-A +A

Vermogensverschuiving zonder oorzaak actio de in rem verso

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Wanneer een vermogensovergang plaatsvindt zonder dat hiertoe enige rechtvaardiging bestond, dient het verrijkte vermogen het verarmde te compenseren

Verbintenissen kunnen ontstaan uit overeenkomst, onrechtmatige daad, de wet zelf maar ook uit
1. de eenzijdige wilsuiting;
2. de zaakwaarneming (art. 1372-1375 B.W.);
3. de onverschuldigde betaling (art. 1376-1381 B.W.);
4. de vermogensverschuiving zonder oorzaak.

Vermogensverschuiving zonder oorzaak of onrechtmatige verrijking ingevolgde ongeoorloofde patrimoniale verschuiving.

Wanneer een overgang van een vermogen of een vermogensbestanddeel heeft plaats gehad van een persoon naar dat van een andere zonder dat hiertoe enige rechtvaardiging bestond, dient het verrijkte vermogen het verarmde te compenseren.

Voorwaarden:

- een verarming van het ene vermogen;
- een overeenstemmende verrijking van een andere vermogen;
- een bewezen oorzakelijk verband tussen deze verarming en deze verrijking
- het gebrek aan geldige juridische oorzaak, lees grondslag van de vermogensverschuiving.
- het subsidiair karakter van de vordering.


De "verarmde" dient te bewijzen dat deze voorwaarden zijn vervuld.
De afwezigheid van oorzaak moet zowel de verarming als de verrijking betreffen.

Onder oorzaak wordt elke juridische daad of elke wetsbepaling verstaan, waaruit degene die de verrijking bekwam het recht put om deze te bewaren. De oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn, een rechterlijke beslissing, of zelfs de eigen wil van de verarmde.

Indien deze voorwaarden vervuld zijn en er geen andere vorderingen kunnen ingesteld, kan een vordering worden ingesteld op grond van vermogensverschuiving zonder oorzaak, ook de actio de in rem verso geheten waarbij de verarmde partij de neutralisering van de vermogensverschuiving vordert, door een vergoeding te eisen, zonder dat een teruggave van de verrijking kan worden gevorderd. Indien er een verschil in bedrag bestaat tussen de verarming en de verrijking, bedraagt deze deze vergoeding bedraagt het laagste bedrag van respectievelijk de verrijking of de de verarming.

In de wet is er geen bepaling mbt deze rechtsfiguur. De vermogensverschuiving zonder oorzaak is een creatie van de Belgische rechtspraak.

Voorbeeld: Een eigenaar brengt verbeteringswerken toe aan zijn woning waardoor de woning van zijn buur in waarde stijgt. In dit geval kan deze vordering niet worden ingesteld gezien er geen verarming is in hoofde van de eigenaar die de verbeteringswerken uitvoerde.

Cass. 7 september 2001, C.99.0520.F; 18 april 1991, A.C. 1990-91, nr. 431: Bij gebrek aan overeenkomst tussen de partijen, kan de huurder, krachtens het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand zich ten koste van een ander zonder oorzaak mag verrijken, voor de verbeteringen in het onroerend goed vergoed worden, op voorwaarde dat de verhuurder niet in de onmogelijkheid verkeerde ze te doen wegnemen.

Cass. 19 januari 2009, RW 2009-2010, 1084: Wanneer een persoon een bedrag heeft betaald aan een gerechtsdeurwaarder om een schuld van een derde te betalen en hierbij dus geen eigen schuld inlost, noch uit vrijgevigheid handelt, maar  slechts hulp heeft willen bieden met de vanzelfsprekende gedachte dat deze de voorgeschoten gelden zou terugbetalen door de uitdrukkelijke omschrijving dat zulks als "voorschot geldt", heeft deze terbeschikking stelling van gelden weliswaar "een oorzaak", namelijk de hulpvaardigheid maar dit zonder de wil een vermogensverschuiving tot stand te brengen. In dit geval kan het bedrag van de tijdelijk ter beschikking gestelde gelden dan ook op grond van het algemeen rechtsbeginsel van de verrijking zonder oorzaak worden teruggevorderd. Aldus wordt een onderscheid gemaakt tussen vrijgevigheid die niet tot terugvordering kan aanleiding geven en hulpvaardigheid zonder vrijgevigheid. 

NOOT onder dit arrest in het RW 2009-2010, 1084, Emily Nordin– De wil als oorzaak van een vermogensverschuiving: het onderscheid tussen hulpvaardigheid en vrijgevigheid lees deze noot met het paswoord RW


• Cassatie 27/09/2012, juridat, AR Nr. C.11.0159.F

Samenvatting

Een schuldvordering die ontstaan is uit verrijking zonder oorzaak is een waardenschuld en geen sommenschuld; artikel 1895 van het Burgerlijk Wetboek is uitsluitend op de sommenschuld van toepassing.
uittreksel uit het burgerlijk wetboek: Art. 1895. De verbintenis die voortvloeit uit een lening van geld, is steeds bepaald door de numerieke geldsom die in het contract is uitgedrukt.
Indien er voor het tijdstip van de betaling vermeerdering of vermindering van de waarde van de muntspeciën heeft plaatsgehad, moet de schuldenaar de geleende numerieke geldsom teruggeven en moet hij slechts die som teruggeven in de muntspeciën die gangbaar zijn op het ogenblik van de betaling.

