelijk is op de eigen goederen van de schuldenaar mevrouw V. Het is immers zo dat mevrouw V. gevrijwaard is voor betaling van de eigen schulden van haar ex-echtgenoot, waarvoor zij een zekerheid stelde.

Het saldo van de hypothecaire lening maakte voor de heer S. een eigen schuld uit die voor hem ingevolge de verschoonbaarverklaring onherroepelijk teniet werd gedaan.

De schuldenaar contracteerde ook in eigen naam, wat blijkt uit de koopovereenkomst van de gezinswoning en de daartoe aangegane hypothecaire lening. De aard van de schuld (gemeenschappelijk) maakt dat de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen zich kan verhalen op het gemeenschappelijk vermogen en het eigen vermogen van zowel de gefailleerde als zijn echtgenoot.

Mevrouw V. heeft zich in casu niet enkel verbonden ten gunste van de schulden van de gefailleerde zelf of tot zekerheid van de schuld van de gefailleerde. In het voormelde arrest van het Hof van Beroep te Gent van 28 oktober 2008 (waarnaar de raadsman van de schuldenaar verwijst) was dit wel het geval, zodat de daarin besproken problematiek duidelijk te onderscheiden is van huidige situatie waarbij beide echtgenoten zich indertijd elk in eigen naam hoofdelijk en solidair verbonden hebben voor de hypothecaire lening aangegaan ter financiering van de aankoop van de gezinswoning.

Terecht voert de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen aan dat de verschoonbaarheid en de uitbreiding ervan tot de (ex-)echtgenoot niet slaan op de eigen verbintenissen van de echtgenoot van de gefailleerde, die deze zekerheidsfunctie niet hebben.

Ten onrechte gaat de schuldbemiddelaar ervan uit dat, nu het gemeenschappelijk vermogen van de gefailleerde niet meer kan worden aangesproken, de bevrijding van de (ex-)echtgenoot van de gefailleerde slaat op alle schulden van het gemeenschappelijk vermogen, waaronder het saldo van de hypothecaire lening. Dan zou immers iedere (professionele) schuldeiser van de niet-gefailleerde (ex-)echtgenoot – wiens schuld verhaalbaar is op het gemeenschappelijk vermogen – zijn verhaalsrechten verliezen op het eigen vermogen van de contracterende, niet-gefailleerde echtgenoot. Een dergelijke stelling breidt de gevolgen van de verschoonbaarheid dan uit tot de schulden van de niet-gefailleerde echtgenoot die verhaalbaar zijn op het gemeenschappelijk vermogen, en geeft daarmee een dermate ruime interpretatie aan art. 82 Faillissementswet die indruist tegen de ratio legis van dit artikel.

Het Grondwettelijk Hof merkte in dit verband reeds op dat de uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van de gefailleerde werd ingevoerd omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit in het gemeenschappelijk vermogen terechtkomen (art. 1405, eerste lid BW). Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomens van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel (Grondwettelijk Hof 17 januari 2008, nr. 3/2008).

De bedoeling van de wetgever bestond er dus in te vermijden dat het gemeenschappelijk vermogen nog wordt aangesproken door de schuldeisers van de gefailleerde. Het ligt geenszins in de bedoeling van de wetgever om de gevolgen van de verschoonbaarheid uit te breiden tot de eigen schulden van de niet-gefailleerde echtgenoot of tot diens schuldeisers.

Deze zaak betreft echter de gevolgen van de verschoonbaarheid voor de verhaalmogelijkheid van de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen betreffende eigen verbintenissen van de ex-echtgenoot van de gefailleerde ten aanzien van het nog verschuldigde en niet-vereffende saldo van de hypothecaire lening voor de aankoop van de gezinswoning, los van enige zekerheidsstelling voor de schulden van de gefailleerde.

De stelling van de schuldbemiddelaar kan dus niet gevolgd worden. De schuldvordering van de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen dient door de schuldbemiddelaar opgenomen te worden in het passief. Met deze schuldvordering dient bijgevolg rekening te worden gehouden bij de opmaak van de minnelijke aanzuiveringsregeling, wat niet is gebeurd.

...

Commentaar: 

De verklaring van verschoonbaarheid vormt voor de gefailleerde een gunstmaatregel die hem in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, en dit niet alleen in zijn belang maar ook in het belang van zijn schuldeisers of sommigen onder hen die er belang bij kunnen hebben dat hun schuldenaar zijn activiteiten op een dergelijke basis hervat, waarbij het voortzetten van een handels- of industriële activiteit bovendien het algemeen belang kan dienen (Parl.St. Kamer 1991-92, nr. 631/1, p. 35 en 36).

De wetgever, die van oordeel is dat “de mogelijkheid tot herstel [...] utopisch [blijft] indien [de gefailleerde] de last van het passief moet blijven dragen”, heeft gemeend dat “het [...] immers niet te verantwoorden [is] dat het in gebreke blijven van de schuldenaar als gevolg van omstandigheden waarvan hij het slachtoffer is, hem verhindert andere activiteiten te verrichten” (Parl.St. Kamer 1991-92, nr. 631/13, p. 50).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever “op een evenwichtige wijze rekening [heeft willen] houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde zelf, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in haar geheel” en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (Parl.St. Kamer 1991-92, nr. 631/13, p. 29).

