-A +A

Verschoning ook voor de samenwonende partner van de gefailleerde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
 

  

Arrest Grondwettelijk Hof 18/11/2010, NJW 241, 292

Het Hof zegt voor recht :
In zoverre artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 niet in de mogelijkheid voorziet voor de wettelijk samenwonende die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde die met hem wettelijk samenwoont, om van zijn verplichtingen te worden bevrijd, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

 

Tekst arrest:

Het Grondwettelijk Hof,

wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij arrest van 30 november 2009 in zake Carole Piret tegen de nv « AXA Bank Belgium », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 december 2009, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Is er geen sprake van een met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet strijdige discriminatie tussen de situatie van de echtgenoot van de verschoonde gefailleerde en die van de persoon die een verklaring van wettelijke samenwoning met de verschoonde gefailleerde heeft afgelegd, in zoverre de eerstgenoemde, die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van zijn gefailleerde echtgenoot, door de werking van de verschoonbaarheid wordt bevrijd van zijn verplichting, terwijl de laatstgenoemde, die zich samen met de gefailleerde heeft verbonden, niet wordt bevrijd, hoewel beiden ertoe gehouden zijn bij te dragen in de lasten van het samenleven en de inkomsten van de eerstgenoemde bijgevolg definitief zullen worden vrijgesteld, terwijl die van de laatstgenoemde bezwaard blijven, met als gevolg dat de gefailleerde zelf, wanneer hij wettelijk samenwoont buiten het huwelijk, in tegenstelling tot de gehuwde, mogelijk nog indirect moet tegemoetkomen in de betaling van de schulden van diegene met wie hij samenleeft ? ».
(...)
III. In rechte
(...)
B.1. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 (hierna : de faillissementswet) met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde verschillend wordt behandeld in vergelijking met de wettelijk samenwonende van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde. De eerstgenoemde, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn gefailleerde echtgenoot, wordt van zijn verplichting bevrijd, terwijl de laatstgenoemde, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn gefailleerde samenwonende, niet van zijn verplichting wordt bevrijd.

B.2. Zoals het gedeeltelijk werd vervangen bij de wet van 20 juli 2005 en gewijzigd bij de wet van 18 juli 2008, bepaalt artikel 82 van de faillissementswet :
« Indien de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, kan hij niet meer vervolgd worden door zijn schuldeisers.

De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, wordt ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd.

De verschoonbaarheid heeft noch gevolgen voor de onderhoudschulden, noch voor de schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft ».

B.3. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van de faillissementswetgeving die in essentie ertoe strekt een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de schuldenaar en de belangen van de schuldeisers.

De verklaring van verschoonbaarheid vormt voor de gefailleerde een gunstmaatregel die hem in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, en zulks niet alleen in zijn belang maar ook in het belang van zijn schuldeisers of sommigen onder hen die belang erbij kunnen hebben dat hun schuldenaar zijn activiteiten op een dergelijke basis hervat, waarbij het voortzetten van een handels- of industriële activiteit bovendien het algemeen belang kan dienen (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/1, pp. 35 en 36).

De wetgever, die van oordeel is dat « de mogelijkheid tot herstel [...] utopisch [blijft] indien [de gefailleerde] de last van het passief moet blijven dragen », heeft gemeend dat « het [...] immers niet te verantwoorden [is] dat het in gebreke blijven van de schuldenaar als gevolg van omstandigheden waarvan hij het slachtoffer is, hem verhindert andere activiteiten te verrichten » (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 50).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever « op een evenwichtige wijze rekening [heeft willen] houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde zelf, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in zijn geheel » en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 29).

B.4. Artikel 82, tweede lid, bevrijdt de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, van zijn verplichtingen.

Het Hof dient te onderzoeken of die maatregel een discriminatie inhoudt ten aanzien van de wettelijk samenwonende van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van die gefailleerde.

Daarbij dient rekening te worden gehouden met de respectieve kenmerken van het huwelijk en van de wettelijke samenwoning, enerzijds, en met de economische en sociale doelstellingen van de in het geding zijnde maatregel, anderzijds.

B.5. Het verschil in behandeling tussen echtgenoten en wettelijk samenwonenden steunt op het feit dat hun juridische toestand verschilt, zowel wat hun persoonlijke verplichtingen jegens elkaar, als wat hun vermogensrechtelijke toestand betreft.