M. D.,
tegen
G. B.,
Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 8 november 2010.
Op 3 september 2012 heeft advocaat-generaal André Henkes een schriftelijke conclusie neergelegd.
Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN
In het cassatieverzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift bij dit arrest is gevoegd, voert de eiseres drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
(...)
Tweede middel
Zonder te worden bekritiseerd, aanvaardt het arrest dat de verweerder houder is van een schuldvordering tegen de eiseres wegens de uitbreidingswerkzaamheden die hij met zijn eigen geld uitgevoerd heeft in het pand te Housse waarvan de partijen de onverdeelde eigendom hadden, in het raam van de vereffening van hun stelsel van zuivere scheiding van goederen.

Het middel voert niet aan dat het arrest het algemeen rechtsbeginsel dat niemand zich ten koste van een ander mag verrijken, miskent door de erkenning van een schuldvordering van de verweerder op dat beginsel te gronden.

Het verwijt het arrest dat het beslist dat, aangezien de eiseres "zich verrijkt heeft met het bedrag van die werkzaamheden [...], de schuldvordering [van de verweerder] geactualiseerd moet worden, gelet op de verkoopprijs die zij gekregen hebben".

Het middel preciseert niet hoe het arrest aldus de artikelen 1466 tot 1469 van het Burgerlijk Wetboek schendt.

Bovendien is een schuldvordering die ontstaan is uit een verrijking zonder oorzaak een waardenschuld en geen geldschuld; artikel 1895 van het Burgerlijk Wetboek is uitsluitend op een geldschuld van toepassing.

Het arrest dat verweerders schuldvordering opnieuw begroot, schendt daardoor die bepaling niet en het miskent evenmin het voormelde algemeen rechtsbeginsel.
Het middel kan niet worden aangenomen.
(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de appelkosten bepaalt.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres in twee derde van de kosten, houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel


Geen verrijking zonder oorzaak wanneer een partij een andere vordering liet teniet gaan

• Cassatie 25/03/1994, A.R. 8187

samenvatting 
Het subsidiaire karakter van de rechtsvordering die op verrijking zonder oorzaak steunt, belet dat deze vordering wordt aangenomen wanneer de partij een ander vordering, die zij heeft laten tenietgaan, kon instellen.

Tekst arrest

HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 17 april 1991 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen;

Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 1251, enig lid, 3°, van het Burgerlijk Wetboek, en van het algemeen rechtsbeginsel dat niemand zich zonder oorzaak ten laste van een ander mag verrijken, zoals bevestigd in artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek, van artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek en 22 van de Wet van 11 juni 1874 op de verzekering, vormend titel X van boek I van het Wetboek van Koophandel,

doordat het Hof van Beroep te Antwerpen in de bestreden beslissing van 17 april 1991, na te hebben vastgesteld dat bij arrest van de zevende kamer van het Hof dd. 18 november 1981 voor recht gezegd was dat de verantwoordelijkheid voor de schadelijke gevolgen van het ongeval van 22 december 1979 ten laste diende te worden gelegd van beide in het ongeval betrokken bestuurders, en het hof deze verantwoordelijkheid bij helften verdeelde met dien verstande dat ook inzittende Janssen voor één vierde verantwoordelijk was voor de eigen schade wegens het niet dragen van de veiligheidsgordel,

dat eiseres in deze procedure vrijwillig was tussengekomen en samen met haar verzekerde Van Straelen solidair veroordeeld werd om o.m. aan de huwgemeenschap Versmissen-Janssen en aan dame Janssen in eigen naam een provisionele som van 50.000,- frank te betalen (waarbij tevens een geneesheer-deskundige werd aangesteld om dame Janssen te onderzoeken),

dat bij arrest van hetzelfde hof van 24 mei 1985 onder meer de definitieve schade-eisen voor de eigen schade van dame Janssen werden begroot, rekening houdend met haar eigen verantwoordelijkheid, en werden bepaald op 658.312,- frank, dat dame Janssen enkel en alleen beklaagde Van Straelen en zijn verzekeraar, eiseres, had aangesproken in betaling van de door haar geleden schade, en dat de oorspronkelijke vordering van eiseres er toe strekte van mede-aansprakelijke Versmissen de terugbetaling te vorderen van de helft van de door haar aan dame Janssen uitgekeerde bedragen, het vonnis van de eerste rechter, die deze vordering had ingewilligd, teniet doet en de oorspronkelijke vordering afwijst met volgende motieven : "(...)

dat oorspronkelijke eiseres (eiseres tot cassatie) haar vordering steunde en nog steunt op de actio judicati en zo deze niet mogelijk is op de actio de in rem verso; (...) dat de mededader of zoals in casu zijn verzekeraar die de volledige schuld betaald heeft op zijn beurt de vordering uitoefent van het slachtoffer, zodat de aard van die vordering afhangt van wat het slachtoffer zou gedaan hebben om zijn rechten veilig te stellen;

dat telkens wanneer het slachtoffer onder de vorm van een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing t.o.v. de andere mededader over een uitvoerbare titel beschikt, de vordering die de gesubrogeerde mededader zal kunnen uitoefenen geen vordering zal zijn tot vergoeding van de door het slachtoffer geleden schade, maar een actio judicati die het slachtoffer kan uitoefenen tegen de mededaders die veroordeeld waren hem te vergoeden; dat integendeel indien het slachtoffer niet was opgetreden tegen de mededaders of tegen sommige onder hen, de vordering van diegene die het slachtoffer heeft vergoed, tegen deze(n) opzichtens dewelke het slachtoffer beschikt, dan ook geen actio judicati is, maar een vordering in vergoeding van het door het slachtoffer zelf geleden schade; (...)

