-A +A

Verplichte vermelding van beroepsmogelijkheid in administratieve beslissingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Art. 2, 4° van de Wet Openbaarheid Bestuur bepaalt: “Met het oog op een duidelijke en objectieve voorlichting van het publiek over het optreden van de federale administratieve overheden: (...) vermeldt elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van een federale administratieve overheid ter kennis wordt gebracht van een bestuurde, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen; bij ontstentenis neemt de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang”.

Uit deze bepaling volgt dat het bestuur de beroepsmogelijkheden moet vermelden alsmede de instantie die bevoegd is om kennis te nemen van het beroep.

Deze bepaling vereist niet dat het bestuur de territoriaal bevoegde rechtbank en het adres ervan vermeldt. De vermelding van de georganiseerde beroepsmogelijkheden en de instantie die materieel bevoegd is om kennis te nemen van het beroep, volstaat.

Zie Cass. 20/10/2011, RW 2012-2013, 1414
 

Misleiding door de overheid inzake mogelijkheid tot beroep

• Politierechtbank West-Vlaanderen, Afdeling Brugge, 1e Burgerlijke Kamer – 12 december 2016, RW 2017-2018, 1355

samenvatting

Wanneer een bestuur de burgers misleidt door de indruk te wekken dat deze tegen een beslissing van het bestuur hoger beroep kunnen aantekenen, dan moeten de volstrekt overbodige gedingkosten die daardoor ontstaan, ten gevolge van de volstrekt misleidende informatie die het bestuur gzeeft als sanctie op deze misleiding door het bestuur worden gedragen.

vonnis:

C. t/ Stad Oostende

...

A. Gegevens en voorwerp van de vordering

De vordering van appellante is gericht tegen de beslissing van 24 oktober 2016 waarbij hem een gemeentelijke administratieve geldboete werd opgelegd van 55 euro wegens een schending van de regels inzake stilstaan en parkeren.

B. Beoordeling

1. Voornaamste feitelijke elementen en antecedenten

Blijkens een proces-verbaal stelde een Oostends agent van politie op 7 augustus 2016 om 12u30 vast dat de personenwagen Mazda (...) te Oostende (...) geparkeerd stond langs een gele onderbroken streep.

Houder van de nummerplaat was de h. C., die met brief van 1 september 2016 werd ingelicht van het feit dat er tegen hem een proces-verbaal was opgesteld en die werd verzocht een administratieve geldboete van 55 euro te betalen. Bij de brief was een kopie gevoegd van het proces-verbaal en een «verweerformulier» dat binnen dertig dagen kon worden ingevuld indien men verweermiddelen wenste kenbaar te maken.

Het verweerformulier werd te laat ingevuld en in het vak «verweer» schreef de h. C.: «Ik ben sedert 11 mei 2016 gedetineerd in de gevangenis van Brugge (zie attest in bijlage). N.D. gebruikte op het moment van de overtreding mijn auto zonder toestemming.» In het vak «gegevens overtreder» vulde hij het volledige adres in van de h. D.

Op 24 oktober 2016 werd aan de h. C. een «herinnering» gestuurd, met het verzoek alsnog te betalen. Blijkens het origineel dat in het dossier steekt dat door de h. C. werd neergelegd, heeft iemand op dit document met de hand geschreven «verweer te laat».

Daarop werd op 22 november 2016 een verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd.

2. Ontvankelijkheid

Blijkens het verzoekschrift tot hoger beroep van 22 november 2016 wordt hoger beroep aangetekend «tegen de beslissing van de sanctieambtenaar van 24 oktober 2016».

Dat is prima facie een vergissing, want op 24 oktober 2016 werd er helemaal geen beslissing genomen. Op 24 oktober 2016 werd enkel een «herinnering» gestuurd.

De beslissing werd genomen op 1 september; de h. C. had vanaf dan dertig dagen tijd om zijn verweer te laten geworden. Als hij binnen die termijn een verweer had laten geworden, dan moest de ambtenaar de zaak opnieuw onderzoeken en een nieuwe beslissing nemen. Aangezien de h. C. niet reageerde binnen dertig dagen te rekenen vanaf 1 september, was de beslissing van die datum definitief geworden. Tegen de op 24 oktober 2016 uitgestuurde «herinnering» kon er geen hoger beroep aangetekend worden. Het hoger beroep is dus niet ontvankelijk.

Men kan er echter niet naast kijken dat de stad Oostende zelf op het document «herinnering» heeft vermeld: «U heeft het recht om tegen deze beslissing beroep aan te tekenen bij de politierechtbank. Hiertoe moet U op straffe van verval binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van deze brief een verzoekschrift neerleggen ....».

Als de stad – toch de «sterke» partij in dit verhaal – zelf de burgers misleidt door de indruk te wekken dat zij tegen haar «herinneringen» hoger beroep kunnen aantekenen, dan moet zij natuurlijk niet verbaasd zijn dat sommige burgers dat effectief doen. De volstrekt overbodige gedingkosten die daardoor ontstaan, zijn dan een gevolg van de volstrekt misleidende informatie die de stad zelf geeft. De sanctie op deze misleiding moet erin bestaan dat zij zelf moet instaan voor de gedingkosten die uit haar misleiding zijn voortgevloeid.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: za, 04/05/2013 - 16:53
Laatst aangepast op: vr, 13/04/2018 - 21:05

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.