Die verschillende juridische toestand kan in bepaalde gevallen, wanneer die verband houdt met het doel van de maatregel, een verschil in behandeling tussen echtgenoten en wettelijk samenwonenden rechtvaardigen. Er dient bijgevolg te worden onderzocht of de respectieve kenmerken van het huwelijk en van de wettelijke samenwoning - in verband met het onderwerp en het doel van de in het geding zijnde maatregel - verantwoorden dat de wettelijk samenwonende van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde niet van zijn verplichting wordt bevrijd door de werking van de verschoonbaarheid, in tegenstelling tot de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, die eveneens aansprakelijk is voor de schuld van die laatstgenoemde.

B.6.1. Echtgenoten zijn elkaar hulp en bijstand verschuldigd (artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek); zij genieten de bescherming van de gezinswoonst en de huisraad (artikel 215 van het Burgerlijk Wetboek); de echtgenoten moeten hun inkomsten bij voorrang besteden aan hun bijdrage in de lasten van het huwelijk (artikel 217 van het Burgerlijk Wetboek), waarin zij moeten bijdragen naar vermogen (artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek). Schulden die door een der echtgenoten worden aangegaan ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen verbinden de andere echtgenoot hoofdelijk, behoudens wanneer zij, gelet op de bestaansmiddelen van het gezin, buitensporig zijn (artikel 222 van het Burgerlijk Wetboek).

B.6.2. Onder wettelijke samenwoning wordt verstaan de toestand van samenleven van twee personen die een schriftelijke verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd (artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek). De wettelijke samenwoning houdt op wanneer een van de partijen in het huwelijk treedt of overlijdt. Zij kan tevens door de samenwonenden worden beëindigd, in onderlinge overeenstemming of eenzijdig, door middel van een schriftelijke verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, die daarvan melding maakt in het bevolkingsregister (artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek).

Op de wettelijke samenwoning zijn de volgende bepalingen toepasselijk : de wettelijke bescherming van de gezinswoning (artikelen 215, 220, § 1, en 224, § 1, 1, van het Burgerlijk Wetboek) wordt van overeenkomstige toepassing verklaard op de wettelijke samenwoning; de wettelijk samenwonenden dragen bij in de lasten van het samenleven naar evenredigheid van hun mogelijkheden en iedere niet-buitensporige schuld die door een der wettelijk samenwonenden wordt aangegaan ten behoeve van het samenleven en van de kinderen die door hen worden opgevoed, verbindt de andere samenwonende hoofdelijk (artikel 1477 van het Burgerlijk Wetboek).

B.7. Wanneer de wetgever in de faillissementswet een mogelijkheid invoert om de gefailleerde verschoonbaar te verklaren en de gevolgen van de verschoonbaarheid uitbreidt tot de echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van de gefailleerde, terwijl die gunstmaatregel niet ten goede komt aan de wettelijk samenwonende die zich eveneens persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van de gefailleerde, behandelt hij personen die gehouden zijn tot de regeling van dezelfde schulden, op verschillende wijze.

Immers, in beide situaties hebben de echtgenoot en de wettelijk samenwonende een persoonlijke verplichting aangegaan of zijn ze daartoe gehouden, die evenwel geen betrekking heeft op de betaling van een eigen schuld, maar op de vereffening van een schuld van de gefailleerde hoofdschuldenaar.

Ten aanzien van de echtgenoot die zich persoonlijk heeft verbonden ten gunste van zijn gefailleerde echtgenoot, kunnen de vervolgingen, door de schuldeisers van de gefailleerde, op zijn goederen, wegens de uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid, niet langer plaatsvinden. De wettelijk samenwonende die zich persoonlijk heeft verbonden ten gunste van zijn gefailleerde samenwonende, geniet daarentegen geenszins de gevolgen van de verschoonbaarheid en blijft ertoe gehouden, op zijn bestaande en toekomstige goederen, een schuld aan te zuiveren waarvoor zijn wettelijk samenwonende niet langer kan worden vervolgd.

Door de regel van de verschoonbaarheid niet uit te breiden tot de wettelijk samenwonenden die zich persoonlijk aansprakelijk hebben gesteld voor de schuld van hun gefailleerde samenwonende, heeft de wetgever een verschil in behandeling ingevoerd dat, ten aanzien van het in B.3 omschreven doel, niet redelijk verantwoord is.

B.8. Aangezien de in B.7 vastgestelde leemte zich bevindt in de aan het Hof voorgelegde tekst, komt het de verwijzende rechter toe een einde te maken aan de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid, vermits die vaststelling is uitgedrukt in voldoende precieze en volledige bewoordingen om toe te laten dat de in het geding zijnde bepaling wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.9. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
In zoverre artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 niet in de mogelijkheid voorziet voor de wettelijk samenwonende die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde die met hem wettelijk samenwoont, om van zijn verplichtingen te worden bevrijd, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Aldus uitgesproken in het Frans en in het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 18 november 2010.
 