dat niet beschikkend over een uitvoerbare titel t.o.v. de andere mededader wiens schuld (eiseres) heeft voldaan, deze laatste slechts een vordering heeft in vergoeding van de door het slachtoffer zelf geleden schade; dat deze vordering, die in casu haar grondslag vindt in een misdrijf gepleegd door de mededader (verweerder) en bijgevolg onderworpen is aan de korte verjaringstermijn nl. 5 jaar (als) actio ex delictu verjaard was op het ogenblik dat (eiseres) de vordering instelde die het voorwerp van huidig geding uitmaakt; (...) dat (eiseres) die tijdens de strafrechtelijke procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vrijwillig tussenkwam reeds in 1981 wist dat het slachtoffer slechts een vordering instelde tegen haar verzekerde en tegen haar zelf en dus niet tegen de mededader haar echtgenoot;

dat zij ingevolge het arrest van 18 november 1981 ook op de hoogte was van het feit dat haar verzekerde slechts voor de helft aansprakelijk werd gesteld voor het kwestieus ongeval en dat ingevolge het principe van de solidariteit haar verzekerde en zijzelf als vrijwillig tussenkomende partij veroordeeld werden de totaliteit van een provisioneel bedrag aan het slachtoffer te betalen min 1/4 waarvoor het slachtoffer zelf aansprakelijk werd gesteld;

dat zij bijgevolg toen reeds kennis had om de actio ex delictu uit te oefenen wat zij nagelaten heeft te doen; dat zij trouwens begin 1982 reeds een provisioneel bedrag aan het slachtoffer uitbetaalde en niet diende te wachten tot op het ogenblik dat de schade van het slachtoffer in zijn geheel begroot was;

(...) dat (verweerder) terecht stelt dat de vordering wegens verrijking zonder oorzaak een essentieel subsidiaire vordering is, die enkel toegelaten is voor zover de eiser geen enkel ander middel ter beschikking staat of ter beschikking heeft gestaan om zijn vordering op te steunen;

dat nu (eiseres) ingevolge haar eigen nalatigheid vervallen is door het verstrijken van de verjaringstermijn een vordering ex delictu in te leiden niet daarop volgend zich op de verrijking zonder oorzaak kan steunen teneinde het verloren gegane effect van de vordering ex delictu teniet te doen; dat uit de subsidiaire aard der actio de in rem verso volgt dat die vordering niet kan dienen om een rechtsvordering te vervangen die men door zijn eigen schuld heeft laten verloren gaan" (arrest pp. 4 tot 6).

terwijl overeenkomstig artikel 1251, enig lid, 3° van het Burgerlijk Wetboek, indeplaatsstelling van rechtswege geschiedt ten voordele van hem die, met anderen of voor anderen tot betaling van een schuld gehouden zijnde, er belang bij had deze te voldoen;

Anderzijds overeenkomstig een algemeen rechtsbeginsel, bevestigd in artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek, hij die zich verrijkt zonder oorzaak gehouden is hem wiens patrimonium daardoor verarmd is, te vergoeden of dit patrimonium te herstellen;

Aldus de vordering gesteld overeenkomstig artikel 22 van de Wet van 11 juni 1874 door de verzekeraar, die de schadevergoeding heeft betaald waartoe hij door de fout van zijn verzekerde gehouden was, tegen de derde die mede-verantwoordelijk is voor de schade, gegrond is op het recht, in hoofde van hem die de schade vergoedde, de bijdrage in deze vergoedingsplicht te bekomen van elkeen die medeverantwoordelijk is voor de schade;

De door de schuldenaar aldus tegen de mede-schuldenaar ingestelde "actio de in rem verso" weliswaar niet mag dienen om langs een omweg te bekomen wat de wet niet laat toekennen, en er derhalve niet mag toe strekken de wet te omzeilen; dergelijke wetsmiskenning niet voorligt wanneer, om de verjaring van de op een bepaalde rechtsgrond ingestelde vordering te ontlopen, de vordering op een andere rechtsgrond wordt gesteld; zo, bijvoorbeeld, de verjaring van de vordering ex delicto volkomen wettig kan ontlopen worden door, wanneer de daartoe gestelde voorwaarden zijn vervuld, het stellen van een vordering "de in rem verso";

De subsidiariteitsvoorwaarde van de "actio de in rem verso" slechts inhoudt dat deze vordering moet ontzegd worden aan de eiser die nog over enige effektieve en actuele vordering tegen de mede-aansprakelijke, beschikt om de vermogensverarming ongedaan te maken; te dezen het hof van beroep stelt dat eiseres voorheen over een vordering op een andere rechtsgrond had kunnen beschikken, doch deze vordering op het ogenblik van de behandeling voor het hof, teniet was gegaan door verjaring; aldus op het ogenblik van de behandeling voor het hof van beroep geen effektieve en actuele vordering tegen de medeaansprakelijke openstond om de vermogensverarming ongedaan te maken, zodat het hof van beroep niet wettig kon oordelen dat eiseres, nu zij de verjaringstermijn van de vordering ex delicto had laten verstrijken, zich niet daaropvolgend op de verrijking zonder oorzaak kon steunen (schending van alle in de aanhef van het middel aangehaalde wetsbepalingen) :

