-A +A

Verschoning ook voor de (ex)huwelijkspartner van de gefailleerde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Art. 82. Faillissementswet [...]
De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echtenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, wordt ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd.

Deze bevrijding geldt ook indien de echtgenoot of voormalige echtgenoot zich, samen met de gefailleerde, borg heeft gesteld voor een schuld van een vennootschap waarvan de gefailleerde zaakvoerder is. (Cassatie 8 mei 2015, RW, 2015-2016, 620)

Uit het Belgisch Staatsblad van 21/02/05:

Wet van 2 FEBRUARI 2005. Wet tot wijziging van artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 (1)
...

Art. 2. Artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, gewijzigd bij de wet van 4 september 2002, wordt vervangen
als volgt :
 

« De echtgenoot (en de ex-echtgenoot) van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is
voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid
bevrijd van die verplichting. »
 

Art. 3. Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch
Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 4. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van
deze wet.

Rechtspraak: de uitvoering van een loonoverdracht lastens een echtgenote alvorens er uitspraak is over de verschoonbaarheid maakt rechtsmisbruik uit. Meer info en vonnis terzake: klik hier

Wordt een gehuwde gefailleerde verschoonbaar verklaard, dan is diens echtgenoot of echtgenote automatisch
bevrijd van dezelfde schulden waarvan ook de gefailleerde wordt verschoond (zie art. 82
FaillW)

In tegenstelling tot de bevrijding van de overige stellers van persoonlijke zekerheden moet er voor de bevrijding van de huwelijkspartner:
- geen sprake zijn van een wanverhouding met inkomsten en vermogen van die echtgenoot;
- er moet niet nagegaan worden of de verbintenis door de echtgenoot kosteloos werd aangegaan;
- moet het niet noodzakelijk gaan om om schulden waarvoor men zich door rechtshandeling mee aansprakelijk
heeft gesteld, maar geldt de bevrijding ook voor schulden waartoe men krachtens de wet hoofdelijk verbonden is, bv. de belastingen.

Voor de eigen schulden van de huwelijkspartner geldt de verschoning niet (bv. het deel van de personenbelasting van de echtgenoten dat betrekking heeft op de inkomsten van de niet-gefailleerde echtgenoot).  De verschoonbaarheid van de echtgenote in toepassing van artikel 82 van de Faillissementswet heeft evenmin invloed op de schulden die de debiteur als een medeschuldenaar voor loutere privé-doeleinden heeft aangegaan. ziet ter zake rechtbank eerste aanleg Dendermonde een, 12 september 2006, rechtskundig weekblad 2006-2007, 1686.
 

het artikel 82 ten tweede van de faillissementswet bepaalt dat de echtenoot van de gefaillieerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd wordt van deze verplichting. De wet laat evenwel na om te bepalen wanneer er aan de voorwaarden "echtgenoot zijn" moeten voldaan zijn. deze vraag kan van belang zijn dan wanneer in de loop van het faillissement er een echtscheiding tussen kans de verschoning van de ene echtgenoot heeft juridische gevolgen met terugwerkende kracht tot op de datum van het faillissement en de op dat ogenblik bestaande schulden. Volgens de rechtspraak van het hof van beroep te Gent wordt gesteld dat de waar de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefaillieerde dezelfde voordelen geniet van een bevrijding, dit eveneens dezelfde schulden betreft die bestonden op datum van het faillissement.

Men kan moeilijk eisen dat echtgenoten gehuwd moeten blijven totdat omtrent de verschoonbaarheid zal zijn geoordeeld om van de bevrijding te kunnen genieten. De schuldeisers zouden er in die hypothese alle belang bij hebben om de definitieve uitspraak omtrent de verschoonbaarheid van de gefaillieerde te zien uitstellen tot na de echtscheiding van de gefaillieerde. Bijgevolg oordeelde het hof van beroep te Gent dat het volstaat dat beiden nog gehuwd waren op datum van het faillissement en de echtgenoot op dat ogenblik voor de betrokken schuld van de gefaillieerde persoonlijk was verbonden. hof van beroep Gent, 14 januari 2008, NJW 179,266

Een andere vrijstellingsregel voor de huwelijkspartner van de gefailleerde is deze van art. 98 FaillW, volgens hetwelk "de gemeenschappelijke schulden die de gefailleerde bij de uitoefening van zijn beroep heeft gemaakt en die niet voldaan zijn door devereffening van het faillissement, niet kunnen worden verhaald op het eigen vermogen van de echtgenoot van de gefailleerde.

• toepassing op oudere faillissementen en collectieve schuldenregelingen.

De  mogelijkheid tot kwijtschelding voor de borgsteller en voor de echtgenote van de gefailleerde werd pas ingevoerd bij wetswijziging middels wet van 20 juli 2005 (wijziging Faillissementswet) en de Wet CSR. (1675/15 bis en 1675/7§2 Ger. W.). De vraag stelt zich dan ook in hoeverre borgstellers en echtgenotes van gefailleerden van deze wet gebruik kunnen maken, wanneer de gefailleerde verschoond werd voor de inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005. deze vraag kan bevestigend beantwoord worden aan de hand van de rechtspraak:

zie: Hof van Beroep te Brussel, 17e Kamer – 27 juni 2006, rechtskundig weekblad 2006-2007, kolom 1648:

"Nieuwe wetgeving kan geen afbreuk doen aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Onder de werking van de Faillissementswet van 1997 bleef de gehoudenheid van de borg of de echtgenoot voor de schulden van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde bestaan, maar dit kan niet worden aangemerkt als een onherroepelijke vastlegging of bevestiging van hun verplichtingen. In dezelfde zin dient te worden geoordeeld over een gehomologeerde minnelijke aanzuiveringregeling. Een dergelijke aanzuiveringregeling kan worden aangepast wegens o.a. nieuwe feiten en bevat derhalve geen definitieve regeling van de rechten van partijen". 