Arrest Grondwettelijk Hof 25/09/2014, TW 2014-2015, 701

Arrest nr. 140/2014

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij vonnis van 13 november 2013 (...) heeft de Rechtbank van Koophandel te Dinant de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Schenden art. 80, derde lid en art. 82, tweede lid Faillissementswet van 8 augustus 1997 art. 10 en 11 Grondwet, in de interpretatie volgens welke, en zonder dat de rechtbank in dat verband over enige beoordelingsbevoegdheid beschikt, de partner van de gefailleerde, die een feitelijk gezin met hem vormt en die persoonlijk aansprakelijk zou zijn voor de schuld van de gefailleerde, in tegenstelling tot de al dan niet feitelijk gescheiden echtgenoot, de voormalige echtgenoot en de wettelijk samenwonende die van rechtswege de werking van de verschoonbaarheid genieten, noch van die verplichting kan worden bevrijd ingevolge de aan de gefailleerde toegekende verschoonbaarheid, noch kan worden geacht kosteloos te hebben gehandeld en kan verzoeken om een bevrijding van zijn verbintenissen te kunnen genieten?”.

...

...

In rechte

...

B.1.1. Art. 80, derde lid Faillissementswet van 8 augustus 1997 (hierna: de Faillissementswet), ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005, bepaalt: “De gefailleerde, de personen die de verklaring bedoeld in artikel 72ter aflegden en de schuldeisers bedoeld in artikel 63, tweede lid, worden in de raadkamer gehoord over de bevrijding. Tenzij hij zijn onvermogen frauduleus organiseerde, bevrijdt de rechtbank geheel of gedeeltelijk elke natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, wanneer zij vaststelt dat diens verbintenis niet in verhouding met zijn inkomsten en met zijn patrimonium is”.

B.1.2. Art. 82, tweede lid Faillissementswet, zoals vervangen bij de wet van 18 juli 2008, bepaalt: “De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, wordt ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd”.

B.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de verenigbaarheid van de voormelde bepalingen met art. 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie volgens welke, “zonder dat de rechtbank in dat verband over enige beoordelingsbevoegdheid beschikt”, de feitelijk samenwonende van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde anders wordt behandeld dan de echtgenoot, de voormalige echtgenoot of de wettelijk samenwonende van een dergelijke gefailleerde: terwijl die laatstgenoemden van rechtswege de werking van de verschoonbaarheid genieten, zou de feitelijk samenwonende die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, noch van die verplichting kunnen worden bevrijd ingevolge de aan de gefailleerde toegekende verschoonbaarheid, noch kunnen worden geacht kosteloos te hebben gehandeld en kunnen verzoeken om een bevrijding van zijn verbintenis te kunnen genieten.

B.3. Het verwijzingsvonnis heeft betrekking op de situatie van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde en zijn partner, die zich hoofdelijk borg heeft gesteld voor een lening die is bestemd voor de financiering van de opening en de exploitatie van een snackbar door de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, welke handelsactiviteit het voorwerp van de aangifte van faillissement heeft uitgemaakt.

Ten aanzien van het voordeel van de verschoonbaarheid

B.4. Het in het geding zijnde art. 82, tweede lid Faillissementswet maakt deel uit van de faillissementswetgeving die er in essentie toe strekt een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de schuldenaar en de belangen van de schuldeisers.

De verklaring van verschoonbaarheid vormt voor de gefailleerde een gunstmaatregel die hem in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, en dit niet alleen in zijn belang maar ook in het belang van zijn schuldeisers of sommigen onder hen die er belang bij kunnen hebben dat hun schuldenaar zijn activiteiten op een dergelijke basis hervat, waarbij het voortzetten van een handels- of industriële activiteit bovendien het algemeen belang kan dienen (Parl.St. Kamer 1991-92, nr. 631/1, p. 35 en 36).

De wetgever, die van oordeel is dat “de mogelijkheid tot herstel [...] utopisch [blijft] indien [de gefailleerde] de last van het passief moet blijven dragen”, heeft gemeend dat “het [...] immers niet te verantwoorden [is] dat het in gebreke blijven van de schuldenaar als gevolg van omstandigheden waarvan hij het slachtoffer is, hem verhindert andere activiteiten te verrichten” (Parl.St. Kamer 1991-92, nr. 631/13, p. 50).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever “op een evenwichtige wijze rekening [heeft willen] houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde zelf, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in haar geheel” en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (Parl.St. Kamer 1991-92, nr. 631/13, p. 29).