Overwegende dat het middel niet opkomt tegen het arrest in zoverre het : 1. beslist dat de vordering van eiseres die het slachtoffer heeft vergoed, tegen de mede-aansprakelijke verweerder "opzichtens dewelke het slachtoffer over geen uitvoerbare titel beschikt, dan ook geen actio judicati is, maar een vordering in vergoeding van het door het slachtoffer zelf geleden schade; 2. vaststelt dat eiseres, ingevolge verjaring, geen rechtsvordering "ex delicto" nog kon instellen;

Overwegende dat, in zoverre eiseres haar vordering grondt op de verrijking zonder oorzaak van verweerder, uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat eiseres betalingen heeft gedaan voordat de burgerlijke rechtsvordering was verjaard;

Overwegende dat het subsidiaire karakter van de rechtsvordering die op verrijking zonder oorzaak steunt, belet dat deze vordering wordt aangenomen wanneer, zoals te dezen, de partij een andere vordering, die zij heeft laten tenietgaan, kon instellen;
Dat het middel faalt naar recht;

OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.

 

Nog dit: 

Ongerechtvaardigde verrijking in drie-partijen-verhouding, Dirix E., TPR 1981, 1023. Lees deze bijdrage via deze link

Vermogensverschuiving zonder oorzaak door prestaties van een echtgenoot (scheiding van goederen)

• Hof van Beroep, Antwerpen 30/11/2005

Samenvatting:

De prestaties van een onder het stelsel van scheiding van goederen gehuwde echtgenoot in de eigen handelszaak van de andere, kan geen aanleiding geven tot vergoeding op grond van verrijking zonder oorzaak.

De verhouding tussen echtgenoten gehuwd onder het stelsel van de zuivere scheiding van goederen is, wat hun goederen betreft, immers van contractuele aard, zodat de vermogensverschuiving zonder oorzaak dan ook geen grondslag kan uitmaken voor de gevorderde vergoeding, nu deze een subsidiaire rechtsfiguur is die niet kan toegepast worden in een contractuele relatie.

De contractuele verhouding tussen beide echtgenoten impliceert eveneens dat de voorwaarde van de afwezigheid van een oorzaak tussen de voorgehouden verarming en verrijking niet vervuld is, nu de eventuele verrijking van de ene echtgenoot in een stelsel van koude uitsluiting immers het gevolg is van een bewuste keuze van de echtgenoten, met name van het huwelijkscontract, en dus van de wil van de verarmde.

Tekst arrest

HET HOF,

...Overwegende dat appellanten vorderen :
"In hoofdorde te zeggen voor recht dat de heer M. A. - en dus concluante in eigen naam en qualitate qua als rechtsopvolgers-erfgenamen van de heer M. A. - recht hebben op een vergoeding voor de arbeid die de heer M. A. geleverd heeft voor de handelszaak, te betalen door geïntimeerde, en het bedrag van deze vergoeding naar redelijkheid en billijkheid te bepalen op EUR 250.000;

In ondergeschikte orde een deskundige te beopdrachten een raming te maken van de vergoeding die aan de heer M. A. - en dus aan concluante in eigen naam en qualitate qua als rechtsopvolgers-erfgenamen van de heer M. A. - toekomt voor de door hem geleverde arbeidsprestaties, vergoeding naar equivalent te bepalen volgens het loon voor een voltijdse tewerkstelling tussen de datum van het huwelijk zijnde 26 juli 1973 en de datum van het neerleggen van het verzoekschrift in echtscheiding zijnde 2 december 1986, het verslag uit te brengen binnen twee maanden na het tussen te komen arrest;

Uiterst ondergeschikt te zeggen voor recht dat de heer M. A. - en dus concluante in eigen naam en qualitate qua als rechtsopvolgers-erfgenamen van de heer M. A. - recht heeft op de helft van de waardevermeerdering die de handelszaak ondergaan heeft in de periode tussen de datum van het huwelijk zijnde 26 juli 1973 en de waarde ervan op datum van neerlegging van het verzoekschrift in echtscheiding zijnde 2 december 1986 en vervolgens de aanstelling van een deskundige te bevelen met als opdracht deze waardevermeerdering van de globale handelszaak, inclusief immateriële activa zoals cliënteel, naam en uithangbord, te ramen en hiervan verslag uit te brengen binnen twee maanden na het tussen te komen arrest;
Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, ...";

Dat geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het nog hangende hoger beroep;

Overwegende dat geïntimeerde en de rechtsvoorganger van appellanten, de heer M. A., huwden op 26.07.1973 onder het stelsel van de volledige scheiding van goederen ingevolge huwelijkscontract op 02.07.1973 verleden voor notaris Jozef THEUNISSEN te Eigenbilzen;
dat de echtscheiding tussen hen voltrokken werd op 23.03.1990 door de overschrijving van het vonnis d.d.
16.01.1990 van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren dat de echtscheiding toestond in het voordeel van geïntimeerde; dat in hetzelfde vonnis de gerechtelijke verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheid werd bevolen en partijen daartoe verwezen werden naar notaris Luc TUERLINCKX te Bilzen;

dat, ingevolge de neerlegging ter griffie van de uitgiften van de voormelde staat van vereffening en proces-verbaal van zwarigheden, de zaak opnieuw aanhangig werd gemaakt, wat aanleiding gaf tot deze procedure; dat, ingevolge het overlijden van de heer M. A. op 01.07.2002, het geding wordt verder gezet door zijn echtgenote, mevrouw B. G. en zijn minderjarige zoon, de heer T. A., vertegenwoordigd door mevrouw G., voornoemd;