• om bevrijd te zijn de echtgenoot op het tijdstip van de verklaring van verschoonbaarheid moet de echtgenote nog door een huwelijk moet verbonden zijn met de gefailleerde, terwijl de persoon die op datum van faillissement wel gehuwd was met de gefailleerde doch op het tijdstip van de verschoonbaarverklaring uit de echt gescheiden is, niet kan genieten van het voordeel van de bevrijding, verbonden aan de verschoonbaarheid en gehouden blijft voor die schulden van de gefailleerde waarvoor zij/hij zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld. Aan het grondwettelijk hof werd de vraag gesteld of dit onderscheid geen schending uitmaakte van het gelijkheidsbeginsel. Deze vraag werd ontkennend beantwoord in het hierna weergegeven arrest:

"GRONDWETTELIJK HOF,  Uittreksel uit arrest nr. 3/2008 van 17 januari 2008, Rolnummer 4146, Publicatie : 2008-02-28
In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 80 en 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals gewijzigd bij de wet van 2 februari 2005, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij arrest van 8 februari 2007 in zake L.S. tegen de NV « Fortis Bank » en de NV « Centea », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 februari 2007, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schenden de artikelen 80 en 82 Faill.W., zoals gewijzigd bij wet van 2 februari 2005, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien deze bepalingen zo moeten gelezen worden dat om bevrijd te zijn de echtgenoot op het tijdstip van de verklaring van verschoonbaarheid nog door een huwelijk moet verbonden zijn met de gefailleerde, terwijl de persoon die op datum van faillissement wel gehuwd was met de gefailleerde doch op het tijdstip van de verschoonbaarverklaring uit de echt gescheiden is, niet kan genieten van het voordeel van de bevrijding, verbonden aan de verschoonbaarheid en gehouden blijft voor die schulden van de gefailleerde waarvoor zij/hij zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld ? ».
(...)
III. In rechte
(...)
B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 80 en 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997.
B.2. Uit de formulering van de prejudiciële vraag zelf en uit het verwijzingsarrest blijkt dat de vraag beperkt is tot artikel 82, tweede lid, van de faillissementwet.
B.3. Sinds de wijziging ervan bij de wet van 2 februari 2005 die in werking is getreden op 21 februari van datzelfde jaar, bepaalt artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet :
« De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting ».
B.4. Aan het Hof wordt gevraagd of die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, aldus geïnterpreteerd dat « om bevrijd te zijn de echtgenoot op het tijdstip van de verklaring van verschoonbaarheid nog door een huwelijk moet verbonden zijn met de gefailleerde, terwijl de persoon die op datum van faillissement wel gehuwd was met de gefailleerde doch op het tijdstip van de verschoonbaarverklaring uit de echt gescheiden is, niet kan genieten van het voordeel van de bevrijding, verbonden aan de verschoonbaarheid en gehouden blijft voor die schulden van de gefailleerde waarvoor zij/hij zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld ».
B.5. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van de faillissementswetgeving die in essentie ertoe strekt een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de schuldenaar en de belangen van de schuldeisers.
De verklaring van verschoonbaarheid vormt voor de gefailleerde een gunstmaatregel die hem in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, en zulks niet alleen in zijn belang maar ook in het belang van zijn schuldeisers of sommigen onder hen die belang erbij kunnen hebben dat hun schuldenaar zijn activiteiten op een dergelijke basis hervat, waarbij het voortzetten van een handels- of industriële activiteit bovendien het algemeen belang kan dienen (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/1, pp. 35 en 36).
De wetgever, die van oordeel is dat « de mogelijkheid tot herstel [...] utopisch [blijft] indien [de gefailleerde] de last van het passief moet blijven dragen », heeft gemeend dat « het [...] immers niet te verantwoorden [is] dat het in gebreke blijven van de schuldenaar als gevolg van omstandigheden waarvan hij het slachtoffer is, hem verhindert andere activiteiten te verrichten » (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 50).
Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever « op een evenwichtige wijze rekening [heeft willen] houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde zelf, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in zijn geheel » en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 29).
B.6. Artikel 82, tweede lid, bevrijdt de echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, van die verplichting.
Het Hof dient te onderzoeken of die maatregel een discriminatie inhoudt ten aanzien van de ex-echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde die op de datum van het faillissement met de gefailleerde was gehuwd doch op het tijdstip van de verschoonbaarverklaring uit de echt is gescheiden.
Daarbij dient rekening te worden gehouden, enerzijds, met de economische en sociale doelstellingen van de in het geding zijnde maatregel en, anderzijds, met de ter zake geldende beginselen van het burgerlijk vermogensrecht volgens welke « alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan [...] degenen die deze hebben aangegaan, tot wet [strekken] » (artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek) en « ieder die persoonlijk verbonden is, [...] gehouden [is] zijn verbintenissen na te komen, onder verband van al zijn goederen, hetzij roerende, hetzij onroerende, zo tegenwoordige als toekomstige » (artikel 7 van de hypotheekwet van 16 december 1851).
B.7. De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, werd ingevoerd, niet om discriminatie te vermijden op het vlak van de solidariteit die uit het huwelijk is ontstaan, maar omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit in het gemeenschappelijke vermogen terechtkomen (artikel 1405, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel.
Het kan derhalve objectief en redelijk worden verantwoord dat de gevolgen van de verschoonbaarheid niet werden uitgebreid tot de ex-echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde. In dat geval kan immers de doelstelling van de verschoonbaarheid niet worden ondergraven.
B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 17 januari 2008."
 