B.5.1. Bij zijn arrest nr. 69/2002 van 28 maart 2002 heeft het Hof geoordeeld dat art. 82 Faillissementswet, zoals van toepassing vóór het werd vervangen bij art. 29 van de wet van 4 september 2002 “tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Vennootschappen”, niet verenigbaar was met art. 10 en 11 Grondwet in zoverre het een rechter op geen enkele wijze toestond de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde van zijn verbintenissen te bevrijden.

B.5.2. Ingevolge dat arrest heeft de wetgever, bij de wet van 4 september 2002, in art. 82 Faillissementswet een tweede lid ingevoegd, volgens welk de echtgenoot van de gefailleerde “die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld” voor de schuld van de gefailleerde, ingevolge de verschoonbaarheid wordt bevrijd van die verplichting.

B.5.3. Het Hof heeft geoordeeld dat die bepaling onverenigbaar was met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in zoverre de echtgenoot die krachtens een fiscale bepaling is gehouden tot een belastingschuld met de gefailleerde, door de verschoonbaarverklaring niet kon worden bevrijd van de verplichting tot betaling van die schuld (arrest nr. 78/2004 van 12 mei 2004 en arrest nr. 6/2005 van 12 januari 2005). Om hieraan tegemoet te komen bepaalde art. 82, tweede lid Faillissementswet, zoals vervangen bij art. 2 van de wet van 2 februari 2005 tot wijziging van art. 82, tweede lid Faillissementswet, dat de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid wordt bevrijd van die verplichting.

B.5.4. De wet van 18 juli 2008 heeft art. 82, tweede lid Faillissementswet opnieuw gewijzigd, door het voordeel van de verschoonbaarheid uit te breiden tot de voormalige echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde.

B.5.5. Art. 82, tweede lid Faillissementswet bevrijdt de echtgenoot en de voormalige echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, van zijn verplichtingen.

B.6.1. In antwoord op een vraag over de situatie van de wettelijk samenwonende die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn verschoonbaar verklaarde gefailleerde wettelijk samenwonende, heeft het Hof, bij zijn arrest nr. 129/2010 van 18 november 2010, geoordeeld dat de wetgever, wanneer hij in de Faillissementswet voorziet in een mogelijkheid om de gefailleerde verschoonbaar te verklaren en de gevolgen van de verschoonbaarheid uitbreidt tot de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, terwijl die gunstmaatregel niet geldt voor de wettelijk samenwonende die eveneens persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, personen die zijn gehouden tot de regeling van dezelfde schulden, verschillend behandelt.

Het Hof oordeelde:

“B.7. [...]

“Immers, in beide situaties hebben de echtgenoot en de wettelijk samenwonende een persoonlijke verplichting aangegaan of zijn ze daartoe gehouden, die evenwel geen betrekking heeft op de betaling van een eigen schuld, maar op de vereffening van een schuld van de gefailleerde hoofdschuldenaar.

“Ten aanzien van de echtgenoot die zich persoonlijk heeft verbonden ten gunste van zijn gefailleerde echtgenoot, kunnen de vervolgingen, door de schuldeisers van de gefailleerde, op zijn goederen, wegens de uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid, niet langer plaatsvinden. De wettelijk samenwonende die zich persoonlijk heeft verbonden ten gunste van zijn gefailleerde samenwonende, geniet daarentegen geenszins de gevolgen van de verschoonbaarheid en blijft ertoe gehouden, op zijn bestaande en toekomstige goederen, een schuld aan te zuiveren waarvoor zijn wettelijk samenwonende niet langer kan worden vervolgd.

“Door de regel van de verschoonbaarheid niet uit te breiden tot de wettelijk samenwonenden die zich persoonlijk aansprakelijk hebben gesteld voor de schuld van hun gefailleerde samenwonende, heeft de wetgever een verschil in behandeling ingevoerd dat, ten aanzien van het in overweging B.3 omschreven doel, niet redelijk verantwoord is”.

B.6.2. Ten gevolge van de vaststelling van de lacune door het voormelde arrest nr. 129/2010 genieten de wettelijk samenwonenden die persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schuld van hun gefailleerde samenwonende, de regel van de verschoonbaarheid.

B.7. Het Hof dient te onderzoeken of die maatregel een discriminatie inhoudt ten aanzien van de feitelijk samenwonende van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van die gefailleerde.