Overwegende dat, ingevolge de beperkte verwijzing door het voormelde arrest van het Hof van Cassatie d.d.
09.05.2003, de saisine van het Hof beperkt is tot de vordering van eiser tot vergoeding van zijn verarming zonder oorzaak en de kosten;

Overwegende dat geïntimeerde vóór het huwelijk een handelszaak "BITOUCK", een kleinhandel in textielwaren en schoeisel, overnam van haar moeder en deze bleef uitbaten; dat, gelet op de vroegere uitspraken, het vaststaat dat deze handelszaak een eigen goed van geïntimeerde is en dit niet meer in vraag kan gesteld worden; dat appellanten voorhouden dat de heer M. A. vanaf het huwelijk in 1973 tot op het ogenblik van het inleiden van de echtscheidingsprocedure in 1986 actief meegewerkt heeft in de handelszaak en dat hij dus recht heeft op een vergoeding van geïntimeerde wegens verrijking van haar eigen vermogen; dat zij zich hiervoor steunen op de vermogensverschuiving zonder oorzaak;

Overwegende dat in een stelsel van scheiding van goederen, wanneer één echtgenoot meewerkt in de handelszaak die persoonlijk eigendom is van de andere echtgenoot voor zover overigens bewezen - er geen automatisch recht op vergoeding of recht op deelname is in de tijdens het huwelijk verwezenlijkte meerwaarde van de handelszaak;

dat dit immers eigen is aan het stelsel van de scheiding van goederen dat vrij door de echtgenoten gekozen werd (zie o.m. Baeteman e.a., Overzicht van rechtspraak, "Huwelijksvermogensrecht", T.P.R. 2003, p. 1769, nr. 377);

Overwegende dat, nu geïntimeerde met de heer A. gehuwd was onder het stelsel van de zuivere scheiding van goederen hun relatie, wat de goederen betreft, van contractuele aard was; dat de vermogensverschuiving zonder oorzaak dan ook geen grondslag kan uitmaken voor de gevorderde vergoeding, nu deze een subsidiaire rechtsfiguur is die niet kan toegepast worden in een contractuele relatie (zie o.m. Verbeke, A., Goederenverdeling bij Echtscheiding, Maklu, Antwerpen, 1991, nr. 250, p. 388); dat de contractuele verhouding tussen beiden eveneens impliceert dat de voorwaarde van de afwezigheid van een oorzaak tussen de voorgehouden verarming en verrijking meteen weerlegd is (De Page, H., Traité Elémentaire de Droit Civil Belge, T. III, 1967, p. 44, nr. 34 1° en p. 50, nr. 40 C 2°); dat de eventuele verrijking van de ene echtgenoot in een stelsel van koude uitsluiting immers het gevolg is van een bewuste keuze van de echtgenoten, met name van het huwelijkscontract, en dus van de wil van de verarmde (zie o.m. Verbeke, o.c., nr. 250, p. 388); dat appellanten dan ook het bewijs niet leveren van de afwezigheid van oorzaak;

Overwegende dat, ten overvloede, dient opgemerkt dat uit geen enkel voorgebracht objectief gegeven blijkt dat de prestaties van de heer M. A. voor de handelszaak van geïntimeerde de perken van een normale plicht van hulp en bijstand tussen echtgenoten op grond van art. 213 B.W. overtrof; dat appellanten ten onrechte voorhouden dat het Hof daarover geen uitspraak meer zou kunnen doen, nu het arrest van het Hof van beroep te Gent op dat punt niet verbroken zou zijn; dat dit arrest evenwel verbroken werd in zoverre het beslist over de vordering van de heer A. tot vergoeding van zijn verarming zonder oorzaak en uitspraak doet over de kosten; dat dit impliceert dat het Hof dient na te gaan of de voorwaarden voor de vermogensverschuiving zonder oorzaak vervuld zijn, inclusief de voorwaarde van de afwezigheid van oorzaak, dus ook de beoordeling of de prestaties van de man al dan niet kaderen in de hulpplicht ex art. 213 B.W.;
dat uit een attest d.d. 23.04.1981 van het Provinciaal Hoger Instituut voor Kunstonderwijs van Limburg blijkt dat de heer A. ingeschreven was in dagonderwijs in de afdeling Beeldende Kunsten van 01.10.1972 tot 30.06.1976; dat dit attest, opgesteld in tempore non suspecto, de voorkeur verdient boven het post factum opgesteld attest d.d. 03.04.2000 dat door appellanten wordt voorgelegd; dat verder eveneens blijkt dat hij van 02.01.1978 tot 21.10.1978 zijn militaire dienst vervulde;

dat het feit dat de heer A. ingeschreven was in dagonderwijs tot 30.06.1976 en tijdens het grootste deel van 1978 zijn legerdienst vervulde, moeilijk te rijmen valt met zijn bewering dat hij vanaf het huwelijk op 26.07.1973 met geïntimeerde heeft samengewerkt in de winkel; dat zijn eventuele activiteiten in die periode, gelet op het gevolgde onderwijs en het vervullen van de legerdienst, noodzakelijkerwijze erg beperkt zullen geweest zijn;