Dit arrest werd gevolgd door een nieuwe wet van 18 juli 2008 waardoor voortaan ook de ex huwelijkspartner voortaan niet niet langer dient in te staan voor de schulden van de verschoonde gefailleerde:

18 JULI 2008. - Wet tot wijziging van artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 wet betreft de verschoonbaarheid van voormalige echtgenoten. Zie ook NJW 189, 727

Bron : JUSTITIE
Publicatie : 28-08-2008 nummer :
Inwerkingtreding : 28-08-2008


Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. In artikel 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, vervangen bij de wet van 4 september 2002 en gewijzigd bij de wetten van 2 februari 2005 en 20 juli 2005 wordt het tweede lid vervangend als volgt :
" De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echtenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, wordt ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd. "

Art. 3. Deze wet treedt in werking op de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 18 juli 2008.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie,
J. VANDEURZEN
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
J. VANDEURZEN.
 

Rechtspraak:

• Rechtbank van Koophandel te Gent, 3e Kamer – 20 januari 2009, RW 2008-2009, 1655

De echtgenote van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde is bevrijd krachtens art. 82 Faillissementswet, zoals gewijzigd door de wet van 4 september 2002.

Zulks geldt ook voor de echtgenote van de gefailleerde die vóór de inwerkingtreding van deze bepaling verschoonbaar werd verklaard.

De B. t/ NV E.

...

3.1. De gefailleerde, mevrouw C., werd verschoonbaar verklaard op 14 april 1999.

Art. 82 van de Faillissementswet werd herhaaldelijk gewijzigd. Vanaf 1 januari 1998 tot 1 oktober 2002 was volgende tekst van toepassing: «Wanneer de gefailleerde verschoonbaar is verklaard, kan hij niet meer worden vervolgd door zijn schuldeisers (...)».

De verschoonbaarheid houdt niet in dat de schuld vervalt en is geen exceptie die tot de schuld behoort, maar alleen een exceptie die de schuldenaar zelf betreft (Cass. 16 november 2001, T.B.H. 2002, 34).

Bij arrest van 28 maart 2002 heeft het toenmalige Arbitragehof, thans het Grondwettelijk Hof, geoordeeld: «In zoverre het op geen enkele wijze een rechter toestaat de echtgenoot of de borg van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde van hun verbintenis te bevrijden, schendt art. 82 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet».

Bij de wet van 4 september 2002 werd het art. 82 van de Faillissementswet gewijzigd; met ingang van 1 oktober 2002 geldt (tot 7 augustus 2005) volgende bepaling: «De verschoonbaarheid doet de schulden van de gefailleerde teniet en ontslaat de natuurlijke personen die zich kosteloos borg hebben gesteld voor een verbintenis van de gefailleerde van hun verplichtingen. De echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting». Deze tekst werd opnieuw gewijzigd bij de wet van 20 juli 2005: «Indien de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, kan hij niet meer vervolgd worden door zijn schuldeisers. De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting».

Dit houdt dus in dat vanaf 1 oktober 2002 de echtgenoot van de gefailleerde die zich borg heeft gesteld voor de schulden van de gefailleerde, bevrijd is van deze borgstelling, op voorwaarde dat de gefailleerde zelf verschoonbaar verklaard is.

3.2. De eiser voert aan dat hij in gevolge het in werking treden van de wet van 4 september 2002 vanaf 1 oktober 2002 niet langer gehouden is tot de schulden van de gefailleerde waarvoor hij persoonlijk aansprakelijk was. Hij beweert dat hij bevrijd is van de schulden ingevolge borgstelling waarvoor de bank loondelegatie verkreeg en beslag heeft gelegd. Hij is bovendien van oordeel dat de bank deze schulden dient terug te betalen.

3.3. De rechtbank heeft bij de uitspraak over de verschoonbaarverklaring van mevrouw C. toepassing gemaakt van de wetgeving die van kracht was op het ogenblik van die beoordeling, namelijk art. 82, zoals het oorspronkelijk werd ingevoerd door de Faillissementswet. Het vonnis van 14 april 1999 zou dus niet gewijzigd kunnen worden door het tot stand komen van een nieuwe wettelijke bepaling.

Dit vonnis deed evenwel geen uitspraak over de bevrijding van de echtgenoot van de gefailleerde. Op het ogenblik van die uitspraak bestond een dergelijke bevrijding niet, in tegenstelling tot de bevrijding die vanaf 1 oktober 2002 wel bestaat.

3.4. Door de wijziging van een bestaande regeling of de invoering van een nieuwe regeling wordt een onderscheid gemaakt tussen rechtssubjecten die nog onder de oude regeling vielen en rechtssubjecten die voortaan onder de nieuwe regeling vallen. Dit is op zichzelf geen discriminerende behandeling. Elke wetswijziging zou onmogelijk worden mocht worden aangenomen dat een nieuwe bepaling de Grondwet zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere wetgeving wijzigt (vgl. Arbitragehof nr. 86/95, 21 december 1995).

De wet is krachtens een algemeen rechtsbeginsel dat is neergelegd in art. 2 B.W. onmiddellijk van toepassing op alle gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden. Noch het recht van verdediging, noch de behoefte aan rechtszekerheid, noch art. 6 E.V.R.M. worden geschonden door het enkele feit dat de wet, buiten elk processueel aspect, onmiddellijk van toepassing is op alle gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden en aldus aan een vroegere toestand bepaalde rechtsgevolgen hecht (Cass. 10 februari 1997, Arr. Cass. 1997, 195).