Daarbij dient rekening te worden gehouden met de respectieve kenmerken van het huwelijk, van de wettelijke samenwoning en van de feitelijke samenwoning, alsook, enerzijds, met de economische en sociale doelstellingen van de in het geding zijnde maatregel en, anderzijds, met de ter zake geldende beginselen van het burgerlijk vermogensrecht volgens welke “alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan [...] degenen die deze hebben aangegaan, tot wet [strekken]” (art. 1134, eerste lid BW) en “ieder die persoonlijk verbonden is, [...] gehouden [is] zijn verbintenissen na te komen, onder verband van al zijn goederen, hetzij roerende, hetzij onroerende, zo tegenwoordige als toekomstige” (art. 7 Hypotheekwet).

B.8. Het verschil in behandeling is gebaseerd op een objectief element, namelijk dat de juridische toestand van de partners verschilt naargelang de enen gehuwd zijn of wettelijk samenwonenden zijn, en de anderen feitelijk samenwonenden zijn. Hun juridische toestand verschilt zowel wat hun persoonlijke verplichtingen jegens elkaar als wat hun vermogensrechtelijke toestand betreft.

B.9.1. Echtgenoten zijn elkaar hulp en bijstand verschuldigd (art. 213 BW); zij genieten de bescherming van de gezinswoning en de huisraad (art. 215 BW); de echtgenoten moeten hun inkomsten bij voorrang besteden aan hun bijdrage in de lasten van het huwelijk (art. 217 BW), waarin zij moeten bijdragen naar hun vermogen (art. 221 BW ). Schulden die door een van de echtgenoten worden aangegaan ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen verbinden de andere echtgenoot hoofdelijk, behalve wanneer zij, gelet op de bestaansmiddelen van het gezin, buitensporig zijn (art. 222 BW).

B.9.2. Onder wettelijke samenwoning wordt verstaan de toestand van samenleven van twee personen die een schriftelijke verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd (art. 1475 BW). De wettelijke samenwoning houdt op wanneer een van de partijen in het huwelijk treedt of overlijdt. Zij kan tevens door de samenwonenden worden beëindigd, in onderlinge overeenstemming of eenzijdig, door middel van een schriftelijke verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, die daarvan melding maakt in het bevolkingsregister (art. 1476 BW).

Op de wettelijke samenwoning zijn de volgende bepalingen van toepassing: de wettelijke bescherming van de gezinswoning (art. 215, 220, § 1 en 224, § 1, 1 BW) wordt van overeenkomstige toepassing verklaard op de wettelijke samenwoning; de wettelijk samenwonenden dragen bij in de lasten van het samenleven naar evenredigheid van hun mogelijkheden en iedere niet-buitensporige schuld die door een van de wettelijk samenwonenden wordt aangegaan ten behoeve van het samenleven en van de kinderen die door hen worden opgevoed, verbindt de andere samenwonende hoofdelijk (art. 1477 BW).

B.10. Ten aanzien van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die zich persoonlijk heeft verbonden ten gunste van zijn gefailleerde echtgenoot, kunnen de vervolgingen, door de schuldeisers van de gefailleerde, op zijn goederen, wegens de uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid, niet langer plaatsvinden. De feitelijk samenwonende die zich persoonlijk heeft verbonden ten gunste van zijn gefailleerde samenwonende, geniet daarentegen geenszins de gevolgen van de verschoonbaarheid en blijft ertoe gehouden, op zijn bestaande en toekomstige goederen, een schuld aan te zuiveren waarvoor zijn partner niet langer kan worden vervolgd.

B.11. Door de regel van de verschoonbaarheid niet uit te breiden tot de feitelijk samenwonenden die zich persoonlijk aansprakelijk hebben gesteld voor de schuld van hun gefailleerde samenwonende, heeft de wetgever een verschil in behandeling ingevoerd dat, ten aanzien van het in overweging B.4 omschreven doel, niet zonder redelijke verantwoording is, aangezien de door feitelijk samenwonenden gevormde gemeenschap niet met dezelfde zekerheid wordt aangetoond als die welke ontstaat uit het huwelijk of uit de wettelijke samenwoning en aangezien daaruit niet dezelfde rechten en plichten voortvloeien. Terwijl de echtgenoten en wettelijk samenwonenden wederzijdse rechten en plichten hebben die in het Burgerlijk Wetboek zijn omschreven, hebben de feitelijk samenwonenden immers niet dezelfde juridische verbintenissen jegens elkaar aangegaan; aangezien zij geen geïnstitutionaliseerde vorm van samenleven is, voert de feitelijke samenwoning juridisch gezien geen vermogensgemeenschap in en doet zij evenmin een vermogensrechtelijke solidariteit ontstaan, omdat de feitelijk samenwonenden elkaar geen hulp en bijstand verschuldigd zijn.