dat hij van 01.01.1979 tot 31.03.1981 was aangesloten bij de Algemene Sociale Kas voor Zelfstandigen;

dat hij in een aanvraag d.d. 14.06.1983 aan de mutualiteit om inschrijving als persoon ten laste, verklaarde zich onbezoldigd bezig te houden met het huishouden van geïntimeerde; dat, in het licht van zijn studies Beeldende Kunsten, het vanzelfsprekend was dat hij zich actief inzette voor de publiciteit van de handelszaak van geïntimeerde; dat echter niet blijkt dat dit, net zomin als eventuele bijstand bij de verbouwingswerken, de normale hulpplicht tussen echtgenoten te buiten ging; dat overigens mag aangenomen worden dat de handelszaak van geïntimeerde de voornaamste, zoniet de enige bron van inkomsten van het gezin was, zodat van de heer A. mocht verwacht worden dat deze tijdens zijn studies en tijdens het vervullen van zijn legerdienst, ook eens een handje uitstak in de zaak, wat eveneens volkomen kadert in zijn hulpplicht; dat verder blijkt dat geïntimeerde reeds op 02.03.1981 een vordering tot echtscheiding inleidde, die evenwel niet werd verder gezet, maar mag aangenomen worden dat de verstandhouding tussen de echtgenoten alsdan niet bevorderlijk was voor een intense samenwerking in de zaak van geïntimeerde;

dat appellanten dan ook niet alleen nalaten het bewijs te leveren dat hun rechtsvoorganger voor de handelszaak van geïntimeerde prestaties leverde die de perken van een normale plicht van hulp en bijstand tussen echtgenoten overtrof, maar dat uit de voormelde ernstige en overeenstemmende feiten, het tegendeel kan afgeleid worden;

dat appellanten dan ook zelfs het bewijs niet leveren van de verrijking van geïntimeerde of de verarming van de heer A.;

Overwegende dat de vordering van appellanten tot vergoeding van de vermogensverschuiving zonder oorzaak dan ook ongegrond is;

OM DIE REDENEN:
HET HOF, na beraad,
Recht sprekend op tegenspraak en binnen de perken van de verwijzing;
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart de vordering van appellanten tot vergoeding van de vermogensverschuiving zonder oorzaak ongegrond;
Verwijst de zaak naar de boedelnotaris, voor aanpassing van de staat van vereffening;
Verwijst appellanten in de gedingkosten, in hoofde van geïntimeerde begroot op EUR 233,02 rechtsplegingsvergoeding.


Vermogensverschuiving zonder oorzaak en de vergoedingen tussen ex-concubinanten

• Hof van Beroep Brussel AR 2007AR1044

Samenvatting

I . Einde van een feitelijke samenleven. Vergoedingen tussen de ex-concubanten.

II. De leer van de verrijking zonder oorzaak spruit voort uit billijkheidsoverwegingen, met name de noodzaak om een niet door het positieve recht gebillijkte of gerechtvaardigde vermogensverschuiving te voorkomen .

Voor de toepassing van de leer van de verrijking zonder oorzaak moeten hierna volgende voorwaarden verwezenlijkt zijn:
a) Er moet een verarming zijn van het ene vermogen;
b) Er moet een verrijking zijn van het andere vermogen;
c) Tussen de verrijking en de verarming moet er een verband bestaan wat wil zeggen dat zonder de verarming de verrijking niet zou zijn ontstaan;
d) Noch voor de verrijking noch voor de verarming mag een geldige juridische oorzaak kunnen worden aangewezen;
e) De verarmde mag geen andere rechtsvordering, ook geen vordering op grond van een ander oneigenlijk contract, zaakwaarneming of onverschuldigde betaling, ter beschikking hebben.

Er met dus worden onderzocht of bepaalde kosten niet dienen beschouwd te worden als een deelname in de uitgaven van het gemeenschappelijke leven. Ingeval van wel is een vordering tot terugbetaling van dergelijke uitgaven op grond van de theorie van de verrijking zonder oorzaak niet gerechtvaardigd bij gebrek aan enige verarming of verrijking in hoofde van de onderscheiden partijen.

III. Artikel 555 B.W. juncto de theorie van de kostenleer als rechtsgrond van een vordering in terugbetaling. De theorie van de kostenleer vloeit voort uit de toepassing van artikel 1381 B.W. Op grond van deze theorie is elke eigenaar verplicht, buiten de gevallen door de wet bepaald, om de kosten aan zijn eigendom die door een derde betaald werden, terug te betalen.

Tekst arrest

ARREST
Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2010/
A.R. nr. 2007/AR/1044

INZAKE VAN :

De heer W. P.,
appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 6 februari 2007,

TEGEN :

Mevrouw L. G.,

geïntimeerde, 

 

Gelet op de procedurestukken:

· het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 6 februari 2007, beslissing die betekend werd op 10 augustus 2007;
· het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 13 april 2007;
· de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 10 september 2007;
· de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 8 oktober 2007.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 12 januari 2010 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe appellant te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 58.837,26 euro , nadien uitgebreid tot 59.000 euro , plus de gerechtelijke intresten en tot het horen teruggeven binnen de 48u na betekening van een aantal roerende goederen onder verbeurte van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en dienvolgens appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag van 30.563,38 euro , plus de gerechtelijke intresten vanaf 21 september 2005, datum van de dagvaarding.