Overigens is de onmiddellijke toepassing van de wet, zelfs indien deze een voordien bestaande rechtssituatie zou wijzigen, des te meer gerechtvaardigd indien daardoor een einde zou worden gemaakt aan een regeling die discriminerend werkt(e) (zie: P. Popelier, Toepassing van de wet in de tijd, in A.P.R. nr. 211 en aldaar vermelde arrest Arbitragehof nr. 83/ 93). Dat een dergelijke discriminatie bestaat, blijkt zonder enige twijfel uit het hierboven vermelde arrest van het Grondwettelijk Hof (Arbitragehof 28 maart 2002).

De nieuwe wet mag evenwel geen afbreuk doen aan verkregen rechten, noch de inhoud van een reeds verkregen recht uithollen (Hof Mensenrechten nr. 17849/91, 3 juli 1997, inzake NV Pressos Compania Naviera e.a. t/ België).

Een vonnis over de verschoonbaarverklaring is beperkt tot datgene waarover de rechter diende te oordelen; een oordeel overeenkomstig art. 82 van de Faillissementswet houdt geen beoordeling in van de gevolgen van de verschoonbaarheid voor de echtgenoot; noch vóór noch na 1 oktober 2002 diende of dient de rechter zich uit te spreken over de bevrijding van de echtgenoot; deze bevrijding is een gevolg van de verschoonbaarheid van de gefailleerde.

Aldus kan het feit dat de echtgenoot niet bevrijd werd door de verschoonbaarverklaring niet als een verkregen recht worden beschouwd, omdat daarover geen uitspraak werd gedaan.

Geen enkele aanwijzing in de wet van 4 september 2002 is van aard om aan te nemen dat de bevrijding van de echtgenoot enkel plaatsheeft ingeval de verschoonbaarheid aan de gefailleerde werd toegekend vóór of na 1 oktober 2002: de wet bepaalt dat door de verschoonbaarverklaring de echtgenoot wordt bevrijd.

Verkregen rechten ter zake zouden een vóór 1 oktober 2002 uitgesproken vonnis van veroordeling zijn, of de – al dan niet vrijwillige – betalingen door de verbonden echtgenoot.

Dat de wet aan een bestaand feit (de verschoonbaarheid) een nieuw rechtsgevolg (de bevrijding) koppelt, betekent niet dat de wet retroactief wordt toegepast, noch dat een reeds definitief verworven recht wordt aangetast.

In zoverre de onmiddellijke toepassing van de wet van 4 september 2002, met ingang van 1 oktober 2002, reeds verworven rechten niet aantast, en bovendien een einde maakt aan een discriminatie, dient de eiser als bevrijd te worden beschouwd vanaf 1 oktober 2002.

Dit brengt mee – onder voorbehoud van wat volgt – dat betalingen vóór die datum aan de bank verworven zijn, maar dat betalingen na die datum dienen te worden teruggestort door de bank en verdere vervolgingen niet meer mogelijk zijn.

3.5. Ten onrechte roept de bank in dat de eiser gehuwd is onder het stelsel van scheiding van goederen; de wetgever heeft weliswaar bij de voorbereiding van de wet vooral oog gehad voor degenen die gehuwd zijn met een gemeenschap, maar een onderscheid naargelang het huwelijksvermogensrecht komt in de wet betreffende de bevrijding niet tot uiting.

3.6. De vraag rijst uiteindelijk of de betalingen tussen 1 oktober 2002 en 24 oktober 2005, zijnde de aanmaning tot terugbetaling, als onverschuldigde betaling moeten worden beschouwd.

De wetgever heeft aan de bevrijding van de echtgenoot geen duidelijke inhoud gegeven; er is geen reden voorhanden om bevrijding anders te kwalificeren dan verschoonbaarheid, namelijk dat geen vervolgingen kunnen worden ingesteld.

Bevrijding is met andere woorden geen uitwisseling van schuld, zodat hetgeen betaald werd ingevolge de loonoverdracht vooraleer verzet werd gedaan, niet kan worden teruggevorderd.

Dat volgens de bewoordingen van de wet van 4 september 2002 de schulden van de gefailleerde worden tenietgedaan, houdt duidelijk geen daadwerkelijk verdwijnen van de schuld in, omdat enkel bepaalde borgen en de echtgenoot bevrijd werden; bij een daadwerkelijk tenietgaan van de schuld gaat immers ook de zekerheid als accessorium teniet, zodat uit de bewoordingen van de wet zelf voortvloeit dat dit tenietgaan gebonden is aan de persoon van de schuldenaar, met andere woorden dat de schuld wel tenietgaat wat de gefailleerde betreft, maar niet wat de schuldeiser of de borg betreft.

Er anders over oordelen zou betekenen dat de wet tegenstrijdige bepalingen bevat.

Mitsdien is de vordering tot terugbetaling van gedane betalingen vóór 24 oktober 2005 ongegrond, maar is de vordering wel gegrond in zoverre deze sommen betreft die werden betaald na de aanmaning door eiser.

 

Nog dit: 

De verklaring van verschoonbaarheid vormt voor de gefailleerde een gunstmaatregel die hem in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, en zulks niet alleen in zijn belang maar ook in het belang van zijn schuldeisers of sommigen onder hen die belang erbij kunnen hebben dat hun schuldenaar zijn activiteiten op een dergelijke basis hervat, waarbij het voortzetten van een handels- of industriële activiteit bovendien het algemeen belang kan dienen (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/1, pp. 35 en 36).

De wetgever, die van oordeel is dat « de mogelijkheid tot herstel [...] utopisch [blijft] indien [de gefailleerde] de last van het passief moet blijven dragen », heeft gemeend dat « het [...] immers niet te verantwoorden [is] dat het in gebreke blijven van de schuldenaar als gevolg van omstandigheden waarvan hij het slachtoffer is, hem verhindert andere activiteiten te verrichten » (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 50).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever « op een evenwichtige wijze rekening [heeft willen] houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde zelf, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in zijn geheel » en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 29).