De feitelijk samenwonenden hebben overigens, alvorens die zekerheid te verlenen, over een beoordelingsvrijheid kunnen beschikken waarover de echtgenoot of wettelijk samenwonende wiens verbintenis een voorwaarde is voor de toekenning van een door zijn partner aangevraagde lening, niet in dezelfde mate beschikt.

B.12. In zoverre zij betrekking heeft op art. 82, tweede lid Faillissementswet, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de mogelijkheid tot bevrijding

B.13. Het in het geding zijnde art. 80, derde lid Faillissementswet is ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, en houdende diverse fiscale bepalingen.

B.14.1. Bij zijn arrest nr. 69/2002 van 28 maart 2002 had het Hof vastgesteld dat, “ook al impliceert de regeling van de borg dat hij in principe tot zijn borgtocht gehouden blijft wanneer de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, [...] het [...] onverantwoord [is] dat [het] een rechter [niet] wordt toegestaan te beoordelen of er geen aanleiding is om hem te bevrijden, in het bijzonder wanneer zijn verbintenis van belangeloze aard is”. Het Hof besloot dat art. 82 van de wet van 8 augustus 1997, waarin het lot van de borg niet in aanmerking werd genomen, om die reden art. 10 en 11 Grondwet schond.

B.14.2. Ingevolge dat arrest werd bij art. 82, eerste lid Faillissementswet, ingevoegd bij de wet van 4 september 2002, een einde gemaakt aan de door het Hof vastgestelde discriminatie, door echter het voordeel van de verschoonbaarheid automatisch uit te breiden tot iedere persoon die zich kosteloos borg heeft gesteld.

De parlementaire voorbereiding van de wet van 4 september 2002, die de kosteloze borgen van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde van hun verplichtingen bevrijdde, getuigt van de bekommernis om rekening te houden met de situatie van “de particulieren die zich uit vrijgevigheid borg hebben gesteld, zonder zich vaak rekenschap te geven van alle gevolgen van hun beslissing” (Parl.St. Kamer 2000-01, DOC 50-1132/001, p. 17); de kosteloze aard van de borg houdt in dat de personen die zich hebben verbonden, met hun borgstelling geen economisch voordeel nastreven.

B.15.1. Bij zijn arrest nr. 114/2004 van 30 juni 2004 heeft het Hof die bepaling onverenigbaar met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie bevonden, in zoverre de wetgever, door het voordeel van de verschoonbaarheid, dat slechts onder bepaalde voorwaarden aan een gefailleerde wordt toegekend, automatisch uit te breiden tot de persoon die zich kosteloos borg heeft gesteld, aan de schuldeisers een last heeft opgelegd die niet redelijk verantwoord is ten aanzien van het doel dat hij nastreeft; bijgevolg heeft het Hof art. 82, eerste lid Faillissementswet, vernietigd en daarbij de gevolgen ervan uiterlijk tot 31 juli 2005 gehandhaafd.

B.15.2. De wetgever heeft met de wet van 20 juli 2005 die ongrondwettigheid willen verhelpen. Die wet voorziet in een procedure waardoor de persoonlijke borg niet langer automatisch, maar door de rechter kan worden bevrijd van zijn verbintenis ten aanzien van de schuldeiser van de gefailleerde, op voorwaarde dat de rechter onderzoekt of de persoon zich “kosteloos” persoonlijk zeker stelde en zijn onvermogen niet frauduleus organiseerde en dat hij vaststelt dat die verbintenis niet in verhouding is met de inkomsten en het vermogen van die persoon.

B.15.3. De parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2005 wijst erop dat de wetgever heeft geoordeeld dat “deze oplossing als enige van aard [was] om tegemoet te komen aan de eisen van het Arbitragehof” en dat “gezien het veelvoud van patrimoniale situaties van de personen die de kredietwaardigheid van de gefailleerde versterkten, [...] het vastleggen in de wet van precieze criteria, bedoeld om de beoordeling van de rechtbank te omkaderen, niet alleen onbevredigend [was], maar het [...] een bron [kon] zijn van rechtsonzekerheid” (Parl.St. Kamer 2004-05, DOC 51-1811/001, p. 6).

B.16. In de interpretatie van de verwijzende rechter zou de feitelijk samenwonende niet van zijn verbintenis als borg kunnen worden bevrijd, aangezien zijn verbintenis niet zou kunnen worden geacht “kosteloos” te zijn toegestaan, omdat een feitelijk samenwonende er “belang bij heeft dat de financiële situatie van zijn partner voorspoedig is”; de verwijzende rechter leidt daaruit af dat hij over geen enkele beoordelingsbevoegdheid beschikt die het hem mogelijk maakt de feitelijk samenwonende van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde te bevrijden.