1.3. Het hoger beroep van appellant beoogt de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren.

1.4. Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde de integrale toekenning van haar oorspronkelijke vordering.

II. De Feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat partijen samen hebben gewoond in de woning van appellant van maart 2003 tot februari 2005. Bij vonnis van de vrederechter van Haacht van 26 januari 2005 werd geïntimeerde veroordeeld om het pand te verlaten.

Volgens geïntimeerde heeft zij in die periode alleen de lasten van het huishouden gedragen en heeft zij zelfs een aantal persoonlijke schulden van appellant betaald.

 

III. Beoordeling.

3.1. Geïntimeerde houdt vooreerst voor dat zij een hele reeks van rekeningen alleen heeft betaald die ofwel een last van het huishouden uitmaakten ofwel enkel ten goede kwamen aan appellant.

Zij beroept zich op de rechtsfiguur van de vermogensverschuiving zonder oorzaak en de theorie van de kostenleer als grond van haar vordering tot terugbetaling.

Appellant betwist in se niet dat geïntimeerde inderdaad een aantal betalingen verricht heeft (o.a. hypothecaire lening, maandelijkse bijdrage van 850 euro , belastingen, rekeningen, boodschappen...) en dat een aantal van die betalingen betrekking hebben op afkortingen van zijn persoonlijke schulden maar hij houdt voor dat deze betalingen een oorzaak hadden, met name de samenwoning, en geïntimeerde bijgevolg deze sommen niet kan terugvorderen.

3.2. De leer van de verrijking zonder oorzaak spruit voort uit billijkheidsoverwegingen, met name de noodzaak om een niet door het positieve recht gebillijkte of gerechtvaardigde vermogensverschuiving te voorkomen .

Voor de toepassing van de leer van de verrijking zonder oorzaak moeten hierna volgende voorwaarden verwezenlijkt zijn:

a) Er moet een verarming zijn van het ene vermogen;
b) Er moet een verrijking zijn van het andere vermogen;
c) Tussen de verrijking en de verarming moet er een verband bestaan wat wil zeggen dat zonder de verarming de verrijking niet zou zijn ontstaan;
d) Noch voor de verrijking noch voor de verarming mag een geldige juridische oorzaak kunnen worden aangewezen;
e) De verarmde mag geen andere rechtsvordering, ook geen vordering op grond van een ander oneigenlijk contract, zaakwaarneming of onverschuldigde betaling, ter beschikking hebben.

Hierna zal worden onderzocht of de kosten waarvan geïntimeerde gewag maakt, niet dienen beschouwd te worden als een deelname in de uitgaven van het gemeenschappelijke leven. Ingeval van wel is een vordering tot terugbetaling van dergelijke uitgaven op grond van de theorie van de verrijking zonder oorzaak niet gerechtvaardigd bij gebrek aan enige verarming of verrijking in hoofde van de onderscheiden partijen.

3.3. Geïntimeerde beroept zich tevens op artikel 555 B.W. juncto de theorie van de kostenleer als rechtsgrond van haar vordering in terugbetaling.

De theorie van de kostenleer vloeit voort uit de toepassing van artikel 1381 B.W. Op grond van deze theorie is elke eigenaar verplicht, buiten de gevallen door de wet bepaald, om de kosten aan zijn eigendom die door een derde betaald werden, terug te betalen.

3.4. Geïntimeerde toont aan dat zij een bedrag betaalde van 7.389,26 euro voor het vernieuwen van de ramen in de woning van appellant. Deze nieuwe ramen zijn geïncorporeerd in het onroerend goed, exclusief eigendom van appellant.

Op grond van de kostenleer dient appellant deze kosten terug te betalen aan geïntimeerde.

Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.

3.5. Geïntimeerde brengt een document bij waarin bedragen worden opgesomd ten beloop van 35.853,25 euro en beweert dat appellant dat document voor akkoord ondertekende.

Geïntimeerde betwist dit en ontkent dat zijn handtekening voorkomt op bewust document.

De eerste rechter merkte terecht op dat onafgezien of appellant dat document al dan niet ondertekend heeft, het geenszins een schuldbekentenis uitmaakt en hieruit geen enkele verplichting blijkt in hoofde van appellant om voornoemd bedrag terug te betalen.

Uit de neergelegde stukken blijkt dat geïntimeerde naast de boodschappen die zij op haar kosten deed en zonder rekening te houden met haar maandelijkse bijdrage van 850 euro (sinds juli 2004) zij tijdens de periode van samenwonen, naast de ramen t.b.v. 7.389,26 euro , nog volgende rekeningen betaalde:

- herstelling wagen appellant: 1.947,33 euro
- afhaling van spaarrekening van geïntimeerde: 8.000,00 euro
- 7x hypothecaire lening van 558,31 euro : 3.908,17 euro
- belastingen appellant: 2.916,51 euro
- eigen schulden appellant: 5.893,11 euro

Totaal: 22.665,12 euro

Met de ramen samen maakt dit een totaalbedrag uit van 30.054,38 euro .

Appellant zelf toont niet aan welke zijn bijdrage was in het huishouden in diezelfde periode.

Gelet op de omvang van het bedrag kan niet aangenomen worden dat geïntimeerde al deze betalingen verrichtte met als oorzaak de samenwoning, haar eigen belang of een weloverwogen risico dat gepaard gaat met buitenhuwelijks samenleven.