Artikel 82, tweede lid, bevrijdt de echtgenoot en de voormalige echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, van die verplichting.
De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, werd bij de wet van 2 februari 2005 ingevoerd, niet om discriminatie te vermijden op het vlak van de solidariteit die uit het huwelijk is ontstaan, maar omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten uit een nieuwe beroepsactiviteit van de gefailleerde in het gemeenschappelijke vermogen terechtkomen (artikel 1405, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteit kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel.

Door, bij de wet van 18 juli 2008, de gevolgen van de verschoonbaarheid uit te breiden tot de voormalige echtgenoot, heeft de wetgever, ook al was het niet vereist door het doel van verschoonbaarheid op zich, de voormalige echtgenoot willen beschermen. De parlementaire voorbereiding van die wet luidt immers als volgt :

« De wetgever heeft [...] nooit de gevolgen die een echtscheiding voor de echtgenoot van de gefailleerde zou hebben, inzonderheid een echtscheiding die zou worden voltrokken vóór de verschoonbaarheid van die echtgenoot effect sorteert, aan een specifiek onderzoek onderworpen.
Het betreft hier een punt dat momenteel bijzonder heikel is, niet alleen in het licht van de thans geldende wetsbepalingen, maar vooral als gevolg van arrest nr. 37/2007 (7 maart 2007) van het Grondwettelijk Hof. Volgens sommigen bestond er immers een discriminatie tussen diegene die echtgenoot bleef en de gewezen echtgenoot (die de echtscheidingsprocedure begon en beëindigde vóór het verkrijgen van de verschoonbaarheid). Het Hof heeft geoordeeld dat die toestand géén discriminatie inhoudt. Terzake kan worden verwezen naar punt B.7. van het arrest (cf. DOC 52 1032/001, blz. 5).

Strikt juridisch, alsook rekening houdend met de grondwettigheid van de wet en met de doelstellingen die ze nastreeft, kunnen de indieners van dit wetsvoorstel die visie wel volgen. Toch achten zij een wetswijziging noodzakelijk, want met name om sociale redenen kan het niet door de beugel dat er een verschil in behandeling bestaat tussen, enerzijds, de echtgenoot van de gefailleerde die aansprakelijk is voor de schulden en, anderzijds, de voormalige echtgenoot die zich tijdens de duur van het huwelijk voor die schulden aansprakelijk heeft gesteld.

Doordat het huwelijk evenwel is ontwricht geniet laatstgenoemde echtgenoot niet langer automatisch de gevolgen van een eventuele verschoonbaarheid en daar komt nog bij dat de betrokkene bij het faillissement of tijdens de periode rond het faillissement veelal niet meer bij machte was eventueel nog iets gedaan te krijgen van zijn echtgenoot.
Het is bijgevolg aangewezen artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet nogmaals te wijzigen en duidelijk te stellen dat ingevolge de verschoonbaarheid niet enkel de echtgenoot van de gefailleerde bevrijd is van zijn verbintenissen, maar ook de gewezen echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, aangegaan tijdens het huwelijk.

De voorwaarden uit het derde lid van het artikel 82 blijven behouden. Het is bijgevolg duidelijk de bedoeling de echtgenoot en de gewezen echtgenoot op voet van gelijkheid te brengen » (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-1032/003, pp. 4 en 5).

De enkele omstandigheid dat de wetgever voortaan ook de voormalige echtgenoot wil beschermen, impliceert niet dat hij zijn vroegere doelstelling zou hebben opgegeven : het doel van artikel 82, tweede lid, blijft de gefailleerde in staat stellen zijn activiteit op een aangezuiverde basis te hervatten zonder het risico te lopen van vervolgingen die door de schuldeisers zouden kunnen worden ingesteld op het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, ook al wordt de voormalige echtgenoot, om billijkheidsredenen te zijnen aanzien, voortaan gelijkgesteld met de echtgenoot.

Vermits het voordeel van verschoonbaarheid aan de gefailleerde wordt toegekend op grond van persoonlijke elementen, staat de beoordeling van die elementen door de rechter die uitspraak moet doen, los van het feit of de echtgenoot of voormalige echtgenoot al dan niet vat zou hebben kunnen gehad op omstandigheden die zich hadden kunnen voordoen tussen het ogenblik waarop hij zich persoonlijk bindt en het ogenblik van het vonnis waarbij het faillissement wordt uitgesproken : ongeacht de handelwijze van de echtgenoot of de voormalige echtgenoot, zij zou niet ertoe mogen leiden dat het voordeel van verschoonbaarheid aan de gefailleerde wordt toegekend rekening houdend met het belang of de eisen van de echtgenoot of van de voormalige echtgenoot.

Uit het voorgaande volgt dat artikel 82, tweede lid, door aan de beslissing over de verschoonbaarheid van een gefailleerde een automatisch gevolg te verbinden voor de situatie van de echtgenoot of van de voormalige echtgenoot, niet op discriminerende wijze afbreuk doet aan de rechten van de betrokkenen.

Zie arrest GWH 18/05/2011 juridat

Let wel:

De verschoonbaarverklaring van de gefailleerde slaat enkel op zijn eigen schulden. De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid naar de ex-echtgenote heeft geen betrekking op de eigen schulden van de ex-echtgenote waarvoor zij zich hoofdelijk heeft verbonden.

zie Arbeidsrechtbank te Kortrijk, Afdeling Roeselare – 16 december 2011, RW 2012-2013, 28

M.V. t/ NV S. e.a.