B.17.1. Het staat aan de verwijzende rechter en niet aan het Hof te oordelen of de persoon die vraagt het voordeel van art. 80, derde lid Faillissementswet te genieten, in de zin van die bepaling een kosteloze borg is.

De kosteloze aard van de borg houdt in dat de personen die zich hebben verbonden, met hun borgstelling geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks economisch voordeel nastreven (Cass. 26 juni 2008, Arr.Cass. 2008, nr. 403; Cass. 14 november 2008, Arr.Cass. 2008, nr. 632; zie eveneens art. 2043bis BW). De mogelijkheid tot bevrijding past in het kader van de bekommernis van de wetgever om de meest onbaatzuchtige en meest kwetsbare categorie van borgen in bescherming te nemen.

Bij de goedkeuring van de wet van 3 juni 2007, die in het Burgerlijk Wetboek een art. 2043bis heeft ingevoegd waarin de kosteloze borgtocht wordt gedefinieerd, en die een algemene procedure ter bescherming van de kosteloze borgtochten heeft geregeld, heeft de minister van Consumentenzaken gepreciseerd: “Het kosteloos karakter wordt geval per geval beoordeeld. [...] Het gaat enkel om een economisch voordeel, niet om een affectief voordeel. Het kosteloos karakter is een feitenkwestie die geval per geval moet worden beoordeeld” (Parl.St. Kamer 2006-07, DOC 51-2730/003, p. 9).

De rechter kan derhalve in concreto het kosteloze karakter van de verbintenis van de borg beoordelen.

B.17.2. Er moet worden beklemtoond dat art. 80, derde lid Faillissementswet niet in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het de persoon die feitelijk samenwoont met de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, uitsluit van de voorwaarde met betrekking tot de kosteloosheid van de verbintenis van de borg, enkel om reden dat hij met die laatste samenwoont.

Zoals in overweging B.11 is aangegeven, doet de feitelijke samenwoning juridisch gezien immers geen enkele vorm van vermogensrechtelijke solidariteit van de partners ontstaan, zodat niet kan worden aangenomen dat die feitelijke situatie als zodanig een rechtstreeks of onrechtstreeks economisch belang van de feitelijk samenwonende die zich borg zou hebben gesteld, met zich meebrengt.

Hoewel het redelijk verantwoord is dat de wetgever de gevolgen van de verschoonbaarheid niet automatisch heeft uitgebreid tot de feitelijk samenwonende, is het daarentegen niet redelijk verantwoord dat de feitelijke samenwoning elke bevrijding van de kosteloze borg van de feitelijk samenwonende verhindert wanneer die zijn onvermogen niet frauduleus heeft georganiseerd en zijn verbintenis niet in verhouding is met zijn inkomsten en zijn vermogen. Voor het overige komt de beoordeling van de feitelijke situatie van de feitelijk samenwonenden toe aan de verwijzende rechter.

B.18. Rekening houdend met wat in overweging B.17.2 is vermeld, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord, in zoverre zij betrekking heeft op art. 80, derde lid Faillissementswet.

Nog dit: 

De verklaring van verschoonbaarheid vormt voor de gefailleerde een gunstmaatregel die hem in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, en zulks niet alleen in zijn belang maar ook in het belang van zijn schuldeisers of sommigen onder hen die belang erbij kunnen hebben dat hun schuldenaar zijn activiteiten op een dergelijke basis hervat, waarbij het voortzetten van een handels- of industriële activiteit bovendien het algemeen belang kan dienen (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/1, pp. 35 en 36).

De wetgever, die van oordeel is dat « de mogelijkheid tot herstel [...] utopisch [blijft] indien [de gefailleerde] de last van het passief moet blijven dragen », heeft gemeend dat « het [...] immers niet te verantwoorden [is] dat het in gebreke blijven van de schuldenaar als gevolg van omstandigheden waarvan hij het slachtoffer is, hem verhindert andere activiteiten te verrichten » (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 50).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever « op een evenwichtige wijze rekening [heeft willen] houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde zelf, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in zijn geheel » en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 29).

Artikel 82, tweede lid, bevrijdt de echtgenoot en de voormalige echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, van die verplichting.
De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, werd bij de wet van 2 februari 2005 ingevoerd, niet om discriminatie te vermijden op het vlak van de solidariteit die uit het huwelijk is ontstaan, maar omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten uit een nieuwe beroepsactiviteit van de gefailleerde in het gemeenschappelijke vermogen terechtkomen (artikel 1405, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteit kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel.