De wetgever heeft bij de wet van 4 september 2002, in art. 82 van de Faillissementswet een tweede lid ingevoegd, volgens welk de echtgenoot van de gefailleerde “die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld” voor de schuld van de gefailleerde, ingevolge de verschoonbaarheid ook wordt bevrijd van die verplichting.

Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat die bepaling onverenigbaar was met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in zoverre de echtgenoot die krachtens een fiscale bepaling is gehouden tot een belastingschuld met de gefailleerde, door de verschoonbaarverklaring niet kon worden bevrijd van de verplichting tot betaling van die schuld (arrest nr. 78/2004 van 12 mei 2004 en arrest nr. 6/2005 van 12 januari 2005). Om hieraan tegemoet te komen bepaalde art. 82, tweede lid van de Faillissementswet, zoals vervangen bij art. 2 van de wet van 2 februari 2005 tot wijziging van art. 82, tweede lid van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, dat de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd wordt van die verplichting.

Art. 82, tweede lid van de Faillissementswet bevrijdt de echtgenoot en de voormalige echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, van die verplichting.

Bij zijn arresten van 24 februari 2011 (Arr.Cass. 2011, nr. 168) en 8 juni 2012 (C.11.080.F/2) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat “die bepaling [...] ook van toepassing [is] wanneer de echtgenoot van de gefailleerde, samen met hem, medeschuldenaar is van een schuld die de twee echtgenoten vóór het faillissement zijn aangegaan en waarvoor de echtgenoot van de gefailleerde bijgevolg persoonlijk aansprakelijk is”.

Het Grondwettelijk Hof diende in haar arrest van 21 maart 2013 te onderzoeken of die maatregel discriminatoire gevolgen heeft ten aanzien van de schuldeisers van de echtgenoot, die op identieke wijze worden behandeld ongeacht of de echtgenoot zich borg heeft gesteld voor een persoonlijke schuld van de gefailleerde dan wel, gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde, een schuld heeft aangegaan ten bate van zijn eigen vermogen.

Daarbij dient rekening te worden gehouden, enerzijds, met de economische en sociale doelstellingen van de in het geding zijnde maatregel en, anderzijds, met de ter zake geldende beginselen van het burgerlijk vermogensrecht volgens welke “alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan [...] degenen die deze hebben aangegaan, tot wet [strekken]” (art. 1134, eerste lid BW) en “ieder die persoonlijk verbonden is, [...] gehouden [is] zijn verbintenissen na te komen, onder verband van al zijn goederen, hetzij roerende, hetzij onroerende, zo tegenwoordige als toekomstige” (art. 7 Hypotheekwet).

De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, werd ingevoerd, niet om discriminatie te vermijden op het vlak van de solidariteit die uit het huwelijk is ontstaan, maar omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit in het gemeenschappelijk vermogen terechtkomen (art. 1405, eerste lid BW). Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, met inbegrip van zijn eigen goederen, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel.

De omstandigheid dat de gezamenlijke schuld van de gefailleerde en diens echtgenoot is aangegaan voor de verwerving, door de echtgenoot, van een eigen goed, heeft in dat verband geen invloed omdat de verhaalmogelijkheid waarover de schuldeisers beschikken, ook betrekking heeft op het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten. De omstandigheid dat de echtgenoot zou zijn gehouden, krachtens art. 1216 BW, tot voldoening van de gehele schuld ten aanzien van de andere medeschuldenaar – de verschoonbaar verklaarde gefailleerde – heeft evenmin invloed. Op dezelfde wijze is de omstandigheid dat de schuldeiser van een schuld die is aangegaan, in het belang van zijn eigen vermogen, door een echtgenoot die is onderworpen aan een stelsel van scheiding van goederen, en door de verschoonbaar verklaarde gefailleerde echtgenoot, de inning van zijn schuldvordering kan verhalen op het vermogen van de echtgenoot, terwijl de schuldeiser van een schuld die onder dezelfde voorwaarden is aangegaan door een echtgenoot die is onderworpen aan een stelsel van gemeenschap van goederen of aan het wettelijk stelsel, niet zo’n inning kan verkrijgen, niet van die aard dat zij de in het geding zijnde maatregel onverantwoord maakt, omdat een dergelijk verschil in behandeling voortvloeit uit de keuze van de echtgenoten voor een bepaald huwelijksvermogensstelsel. De wetgever kon overigens redelijkerwijs oordelen dat de rechter die, om een gefailleerde verschoonbaar te verklaren, alle elementen van diens situatie in aanmerking dient te nemen, rekening houdt met de gezamenlijke of hoofdelijke verbintenis die de gefailleerde is aangegaan om een gemeenschappelijke schuld te waarborgen die is aangegaan om zijn echtgenoot in staat te stellen een eigen goed te verwerven.

Het hof oordeelde dat één en ander de ongelijkheid niet schond.

Zie arrest grondwettelijk hof 21 maart 2013, RW 2013-2014, 387 met noot

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 13/12/2015 - 15:04
Laatst aangepast op: za, 05/11/2016 - 14:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.