...

Op 10 juni 2010 werd door de schuldbemiddelaar een gewijzigd voorstel van minnelijke aanzuiveringsregeling opgemaakt ingevolge de verkoop van het onroerend goed gelegen te (...), waarin de schuldenaar samen met haar ex-echtgenoot W.S. gerechtigd was. Daarbij neemt de schuldbemiddelaar niet meer alle schuldvorderingen in aanmerking, enkel die van de vzw Vrij sociaal Verzekeringsfonds voor zelfstandigen, van het Kantoor der Domeinen en Penale Boeten te Kortrijk en van mr. Y.R.

De NV S. en het Ontvangkantoor Kortrijk 2 deden afstand van hun schuldvordering.

Nopens de schuldvordering van de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen nam de schuldbemiddelaar in zijn ontwerp het volgende standpunt in: “het betreft een resterend saldo van een hypothecaire lening toegestaan aan het (thans uit de echt gescheiden) echtpaar W.S.-M.V. bij akte van 17 juni 1992 voor de aankoop van de gezinswoning. Bij vonnis van 10 februari 2003 van de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk werd het faillissement van de heer W.S. gesloten en werd hij met toepassing van art. 80 Faillissementswet, gewijzigd bij wet van 4 september 2002, verschoonbaar verklaard. Met toepassing van de wet tot wijziging van art. 82, tweede lid van de Faillissementswet betreffende de verschoonbaarheid van voormalige echtgenoten is mevrouw M.V. van deze schuld bevrijd. De aangifte van het Vlaams Woningfonds bedraagt bijgevolg nihil”.

De schuldbemiddelaar besluit dat enkel de verschuldigde kapitalen van de aanvaarde schuldvorderingen van de vzw Vrij sociaal Verzekeringsfonds voor zelfstandigen, van het Kantoor der Domeinen en Penale Boeten te Kortrijk en van mr. Y.R. of een totale schuldenlast voor een bedrag van 1.681,57 euro aangenomen worden.

Het voorstel van minnelijke aanzuiveringsregeling werd niet aanvaard door de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen.

Uit de stukken blijkt dat de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen haar schuldvordering deels heeft kunnen te gelde maken door de openbare verkoop van het onderpand, namelijk de echtelijke woning van de echtgenoten S.-V., die plaatsvond in juni 1993. De prijs van 60.733,91 euro was echter niet voldoende om het toen nog uitstaande leningsaldo van 75.919 euro volledig af te lossen. Tot vrijwaring van haar rechten in de recuperatie van het onvereffend gebleven saldo werd door de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen in 2003 onroerend beslag gelegd op de rechten (de helft in volle eigendom) van de heer S. en zijn echtgenote, huidige schuldenaar, in een woning die zij samen met de (schoon)broer en echtgenote hadden gekocht voor hun (schoon)vader. Deze woning werd ondertussen verkocht, nadat bij vonnis van 20 maart 2009 machtiging tot verkoop uit de hand werd verleend door deze rechtbank.

De inningsmaatregelen ten laste van de heer S. werden gestopt om reden dat hij na de vereffening van zijn faillissement op 10 februari 2003 verschoonbaar werd verklaard. Nu wenst de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen het restsaldo op te vorderen via de schuldenaar, mevrouw V. De gelden van de verkoop toekomende aan mevrouw V. (waarover discussie), staan thans geblokkeerd op de rekening van de instrumenterende notaris.

De CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen voert aan dat art. 82, tweede lid van de Faillissementswet verkeerdelijk wordt toegepast door de schuldbemiddelaar. De schuldenaar blijft immers aansprakelijk voor een hypothecaire lening ter financiering van de gezinswoning die zij in haar eigen naam solidair en hoofdelijk verbonden heeft afgesloten.

Om de opname van de schuldvordering te weigeren baseert de schuldbemiddelaar zich op art. 82, tweede lid van de Faillissementswet, dat ook van toepassing is op de ex-echtgenote, waardoor zij ook voordeel kan halen uit de door de rechtbank van koophandel uitgesproken verschoonbaarheid van de heer W.S., de gefailleerde.

Ook de raadsman van de schuldenaar is die mening toegedaan en wijst er daarnaast op dat partijen gehuwd waren onder het wettelijk stelsel, zodat de schuld ten aanzien van het Vlaams Woningfonds een gemeenschappelijke schuld betreft, ook al heeft de schuldenaar zich “solidair en hoofdelijk in eigen naam verbonden”.

Er wordt ook verwezen naar een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 28 oktober 2008 (RW 2008-09, 1776). Daaruit leidt de schuldenaar af dat de verschoonbaarheid zowel de situatie van de borgstelling van de echtgenoot als van het co-debiteurschap van de echtgenoot beoogt. Aangezien de hypothecaire lenig een co-debiteurschap inhoudt, is betrokkene bevrijd.

De vraag rijst of de schuldenaar en zijn schuldbemiddelaar zich hier terecht kunnen beroepen op art. 82, tweede lid van de Faillissementswet. Dit artikel bepaalt: “De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die zijn voormalige echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, wordt ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd”.

De hypothecaire lening die door de schuldenaar en de heer S. werd afgesloten is ingevolge art. 1408 BW inderdaad een gemeenschappelijke schuld. De schuld werd immers aangegaan zowel door de schuldenaar als door de heer S. tijdens het huwelijk.

Overeenkomstig art. 1414 BW kunnen gemeenschappelijke schulden zowel verhaald worden op het gemeenschappelijk vermogen als op het eigen vermogen van elk van de echtgenoten.