Door, bij de wet van 18 juli 2008, de gevolgen van de verschoonbaarheid uit te breiden tot de voormalige echtgenoot, heeft de wetgever, ook al was het niet vereist door het doel van verschoonbaarheid op zich, de voormalige echtgenoot willen beschermen. De parlementaire voorbereiding van die wet luidt immers als volgt :

« De wetgever heeft [...] nooit de gevolgen die een echtscheiding voor de echtgenoot van de gefailleerde zou hebben, inzonderheid een echtscheiding die zou worden voltrokken vóór de verschoonbaarheid van die echtgenoot effect sorteert, aan een specifiek onderzoek onderworpen.
Het betreft hier een punt dat momenteel bijzonder heikel is, niet alleen in het licht van de thans geldende wetsbepalingen, maar vooral als gevolg van arrest nr. 37/2007 (7 maart 2007) van het Grondwettelijk Hof. Volgens sommigen bestond er immers een discriminatie tussen diegene die echtgenoot bleef en de gewezen echtgenoot (die de echtscheidingsprocedure begon en beëindigde vóór het verkrijgen van de verschoonbaarheid). Het Hof heeft geoordeeld dat die toestand géén discriminatie inhoudt. Terzake kan worden verwezen naar punt B.7. van het arrest (cf. DOC 52 1032/001, blz. 5).

Strikt juridisch, alsook rekening houdend met de grondwettigheid van de wet en met de doelstellingen die ze nastreeft, kunnen de indieners van dit wetsvoorstel die visie wel volgen. Toch achten zij een wetswijziging noodzakelijk, want met name om sociale redenen kan het niet door de beugel dat er een verschil in behandeling bestaat tussen, enerzijds, de echtgenoot van de gefailleerde die aansprakelijk is voor de schulden en, anderzijds, de voormalige echtgenoot die zich tijdens de duur van het huwelijk voor die schulden aansprakelijk heeft gesteld.

Doordat het huwelijk evenwel is ontwricht geniet laatstgenoemde echtgenoot niet langer automatisch de gevolgen van een eventuele verschoonbaarheid en daar komt nog bij dat de betrokkene bij het faillissement of tijdens de periode rond het faillissement veelal niet meer bij machte was eventueel nog iets gedaan te krijgen van zijn echtgenoot.
Het is bijgevolg aangewezen artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet nogmaals te wijzigen en duidelijk te stellen dat ingevolge de verschoonbaarheid niet enkel de echtgenoot van de gefailleerde bevrijd is van zijn verbintenissen, maar ook de gewezen echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, aangegaan tijdens het huwelijk.

De voorwaarden uit het derde lid van het artikel 82 blijven behouden. Het is bijgevolg duidelijk de bedoeling de echtgenoot en de gewezen echtgenoot op voet van gelijkheid te brengen » (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-1032/003, pp. 4 en 5).

De enkele omstandigheid dat de wetgever voortaan ook de voormalige echtgenoot wil beschermen, impliceert niet dat hij zijn vroegere doelstelling zou hebben opgegeven : het doel van artikel 82, tweede lid, blijft de gefailleerde in staat stellen zijn activiteit op een aangezuiverde basis te hervatten zonder het risico te lopen van vervolgingen die door de schuldeisers zouden kunnen worden ingesteld op het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, ook al wordt de voormalige echtgenoot, om billijkheidsredenen te zijnen aanzien, voortaan gelijkgesteld met de echtgenoot.

Vermits het voordeel van verschoonbaarheid aan de gefailleerde wordt toegekend op grond van persoonlijke elementen, staat de beoordeling van die elementen door de rechter die uitspraak moet doen, los van het feit of de echtgenoot of voormalige echtgenoot al dan niet vat zou hebben kunnen gehad op omstandigheden die zich hadden kunnen voordoen tussen het ogenblik waarop hij zich persoonlijk bindt en het ogenblik van het vonnis waarbij het faillissement wordt uitgesproken : ongeacht de handelwijze van de echtgenoot of de voormalige echtgenoot, zij zou niet ertoe mogen leiden dat het voordeel van verschoonbaarheid aan de gefailleerde wordt toegekend rekening houdend met het belang of de eisen van de echtgenoot of van de voormalige echtgenoot.

Uit het voorgaande volgt dat artikel 82, tweede lid, door aan de beslissing over de verschoonbaarheid van een gefailleerde een automatisch gevolg te verbinden voor de situatie van de echtgenoot of van de voormalige echtgenoot, niet op discriminerende wijze afbreuk doet aan de rechten van de betrokkenen.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: vr, 14/01/2011 - 14:13
Laatst aangepast op: di, 30/12/2014 - 18:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.