De door haar uitgevoerde betalingen overschrijden aanzienlijk de normale bijdrage die in een gemeenschappelijke huishouding van elke partner mag verwacht worden en hebben bovendien een verarming van het vermogen van geïntimeerde tot gevolg gehad en een verrijking van het vermogen van appellant. Vrijgevigheid wordt bovendien niet vermoed.

Op grond van de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak is geïntimeerde gerechtigd om voornoemd bedrag terug te vorderen vanwege appellant. In het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis is echter een materiële vergissing geslopen daar waar appellant veroordeeld wordt tot terugbetaling van een bedrag van 30.563,38 euro i.p.v. 30.054,38 euro .

3.6. Appellant werpt hiertegen op dat geïntimeerde rechtsmisbruik pleegt.

Hij beweert dat het getuigt van kwade trouw en zeker rechtsmisbruik uitmaakt om hem enerzijds het gevoel te geven dat om altruïstische en om amoureuze redenen financiële bijstand wordt verleend om dan anderzijds bij het beëindigen van de relatie deze bijstand terug te vorderen en hem achter te laten in een nog diepere put dan waarin hij zich reeds bevond.

Door alle betalingen nauwkeurig bij te houden en op te schrijven heeft geïntimeerde zeker niet de indruk kunnen wekken dat zij één en ander deed uit "altruïstische" overwegingen. Het komt trouwens eerder voor dat appellant "gebruik" heeft gemaakt van geïntimeerde om zijn eigen schulden te kunnen aflossen.

In deze is er dan ook geen sprake van enig rechtsmisbruik vanwege geïntimeerde.

3.7. Geïntimeerde vraagt tenslotte de afgifte van een reeks roerende goederen.

Appellant betwist dat deze goederen in zijn bezit zijn.

De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat geïntimeerde niet bewijst dat de door haar opgesomde goederen wel degelijk in het bezit zijn van appellant.

Er is geen reden om thans nog aan geïntimeerde toe te laten het bewijs hiervan te mogen leveren met alle middelen van recht gezien het tijdsverloop dat inmiddels reeds verstreken is sedert dat geïntimeerde de woning van appellant verliet.

Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.

3.8. Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.9. Beide partijen hebben ter zitting van 12 januari 2010 om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft.

Zij hebben dat terecht begroot op 2.500 euro .

Dit bedrag komt ten beloop van 2/3den toe aan geïntimeerde als de overwegend in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN :
HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de hierna beperkte mate gegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijziging dat appellant gehouden is tot terugbetaling van een bedrag van 30.054,38 euro in hoofdsom i.p.v. het toegekende 30.563,38 euro .

Veroordeelt appellant tot 2/3den van de kosten in hoger beroep, in hun geheel begroot
- in hoofde van hemzelf op euro 2.686 (186 rolrecht + 2.500 rechtsplegingsvergoeding), en
- in hoofde van geïntimeerde op euro 2.500 rechtsplegingsvergoeding.

 

 
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 2/3/2010

Commentaar: 

De vermogensverschuiving zonder oorzaak en de bezettingsvergoeding na ontbinding van de huur

• Cassatie 10/05/2012, C.10.0707.N

Samenvatting

Een vermogensverschuiving is zonder oorzaak wanneer er geen rechtsgrond is voor de verarming van de ene partij en de verrijking van de andere.

Tekst arrest

Nr. C.10.0707.N
S. D. G.,
eiser,
tegen
W. B.,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 22 oktober 2009 en 6 mei 2010.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel

1. Krachtens het artikel 1131 Burgerlijk Wetboek kan een verbintenis, aangegaan zonder oorzaak of uit een valse oorzaak of uit een ongeoorloofde oorzaak, geen gevolg hebben.

2. De nietigverklaring van de overeenkomst houdt in dat de partijen, zo mogelijk, in dezelfde toestand worden geplaatst als die waarin zij zich zouden bevinden indien zij niet hadden gecontracteerd.

3. De appelrechters die oordelen dat de door de eiser betaalde huurwaarborg niet dient te worden terugbetaald daar hem aldus een hogere vergoeding zou worden toegekend dan de voorziene terugbetaling van de huur, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

4. Een vermogensverschuiving is zonder oorzaak wanneer er geen rechtsgrond is voor de verarming van de ene partij en de verrijking van de andere.

5. De nietigheid van een overeenkomst van woninghuur staat niet eraan in de weg dat de eigenaar die tot de restitutie van de huurgelden is gehouden, op grond van ongegronde verrijking aanspraak kan maken op een vergoeding voor de bezetting van het verhuurde goed.

De omstandigheid dat de nietigheid van de overeenkomst het gevolg is van de overtreding van de woonkwaliteitsnormen neergelegd in de Vlaamse Wooncode die de openbare orde raken, sluit niet uit dat de rechter kan oordelen dat de bezetting van het onroerend goed een ongegronde verrijking oplevert.

6. Het onderdeel dat in die omstandigheid iedere vordering tot vergoeding van de bezetting uitsluit, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis van 22 oktober 2009 in zoverre het oordeelt over de huurwaarborg en vernietigt het bestreden vonnis van 6 mei 2010 in zoverre het oordeelt over de kosten.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten en laat de beslissing over de overige kosten aan de feitenrechter over.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde vonnissen van 22 oktober 2009 en 6 mei 2010.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zitting houdende in hoger beroep.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 520,25 euro in debet.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:16
Laatst aangepast op: di, 02/01/2018 - 12:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.