Wanneer de echtgenoten samen een schuld aangaan, dan zijn zij tot betaling gehouden met alle goederen, ongeacht de aard van de schuld.

Luidens art. 82, eerste lid Faillissementswet kan de gefailleerde die verschoonbaar werd verklaard, niet meer vervolgd worden door zijn schuldeisers. Volgens het tweede lid van die wetsbepaling wordt de (ex-)echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting. De verschoonbaarverklaring treft echter enkel de eigen schulden van de gefailleerde (zie Cass. 14 januari 2010, nr. F.08.0090.N, ww.cass.be en conclusie van advocaat-generaal Dirk Thijs).

De schuldenaar heeft zich ook in eigen naam hoofdelijk en solidair verbonden voor de aankoop van de gezinswoning, en dit voor privédoeleinden. De gemeenschappelijke aard van de schuld maakt het mogelijk dat deze schuld zowel verhaald kan worden op het gemeenschappelijk vermogen als op het eigen vermogen van de beide (ex-)echtgenoten. De verschoonbaarverklaring heeft niet tot gevolg dat voor deze schuld geen verhaal meer mogelijk is op de eigen goederen van de schuldenaar mevrouw V. Het is immers zo dat mevrouw V. gevrijwaard is voor betaling van de eigen schulden van haar ex-echtgenoot, waarvoor zij een zekerheid stelde.

Het saldo van de hypothecaire lening maakte voor de heer S. een eigen schuld uit die voor hem ingevolge de verschoonbaarverklaring onherroepelijk teniet werd gedaan.

De schuldenaar contracteerde ook in eigen naam, wat blijkt uit de koopovereenkomst van de gezinswoning en de daartoe aangegane hypothecaire lening. De aard van de schuld (gemeenschappelijk) maakt dat de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen zich kan verhalen op het gemeenschappelijk vermogen en het eigen vermogen van zowel de gefailleerde als zijn echtgenoot.

Mevrouw V. heeft zich in casu niet enkel verbonden ten gunste van de schulden van de gefailleerde zelf of tot zekerheid van de schuld van de gefailleerde. In het voormelde arrest van het Hof van Beroep te Gent van 28 oktober 2008 (waarnaar de raadsman van de schuldenaar verwijst) was dit wel het geval, zodat de daarin besproken problematiek duidelijk te onderscheiden is van huidige situatie waarbij beide echtgenoten zich indertijd elk in eigen naam hoofdelijk en solidair verbonden hebben voor de hypothecaire lening aangegaan ter financiering van de aankoop van de gezinswoning.

Terecht voert de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen aan dat de verschoonbaarheid en de uitbreiding ervan tot de (ex-)echtgenoot niet slaan op de eigen verbintenissen van de echtgenoot van de gefailleerde, die deze zekerheidsfunctie niet hebben.

Ten onrechte gaat de schuldbemiddelaar ervan uit dat, nu het gemeenschappelijk vermogen van de gefailleerde niet meer kan worden aangesproken, de bevrijding van de (ex-)echtgenoot van de gefailleerde slaat op alle schulden van het gemeenschappelijk vermogen, waaronder het saldo van de hypothecaire lening. Dan zou immers iedere (professionele) schuldeiser van de niet-gefailleerde (ex-)echtgenoot – wiens schuld verhaalbaar is op het gemeenschappelijk vermogen – zijn verhaalsrechten verliezen op het eigen vermogen van de contracterende, niet-gefailleerde echtgenoot. Een dergelijke stelling breidt de gevolgen van de verschoonbaarheid dan uit tot de schulden van de niet-gefailleerde echtgenoot die verhaalbaar zijn op het gemeenschappelijk vermogen, en geeft daarmee een dermate ruime interpretatie aan art. 82 Faillissementswet die indruist tegen de ratio legis van dit artikel.

Het Grondwettelijk Hof merkte in dit verband reeds op dat de uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van de gefailleerde werd ingevoerd omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit in het gemeenschappelijk vermogen terechtkomen (art. 1405, eerste lid BW). Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomens van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel (Grondwettelijk Hof 17 januari 2008, nr. 3/2008).

De bedoeling van de wetgever bestond er dus in te vermijden dat het gemeenschappelijk vermogen nog wordt aangesproken door de schuldeisers van de gefailleerde. Het ligt geenszins in de bedoeling van de wetgever om de gevolgen van de verschoonbaarheid uit te breiden tot de eigen schulden van de niet-gefailleerde echtgenoot of tot diens schuldeisers.

Deze zaak betreft echter de gevolgen van de verschoonbaarheid voor de verhaalmogelijkheid van de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen betreffende eigen verbintenissen van de ex-echtgenoot van de gefailleerde ten aanzien van het nog verschuldigde en niet-vereffende saldo van de hypothecaire lening voor de aankoop van de gezinswoning, los van enige zekerheidsstelling voor de schulden van de gefailleerde.

De stelling van de schuldbemiddelaar kan dus niet gevolgd worden. De schuldvordering van de CVBA Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen dient door de schuldbemiddelaar opgenomen te worden in het passief. Met deze schuldvordering dient bijgevolg rekening te worden gehouden bij de opmaak van de minnelijke aanzuiveringsregeling, wat niet is gebeurd.

...

Commentaar: 

De verklaring van verschoonbaarheid vormt voor de gefailleerde een gunstmaatregel die hem in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, en dit niet alleen in zijn belang maar ook in het belang van zijn schuldeisers of sommigen onder hen die er belang bij kunnen hebben dat hun schuldenaar zijn activiteiten op een dergelijke basis hervat, waarbij het voortzetten van een handels- of industriële activiteit bovendien het algemeen belang kan dienen (Parl.St. Kamer 1991-92, nr. 631/1, p. 35 en 36).

De wetgever, die van oordeel is dat “de mogelijkheid tot herstel [...] utopisch [blijft] indien [de gefailleerde] de last van het passief moet blijven dragen”, heeft gemeend dat “het [...] immers niet te verantwoorden [is] dat het in gebreke blijven van de schuldenaar als gevolg van omstandigheden waarvan hij het slachtoffer is, hem verhindert andere activiteiten te verrichten” (Parl.St. Kamer 1991-92, nr. 631/13, p. 50).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever “op een evenwichtige wijze rekening [heeft willen] houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde zelf, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in haar geheel” en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (Parl.St. Kamer 1991-92, nr. 631/13, p. 29).

De wetgever heeft bij de wet van 4 september 2002, in art. 82 van de Faillissementswet een tweede lid ingevoegd, volgens welk de echtgenoot van de gefailleerde “die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld” voor de schuld van de gefailleerde, ingevolge de verschoonbaarheid ook wordt bevrijd van die verplichting.

Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat die bepaling onverenigbaar was met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in zoverre de echtgenoot die krachtens een fiscale bepaling is gehouden tot een belastingschuld met de gefailleerde, door de verschoonbaarverklaring niet kon worden bevrijd van de verplichting tot betaling van die schuld (arrest nr. 78/2004 van 12 mei 2004 en arrest nr. 6/2005 van 12 januari 2005). Om hieraan tegemoet te komen bepaalde art. 82, tweede lid van de Faillissementswet, zoals vervangen bij art. 2 van de wet van 2 februari 2005 tot wijziging van art. 82, tweede lid van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, dat de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd wordt van die verplichting.

Art. 82, tweede lid van de Faillissementswet bevrijdt de echtgenoot en de voormalige echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, van die verplichting.

Bij zijn arresten van 24 februari 2011 (Arr.Cass. 2011, nr. 168) en 8 juni 2012 (C.11.080.F/2) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat “die bepaling [...] ook van toepassing [is] wanneer de echtgenoot van de gefailleerde, samen met hem, medeschuldenaar is van een schuld die de twee echtgenoten vóór het faillissement zijn aangegaan en waarvoor de echtgenoot van de gefailleerde bijgevolg persoonlijk aansprakelijk is”.

Het Grondwettelijk Hof diende in haar arrest van 21 maart 2013 te onderzoeken of die maatregel discriminatoire gevolgen heeft ten aanzien van de schuldeisers van de echtgenoot, die op identieke wijze worden behandeld ongeacht of de echtgenoot zich borg heeft gesteld voor een persoonlijke schuld van de gefailleerde dan wel, gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde, een schuld heeft aangegaan ten bate van zijn eigen vermogen.

Daarbij dient rekening te worden gehouden, enerzijds, met de economische en sociale doelstellingen van de in het geding zijnde maatregel en, anderzijds, met de ter zake geldende beginselen van het burgerlijk vermogensrecht volgens welke “alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan [...] degenen die deze hebben aangegaan, tot wet [strekken]” (art. 1134, eerste lid BW) en “ieder die persoonlijk verbonden is, [...] gehouden [is] zijn verbintenissen na te komen, onder verband van al zijn goederen, hetzij roerende, hetzij onroerende, zo tegenwoordige als toekomstige” (art. 7 Hypotheekwet).

De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, werd ingevoerd, niet om discriminatie te vermijden op het vlak van de solidariteit die uit het huwelijk is ontstaan, maar omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit in het gemeenschappelijk vermogen terechtkomen (art. 1405, eerste lid BW). Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, met inbegrip van zijn eigen goederen, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel.

De omstandigheid dat de gezamenlijke schuld van de gefailleerde en diens echtgenoot is aangegaan voor de verwerving, door de echtgenoot, van een eigen goed, heeft in dat verband geen invloed omdat de verhaalmogelijkheid waarover de schuldeisers beschikken, ook betrekking heeft op het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten. De omstandigheid dat de echtgenoot zou zijn gehouden, krachtens art. 1216 BW, tot voldoening van de gehele schuld ten aanzien van de andere medeschuldenaar – de verschoonbaar verklaarde gefailleerde – heeft evenmin invloed. Op dezelfde wijze is de omstandigheid dat de schuldeiser van een schuld die is aangegaan, in het belang van zijn eigen vermogen, door een echtgenoot die is onderworpen aan een stelsel van scheiding van goederen, en door de verschoonbaar verklaarde gefailleerde echtgenoot, de inning van zijn schuldvordering kan verhalen op het vermogen van de echtgenoot, terwijl de schuldeiser van een schuld die onder dezelfde voorwaarden is aangegaan door een echtgenoot die is onderworpen aan een stelsel van gemeenschap van goederen of aan het wettelijk stelsel, niet zo’n inning kan verkrijgen, niet van die aard dat zij de in het geding zijnde maatregel onverantwoord maakt, omdat een dergelijk verschil in behandeling voortvloeit uit de keuze van de echtgenoten voor een bepaald huwelijksvermogensstelsel. De wetgever kon overigens redelijkerwijs oordelen dat de rechter die, om een gefailleerde verschoonbaar te verklaren, alle elementen van diens situatie in aanmerking dient te nemen, rekening houdt met de gezamenlijke of hoofdelijke verbintenis die de gefailleerde is aangegaan om een gemeenschappelijke schuld te waarborgen die is aangegaan om zijn echtgenoot in staat te stellen een eigen goed te verwerven.

Het hof oordeelde dat één en ander de ongelijkheid niet schond.

Zie arrest grondwettelijk hof 21 maart 2013, RW 2013-2014, 387 met noot

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:16
Laatst aangepast op: zo, 13/12/2015 - 15:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.